Part 42
--Gij waart zuiver en trouw, zegt gij; maar, zoet, lief Kalleken, ik leefde enkel om u weder te vinden, en nu zal, door de schuld van dien monnik, ons geluk vergiftigd zijn door jaloerschheid.... Zoodra ik droef zal wezen of enkellijk moede, zal ik u in verbeelding naakt zien, uw schoon lichaam onderwerpende aan die schandelijke geeseling. De lente onzer liefde was aan mij, doch de zomer aan hem; de herfst zal grauw zijn; weldra komt de winter en die zal mijn trouwe liefde begraven.
--Gij weent, zeide zij.
--Ja, sprak hij, wat voorbij is, komt nimmer terug.
Toen zei Nele:
--Als Kalleken trouw was, moest zij u weer alleen laten om uw leelijke woorden.
--Hij weet niet hoezeer ik hem altoos beminde, zei Kalleken.
--Zegt gij de waarheid? riep Lamme uit; kom, liefste, kom, mijne vrouw; geen grauwe herfst, en geen winter des doods meer!
En hij zag er blijde uit, en zij kwamen op het schip.
Uilenspiegel gaf de sleutels van de kooi aan Lamme, die deze opende; hij wilde den monnik bij een oor op het dek trekken, maar het ging niet; toen wilde hij hem zijdelings doen buitenkomen, maar het ging ook niet.
Wij moeten het kot uitbreken; de kapoen is gemest, zeide hij.
De monnik kwam er toen uit, keek met groote, verdwaasde oogen in het rond, hield met de beide handen zijn buik op, en viel op zijn achterste, ter oorzake van een hevige baar, die het schip ophief.
En Lamme zei tot den monnik:
--Zult ge mij nog dikzak heeten? gij zijt dikker dan ik! Wie diende u zeven eetmalen daags vóór? Ik! Hoe komt het, schreeuwer, dat gij nu zachtmoediger zijt jegens de arme Geuzen?
En, zijne rede vervolgend:
--Als gij nog een jaar in uwe kooi blijft, kunt gij er niet meer uit: bij de minste beweging lillen uwe kaken als verkensgelei; gij schreeuwt al niet meer; weldra zult gij niet meer kunnen blazen.
--Zwijg, dikzak, zeide de monnik.
--Dikzak, zei Lamme, in woede ontstekend, ik ben Lamme Goedzak; gij zijt broer Dikzak, Vetzak, Slokzak, Leugenzak, Modderzak; gij hebt vier duim spek onder uw vel; men ziet uwe oogen niet meer; Uilenspiegel en ik zouden, op ons gemak, huizen in uwen buik, die groot is als eene kerk. Gij heet mij dikzak, wilt gij eenen spiegel om Uwe Dikbuikigheid te bewonderen? Ik ben het, die u voed, gevaarte van vleesch en been. Ik heb gezworen, dat gij vet zult spuwen, dat gij vet zult zweeten, dat gij sporen van vet achter u zult nalaten, als eene keers, die smelt in de zonne. Men zei mij, dat de geraaktheid komt met de zevende kin: de zesde is in aantocht!
Vervolgens wendde hij zich tot de Geuzen:
--Aanschouwt dien hoereerder! sprak hij. Het is broer Cornelis Adriaensen, van Brugge: dáár preekte hij een nieuwe eerbaarheid. Zijn vet is zijne straf, en zijne straf is mijn werk. Nu, luistert, gij allen, matrozen en soldaten: ik ga u verlaten, u verlaten, Uilenspiegel, u verlaten, u ook, kleine Nele, om naar Vlissingen te tiegen, alwaar ik eenig goed bezit, en er te leven met mijn arme wedergevondene vrouw. Vroeger zwoert gij, mij alles toe te staan wat ik zou vragen....
--Dat is Geuzenwoord zeiden zij.
--Dus, zeide Lamme, aanschouwt dien hoereerder, dien broer Adriaensen, Vetlap-aensen van Bruggen; ik zwoer hem te doen sterven in zijn vet als een zwijn; maakt hem een grootere kooi, doet hem met geweld twaalf eetmalen daags verorberen in stede van zeven; geeft hem vetten en gesuikerden kost; hij lijkt reeds een os, maakt er een olifant van, en weldra zult gij hem de hoeken zijner kooi zien vullen.
--Wij zullen hem voortmesten, zeiden zij.
--En nu, vervolgde Lamme, tot den monnik sprekend, u ook, rabauw, dien ik doe voeden op kloosterwijs, in stee van u te doen hangen, u ook zeg ik vaarwel: en leef op hoop van vet en van geraaktheid!
Vervolgens zijne vrouw, zijn Kalleken, in de armen drukkend, voegde hij er bij:
--Kijk, gij moogt knorren of balken, maar ik neem ze mee, gij zult ze niet langer geeselen!
Maar de monnik, in woede ontstoken, zeide tot Kalleken:
--Gij keert dus terug naar uw leger van wellust, o zinnelijke vrouwe! Ja, gij gaat henen zonder mededoogen met den armen martelaar voor Gods woord, die u de heilige, zoete en hemelsche geeseling leerde. Wees gedoemd! Nooit schenke een priester u vergiffenis; de grond brande onder uwe voeten; suiker weze u zout; ossevleesch weze u kroengevleesch; brood weze u assche; de zonne weze u ijs, en sneeuw een hellevuur; de vrucht uws lichaams weze gevloekt; uwe kinderen wezen afschuwelijk: met de leden van een aap, een verkenshoofd grooter dan hun buik; lijden, weenen, zuchten weze uw lot in deze wereld en in de andere, in de helle die u wacht, de helle van zwavel en pik, die branden voor de wijven van uw slag; gij weigerdet mijn vaderlijke liefde: wees driemaal vermaledijd door de heilige Drievuldigheid; zevenmaal vermaledijd door de kandeleers der Ark; de biecht weze u verdoemenis; de hostie weze u doodelijk venijn; en, in de kerken, richte elke vloersteen zich op om u te verpletteren en u te zeggen: "Hier is de hoereerster; hier is de verdoemde; hier is de vermaledijde!"
En Lamme sprong op van geluk en riep blijde uit:
--Zij was trouw, de monnik heeft het gezegd! Leve Kalleken!
Doch zij, weenend en sidderend, zeide:
--O, Lamme, neem die verdoemenis over mij weg! Ik zie de helle! Neem de verdoemenis weg!
--Monnik, trek de verdoemenis in, gebood Lamme.
--Ik zal het niet doen, dikzak, antwoordde de monnik.
En de vrouw, bleek en sidderend, viel op de knieën en smeekte broer Adriaensen met de handen te zamen.
En Lamme zei tot den monnik:
--Trek de verdoemenis in of gij wordt gehangen: en, breekt de koorde, uit hoofde van uwe zwaarte, zoo wordt gij herhangen, totdat de dood er op volge.
--Gehangen en herhangen! zeiden de Geuzen.
--Als het zoo is, zei de monnik tot Kalleken, ga dan, ontuchtige vrouwe; ga dan met dien dikzak; ga, ik hef mijne verdoemenis op, maar God en al zijne santen houden u in het oog: ga met dien dikzak, ga!
En hij zweeg, blazend en zweetend.
Plotseling riep Lamme uit:
--Hij zwelt op, hij zwelt op! Daar is de zesde kin: de zevende kin is de geraaktheid!
... En nu, zeide hij tot de Geuzen, ik beveel u aan God, u, Uilenspiegel aan God, u allen, mijn goede vrienden, aan God, Nele mijne vriendin, aan God, de heilige zaak van de vrijheid: ik kan niets meer voor haar....
Vervolgens, als hij iedereen omhelsd had, zeide hij tot zijne vrouw Kalleken:
--Kom, het is het uur van onze wettige liefde.
Terwijl het bootje, dat Lamme en zijne welbeminde meevoerde, over het water gleed, riepen al de matrozen, soldaten en scheepsjongens met hunnen hoed zwaaiend:
--Vaarwel, broeder; vaarwel, Lamme; vaarwel, broeder, broeder en vriend!
En Nele wischte met heur liefelijken vinger eenen traan uit het oog van Uilenspiegel en zeide tot hem:
--Gij zijt droef, mijn vriend?
--Hij was goed, zeide hij.
--Ha! zeide zij, zal die oorlog dan nooit een einde nemen, zullen wij dan immer gedwongen zijn te leven in bloed en in tranen?
--Laat ons de Zeven zoeken, antwoordde Uilenspiegel: het is nakend, het uur der verlossing....
Volgens de belofte, die zij aan Lamme gedaan hadden, mestten de Geuzen den monnik voort in zijne kooi. Doch op zekeren dag werden zij het moede, en ze stelden hem in vrijheid tegen een rantsoen bij 't gewicht; en hij bracht een mooien stuiver op, want hij woog toen driehonderd zeventien pond en vijf onsen, Vlaamsch gewicht.
En hij stierf als prior van zijn convent.
VIII.
Te dien tijde vergaderden de heeren van de Staten-Generaal te 's-Gravenhage, om Philippus, koning van Spanje, grave van Vlaanderen, van Holland enz., te oordeelen naarvolgens de door hem verleende charters en privileges.
En de griffier sprak als volgt:
--Het is een iegelijk bekend, dat een landvorst aangesteld is door God, als souverein en hoofd zijner onderdanen, om ze te verdedigen en te vrijwaren van alle beleediging, verdrukking en geweld, evenals een herder aangesteld is voor de verdediging en de hoede zijner kudde. Het is mede algemeen bekend, dat de onderdanen geenszins door God geschapen zijn ten gerieve des prinsen, om hem gehoorzaam te wezen in alles wat hij zou heeten, hetzij dat het vroom is of goddeloos, rechtveerdig of onrechtveerdig, noch om denzelven te dienen als slaven. Maar de vorst is vorst ten behoeve van zijne onderdanen, zonder dewelke hij niet kan wezen, om naar recht en rede te bestieren; om ze te behouden en te beminnen als een vader zijne kinderen, als een herder zijn kudde, en zijn leven te wagen om ze te verdedigen; doet hij het niet, zoo moet hij aanzien worden, niet voor eenen vorst, maar voor eenen dwingeland. Door oproeping van soldaten, door bullen van kruistocht en van kerkban, zond Philippus koning, vier uitheemsche legers af tegen ons. Welke zal zijne straf wezen, overeenkomstig de wetten en costumen van den lande?
--Hij weze vervallen, antwoordden de heeren der Staten.
--Philippus heeft zijne eeden verbroken; hij vergat de diensten, welke wij hem bewezen, de zegepralen, welke wij hem hielpen behalen. Toen hij zag, dat wij rijk waren, liet hij ons afzetten en bestelen door die van den raad van Spanje.
--Hij weze vervallen als ondankbare en dief, antwoordden de heeren der Staten.
--Philippus, vervolgde de griffier, stelde in de machtigste steden des lands bisschoppen aan, begiftigde en bevoordeelde dezelven met de goedingen der grootste abdijen; door de hulp van dezelven, bracht hij de Spaansche Inquisitie in onze landen.
--Hij weze vervallen als beul, verkwister van eens andermans goeding, antwoordden de heeren der Staten.
--Ten aanzien van de dwingelandij, vertoonden de edelen van de landen ten jare 1566 een verzoekschrift, bij hetwelk zij den souvereinen vorst smeekten zijn strenge plakkaten te verzachten en namelijk die op het stuk der inquisitie: hij weigerde steeds.
--Hij weze vervallen als een tijger, die hardnekkig is in de wreedheid, antwoordden de heeren der Staten.
De griffier vervolgde:
--Philippus wordt ernstig verdacht van, door die van zijnen raad van Spanje, heimelijk den beeldenstorm en de plundering der kerken te hebben bewerkt, ten einde, onder voorwendsel van misdaad en wanordelijkheden, vreemde legers tegen ons te kunnen afzenden.
--Hij weze vervallen als een werktuig des doods, antwoordden de heeren der Staten.
--Te Antwerpen deed Philippus de inwoneren slachten, en de Vlaamsche en vreemde kooplieden ten onder brengen. Hij en zijn raad van Spanje gaven, door heimelijke onderrichtingen, aan zekeren Roda, een beruchten rabauw, het recht zich hoofdman der plunderaars te verklaren, den buit op te garen, zijn naam, van hem, Philippus koning, te gebruiken, zijne zegelen na te maken en zich te gedragen als zijn landvoogd en stedehouder. De onderschepte koninklijke brieven, welke zich in onze handen bevinden, bewijzen het stuk. Alles is gebeurd met zijne toestemming en na overleg met den raad van Spanje. Leest zijne brieven: daarin looft hij het feit van Antwerpen, bekent hij een uitstekenden dienst ontvangen te hebben, belooft hij dien te zullen beloonen, zet hij Roda en de andere Spanjaards aan, voort te gaan op dien roemvollen weg.
--Hij weze vervallen als dief, als plunderaar, als moordenaar, antwoordden de heeren der Staten.
--Wij willen slechts het behoud van onze privileges, een eerlijken en verzekerden vrede, meer vrijheid, namelijk op het stuk van den godsdienst, welke hoofdzakelijk eene gewetenszaak is: van Philippus kregen wij niets dan leugenachtige verdragen, welke tweedracht moesten zaaien onder de provinciën, om ze de eene na de andere te onderwerpen en met haar te handelen als met Indië, door plundering, verbeurdverklaring, terdoodbrenging en inquisitie.
--Hij weze vervallen als moordenaar, die den moord van de landen beraamt, antwoordden de heeren der Staten.
--Hij deed de landen bloeden door den hertog van Alva en zijne trawanten, door Medina Celi, Requesens, de judassen der raden van State en van de provinciën; don Juan en Alexander Farnese beval hij met ongemeene en bloedige strengheid te werk te gaan (zooals weer blijkt uit zijne onderschepte brieven); hij sloeg in den rijksban Prins Willem van Oranje, betaalde drie moordenaars, in afwachting dat hij den vierden betaalt; deed in de landen kasteelen en vestingen oprichten, deed de mannen levend verbranden, de vrouwlieden en meidekens levend begraven; erfde hunne goedingen, verworgde Montigny, Bergen en andere heeren, in weerwil van zijn koninklijk woord; hij doodde zijn zoon Carlos; vergiftigde prins Ascoly, dien hij deed trouwen met dona Eufrasia, dewelke door hem was bezwangerd, ten einde den bastaard, die moest geboren worden, met zijne goederen te verrijken; veerdigde tegen ons een edict uit, hetwelk ons allen verraders verklaarde, ons lijf en goed ontnemend, en bedreef die in een kersten land ongekende misdaad, geen onderscheid te maken tusschen schuldigen en onschuldigen.
--Uit hoofde van alle wetten, rechten en privilegiën, weze hij vervallen, antwoordden de heeren der Staten.
En de zegels des konings werden gebroken.
En de zonne gloorde over land en zee, verguldde de gezwollen korenaren, rijpte de druiven en strooide op elke baar van de zee flikkerende perelen, het sieraad van Neerlands bruid: de Vrijheid.
Vervolgens werd de Prins, te Delft zijnde, door een vierden moordenaar met drie kogels in de borst getroffen. En hij stierf, volgens zijne spreuk: "Rustig onder de wreede baren".
Zijne vijanden zeiden van hem, dat hij, om koning Philippus te bestoken, en daar hij toch niet hoopte over de zuidelijke, katholieke Nederlanden te regeeren, deze bij geheim verdrag aangeboden had aan monseigneur Zijne Groote Hoogheid van Anjou. Doch deze was geenszins geboren om de telg Belgieland te verwekken bij de Vrijheid, dewelke niet houdt van buitensporige minnarijen.
En Uilenspiegel verliet met Nele de vloot.
En het Belgische vaderland zuchtte onder het juk, geworgd, gekneveld door de verraders.
IX.
Toen was men in de maand van het rijpe koren; de lucht was drukkend, de wind zoel: onder den vrijen hemel, op een vrijen grond, konden maaiers en pikkers in de akkers vrijelijk het koren oogsten, dat zij gezaaid hadden.
Friesland, Drente, Overijsel, Gelderland, Utrecht, Noord-Brabant, Noord- en Zuid-Holland; Walcheren, Noord- en Zuid-Beveland, Duiveland en Schouwen, welke Zeeland uitmaken; heel de kust der Noordzee, van Knokke tot den Helder; de eilanden Texel, Vlieland, Ameland, Schiermonnikoog zouden, van de Wester-schelde tot de Ooster-Eems, het Spaansche juk afschudden; Maurits, zoon van den Zwijger, zette den oorlog voort.
Nog ten volle in het bezit van hunne jeugd, hunne kracht en hunne schoonheid,--want de liefde en de geest van Vlaanderen blijven immer jong,--leefden Uilenspiegel en Nele rustig in den toren van Veere, in afwachting, dat, na menigvuldige wreede beproevingen, de wind der vrijheid over het Belgische vaderland zou waaien.
Uilenspiegel had gevraagd om bevelhebber en wachter van den toren te worden benoemd, aanvoerende, dat hij, met zijne arendsoogen en hazenooren, zou kunnen zien en hooren of de Spanjaard het soms niet beproefde terug te komen naar de verloste landen en dat hij alsdan wacharm zou luiden.
De magistraat deed wat hij vroeg: om den wille van zijn goede diensten, gaf men hem een gulden daags, twee pinten bier, boonen, kaas, beschuit, alsmede drie pond vleesch in de week.
Aldus leefden Uilenspiegel en Nele getweeën heel goed; van verre zagen zij met vreugde de vrije Zeeuwsche eilanden: weiden en bosschen, kasteelen en vestingen, en de gewapende schepen der Geuzen, die de kusten bewaakten.
's Nachts klommen zij zeer dikwijls omhoog op den toren en, daar naast elkander gezeten, koutten zij over de harde gevechten, de schoone minnarijen van het verleden en ook van de toekomst. Van daar zagen zij de zee, welker lichtende golven zich braken en in schuim uiteenspatten, en als vurige spoken op de eilanden vielen. En Nele was verschrikt als zij in de polders dwaallichtjes zag, welke, zeide zij, zielen van arme dooden zijn. En al deze plaatsen waren slagvelden geweest.
De dwaallichtjes stegen op uit de polders, huppelden langshenen de dijken, keerden vervolgens terug naar de polders, alsof zij de lichamen niet wilden verlaten, uit welke zij kwamen.
Op zekeren nacht zei Nele tot Uilenspiegel:
--Zie hoe talrijk zij zijn in Beveland, en hoe hoog zij zweven in de lucht: langs den kant van de vogeleilanden zie ik er het meest. Wilt gij medekomen, Thijl? wij zullen ons strijken met de zalve, welke dingen toont, die onzichtbaar zijn voor de oogen der stervelingen.
Uilenspiegel antwoordde:
--Als 't die zalve is, die mij naar den grooten sabbat bracht, heb ik er geen vertrouwen meer in.
--Loochen de kracht der tooverije niet. Kom mee, Uilenspiegel.
's Anderen daags vroeg hij aan den magistraat, dat een trouw en scherpziend soldaat hem zou vervangen om den toren te wachten en te waken over het land.
En hij toog henen met Nele naar de vogeleilanden.
Terwijl zij stapten langs akkers en dijken, zagen zij kleine groene eilandjes, tusschen dewelke het zeewater stroomde, en, op de begraasde heuvelen, die zich tot het duin uitstrekten, een groote menigte kieviten, meeuwen en zeezwaluwen, die onbeweeglijk zaten en met hunne ruggen witte eilandjes uitmaakten; daarboven vlogen duizenden van die vogelen. De grond was vol nesten: Uilenspiegel, die zich bukte om een ei van den weg op te rapen, zag eene meeuw fladderend naar hem komen en een grooten schreeuw slaken. Op dien kreet kwamen meer dan honderd andere bij, die schreeuwden van angst en boven het hoofd van Uilenspiegel en de naburige nesten vlogen, doch zij durfden hem niet naderen.
--Uilenspiegel, zeide Nele, die vogelen vragen genade voor hunne eieren.
Vervolgens begon zij te beven, en zij zeide:
--Ik ben bang, de zonne gaat onder, de hemel is wit, de sterren ontwaken, dit is het uur van de geesten. Zie, die roode uitwasemingen rakelings zweven langs den grond; Thijl, mijn beminde, wie is het helsche monster, dat aldus in de wolken zijn vurigen muil open doet? Zie, langs den kant van Philips-land, waar de koninklijke beul, uit wreedaardige heerschzucht, tweemaal achtereen zooveel arme menschen liet dooden, zie die dwaallichtjes dansen; 't is de nacht in denwelken de zielen der arme mannen, die gedood werden in de gevechten, het koude voorgeborchte des vagevuurs verlaten, om zich te komen warmen in de zoele lucht van de aarde: dit is het uur, waarop gij alles moogt vragen aan Christus, welke de God van de goede tooveraars is.
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Kon Christus maar die Zeven toonen, wier in den wind gesmeten assche ons Vlaanderen en heel de wereld gelukkig zou maken.
--Ongeloovige, zeide Nele, gij zult ze zien met de zalve.
--Misschien, als een geest wil nederdalen uit de koude sterre, zei Uilenspiegel, met den vinger naar Sirius wijzend.
Bij dat gebaar hechtte een dwaallichtje, dat rondom hem fladderde, zich vast aan zijn vinger, en hoe meer hij het los wilde maken, hoe vaster het er aan bleef gehecht.
Doch terwijl Nele beproefde Uilenspiegel los te maken, kreeg zij ook haar dwaallichtje aan de toppen heurer vingeren.
Uilenspiegel sloeg op het zijne en sprak:
--Antwoord! zijt gij de ziel van eenen Geus of van eenen Spanjool? Zijt gij de ziel van eenen Geus, ga dan naar het hemelrijk; zijt gij die van eenen Spanjool, keer terug naar de helle, die u braakte.
Nele zeide hem:
--Beleedig nooit de zielen, al waren het zielen van beulen.
En, terwijl zij heur dwaallichtje op den top van heuren vinger deed dansen, zeide zij:
--Lichtje, liefelijk lichtje, welke miede brengt gij uit het land van de zielen? Wat doen zij? Eten en drinken zij, hoewel zij geen mond hebben? Want gij ook hebt er geen, bevallig lichtje! ofwel, nemen zij slechts in het gezegende hemelrijk de menschelijke gedaante aan?
--Hoe kunt gij, sprak Uilenspiegel, aldus uwen tijd verliezen met te spreken tot dat droef vlammetje, dat geene ooren heeft om u te aanhooren, en geenen mond om u te woord te staan?
Maar zonder naar hem te luisteren;
--Lichtje, zeide Nele, antwoord al dansend, want ik ga u driemaal ondervragen: eenmaal in den naam Gods, eenmaal in den naam der Heilige Maagd, en eenmaal in den naam der sylphen, die de boden zijn tusschen God en de menschen.
Zij deed het, en het lichtje danste drie keeren.
--Trek uwe kleederen uit; ik zal hetzelfde doen: hier is de zilveren doos met de tooverzalve, zei Nele tot Uilenspiegel.
--'t Is mij eender, antwoordde Uilenspiegel.
Toen zij zich ontkleed en met zalve bestreken hadden, legden zij zich naast elkander op het gras.
De meeuwen kloegen; de donder rammelde dof in het zwerk, waarin een helle flits flikkerde; de wassende maan toonde tusschen twee vluchtige wolken nauwelijks hare twee gulden horens; Nele's en Uilenspiegel's dwaallichtjes gingen met de anderen dansen in den beemd.
Plotseling werden Nele en heur vriend gegrepen met de groote hand van eenen reus, dewelke ze in de lucht smeet als sneeuwballen, ze weder opving, ze tusschen zijne handen ineenrolde en kneedde met zijne vingeren, ze smeet in de waddenplassen tusschen de duinen, en ze er weder uittrok, vol zeewier. En terwijl de reus ze vervolgens ronddroeg in het luchtruim, zong hij met eene stem, die al de meeuwen der eilanden van schrik deed ontwaken:
Lezen willen luizedwergen Met ziekelijk troebel oog, Wat wij zoo weigerlijk bergen: De teekenen heilig en hoog.
Lelie, luis, het eerwaarde, Lelie, vloo, de geheimenis, Die in hemel, lucht en aarde Met zeven nagels vernageld is.
En inderdaad, Uilenspiegel en Nele zagen op het gras, in de lucht en in den hemel, zeven lichtende koperen tafelen, bevestigd door middel van zeven vlammende nagelen. Op de tafelen stond geschreven:
Onder den mesthoop kiemt de plant. Is zeven slecht, zeven is goed. Kolen vormen diamant, Dwaze doctoren, leerlingen vroed. Is zeven slecht, zeven is goed.
En de reus stapte voort, gevolgd door al die dwaallichtjes, die, gonzend als krekelen, zeiden:
Kijkt toe wie de macht hier torst, Der pausen paus, der vorsten vorst; Wie Caesar aan den leiband houdt, Kijkt toe, hij is van hout!
Eensklaps veranderden zijne trekken, hij scheen magerder, treuriger, grooter. In eene hand hield hij eenen schepter en in de andere een zweerd. Hij hiet Hooveerdigheid.
En Nele en Uilenspiegel ten gronde smijtend, zeide hij:
--Ik ben God!
En daar kwam naast hem, op eenen ezel gezeten, een dikke, roodwangige meid, nauwelijks gekleed, met bloote borsten, en wulpsche oogen: zij heette Onkuischheid; vervolgens kwam een oude jodin, die schalen van meeuweneieren opraapte: zij heette Gierigheid; dan een dikke, vraatzuchtige monnik, die worsten verslond, zich volpropte met pensen en gedurig mommelde als de zeug, op dewelke hij zat: het was de Gulzigheid; vervolgens kwam de Traagheid, trekkebeenend, bleek en opgezwollen, met doffe oogen, die de Gramschap met een prikstok voor zich dreef. Jammerend en badend in tranen, viel de Traagheid van vermoeienis op heure knieën; vervolgens kwam de magere Nijd, met een slangekop en hoektanden, die de Traagheid beet omdat zij te veel heur gemak zocht, de Gramschap omdat zij te levendig was, de Gulzigheid omdat zij te veel gegeten had, de Onkuischheid omdat zij te rood was, de Gierigheid ter oorzake van de schalen, de Hooveerdigheid omdat zij een purperen kleed en op het hoofd eene kroon droeg.
En de dwaallichtjes dansten rondom hen.
En, sprekend met stemmen als van kermende mannen, vrouwlieden, meidekens en kinderen, zeiden zij zuchtend: