De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 4

Chapter 44,026 wordsPublic domain

Schooiers, bedelaars, rabauwen en heel die bende luiaards, die vadsig langs de wegen slenteren en zich liever laten opknoopen dan zich aan eenigerhande bezigheid over te leveren, kwamen van heinde en verre aanloopen, verlekkerd door den honiggeur. En 's nachts zwierven zij in groote menigte door velden en hoven.

Klaas had korven gemaakt om er bijenzwermen heen te lokken; eenige waren gevuld, andere nog ledig. Klaas bleef heel den nacht waken om op zijn goed te letten. Als hij moede was, zegde hij tot Uilenspiegel zijne plaats in te nemen. Deze deed het gewillig.

Nu, op een nacht dat het koel was, kroop Uilenspiegel in een ledigen korf, en gansch ineengedrongen, keek hij door de gaten die er van boven in waren.

Op 't punt van insluimeren, hoorde hij de haag kraken en de stemmen van twee manslieden, die hij voor dieven aanzag. Hij keek door een der gaten van den bijenkorf en zag, dat de beide mannen lang haar en een langen baard hadden, hoewel een lange baard te dien tijde een teeken van adel was.

Zij gingen van korf tot korf, en zoo kwamen zij aan den zijnen en hem optillende, spraken zij:

--Deze is de zwaarste; vervolgens staken zij er hunne stokken onder en droegen hem mee.

Uilenspiegel vond het geenszins aangenaam, aldus in een bijenkorf vervoerd te worden. De nacht was donker en de dieven spraken geen woord. Alle vijftig stappen bleven zij staan om adem te scheppen en zich vervolgens weder op weg te begeven. Die vóór ging gromde van kwaadheid omdat de last zoo zwaar woog, en die van achteren, kermde weemoedig. Want in de wereld zijn twee soorten luiaards: zij, die kwaad zijn op den arbeid, en zij, die jammeren als er te werken valt.

Uilenspiegel, die niets te doen had, trok den dief, die vóór ging, bij zijn haar, en den anderen bij zijnen baard, zoodat de grommer den janker toeschreeuwde:

--Als gij niet ophoudt, aan mijn haar te trekken, geef ik u eene smete op den kop, dat hij in uwe borstkas valt en gij door uwe ribben kunt zien, als een dief door de traliën van het Steen.

--Ik deed het niet, vriend, jammerde de janker, gij zijt het die aan mijnen baard trekt.

De grommer antwoordde:

--Ik zoek geen ongedierte in een schurftigen baard!

--Maat, sprak de janker, doe de korf niet zoo schommelen, mijne armen houden het niet langer uit.

--Hewel, ik zal ze u van het lijf rukken. En hij trok zijnen riem over zijn hoofd, zette den korf op den grond en sprong op zijn makker. En zij vochten, de eene vloekend, de andere om genade smeekende.

Toen Uilenspiegel de slagen hoorde vallen, kroop hij uit den korf, sleepte dien in een boschje, waar hij hem terugvinden kon, en keerde toen huiswaarts.

En zoo is het, dat de slimmen voordeel halen uit twist en krakeel.

XX.

Als Uilenspiegel vijftien jaar oud was, bouwde hij te Damme, met vier palen, eene kleine tent op, en riep dat een iegelijk er zijn tegenwoordig en toekomstig gelaat kon afgebeeld zien, in een schoone lijst van hooi.

Wanneer een opgeblazen rechtsgeleerde binnen kwam, zot van eigenwaan, stak Uilenspiegel zijn hoofd door de lijst en bootste het gezicht van een ouden aap na; dan sprak hij:

--Een ouden snuit kan rotten, maar geenszins bloeien; ben ik uw spiegel niet, heer dokter in de rechten?

Als Uilenspiegel tot klant een oudgediende kreeg, liet hij, in stee van zijn gezicht, in 't midden van de lijst een schotel vleesch en brood zien, en sprak hij:

--De oorlog zal u tot gehakt maken; wat geeft gij mij om de voorzegging, o snorrebaard, verzot op sakkers met wijden mond?

En als een oud heertje aan Uilenspiegel zijn poezelig wijfje liet zien, verborg de snaak zijn gelaat nogmaals en toonde in de lijste een boompje, aan welks takken messen, koffertjes, kammen en schrijfgerei hingen, alles van hoorn vervaardigd, en zeide:

--Vanwaar komen die schoone snuisterijen, messire? is het niet van den horenboom, die groeit in den boomgaard der oude manslieden? Wie zal nog zeggen, dat horendragers van geenerlei nut zijn in de samenleving?

En Uilenspiegel toonde in de lijste, nevens den boom, zijn jeugdig gezicht.

Als de ouderling hem hoorde, ontstak hij in hevige woede, doch zijn vrouwtje paaide hem, en glimlachend vroeg zij aan Uilenspiegel:

--En mijn spiegel, wilt ge hem mij toonen?

--Kom nader, was 't antwoord.

Zij deed het. Toen kuste hij haar waar hij maar kon.

--Uw spiegel, sprak hij, is bloeiende jeugd in trotschheid gehuld.

En de schoone ging heen, en vergat niet hem een paar gulden te geven.

Aan een dikken monnik, die hem vroeg om zijn tegenwoordig en toekomstig gezicht te zien, antwoordde Uilenspiegel:

--Gij zijt eene hespenkast, en een bierkelder zult gij ook zijn, want zout noodt tot drinken, niet waar, dikzak? Geef mij een oortje, omdat ik de waarheid zei.

--Mijn zoon, sprak de monnik, nooit dragen wij geld op ons.

--Dan is het, antwoordde Uilenspiegel, dat het geld u op zich draagt, want mij is 't bekend, dat gij het steekt tusschen twee zolen, onder den voet! Geef mij uw riemschoen.

Maar de monnik hernam:

--Mijn zoon, 't is het goed van het klooster. Maar als 't moet, zal ik u toch twee oortjes geven voor uwe moeite.

De monnik gaf ze en Uilenspiegel nam ze minzaam aan.

Daarna toonde hij ook aan de lieden van Damme, van Brugge, van Blankenberge, tot zelfs van Oostende, hunnen spiegel.

En in stee van te zeggen in Vlaamsche sprake: "Ik ben Ulieden spiegel", zei hij kortweg: "Ik ben Ulen spiegel", gelijk thans nog gezegd wordt in Oost- en West-Vlaanderen.

En zóó kwam hij aan zijn bijnaam Uilenspiegel.

XXI.

Grooter geworden slenterde hij geerne langs kermissen en jaarmarkten. Zag hij ergens een hobo-, vedel- of doedelzakspeler, dan liet hij zich voor een oortje leeren, hoe men uit die speeltuigen welluidende tonen kan halen.

Zeer behendig werd hij in 't bespelen van den rommelpot, een speeltuig gemaakt met een pot, eene blaas en een rietje, en wel als volgt: over den pot spant men een natte blaas; een eind van het rietje wordt met een touwtje gebonden in het middenste van de blaas en het ander raakt den bodem van van den pot; vervolgens wordt de blaas tot barstens toe om den pot gespannen. 's Anderen morgens, als de blaas droog geworden is, kan men er op slaan als op een tamboerijn en zoo men met het rietje wrijft, bromt het schooner dan de viool.

En Uilenspiegel ging met zijn rommelpot, die het geblaf van wachthonden nabootste, aan de deur van de huizen kerstliederen zingen, in gezelschap van kinderen, waarvan een, op Driekoningen, een blinkende papieren ster droeg.

Als een meester-schilder te Damme kwam om de broeders van een of ander gilde geknield op het doek te malen, bekroop Uilenspiegel de lust te zien hoe hij werkte; daarom vroeg hij om zijne verf te mogen wrijven, en als loon wilde hij slechts eene snee brood, drie duiten en eene pint kuite aanveerden.

Terwijl hij de verf fijn wreef, ging hij de doenwijze zijns meesters na. Als deze weg was, beproefde hij te schilderen, maar overal streek hij scharlakenrood. Hij probeerde ook 't portret te maken van Klaas, Soetkin, Katelijne en Nele, alsmede van pinten en stoopen. En Klaas hem aan 't werk ziende, voorzeide, dat hij, zoo hij neerstig wou zijn, florijnen bij tientallen zou kunnen verdienen met opschriften te schilderen op de speelwagens in Vlaanderen en Zeeland.

Ook het houtsnijden en steenkappen leerde hij van een meester-metser, terwijl deze, in het koor van Onze Lieve Vrouwekerk, eenen zetel kwam maken, derwijze geschikt, dat de oude deken zitten kon zonder dat iemand het merkte.

Uilenspiegel was het, die het eerst een messenhecht sneed, zooals de Zeeuwen gebruiken. Hij maakte er een kunstig bewerkt snijwerk van, met van binnen een doodshoofd en van boven een wakende hond. Hetgeen zeggen wilde: het hecht getrouw tot aan den dood.

En alzoo begon zich de voorzegging van Katelijne te verwezenlijken, want Uilenspiegel was nu tegelijk schilder, beeldhouwer, boer en ook edelman: immers de Klaassen voeren, van vader tot zoon, drie zilveren pinten in een veld van bruinbier.

Maar Uilenspiegel bleef in alles ongedurig en Klaas zei dat, als dat spelletje zoo voortging, hij hem de stulp uit zou jagen.

XXII.

De keizer, van den oorlog teruggekeerd, vroeg waarom zijn zoon Philippus hem niet was komen begroeten.

De aartsbisschop-leermeester van den infant antwoordde, dat hij niet gewild had, dat hij slechts van boeken en eenzaamheid hield.

De keizer vroeg, wáár hij zich ophield.

De leermeester antwoordde, dat men hem overal zoeken moest, waar het duister was. Zoo deden zij.

Als zij door menige zalen gegaan waren, kwamen zij eindelijk in een somber verblijf, door een smal venster verlicht. En op den grond stond een staak, waaraan een jong en lief aapje vastgemaakt lag, een diertje dat Zijne Hoogheid uit Indië gekregen had om er mede te spelen. Smeulende takkebossen lagen rondom en in het vertrek hing een walm van verkoold haar.

Het diertje, levend verbrand, had zoo verschrikkelijk geleden, dat zijn lichaampje niet geleek op dat van een wezen dat geleefd had, maar op een stuk gewrongen en gerimpelden wortel. En op zijn mondje, dat open was, als om genade te vragen, stond een bloedig schuim, en zijn arm gezichtje was nat van zijne tranen.

--Wie heeft dat gedaan? vroeg de keizer.

De leermeester dorst niet antwoorden en beiden bleven sprakeloos, droef en grammoedig staan.

Maar onverwacht werd de stilte door een lichten kuch gestoord, die uit den donkersten hoek kwam. Zijne Majesteit keerde zich om en zag den infant Philippus, in 't zwart gekleed bezig een citroen uit te zuigen.

--Don Philippus, sprak hij, kom hier om mij te groeten.

Zonder zich te verroeren, bekeek de infant hem met zijne vreesachtige oogen, waar geenerlei liefde in blonk.

--Zijt gij het, vroeg de keizer, die dat diertje verbrand hebt?

De infant boog het hoofd.

--Waart gij wreedaardig genoeg om het te bedrijven, wees dan vrank genoeg om het te bekennen.

De infant zweeg.

Zijne Majesteit ontnam hem den citroen, wierp dien op den grond en wilde zijn zoon slaan, maar de aartsbisschop hield hem terug, en fluisterde hem toe:

--Zijne Hoogheid zal later een groote ketterbrander zijn!

De keizer glimlachte en beiden gingen, den infant met zijn aapje alleen latend.

Maar ook anderen, die geen aapjes waren, kwamen in vlammen om.

XXIII.

De Slachtmaand was gekomen, de kille hoestmaand der borstlijders.

't Is ook de maand, waarin de knapen bij benden over de rapenvelden heenstormen, om te rooven wat zij kunnen, tot groote schade der boeren, die ze tevergeefs achternazitten met stokken en vorken.

Op een avond nu dat Uilenspiegel van een strooptocht terugkwam, hoorde hij in een hoek van den haag, dicht bij hem, een gekerm. Hij bukte en zag, op eenen steen, een hondeken liggen.

--Wel, mijn beestje, sprak hij, wat doet ge hier zoo spa in den avond?

Hij wilde den hond streelen en hij voelde dat zijn rug nat was. Hij dacht, dat men hem had willen verdrinken en nam hem in de armen, om hem te drogen en te koesteren.

Thuis gekomen, sprak hij:

--Hier is een gekwetste, wat moet ik er mee doen?

--Hem verbinden, antwoordde Klaas.

Uilenspiegel zette den hond op de tafel. Klaas, Soetkin en hij zagen toen, bij het licht van de lamp, dat het diertje eene wond op de rug had. Soetkin wiesch ze, lei er balsem op en bond er een doek om. Uilenspiegel nam den hond in zijn bed, hoewel Soetkin hem in 't hare wou hebben, bevreesd dat Uilenspiegel, die woelde als een duivel in een wijwatervat, in zijn slaap het diertje zou bezeeren.

Maar Uilenspiegel deed zijne goesting; hij verzorgde zijn hond zóó goed, dat de gekwetste na zes dagen liep zooals de meesten zijner verwaande natuurgenooten, met den steert omhoog.

En de schoolmeester hiet hem Titus Bibulus Snuffius: Titus in memorie van zekeren goeden Romeinschen keizer, dewelke dwalende honden placht op te nemen; Bibulus, omdat de hond eene dronkemansliefde voor kuite en bruinbier had, en Snuffius omdat hij steeds met den snoet in rattenholen en mollenritten aan 't snuffelen was.

XXIV.

Aan het einde van de Onze-Lieve-Vrouwestraat stonden twee wilgeboomen aan den boord van een diepe gracht.

Tusschen de twee wilgen spande Uilenspiegel eene koorde, waarop hij op een Zondag na de vespers danste, zoo vlug, dat heel de menigte van straatloopers in de handen kletste. Toen kwam hij beneden en ging rond met zijn schaaltje, dat met geld gevuld werd, maar hij ledigde het in de schorte van Soetkin, en hield elf duiten voor zich.

Den volgenden Zondag wilde hij weer op de koorde dansen, maar eenige bengels, uit nijd over zijne behendigheid, hadden eene snee in de koorde gegeven, zoodat zij na eenige sprongen brak en Uilenspiegel in 't water tuimelde.

Terwijl hij naar den oever zwom, riepen de kleine koordesnijders hem toe:

--Hoe gaat het, Uilenspiegel-vlug? Gaat gij nu in den vijver den karpers leeren dansen?

Uilenspiegel kwam uit het water en schudde zich af. En daar zij uit angst voor een pak slaag wegliepen, riep hij hun toe:

--Vreest niets; komt Zondag terug, 'k zal U andere kunsten toonen en gij zult uw deel in de winst hebben!

's Zondags nadien sneden de bengels de koorde niet door, doch hielden er de wacht bij, opdat niemand ze aanraakte, want er waren toeschouwers in groote menigte.

Uilenspiegel zei hun:

--Dat ieder mij een zijner schoenen geve, en 'k wed dat ik er mee dans, zoowel met den grootsten als met den kleinsten.

--En wat betaalt gij, als gij verliest? vroegen zij hem.

--Veertien pinten bruinbier, antwoordde Uilenspiegel, maar gij betaalt mij drie oortjes als ik win.

--Goed! riepen zij.

En zij gaven hem elk een hunner schoenen. Uilenspiegel legde ze alle in het voorschoot dat hij aan had en, met dien last, danste hij op de koorde, doch niet zonder moeite.

Van beneden riepen de koordesnijders:

--Gij hebt gezegd met elk onzer schoenen te zullen dansen; trek ze aan en houd uwe wedding.

Uilenspiegel danste voort en antwoordde:

--Ik heb niet gezegd uwe schoenen aan te trekken, doch er mee te dansen. Nu, ik dans, en alles danst mee in mijn voorschoot. Ziet gij het niet met uwe paddenoogen? Betaalt mij mijn drie oortjes.

Doch zij jouwden hem uit en schreeuwden, dat zij hunne schoenen moesten terughebben.

Uilenspiegel smeet ze alle te gelijk in een worp naar beneden. Een woedend gevecht volgde, daar niemand zijn schoen dadelijk terugvinden kon.

Uilenspiegel kwam naar beneden en begoot de vechters, maar niet met klaar water.

XXV.

De infant, nu vijftien jaar oud, dwaalde als naar gewoonte door gangen en trappen en zalen van 't slot. Doch meestal slenterde hij rond de vertrekken der edelvrouwen, om de edelknapen te verschalken, die, gelijk hij, als katten in de gangen op loer lagen. Andere jonkers waren in den tuin, keken verzuchtend omhoog, en zongen eene ballade van minne.

Als de infant het hoorde, vertoonde hij zich eensklaps aan een der vensteren, en de arme edelknapen waren ontsteld als zij zijn bleeke tronie zagen, in stee van de zoete oogen hunner schoonen.

Onder de edelvrouwen van het hof was een lieftallige dame, een Vlaamsche van Dudzele, omtrent Damme, van ongemeene schoonheid en in de volheid harer jaren, met oogen, groenig-bruin, en rossig, krullend haar, dat schitterde als goud. Vroolijk van zin en vurig van aard, verheelde zij niemand hare neiging tot den gelukkige, wien zij, op heur aanbiddelijk erf, het hemelsch privilege van liefde schonk. De uitverkorene heurs herten was een schoon en fier ridder. Elken dag op vast uur, ging zij tot hem, hetgeen Philippus wist.

Hij zette zich op eene bank tegenover een venster en wachtte. En als zij hem voorbijging met flikkerend oog en met rozeroode lippen, en glanzend van jeugd en van liefde in haar kleed van goudbrocaat, zag zij den infant, die, zonder zich van zijne plaats te verheffen, tot haar zegde:

--Mevrouwe, hebt gij een oogenblik voor mij?

Driftig als de merrie, die in haren loop gestuit wordt op 't oogenblik dat zij rent naar den schoonen hengst, die in den beemd hinnikt, antwoordde zij:

--Hoogheid, een ieder moet gehoorzamen aan Uwen vorstelijken wil.

--Zet U naast mij, sprak de infant.

Onbeschaamd, listiglijk en onbermhertig zag hij haar aan:

--Zeg mij het Onze-vader in Vlaamsche tale; men heeft het mij geleerd, laas! ik heb het vergeten.

De arme vrouw zegde een Vader-ons, doch tamelijk vlug, maar hij dwong haar telkens tot langzamer spreken.

En aldus noodzaakte hij heur het tot tienmaal toe te zeggen, aan haar, die op dit uur aan andere gebeden dacht.

Daarna sprak hij vleiend van heure schoone gouden lokken, van heure heldere tint, heur klare oogen, maar niets dorst hij zeggen van heur gevleesde schouderen, noch van haren fraai gevormden boezem, noch van iets anders.

Zij meende te mogen heengaan en blikte reeds naar den tuin waar zij haren minnaar wachtte, toen hij vroeg of ze wist welke de deugden der vrouw zijn?

Daar zij niet antwoordde uit vreeze van verkeerd te spreken, deed hij het in heure plaats, en zegde hij op den toon van een zedenpreeker:

--Deugden der vrouwe zijn kuischheid, eerzaamheid en ingetogenheid.

Hij ried haar aan zich zedig te kleeden en alles wat heur was, zorgvuldiglijk te verbergen.

Zij knikte ten teeken van goedkeuring en zeide, dat zij zich voor Zijne Noordpoolachtige Hoogheid liever met tien berenhuiden dan met eene el neteldoek bedekken zou.

En terwijl hij onthutst was over dit antwoord, nam zij lachende de vlucht.

Nochmaals was het vuur der jeugd in de borst van den infant ontbrand: maar het was dit gloeiende vuur niet, dat de sterke zielen tot groote daden drijft, noch het zoete vuur, dat de teedere herten doet weenen: 't was een somber vuur uit de helle, door Satan ontstoken. En het glom in zijne grijze oogen, gelijk de maan boven een kerkhof, in winternacht. En het brandde hem wreedelijk.

Daar de arme gluiperd geene liefde voor anderen voelde, dorst hij de edelvrouwen niet aanspreken; toen ging hij naar een afgelegen hoekje, in een kamertje, met witte muren, slecht verlicht, waar hij gemeenlijk zijne lekkernijen at en waar een groote menigte vliegen waren, om den wille van de brokkelingen. Daar streelde hij zichzelven, terwijl hij de vliegen met den kop tegen de ruiten plette en er met honderden doodde, totdat zijne vingeren te danig beefden om hunne bloedige bezigheid voort te zetten. En in die wreede uitspanning vond hij een genot, mits geilheid en wreedheid twee eerlooze zusteren zijn. Als hij uit dat hok kwam, was hij nog somberder dan te voren en een ieder ontvluchtte het bleeke gelaat van dien terugstootenden prins.

En de treurige Hoogheid leed, want slecht herte is smerte.

XXVI.

De schoone vrouwe verliet Valladolid om naar heur slot van Dudzele, in Vlaanderen, te gaan.

Toen zij, met heuren dikken bottelier, door Damme trok, zag zij een veertienjarigen knaap, met den rug tegen eene hut geleund, op eenen doedelzak spelen. Rechtover hem zat een rosse hond, die jammerlijk huilde, daar die muziek hem niet aanstond. De zonne stond schitterend aan den hemel. Nevens den knaap zat een aanminnig meisje, dat, bij elk erbarmelijk gehuil van den hond, in een gulhertigen lach schoot.

Toen de schoone vrouwe en de dikke bottelier voorbij de stulp kwamen, bezagen zij Uilenspiegel, die blies, Nele, die lachte en Titus Bibulus Snuffius, die jankte.

--Stoute jongen, sprak zij tot Uilenspiegel, wilt ge wel ophouden dien armen hond zoo te doen huilen!

Maar Uilenspiegel bezag haar en blies nog harder op zijnen doedelzak. En Bibulus Snuffius jankte nog jammerlijker, en Nele schaterlachte nog luider.

De bottelier ontstak in woede, wees naar Uilenspiegel en sprak tot de edelvrouwe:

--Als ik dat schavuitengebroed eens afroste met de schee van mijn degen, zou de onbeschaamderik wel ophouden!

Uilenspiegel bezag den bottelier, hiet hem Jan Papzak, om den wille van zijn dikken buik en ging voort met blazen op zijn doedelzak. De bottelier liep op hem toe en dreigde hem met de vuist; maar Bibulus Snuffius vloog op hem af en beet Papzak in het been; van schrik viel de bottelier op den grond en schreeuwde om hulp.

De dame lachte Uilenspiegel toe en sprak:

--Kunt ge mij zeggen, doedelzakspeler, of de weg, die van Damme naar Dudzele leidt, niet veranderd is?

Uilenspiegel bleef voortblazen, schudde den kop en bezag de edelvrouwe.

--Maar waarom ziet ge mij zoo strak aan? vroeg zij.

Doch hij speelde voort en sperde de oogen open, alsof hij voor heur in bewondering stond.

--Zijt gij niet beschaamd, voor een jongen snaak als gij, de vrouwen aldus te bezien?

Uilenspiegel bloosde een weinig, speelde voort en bekeek heur nog meer.

--Ik heb U gevraagd, hernam zij, of de weg niet veranderd is, die van Damme naar Dudzele leidt?

--Weleer was hij groen, thans is hij droef en schraal, sedert hij het geluk mist U te mogen dragen, antwoordde Uilenspiegel.

--Wilt ge mij leiden?

Maar Uilenspiegel bleef zitten, haar steeds aanziende. En als ze hem zoo snaaksch zag en zoo jong en zoo levendig, vergaf zij hem geerne zijne woorden. Hij stond op om binnen te gaan.

--Waar gaat gij?

--Mijn beste kleeren aantrekken, antwoordde hij.

--Spoed U dan, sprak de edelvrouwe.

Toen zette zij zich neer op de bank naast de deur; de bottelier deed zooals zij. Zij wilde tot Nele spreken, maar Nele antwoordde heur niet, want zij was jaloersch.

Uilenspiegel kwam terug; hij was schoon gewasschen en had een bombazijnen wambuis aan. Hij zag er flink uit in zijn zondagspak.

--Gaat gij toch mee? vroeg Nele hem.

--Ik ben dadelijk terug.

--Wil ik in uwe plaats gaan? sprak Nele.

--Neen, zegde hij, de wegen zijn vol modder.

--Waarom, vroeg de dame gestoord en insgelijks jaloersch, waarom, kleine meid, wilt gij hem beletten van mede te gaan?

Nele antwoordde heur niet, maar twee dikke tranen welden in heure oogen, en treuriglijk en gramstorig bekeek zij de schoone edel vrouwe.

Gevieren begaven zij zich op weg, de dame op hare witte hakkenei met zwart fluweel getuigd; de bottelier met zijn waggelenden buik; Uilenspiegel, die de hakkenij bij den breidel hield, en Bibulus Snuffius, die, met den steert in de lucht, fier naast zijn meester stapte.

Geruimen tijd reden en gingen zij aldus voort, maar Uilenspiegel was niet op zijn gemak; stom als een visch snoof hij den fijnen benjoëreuk op, die opsteeg uit de kleeren van de dame, en hij bekeek, ter sluip, heur schoon paardentuig, heure zeldzame kleinooden en juweelen, en ook heur zachtaardig uitzicht, heure schitterende oogen, heuren schoonen boezem en heur haar, dat als een gouden helmet in de zonne schitterde.

--Waarom zegt gij zoo weinig, vriendje? vroeg zij.

Hij antwoordde niet.

--'t Ware jammer als gij uwe tong verloren hadt, want 'k had U geerne met een boodschap belast.

--Welke? vroeg Uilenspiegel.

--Gij moet, sprak de dame, mij hier verlaten en naar Koolkerke gaan, aan den anderen kant van den wind, en aldaar zeggen aan een edelman, half in 't zwart, half in 't rood gekleed, dat hij mij vandaag niet mag verwachten, maar Zondag komen moet, te tien uren van den nacht, in mijn slot, langs de sluippoort.

--Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.

--Waarom niet? vroeg de dame.

--Neen, ik ga niet! volhardde Uilenspiegel.

De dame sprak toen:

--Maar waarom toch maakt gij u driftig als een haantje, en wilt niet gaan?

--Ik ga niet! sprak Uilenspiegel.

--Maar als ik U een gulden gaf?

--Neen! sprak hij.

--Een dukaat?

--Neen.

--Een karolus?

--Neen, sprak Uilenspiegel nog. En toch, voegde hij er bij met een zucht, zou ik dien liever dan eene mosselschelp in moeder heur tassche zien.

De dame glimlachte, en eensklaps riep zij uit:

--Ik ben mijne beugeltassche kwijt, een schoone zeldzame tassche van zijdelaken, met fijne perelen geborduurd. Te Damme had ik ze nog aan mijne ceintuur bevestigd.

Uilenspiegel verroerde zich niet, maar de bottelier ging naar de edelvrouwe:

--Mevrouwe, sprak hij, als die jonge schavuit ze gaat zoeken, ziet gij hem nimmer terug.

--En wie zal dan gaan? vroeg de edelvrouwe.

--Ik, sprak hij, hoewel ik oud van jaren ben.

En terstond ging hij op zoek.