Part 36
En de griffier hield op met lezen en sprak:
--Zoo luidt de brief en hij is geteekend: "Joost Damman, schildknaap".
En het volk riep:
--Ter dood, de moordenaar! Ter dood, de tooveraar! In 't vuur, de schavuit, die de vrouwlieden waanzinnig maakt! Aan de galg, de rabauw!
Toen sprak de baljuw:
--Zwijg, volk, opdat wij dien man in volle vrijheid kunnen oordeelen.
En tot de schepenen zeide hij:
--Ik wil u den tweeden brief lezen, dien Nele vond in den zak van Katelijne's besten rok; hij luidt als volgt:
"Geliefde tooveres, ziehier het recept eener zalve, dat de vrouw van Lucifer zelve mij zond: met die zalve zult gij u kunnen begeven in de zonne, de maan en de sterren; kunnen spreken met de sylphen, die aan God de gebeden der menschen overbrengen, en alle steden, dorpen, rivieren, beemden van 't gansche heelal kunnen bezoeken. Stamp ondereen, bij gelijke deelen, stramonium, solanum somniferum, bilzenkruid, opium, versche henneptoppen, belladonna en datura.
... Als gij wilt, zullen wij dezen avond samen naar den sabbat der geesten gaan: maar gij moet mij meerder beminnen en zoo gierig niet zijn, gelijk dien avond, toen gij mij tien gulden weigerdet, onder voorwendsel dat gij ze niet hadt. Ik weet, dat gij eenen schat verbergt en het mij niet wilt bekennen. Bemint gij mij niet meer, mijne liefste?
"Uw koude duivel,
"Hansken".
--Ter dood, de tooveraar! riep het volk.
De baljuw sprak:
--Wij moeten de twee schriften vergelijken.
Dit werd gedaan, en zij werden eender bevonden.
Toen sprak de baljuw tot de aanwezige heeren en edellieden:
--Herkent gij den beklaagde voor messire Joost Damman, zoon van den schepene van de keure van Gent?
--Ja, zeiden zij.
--Kendet gij, sprak hij, messire Hilbert, zoon van Willem Rijnvisch, schildknaap?
Een der edellieden, die Vander Zickele hiet, nam het woord en sprak:
--Ik ben van Gent, mijn steen staat op de Hoogpoort; ik ken Willem Rijnvisch, schepene van de keure van Gent. Hij verloor, over een vijftiental jaren, een zoon van drie en twintig jaar, een losbol, een speler, een luierik; maar men vergaf hem zijne gebreken, om den wille van zijn jeugdigen leeftijd. Sedert dien tijd kreeg nooit iemand miede van hem. Ik vraag om het zweerd, den dolk en de beugeltassche van den verslagene te zien.
Toen hij die voor zich had, sprak hij:
--Op den knop van het hecht van het zweerd en den dolk staan de wapenen van het geslacht Rijnvisch, hetwelk voert, in blauw, drie zilveren visschen. Die zelfde wapenen zie ik op een gouden schild tusschen de maliën der beugeltassche. Welke is die andere dolk?
De baljuw sprak:
--Die dolk stak in het lichaam van Hilbert Rijnvisch, zoon van Willem.
--Daarop herken ik de wapens der Damman's: in zilver, een roode toren.
--Zoo waarlijk helpe mij God almachtig!
De andere edellieden zeiden insgelijks:
--Die wapenen herkennen wij voor die van Rijnvisch en van Damman. Zoo helpen ons God en al zijne santen!
Toen zei de baljuw:
--Gehoord en gelezen de voor de Vierschaar gebrachte getuigenissen en oorkonden, is naar rechte ten genoege gebleken, dat Joost Damman, "gecommitteerd hebbende de crimen van tooverije, doodslag, zotmaking van vrouwlieden, diefte van 's konings goedingen, wezende de abominabelste zonden die men ter wereld kan bedrijven, schuldig is aan crimen divinae laesae majestatis, geenszins lijdelijk zonder exemplaire pugnitie".
--Dat zegt gij, messire baljuw, hernam Joost, doch bij gebreke aan genoegzame bewijzen, kunt gij mij niet veroordeelen; tooveraar ben ik niet of was ik nooit; enkellijk speelde ik het spel van den duivel. Wat mijn helder gezicht betreft, nu weet gij het middel, dat ik daartoe gebruikte. De zalve, hoewel zij bilzenkruid, een vergiftige plant, bevat, is enkel slaapverwekkend. Als die vrouw, die een ware tooveres is, er van nam, verviel zij in slaapdronkenheid en droomde zij, dat zij naar den sabbat ging en er danste met het gezicht buitenwaarts van de ronde, alsook dat zij eenen duivel aanbad in de gedaante van eenen bok, op een autaar gezeten. Als de rondedans gedaan was, droomde zij, dat zij den duivel ging kussen onder zijnen steert, gelijk de tooveraars doen, tot teeken van onderdanigheid. Als ik, naar zij zegt, koude armen en een frisch lichaam had, is dit een teeken van jeugd en geenszins van tooverij. Frischheid is niet bestand tegen het werk des vleesches. Maar Katelijne nam heure wenschen voor werkelijkheid en aanzag mij dus voor eenen duivel, hoewel ik een mensch ben, gelijk gijlie. Zij alleen is schuldig om mij, voor eenen duivel nemende, in heur bed aanveerd te hebben; aldus zondigde zij met wil en met daad tegen God en tegen den Heiligen Geest. Zij dus is het, maar ik niet, die de misdaad van tooverij beging, die strafbaar is met den viere, als een razende en boosaardige tooveres, die voor uitzinnig wil doorgaan, ten einde heure boosaardigheid te verbergen.
Doch Nele riep:
--Hoort gij den moordenaar? Als loddegen, als veile deernen, dewelke een schijfje op den arm dragen, dreef hij handel in liefde. Hoort gij hem? om zich te redden, wil hij degene doen verbranden, welke hem alles gaf.
--Nele is stout, zeide Katelijne, Hans, mijn liefste, luister naar heur niet.
--Neen, vervolgde Nele, gij zijt geen mensch: gij zijt een lafhertige, wreedaardige duivel!
En, Katelijne in de armen nemend:
--Heeren rechters, riep zij, luistert niet naar dien bleeken booswicht; hij heeft maar éénen wensch: mijne moeder levend te zien verbranden, hoewel zij geen andere misdaad bedreef, dan door God met uitzinnigheid getroffen te worden en de schimmen heurer droomen voor echt te aanzien. Veel reeds heeft zij geleden naar lichaam en geest. Doet ze niet sterven, heeren rechters. Laat de uitzinnige heur treurig leven eindigen in vrede.
En Katelijne sprak:
--Nele is stout, ge moet ze niet gelooven, Hansken, mijn vriend.
En in het volk weenden de vrouwlieden en riepen de mannen:
--Genade voor Katelijne!
Op belijdenissen, die Joost Damman na nieuwe folteringen deed, brachten de baljuw en de schepenen hunne sententie te zijnen opzichte uit: hij werd veroordeeld om te worden ontadeld en levend verbrand met zacht vuur, totdat de dood er op volgde.
's Anderen daags doorstond hij de doodstraf voor de pui van het Schepenhuis, gedurig roepend:
--Doet de tooveres sterven; zij alleen is schuldig. Gevloekt weze God! mijn vader zal de rechters vermoorden!
En hij gaf den geest.
En het volk zeide:
--Hoort hoe hij God vloekt en lastert, hij sterft als een hond.
's Anderen daags brachten de baljuw en de schepenen hun vonnis uit ten opzichte van Katelijne: zij werd veroordeeld om de waterproef te doorstaan, in de Brugsche vaart. Zoo zij boven dreef, zou zij als tooveres worden verbrand; zoo zij zonk en stierf, zou zij beschouwd worden als op kerstene wijze gestorven en als dusdanig op 't kerkhof begraven.
's Anderen daags werd Katelijne, baarvoets, gekleed met een zwart linnen hemde, en met eene waskeers in heure hand, processiegewijs gebracht tot aan de vaart, langsheen de boomen. Vóór heur gingen, de gebeden der dooden zingend, de deken van Onze-Lieve-Vrouwekerk, zijne vicarissen, de koster met het kruis; en achter heur, de baljuw van Damme, de schepenen, de griffiers, de serjanten der gemeente, de provoost, de hangman en zijne beide knechts. Op de beide oevers stond een groote menigte vrouwen, die weenden, en mannen, die morden, uit medelijden met Katelijne, dewelke gedwee als een lam zich liet leiden zonder te weten waarheen, en gedurig zei:
--Doet het vuur weg, mijn hoofd brandt! Hansken, waar zijt gij?
Nele, die te midden van de vrouwen stond, riep:
--Ik wil met heur in 't water worden gesmeten!
Maar de vrouwen lieten heur omtrent Katelijne niet komen.
Een scherpe wind blies van de zee; een fijne hagel viel uit den loodgrijzen hemel in het water der vaart; eene boot lag daar vastgemeerd; de hangman en zijne knechts namen dezelve in naam Zijner Koninklijke Majesteit. Op hun bevel stapte Katelijne er in: de beul stond recht in de boot en hield Katelijne vast, en, op een teeken van den provoost met de roede der justitie, smeet hij ze in de vaart. Zij spartelde, doch niet lang, en zonk nog roepende:
--Hans! Hans! help mij!
En het volk zeide:
--Die vrouw is geene tooveres.
Mannen sprongen in de vaart en trokken Katelijne er uit, dewelke van heurzelve was en stijf als eene doode. Zij werd in eene taveerne gebracht en voor een groot vuur nedergelegd; Nele trok heur nat hemd uit en deed heur een ander aan; toen zij tot zich zelve kwam, zegde zij bibberend en klappertandend:
--Hans, geef mij een wollen mantel.
En Katelijne kon zich niet verwarmen. En den derden dag stierf zij. En zij werd op 't kerkhof begraven, in gewijde aarde.
En Nele toog henen naar Holland, bij Rosa van Auweghem.
VII.
Op de hulken, op de boeiers, de poonen der Geuzen, vaart Thijl Klaas Uilenspiegel.
De vrije zee draagt de wakkere vliebooten, op dewelke acht, tien, tot twintig ijzeren stukken staan: zij braken dood en vernieling naar de verraderlijke Spanjolen.
Hij is een ervaren kanonnier, Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas: het is een lust te zien hoe juist hij het stuk richt, hoe goed hij mikt, en, als in boter, een gat boort in de schepen der beulen.
Op den vilten hoed draagt hij de zilveren halvemaan met het opschrift: Liever den Turc als den Paus.
De matrozen, die hem, vlug als eene kat, met een referein op de lippen, op hunne boot zagen springen, ondervroegen hem nieuwsgieriglijk:
--Hoe komt het, maat, dat gij er nog zoo jeugdig uitziet, want men zegt, dat het reeds lang geleden is dat gij te Damme ter wereld kwaamt?
--Ik ben geen lichaam, maar een geest, zei hij, en Nele, mijne vriendinne, gelijkt mij. Geest van Vlaanderen, Liefde van Vlaanderen, zullen wij beiden nooit sterven.
--Maar, zeiden zij, als men u snijdt, bloedt gij toch?
--Schijn bedriegt, antwoordde Uilenspiegel, het is wijn, maar geen bloed.
En de geborduurde banieren uit de ommegangen der Roomschen wapperden aan de masten der schepen. En gekleed in panne, in brocaat, in zijde, in goud- en zilverlaken, met mijter en staf, den wijn der monniken drinkend, hielden de Geuzen de wacht op hunne schepen.
En 't was een vreemdsoortig schouwspel, uit de mouwen der rijke kleederen die ruwe handen te zien steken, dewelke bogen of bussen, hellebaarden of pieken droegen, en al die mannen met stuursche tronie, met flikkerende pistolen en kruismessen in den gordelriem, uit gouden kelken den wijn der abten te zien drinken, die nu de wijn der vrijheid was.
En zij zongen en riepen: "Vive le Geus!" en dobberden aldus op het ruime sop.
VIII.
Te dien tijde namen de Geuzen, onder dewelke Lamme en Uilenspiegel waren, het stedeken Gorkum. En zij waren aangevoerd door kapitein Marinus. Deze Marinus, die vroeger dijkwerker was, was weergaloos trotsch en verwaand en teekende met Gaspard Turk, de verdediger van Gorkum, eene capitulatie, bij dewelke Turk, de monniken, poorters en soldaten, die binnen de vesting waren, vrijelijk zouden mogen uitgaan met den kogel in den mond, het musket op den schouder, met alles wat zij zouden kunnen dragen, uitgenomen de goedingen van kerken en kloosters, die aan de belegeraars moesten komen.
Maar, op bevel van messire Lumey, wederhield kapitein Marinus negentien monniken; alleen de soldaten en poorters liet hij gaan.
En Uilenspiegel sprak:
--Soldatenwoord moet gulden woord wezen. Waarom breekt hij het zijne?
Een oude Geus antwoordde hem:
--De monniken zijn de zonen Satans, de melaatschheid der landen, de schande der volken. Sedert de komst van den bloedigen hertog, spelen dezen hier den baas in Gorkum. Onder hen is er een, paap Nicolaas, dewelke fier is als een pauw en wreed als een tijger. Telkenmale dat hij over de straat ging met zijn monstrans, waarin zijn met hondevet gebakken ouwel stak, keek hij met grammoedige oogen naar de huizen, uit dewelke de vrouwen niet kwamen om neder te knielen, en kloeg hij bij den rechter al degenen aan, die de knie niet bogen voor zijnen afgod van water en bloem. De andere monniken volgden zijn voorbeeld. Dat was de oorzaak van vele gruweldaden, verbrandingen en andere wreede folteringen in het stedeken Gorkum. Kapitein Marinus deed wèl van die monniken gevangen te houden, die anderszins, met hunne gelijken, in vlekken, steden en gehuchten zouden gaan, om te preeken tegen ons, het volk op te hitsen en de arme hervormden te doen verbranden. Bloedhonden legt men aan de keten totdat zij verrekken; aan de keten, de monniken; aan de keten, de bloedhonden van den hertog van Alva; in den kerker, de beulen! Vive le Geus!
--Maar, sprak Uilenspiegel, Oranje, onze prins van de vrijheid, wil dat men, bij elke overgave, de goedingen der menschen en het vrije geweten eerbiedige.
De oude geuzen antwoordden:
--De admiraal wil dat niet voor de monniken: hij is de meester: hij nam den Briel. In den kerker, de monniken!
--Soldatenwoord is gulden woord! Waarom schendt hij zijn woord? antwoordde Uilenspiegel. De monniken, die in den kerker worden gehouden, zijn aan de grofste beleedigingen blootgesteld.
--De assche klopt niet meer op uw hert, spraken zij: ten gevolge van de edicten, hebben honderdduizend gezinnen de ambachten, de nijverheid onzer landen, overgebracht naar het Noordwesten, naar Engeland; betoon maar medelijden voor de bewerkers van onzen ondergang! Sedert Keizer Karel V, Beul I, en, onder den huidigen, bloedigen koning, Beul II, stierven honderd achttien duizend menschen den marteldood. Wie droeg de keersen bij de begrafenissen, in den moorden in de tranen? Monniken en Spaansche soldeniers! Hoort gij, hoort gij de zielen der slachtoffers niet klagen en kermen in het kille graf?
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel. Soldatenwoord is gulden woord!
--Wie dan, zeiden zij, wilde door excommunicatie ons in den ban van alle landen sluiten? Wie had hemel en aarde, God en duivel en hunne dichte gelederen santen en santinnen tegen ons afgezonden? Wie spatte er droppelen ossenbloed op de ouwels, wie deed de houten heiligen weenen? Wie deed het de Profundis zingen over den grond onzer vaderen, anders dan die gevloekte geestelijkheid, die hoop ledige, vadsige monniken? En dit alles om hunnen rijkdom te behouden, alsmede hunnen invloed op de afgodendienaars, en door ondergang, bloed en vuur te heerschen over het arme land. In de kooi, de wolven, die de menschen beloeren; in de kooi, de hyena's. Vive le Geus!
--Soldatenwoord is gulden woord!
's Anderen daags, kwam een bode vanwege messire Lumey, met bevel de negentien gevangen monniken te doen overbrengen van Gorkum naar den Briel, alwaar de admiraal zich bevond.
--Zij zullen gehangen worden, zei kapitein Marinus tot Uilenspiegel.
--Toch niet zoolang ik zal leven, antwoordde hij.
--Mijn vriend, zeide Lamme, spreek zóó niet tot messire Lumey. Hij is wreedaardig en zal u doen hangen in het weinig vereerend gezelschap der monniken.
--Ik zal spreken naarvolgens de waarheid, antwoordde Uilenspiegel: soldatenwoord is gulden woord!
--Als gij ze kunt redden, zeide Marinus, breng hunne boot naar den Briel. Neem Rochus den loods mee, en uwen vriend Lamme, als gij wilt.
--Ik wil, antwoordde Uilenspiegel.
De boot werd gemeerd aan de Groene Kade, de negentien monniken namen er plaats in; de vreesachtige Rochus werd gezet aan het roer, Uilenspiegel en Lamme, beiden goed gewapend, gingen staan op de voorplecht. Eenige schavuiten, die met het oog op de plundering als soldaten bij de Geuzen waren gekomen, zaten bij de monniken, die honger hadden. Uilenspiegel gaf hun te eten en te drinken. "Die zal verraden!" zeiden de slechte soldaten. De negentien monniken zaten in het midden, schijnheilig vroom en bibberend, hoewel men in de Hooimaand was en de zon helder en warm scheen, en een zachte zeewind de zeilen der boot deed zwellen, die log en zwaar over de groene golven gleed.
Pater Nicolaas sprak toen en zeide tot den loods:
--Rochus, leidt men ons naar het Galgeveld?
Vervolgens wendde hij zich in de richting van Gorkum en sprak, terwijl hij rechtstond en de hand uitstak:
--O, stede van Gorkum, o stede van Gorkum! Hoevele kwalen hebt gij te lijden: gevloekt zult gij wezen onder al de steden, want binnen uwe muren hebt gij het zaad der ketterij laten kiemen! O, stede van Gorkum! En de engel des Heeren zal bij uwe poorten de wacht niet meer houden. Hij zal niet meer zorgen voor de eer uwer maagden, den moed uwer mannen, het fortuin uwer kooplieden! O stede van Gorkum, gevloekt zijt gij, rampzalige!
--Gevloekt, gevloekt, antwoordde Uilenspiegel, gevloekt zeker als de kam, die al de Spaansche luizen afgekamd heeft! Gevloekt als de hond, die zijne keten verbreekt, als het trotsche peerd, dat een wreedaardigen ruiter ontzadelt! Maar gij zelf zijt gevloekt, dompelaar van een predikant, die slecht vindt dat men de roede, al ware zij van ijzer, aan stukken slaat op den rug der tirannen!
De monnik zweeg en sloeg de oogen neer; hij scheen ganschelijk overgeleverd aan zijn godvruchtigen haat.
De schavuiten, die met het oog op plundering als soldaten bij de Geuzen waren gekomen, waren nabij de monniken, dewelke weldra weer honger kregen. Uilenspiegel vroeg voor hen haring en beschuit. De schipper van de boot antwoordde:
--Smijt ze in de Maas, daar zullen zij versche haring vinden.
Uilenspiegel gaf toen aan de monniken al het brood en al de worst, die hij overhad voor zich en voor Lamme.
De schipper en de schavuiten zeiden tot elkander:
--Die is een verrader, hij spijst de monniken. Wij moeten hem aanklagen.
Te Dordrecht hield de boot stil in de haven, aan de Bloemenkade; mannen, vrouwlieden, knapen en meidekens kwamen in groote menigte toeloopen om de monniken te zien en zeiden tot elkander, terwijl zij hen met den vinger toonden of met de vuisten bedreigden:
--Beziet die schoften daar, die godmakers, die de lichamen naar de brandstapels brengen en de zielen naar 't eeuwige vuur; beziet die vetgemeste tijgeren, die dikbuikige jakhalzen.
De monniken lieten het hoofd zakken en dorsten niet spreken. Weer zag Uilenspiegel hen zitten bibberen.
--Wij hebben nog honger, medelijdende soldaat, zeiden zij.
Maar de schipper sprak:
--Wie drinkt altijd? Droog zand. Wie eet altijd? Monniken.
Uilenspiegel ging hun in de stad brood, hesp en een grooten pot bier koopen.
--Eet en drinkt, zeide hij; gij zijt onze gevangenen, doch als ik kan, zal ik u redden. Soldatenwoord is gulden woord!
--Waarom geeft gij hun dat eten en drinken? Nooit zullen zij u betalen, zeiden de schavuiten.
En stille spekend, fluisterden zij elkander in 't oor:
--Hij heeft beloofd hen te redden, wij moeten hem gadeslaan.
Met den dageraad kwamen zij aan den Briel. Toen de poorten hun geopend waren, ging een voetlooper messire Lumey verwittigen van hunne komst.
Zoodra deze de miede ontving, sprong hij te peerd en, nauwelijks gekleed en vergezelschapt door eenige gewapende ruiters en voetknechten, kwam hij aan de boot.
En nog eens kon Uilenspiegel den wreeden admiraal zien, gekleed als een heer, die in overvloed baadt.
--Goeden dag, heeren monniken, sprak hij. De handen op! Waar is het bloed der heeren van Egmond en Hoorn? Gij toont mij uwe pootjes, dat is wel van u....
Een monnik, Leonard genoemd, antwoordde:
--Doe met ons wat gij wilt. Wij zijn monniken, niemand zal ons opeischen.
--Hij heeft goed gesproken, zeide Uilenspiegel; want vermits de monnik afgebroken heeft met de wereld, dewelke vader en moeder, broeder en zuster, gade en vriendin is, vindt hij op Gods uur niemand, die hem opeischt. Nochtans, Excellentie, wil ik het doen: Bij het teekenen van de overgave van Gorkum, bepaalde kapitein Marinus dat die monniken vrij zouden wezen, gelijk al degenen, die genomen werden in de citadel en die er uitkwamen. Zij werden er echter zonder reden gevangen gehouden; ik hoor zeggen, dat zij zullen gehangen worden. Heer, ootmoediglijk richt ik mij tot u, om hen voor te spreken, want ik weet, dat soldatenwoord gulden woord is.
--Wie zijt gij? vroeg messire Lumey.
--Heer, antwoordde Uilenspiegel, ik ben Vlaming uit het schoone Vlaanderenland, boer, edelman, alles te zamen, en door de wereld ga ik aldus, om het goede en schoone te prijzen en volmondig te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. En u zal ik prijzen, als gij de belofte houdt, dewelke de kapitein heeft gesteld: Soldatenwoord is gulden woord!
Maar de schavuiten, die met het oog op plundering bij de Geuzen waren gekomen, zeiden:
--Heer, die is een verrader: hij heeft beloofd hen te redden; hij heeft hun brood, hesp, worst en bier gegeven, en ons niets.
Messire Lumey zeide toen tot Uilenspiegel:
--Vlaming, die het goede prijst en monniken spijst, gij zult met henzelven worden gehangen.
--Ik ben zonder vrees, antwoordde Uilenspiegel, soldatenwoord is gulden woord!
--Daar hebt gij u iets moois op den hals gehaald, sprak Lamme.
--De assche klopt op mijn hert, zeide Uilenspiegel.
De monniken werden naar eene schuur gebracht, en Uilenspiegel met hen; daar wilden zij hem bekeeren met godgeleerde bewijsvoeringen; maar hij viel in slaap bij hunne reden.
Terwijl messire Lumey aan tafel zat, welke vol wijn en vol vleesch stond, kwam een bode van Gorkum, vanwege kapitein Marinus, met het afschrift van de brieven des Prinsen van Oranje, "lastende en bevelende aan al de voogden van steden en andere plaatsen, de geestelijken in gelijke veiligheid, zekerheid en privilege te houden als de andere standen des volks".
De bode vroeg om bij Lumey toegelaten te worden, ten einde hem, eigenhandig, het opschrift der brieven te geven.
--Waar is 't origineel? vroeg Lumey.
--Bij mijn meester Marinus, zeide de bode.
--En die boer zendt mij het afschrift! zeide Lumey. Waar is uw pas?
--Hier, heer, sprak de bode.
Messire Lumey las:
--"Mijnheer en meester Marinus Brand last al den ministers, stadhouders en officieren der Vereenigde Provinciën, vrijelijk door te laten enz."
Lumey sloeg met de vuisten op de tafel en scheurde den brief aan stukken; hij riep woedend uit:
--Verdoemd, waarmede bemoeit hij zich, die Marinus, die schooier, die vóór de inneming van den Briel nog geene graat van een haring te vreten had? Hij heet zich mijnheer en meester, en zendt bevelen aan mij! Hij last en beveelt! Zeg aan uw meester, dat, mits hij zulk een mijnheer en zulk een meester is, welk zoo goed lasten en bevelen kan, de monniken op staanden voet zullen opgeknoopt worden, en gij daarbij, als gij niet dadelijk opkraamt!
En met een schop onder de broek, smeet hij hem buiten de kamer.
--Drinken! riep hij. Hebt gij de verwatenheid van dien Marinus gezien? Ik ben woedend! Dat men de monniken dadelijk opknoope in hunne schuur, en dat men dien Vlaming voor mij brenge, nadat hij hun halsrecht bijgewoond heeft. We zullen eens zien of hij mij zal durven zeggen, dat ik slecht deed. Alle duivels! waarom zijn hier nog potten en glazen van doen?
En met groot gerucht sloeg hij de bekers en het vaatwerk kapot, en niemand durfde hem aanspreken. De knechten wilden de stukken oprapen, maar hij liet het niet toe; onmatig ledigde hij de eene flesch na de andere, en hij werd nog woedender, want hij liep met groote stappen de kamer op en neer, razend de scherven onder de voeten vertrappend.
Uilenspiegel werd vóór hem gebracht.
--Hewel, zeide hij hem, brengt gij mij miede van uwe vrienden, de monniken?
--Zij zijn gehangen, sprak Uilenspiegel, en een lafhertige beul, door baatzucht gedreven, heeft een hunner, na zijnen dood, den buik en de zijden geopend, om aan een apotheker het vet te verkoopen. Soldatenwoord is geen gulden woord meer!
Lumey, voort de scherven vertrappend, bulderde:
--Gij trotseert mij, armzalige nietdeug, maar gij ook zult gehangen worden, niet in eene schuur, maar schandelijk op de Markt, in het aanschijn van elkeen.
--Schande over u, sprak Uilenspiegel, schande over ons: soldatenwoord is geen gulden woord meer!
--Wilt gij zwijgen, ijzeren kop! riep messire Lumey.