Part 34
Daar zeilden zij naar de vloot van messire Willem Lumey, graaf van de Mark, admiraal van Holland en Zeeland, die als dusdanig eene lanteerne omhoog in de mast van zijn schip voerde.
--Bezie hem goed, Lamme, sprak Uilenspiegel; hij zal u niet sparen, als gij met geweld het schip wilt verlaten. Hoort gij zijne stem bulderen als de donder? Zie hoe groot en breed hij is, zie zijn hooge gestalte! Aanschouw zijn groote handen met kromme nagelen. Zie zijn ronde koele oogen: 't zijn arendsoogen en zijn langen, puntigen baard, denwelken hij gezworen heeft te laten groeien totdat hij alle papen en monniken opgeknoopt heeft, om de beide graven te wreken! Zie eens, hoe wreed en geducht hij is; gewis doet hij u hangen, zoo gij voortgaat met zuchten en klagen: Mijne vrouw! Mijne vrouw!
--Mijn vriend, antwoordde Lamme, wie van koorden spreekt voor zijn evennaaste, draagt een hennepen kraag om den hals.
--Gij zult hem dragen vóór mij. Dat is mijn hertelijke wensch, sprak Uilenspiegel.
--Aan de galg zal uwe vuile tong eene el lang uit uwen bek steken, antwoordde Lamme.
En de beide vrienden proestten van 't lachen.
Dien dag kaapte het vaartuig van Treslong eene kog van Biscaye, die geladen was met kwikzilver, stofgoud, wijn en specerijen. En het schip werd geledigd tot het merg, bemanning en buit, als een osseschinkel onder den tand van den leeuw.
Het was ook te dien tijde, dat de hertog den Nederlanden wreede, afschuwelijke belastingen oplegde, en al de inwoneren, die erf of have verkochten, tot betaling dwong van duizend op de tienduizend gulden. En die last was bestendig. Alle hoegenaamde koopers en verkoopers moesten aan den koning den tienden penning van de koopsom betalen, wat het volk zeggen deed, dat de handelswaar, die binst dezelfde week tienmaal verkocht werd, ganschelijk aan den koning kwam.
En alzoo gingen nering en hanteering naar Dood en naar Ondergang.
En de Geuzen namen den Briel, een versterkte plaats aan de zee, die de Bakermat der Vrijheid genoemd werd.
II.
Men was in het begin van de Bloeimaand; de hemel was helder en het vaartuig dobberde statig op de wateren. Uilenspiegel zong:
De asch klopt op mijn hart. De beulen kwamen, sloegen Met dolk en vuur, geweld en zwaard. Vuil geld betaalt den vuigen spioen. In stêe van deugden, liefde en geloof, Heerschen verklikking en wantrouwen. De slachters dienen geslacht. Slaat op de krijgstrom.
Leve de Geus! Slaat op de trom. De Briel is aan ons. Vlissingen ook, de sleutel der Schelde. De Heer is goed. Campveere is aan ons, Met Zeelands schutterij. We hebben kruit en lood en kogels, IJzeren kogels, gegoten kogels. De Heer is met ons, wie tegen?
Slaat op den trommel. Zege en roem! Leve de Geus! Slaat op de trom.
Het zwaard is getogen, harten hoog, Vuisten vast; het zwaard is getogen. Weg met den Tienden Penning, den nood, den dood! Ter galge de beul, ter galge de roover! Meineedig vorst wil het volk in oproer. Het zwaard is getogen voor ons rechten, Voor huis en have, voor vrouw en kinderen. Het zwaard is getogen. Slaat op de trom.
Harten hoog, vuisten vast. Weg met den Tienden Penning, weg met snood pardoen. Slaat op de krijgstrom. Slaat op de trom.
... Ja, spitsbroeders en vrienden, ja, te Antwerpen, noesch over het Schepenhuis, hebben zij een groot schavot opgericht, dat met rood laken bekleed is; de hertog troont er op als een koning te midden van staffieren en soldeniers. Hij wil goedgunstig glimlachen, doch trekt slechts een afgrijselijk gezicht. Slaat op de trommel! Leve de Geus!
... Hij heeft kwijtschelding geschonken; zwijgt stille: zijn gulden harnas flikkert in de zonne, de grootprovoost zit te peerd naast den baldakijn; daar komt de heraut met zijn trommelaars; hij leest algemeene kwijtschelding af voor al degenen, die niets misdeden; de anderen zullen wreedelijk worden gestraft.
... Luistert spitsbroeders, hij leest het plakkaat, hetwelk, onder straffe van beschuldiging van muitmakerij, de betaling van den tienden en den twinstigsten penning beveelt.
En Uilenspiegel zong:
Hertog, hoort ge de stem van het volk, 't Geweldig rumoer? 't Is de zee die zwelt In 't zware gezwoeg der stormen. Geld genoeg, bloed genoeg, Nood genoeg. Slaat op de trom.
't Is de klauw in de bloedende wonde, De diefstal na den moord. Moet ge ons goud Mengen met ons bloed om het te drinken? Wij stapten in de baan des plichts, Den koning getrouw. De koning is meineedig. Wij zijn van den eed ontslagen. Slaat op de krijgstrom.
Hertog van Alva, bloedhertog, Zie kramen, en winkels gesloten, Zie brouwers, bakkers, kruideniers, Weigrend te venten om niet te betalen. Wie groet u langs den weg? Niemand. Voelt ge als een mist van pest Haat en smaad u omringen?
De schoone grond van Vlaanderen, Het lustig land Brabánt, Treuren als kerkhoven. Waar vroeger, in tijden van vrijheid, Vedels zongen, pijpen schalden, Zijn stilte en dood. Slaat op de krijgstrom.
Geen vrooe gezichten meer Van zingende vrijers en drinkebroers, Maar bleeke gelaten Van wie gelaten Wachten op 't zwaard van het onrecht. Slaat op de krijgstrom.
Wie hoort nog in de taveernen Het lustig klinken der glazen, Of de helle stemmen der deernen, Bij benden zingend op straat? Brabánt en Vlaanderen, vreugdelanden, Zijn tranenlanden. Slaat op de rouwtrom.
Grond der vaadren, verdrukte geliefde, Plooi niet onder den voet des moorders. Nijvere bijen, zwiert in zwermen Neer op de wespen van Spanje, Levend begravene vrouwen en dochters, Roept tot Christus: wraak!
Dwaalt bij nacht in de velden; arme zielen, Roept tot God. De vuist trilt om te slaan. Het zwaard is getogen, hertog, we rukken uw ingewand uit Om u in 't aangezicht te zweepen. Slaat op den trommel. Het zwaard is getogen. Slaat op den trommel. Leve de Geus!
En al de matrozen en soldaten van het vaartuig van Uilenspiegel, en ook van de andere vaartuigen, zongen in koor:
Slaat op den trommel, leve de Geus!
En hunne stemmen rommelden als de donder der verlossing.
III.
Men was in Louwe, de wreede maand, die het kalf in den buik van de koe doet vervriezen. Het had gesneeuwd en daarboven gevrozen. De knapen vingen, met vogelteer, de musschen, die op de harde sneeuw een schamel stuksken brood kwamen zoeken, en brachten dat wild naar de hutten hunner ouders. Op den grijzen hemel staken, onbeweeglijk, de geraamten der boomen af, welker takken met sneeuwen kussens waren versierd, die insgelijks de daken der hutten en de nok van de muren bedekten, en in dewelke men pooten van katten zag, want die dieren maakten in de sneeuw insgelijks jacht op de musschen. Heinde en ver waren de weiden verborgen onder die wonderbare vacht, die de aarde tegen de gure winterkoude beschut. De rook uit de schoorsteenen van hutten en huizen stak somber af tegen den helderen hemel, en men hoorde niet het minste gerucht.
En Katelijne en Nele zaten alleen in hare woning; en Katelijne schudde het hoofd en sprak:
--Hans, mijn hart trekt naar u. Gij moet de zevenhonderd karolussen teruggeven aan Uilenspiegel, den zoon van Soetkin. Zijt gij nooddruftig en kunt gij ze thans niet teruggeven, kom dan toch maar, dat ik uw glanzend gelaat zie. Doe het vuur weg, mijn hoofd brandt. Laas! waar zijn uw sneeuwen kussen? waar is uw ijskoud lichaam, Hans, mijn geliefde?
En troosteloos bleef ze vóór 't venster staan. Eensklaps kwam een koerier, met belletjes aan den gordel, voorbijgeloopen.
--Daar komt de baljuw, de hoogbaljuw van Damme! riep de voetlooper.
En aldus liep hij tot aan het Schepenhuis, om er de burgemeesteren en schepenen samen te roepen.
Toen hoorde Nele, in de volslagen stilte, twee klaroenen schallen. Die van Damme kwamen allen aan hunne deur, in de meening dat het Zijne Koninklijke Majesteit was, die zich door zulk een trompetgeschal liet aankondigen.
En Katelijne ging ook aan de deur met Nele. In de verte zagen zij schitterende ruiters in groepen bijeen en aan hunne spits reed een personage, bedekt met een zwart pannen opperste kleed met marter afgelegd, gekleed in een pannen wambuis met fijngouden belegsels en met roode kalfsleerzen, gevoerd met martervel. En zij herkenden den hoogbaljuw.
Achter hem reden jonge heeren, die, niettegenstaande de ordonnantie van wijlen Zijne Keizerlijke Majestijt, aan hunne pannen kleederen, gouden, zilveren en zijden borduursels, belegsels, banden, boordsels droegen. En hun opperste kleederen waren, gelijk die van den hoogbaljuw, met pels afgelegd. Zij reden vroolijk voort, met fladderende lange struisvederen op hunne met goud afgelegde toques.
En zij zagen er allen als goede vrienden en kameraden van den hoogbaljuw uit; en onder hen was een heer met een zure tronie, gekleed in groene panne, met goud afgeleid; en zijn opperste kleed was van zwarte panne, evenals zijne toque, die met lange pluimen versierd was. En hij had een krommen neus als de bek van een gier, een dunnen mond, ros haar, een bleek gezicht, en hij zat met fiere houding te peerd.
Terwijl die heeren voorbij de woning reden van Katelijne, sprong deze eensklaps naar den teugel van 't peerd van den bleeken ruiter, en riep zij vol blijdschap:
--Hans, mijn geliefde, ik wist wel dat gij zoudt terugkomen. Zoo zijt gij schoon, ganschelijk in de panne en in het goud, lijk eene zon op de sneeuw! Brengt gij de zevenhonderd karolussen? Zult gij nog schreeuwen lijk de nachtuil?
De hoogbaljuw deed den troep edellieden stilstaan en de bleeke ruiter sprak:
--Wat wil die schooister van mij?
Maar Katelijne hield altoos het peerd bij den teugel en sprak:
--Verlaat mij niet; ik heb zoo bitter geweend om uwentwille. Zoete nachten, mijn welbeminde, sneeuwen kussen en ijskoud lichaam.
Hier is het kind.
En zij wees naar Nele, die hem grammoedig bezag, want dreigend had hij de karwats naar Katelijne opgeheven.
Maar Katelijne sprak schreiend:
--Ha? zoudt gij u niet meer herinneren? Neem uwe dienares in genade. Breng mij met u waar gij wilt. Doe het vuur weg. Hans, erbarming!
--Ga heen! sprak hij.
En hij stiet zijn peerd zoo geweldig vooruit, dat Katelijne den teugel losliet en ten gronde viel; en het peerd trapte op heur en sloeg, met zijn hoef, op heur voorhoofd, zoodat zij bloedde.
Toen zeide de baljuw tot den bleeken ruiter:
--Messire, kent gij die vrouwe?
--Ik ken ze niet, zeide hij, 't is zeker een krankzinnige.
Maar Nele, die Katelijne weder opgericht had, sprak luide:
--Is die vrouw krankzinnig, ik ben het niet, en wil hier sterven van dit brokje sneeuw, dat ik eet--en zij nam een greepje sneeuw en stak het in den mond--als die man mijne moeder niet heeft gekend, als hij heur al heur geld niet ontnam, als hij den hond van Klaas niet doodde, om, tegen den muur van den steenput onzer lochting, de zevenhonderd karolussen te stelen van den armen aflijvige.
Het bloed vloeide uit de wonden van Katelijne, dewelke knielend smeekte:
--Hans, mijn liefste, Hans, mijn welbeminde, geef mij den vredekus; bezie mij, het bloed vloeit uit mijn voorhoofd; de ziel heeft een gat gemaakt en nu wil zij buiten; fluks ga ik sterven: laat mij toch niet alleen!
Vervolgens zeide zij met stillere stem:
--Eertijds hebt gij uwen vriend gedood uit jaloerschheid, langs den dijk.
En met den vinger wees zij naar den kant van Dudzele.
--Toen bemindet gij mij meerder dan nu.
En zij nam de knie van den edelman vast en omhelsde ze, en zij greep zijnen schoen vast en kuste dien.
--Wie is die man, die gedood werd? vroeg de hoogbaljuw.
--Ik weet het niet, genadige heer, antwoordde de bleeke ruiter. Wij hebben geene zaken met hetgeen die schooister vertelt. Laat ons voortgaan.
Het volk kwam te hoop rond hen; hoogpoorters en gemeen, werklieden en boeren trokken partij voor Katelijne, en alle riepen:
--Gerechtigheid, heer baljuw, gerechtigheid!
En de baljuw sprak tot Nele:
--Wie is de man, die gedood werd? spreek volgens God en waarheid.
Nele zeide, naar den bleeken jonker wijzend:
--Deze hier kwam alle Zaterdagen in de keet om mijne moeder te zien en heur geld af te doen: hij heeft eenen vriend van hem, Hilbert genoemd, gedood in den akker van Servaas Vander Vichte, niet uit jaloerschheid, maar om de zevenhonderd karolussen niet te moeten deelen met hem.
En Nele verhaalde de minnarijen van Katelijne en wat deze 's nachts hoorde, toen zij verborgen was achter den dijk, die liep door den kouter van Servaas Vander Vichte.
--Nele is stout, zeide Katelijne, zij is wel hard jegens Hans, jegens heuren vader.
--Ik zweer, zeide Nele, dat hij schreeuwde als de nachtuil, om van zijne tegenwoordigheid miede te geven.
--Gij liegt, zeide de edelman.
--Ho, neen! sprak Nele, en mijnheer de baljuw en al die heeren, hier tegenwoordig, zien het wel: gij zijt bleek geenszins van koude, maar van schrik. Hoe komt het dat uw gezicht niet meer blinkt? Bezigt gij de tooverzalve niet meer, met dewelke gij u streekt, opdat gij helder zoudt zien als de baren der zee, 's zomers, als 't donkert? Maar, vermaledijde tooveraar, verbrand zult gij worden voor de pui van 't Schepenhuis. Gij zijt de oorzaak van Soetkin's dood, gij bracht heuren zoon, eenen wees, tot ellende; gij, die ongetwijfeld een edelman zijt, kwaamt bij ons, werklieden, om mijne moeder een enkele maal een weinig geld te brengen en er heur al de andere keeren veel te ontnemen.
--Hans, sprak Katelijne, zult gij mij nog bestrijken met de zalve, zult gij mij nog naar den Sabbat leiden? Luister naar Nele niet: zij is stout; gij ziet het bloed, de ziel heeft een gat gemaakt en wil buiten; fluks zal ik sterven en dan ga ik naar 't voorgeborchte der helle, alwaar geen vuur is.
--Zwijg, krankzinnige tooveres, zeide de edelman, ik weet niet wat gij zeggen wilt.
--En nochtans, zeide Nele, zijt gij het, die kwaamt met eenen vriend, dien gij mij tot man wildet geven; gij weet dat ik van hem niet wilde weten; wat heeft hij gedaan, uw vriend Hilbert, wat heeft hij gedaan voor zijne oogen, nadat ik er in krabde met mijne nagelen?
--Nele is stout, zeide Katelijne, geloof ze niet, Hans, mijn geliefde: zij is grammoedig op Hilbert, die heur met geweld wilde nemen; maar nu kan Hilbert dat nimmermeer doen, de wormen hebben hem opgegeten. En Hilbert was leelijk; Hansken, mijn liefste, gij alleen zijt schoon; Nele is stout!
Daarop sprak de baljuw:
--Vrouwen, gaat henen in vrede.
Maar Katelijne wilde niet weggaan van de plaats waar heur geliefde was. En men moest ze met geweld naar heure woonstede brengen.
En al het te hoop gestroomde volk riep:
--Gerechtigheid, heer, gerechtigheid!
De serjanten van de gemeente waren bijeengekomen op het gerucht: de baljuw gebood hun te blijven, en sprak tot de heeren en edellieden:
--Heeren en edellieden, niettegenstaande alle privileges, die de doorluchtige orde van den adel in Vlaanderenland beschermen, moet ik, op de beschuldigingen en hoofdzakelijk op die van hekserij, uitgebracht tegen messire Joost Damman, denzelven apprehendeeren totdat hij geoordeeld en gevonnist worde volgens de wetten en ordonnantiën des Rijks. Geef mij uw zweerd af, messire Joost.
--Heer baljuw, zeide Joost Damman, met grooten hoogmoed en adellijke fierheid, als gij mij aanhoudt, overtreedt gij de wetten van Vlaanderen, want gij zelf zijt geen rechter. Nu, gij weet, dat alleen valsche munters, struikroovers, brandstichters, verkrachters van vrouwen en meidekens, soldeniers die hunnen hoofdman ontliepen, tooveraars die de wateren vergiftigden, monniken en begijnen die hunne kloosters ontliepen, mitsgaders gebannenen, zonder lastgeving van den rechter, mogen geapprehendeerd worden. Nu, heeren, verdedigt mij!
Eenigen wilden bijspringen, maar de baljuw zeide tot hen:
--Heeren, ik vertegenwoordig hier onzen koning, grave en heer, aan denwelke de beslissing van moeilijke gevallen is voorbehouden; en ik gelast en beveel u, op peine als rebellen te worden beschouwd, uw zweerd terug in de scheede te steken.
De edellieden gehoorzaamden; doch dewijl messire Joost Damman nog aarzelde, riep het gemeen:
--Gerechtigheid, heer, gerechtigheid, hij geve zijn zweerd af.
Toen deed hij het tegen zijn dank, en, van zijn peerd gestegen zijnde, werd hij door twee serjanten van de gemeente naar het Steen gebracht.
Doch hij werd niet in de kelders gestoken, maar wel in een getraliede kamer, alwaar hij, mits betaling, een goed bed en een goed vuur kreeg en ook goed eten mocht laten halen, van hetwelk de cipier minstens de helft nam.
IV.
's Anderen daags gingen de baljuw, de beide griffiers-crimineel, twee schepenen en een chirurgijn-baardemaker langs den kant van Dudzele, om te zien of zij in den akker van Servaas Vander Vichte het lijk van een man zouden vinden, langsheen den dijk, dewelke liep door dien kouter.
Nele had tot Katelijne gezeid:
--Hans, uw lieveling, vraagt een afgesneden hand van Hilbert: dezen avond zal hij schreeuwen als de nachtuil, in onze hut komen en u de zevenhonderd karolusgulden brengen.
Katelijne had geantwoord:
--De hand zal ik afsnijden.
En, inderdaad, zij nam een mes en ging heen, vergezelschapt door Nele en gevolgd door de officieren van justitie.
Zij stapte gauw en fier vooruit met Nele, wier liefelijk gezichtje bloosde van de vinnige koude.
Bibberend en kuchend, volgden heur de officieren van justitie, die reeds bedaagd waren, en zij allen geleken zwarte schimmen op het witte veld, en Nele droeg eene spade.
Toen zij bij den akker van Servaas Vander Vichte, op den dijk, gekomen waren, ging Katelijne naar het midden: daar wees zij naar de meersch, die op heure rechterhand lag en sprak:
--Hansken, gij wist niet dat ik daar huiverend verborgen was bij 't wapengekletter. En Hilbert schreeuwde: Dit ijzer is koud. Hilbert is leelijk. Hans is schoon. Gij zult zijne hand hebben, laat mij alleen!
Zij dwaalde toen links af, zette zich in de sneeuw op de knieën en schreeuwde driemaal in de lucht, om de geesten aan te roepen.
Nele langde heur toen de spade, op dewelke Katelijne drie kruiskens maakte; vervolgens teekende zij op de bevroren sneeuw de beeltenis van eene doodkist, alsmede drie kruisen, één naar het Oosten, één naar het Westen en één naar het Noorden, en sprak: Drij, dat is Mars omtrent Saturnus, en drij is ontdekking onder Venus, de heldere sterre. En vervolgens trok zij rondom de doodkist een grooten kring, zeggende:
--Ga heen, booze duivel, die de lijken bewaart!
Vervolgens knielde zij neder en bad:
--Duivel Hilbert, mijn vriend, zeide zij, Hans, mijn heer en meester, beveelt mij hier uwe hand af te snijden: ik ben hem gehoorzaamheid verschuldigd: doe mij niet treffen met het aardsche vuur, omdat ik uw edele grafstee kom storen, en vergeef het mij in name van God en zijne santen.
Toen kapte zij in het ijs, naarvolgens het figuur van de doodkist; zij maakte de natte graszode bloot, vervolgens het zand, en weldra zagen de heer baljuw, zijne officieren, Nele en Katelijne het lijk van een jongen man te voorschijn komen, dat wit geworden was als kalk, ter oorzake van het zand. Hij was gekleed in grijs lakensch wambuis en een eender opperste kleed; zijn zweerd lag aan zijne zijde. Aan zijnen gordel had hij eene maliënbeurs, en een breede dolk stak nog in zijn lichaam, onder het hert; en er was bloed op het laken van het wambuis, en dat bloed was geloopen tot onder den rug. En de man was nog jong.
Katelijne sneed zijne hand af en stak ze in heure gordeltasch. En de baljuw liet heur begaan, beval heur vervolgens het lijk te ontdoen van alle kleederen en kenteekenen. Katelijne vroeg, of Hans zulks had geheeten, maar de baljuw antwoordde, dat hij slechts handelde naar zijne bevelen; toen deed Katelijne alles wat hij gebood.
Toen het lijk uitgekleed was, zag men dat het droog lijk hout was: en de baljuw en de officieren van de gemeente deden het bedekken met zand en de serjanten droegen de kleederen en de wapenen mede.
En toen zij voorbij het Steen kwamen, zeide de baljuw tot Katelijne, dat Hans dáár op heur wachtte; en blijde ging zij er binnen.
Nele wilde heur tegenhouden, doch Katelijne antwoordde:
--Ik wil Hans zien, mijn heer en meester.
En Nele weende aan de poort, want zij wist, dat Katelijne als tooveres aangehouden was om de bezweringen en teekenen, die zij gemaakt had op de sneeuw.
En men zeide te Damme, dat er voor heur geene ontferming zou zijn.
En Katelijne werd gestoken in een onderaardschen kerker van het Steen.
V.
's Anderen daags woei de wind uit Brabant: de sneeuw smolt en de meerschen werden overstroomd.
En de burgstorm luidde, om de rechters naar de vierschaar te roepen, onder het afdak, om den wille van de vochtigheid der zodenbanken.
En het volk stond rond de vierschaar.
Joost Damman werd voorgebracht, zonder kluisters, in zijn prachtige kleeren. Katelijne werd insgelijks voorgebracht, doch met de handen van voren gebonden en gekleed in een grijs lijnwaden kleed, hetwelk de dos der gevangenen was.
Joost Damman, ondervraagd, bekende dat hij zijn vriend Hilbert gedood had, in tweegevecht, met het zweerd. Als men hem zei, dat hij gedood was met een dolk, antwoordde Joos Damman:
--Ik heb hem afgemaakt, omdat hij niet gauw genoeg stierf. Dien moord beken ik gereedelijk, vermits ik sta onder de bescherming der wetten van Vlaanderen, volgens dewelke, na verloop van tien jaar, de moord niet meer vervolgd wordt.
De baljuw vroeg hem:
--Zijt gij geen tooveraar?
--Neen, antwoordde Damman.
--Bewijs het, zeide de baljuw.
--Ik zal het doen op tijd en stond, zeide Joost Damman, maar nu past het mij niet.
Toen werd Katelijne ondervraagd; zij hoorde niet wat men vroeg, doch keek gedurig naar Hans en sprak:
--Gij zijt mijn groene heer, schoon als de zon zijt ge. Doe het vuur weg, mijn liefste!
Nele kwam toen Katelijne voorspreken en zeide:
--Heer baljuw en heeren rechters, meer dan gij weet, kan zij niet bekennen; zij is geene tooveres, doch enkel uitzinnig.
Toen sprak de baljuw:
--Tooveraar is hij, die door voorbedachtelijk gebruikte duivelsche middelen in iets tracht te slagen. Nu, deze twee, man en vrouw, zijn tooveraars met inzicht en met daad; hij, omdat hij de sabbatszalve gegeven, en zijn gezicht helder als Lucifer gemaakt heeft, ten einde geld en vleeschelijken omgang te bekomen; zij, omdat zij hem aangehangen heeft, hem nemende voor eenen echten duivel, en omdat zij met hem gehanteerd heeft; hij is pleger van hekserij, en zij is zijne baarschuldige. Men mag dus geenerlei ontferming hebben, en ik moet het zeggen, want ik zie dat de schepenen en die van 't gemeen te goedertieren zijn jegens de vrouw. In der waarheid heeft zij gemoord noch gestolen, noch heeft zij personen of hunlieder beestiaal mishand; ook heeft zij geenerlei zieken met buitengemeene middelen genezen, maar enkellijk met gekende geneeskruiden; doch zij heeft heure dochter willen overleveren aan den duivel, en als deze in heur jeugdigen ouderdom niet met zooveel dapperheid wederstaan had, dan had zij toegegeven aan Hilbert en ware zij, als de tweede beschuldigde, insgelijks tooveres geworden. Dienvolgens vraag ik aan de heeren van de vierschaar of zij niet van oordeel zijn, beiden ter torture te stellen?
De schepenen antwoordden niet, daardoor beduidende, dat zij niet van dat oordeel waren, wat Katelijne betrof.
Zijne rede vervolgende, zeide toen de baljuw: