De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 33

Chapter 334,020 wordsPublic domain

En er was veel beweging onder het gemeeen.

Toen zij aan 't huis van den baljuw waren, kwam deze vóór op het gerucht en zei tot Uilenspiegel:

--Gij zijt overwinnaar! Heil u!

--De assche van Klaas klopte op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel.

Toen sprak de baljuw:

--Gij krijgt de helft van de nalatenschap des moordenaars.

--Geef dat aan de slachtofferen, antwoordde Uilenspiegel.

Lamme en Nele kwamen nader; lachend en weenend van geluk, kuste Nele heuren vriend Uilenspiegel; Lamme sprong log als een beer omhoog en klopte op den buik van zijn vriend, zeggende:

--Dat is een brave, koene en trouwe gezel; 't is mijn vriend, mijn spitsbroeder: zulke vrienden hebt gij niet, gijlieden van 't platteland.

Maar de visschers lachten en spotten met hem.

XLIV.

De burgstorm luidde 's anderen daags, om den baljuw, de schepenen en de griffiers ter vierschaar te roepen op de banken van graszoden, rond den boom der justitie, dewelke een schoone lindeboom was.

En rondom stond het gemeen.

De vischverkooper, ondervraagd, wilde niets belijden, zelfs niet wanneer men hem de drie vingeren toonde, die de soldaat afgekapt had, en die aan zijne rechterhand ontbraken. Hij antwoordde steeds:

--Ik ben arm en oud, hebt medelijden met mij!

Maar het gemeen jouwde hem uit en riep:

--Gij zijt een oude wolf, een moordenaar van onschuldige kinderen. Geen medelijden, heeren rechters!

De vrouwlieden spraken:

--Ge moet ons niet bezien met uwe ijskoude oogen; gij zijt een man en geen duivel: wij vreezen u niet. Wreedaardig beest, lafhertiger dan eene kat die de vogeltjes in hun nestje opvreet, dooddet gij de arme meidekens, die niets vroegen dan in braafheid hun liefelijk leven te slijten.

--Hij betale, hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, riep Tonia.

En, hoewel de serjanten van de gemeente het heur verboden, hitsten de moeders heure knapen en meidekens op, om steenen te werpen naar den vischverkooper. En dezen deden het: en telkens dat hij hen bezag, jouwden zij hem uit, en gedurig riepen zij:

--Bloedzuiger! bloedzuiger! slaat dood!

En gedurig riep Tonia:

--Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen, hij betale!

En het volk morde.

--Ziet eens, zeiden de vrouwen tot elkander, hij heeft koude onder de heldere zon, die gloort aan den hemel, en kan zijn witte haren of zijn vaneengereten gezicht niet verwarmen.

--Hij siddert van smerte!

--'t Is de rechtveerdigheid Gods!

--Ziet eens hoe jammerlijk hij zich recht houdt!

--En zijne moordenaarshanden, van voren gebonden, bloeden ten gevolge van het prangen der val.

--Hij betale, hij betale! schreeuwde Tonia.

En jammerend zuchtte hij:

--Ik ben arm, laat mij gaan.

En iedereen, tot zelfs de rechters, dreef den spot met hem. Toen veinsde hij te weenen om het volk te vermurwen. Maar de vrouwen lachten.

Gezien de genoegzame gronden tot torture, werd hij veroordeeld om op de pijnbank te worden gezet, totdat hij zou bekennen hoe hij doodde, van waar hij kwam, waar de kleederen van zijn slachtofferen waren, en de plaats, waar hij zijn geld verborg.

Toen hij, met de te smalle nieuwlederen schoenen aan de voeten, in de folterkamer gebracht werd, vroeg de baljuw hem, hoe Satan hem beroerd had zulke afgrijselijke misdaden te bedrijven; hij antwoordde:

--Ik zelf ben Satan, want ik gelijk hem in alles. Reeds toen ik zeer klein was,--ik was leelijk en schraal en onbehendig in alle spelen en lichaamsoefeningen,--aanzag een iegelijk mij voor eenen onnoozele, en werd ik dikwijls geslagen. Knapen, noch meidekens hadden medelijden met mij. Jongeling geworden, wilde geenerlei meideken weten van mij, zelfs niet mits betaling. Toen vatte ik wrok en haat op tegen een iegelijk wezen, dat komt van de vrouw. Daarom kloeg ik Klaas aan, dien een ieder beminde. En ik beminde alleenlijk Munt, die mijn witte of goudgele gezelline was; met Klaas te doen sterven, vond ik profijt en plezier. Nadien moest ik, meer nog dan vroeger, leven als een wolf, en ik droomde van te bijten. Op reize door Brabant, zag ik er de wafelijzers van dat land en zei ik bij mij zelven, dat een dergelijk ijzer mij zou kunnen dienen als een ijzeren muil. Ha! had ik u bij den kraag, gij allen, boosaardige tijgers, die genoegen schept in de folteringen eens grijsaards! Ik zou u bijten met nog meerder genoegen dan den soldaat en het meideken. Want, als ik heur op het zand, in de zonne zoo liefelijk zag slapen met het zakje geld in de handen, maakten liefde en medelijden zich meester van mij; doch daar ik te oud ben en het kind niet kon nemen, beet ik het met de ijzeren tanden.

De baljuw vroeg hem waar hij woonde; de vischverkooper antwoordde:

--Te Ramskapelle; van daar ga ik naar Blankenberge, naar Heist, ja zelfs naar Knokke. Op Zon- en kermisdagen bak ik, met dat ijzer, wafelen naar de wijs van die van Brabant. Het was altijd zuiver en goed gesmeerd. En in al de dorpen werd die nieuwigheid uit vreemde gewesten zeer goed onthaald. En als het u belieft nog meerder te weten, en hoe het komt, dat niemand mij kon herkennen, zal ik u zeggen, dat ik mijn aangezicht wit en mijne haren ros verfde. Wat de wolfshuid betreft, dewelke gij mij toont met uw wreeden, ondervragenden vinger, die komt van twee wolven, die ik gedood heb in de bosschen van Raveschoot en Maldegem. Ik had de vellen maar aaneen te naaien om er mij mede te bedekken. Ik verborg ze in eene kist in het duin van Heist; daar ook zijn de kleederen, gestolen door mij, om ze later te verkoopen bij een goede gelegenheid.

--Trek hem van voor het vuur weg, sprak de baljuw.

De beul gehoorzaamde.

--Waar is uw goud? vroeg nog de baljuw.

--De koning zal het niet weten, antwoordde de vischverkooper.

--Brand hem van dichtbij met de vlammende keersen, sprak de baljuw. Breng hem dichter bij het vuur.

De hangman gehoorzaamde en de vischverkooper schreeuwde:

--Ik zal niets belijden. Ik sprak reeds te veel: gij zult mij verbranden. Ik ben geen tooveraar: waarom plaatst gij mij bij het vuur? Mijn voeten bloeden ten gevolge van de brandwonden. Ik zal niets zeggen. Waarom nu nog dichter? Zij bloeden, zeg ik u, zij bloeden; die schoenen zijn van gloeiend ijzer gemaakt! Mijn goud? welnu, mijn eenige vriend op deze wereld is ... trek mij weg van het vuur; het is in mijnen kelder te Ramskapelle, in eene doos ... laat mij gaan; genade, ontferming, heeren rechters; vermaledijde hangman, neem de keersen weg.... Hij brandt mij nog meerder ... het ligt in eene doos met dubbelen bodem en is gewikkeld in een wollen deken, opdat het niet rammelen zou, als men de doos schudt; nu heb ik alles gezegd, breng mij weg van het vuur!

Als hij van vóór het vuur werd geschoven, lachte hij valschelijk.

De baljuw vroeg hem waarom hij lachte.

--Van genoegen, omdat ik verlost ben, antwoordde hij.

De baljuw zeide tot hem:

--Vroeg niemand u ooit om uw wafelijzer met wreede tanden te zien?

De vischverkooper antwoordde:

--Men zag, dat het een wafelijzer was, teenemaal gelijk aan de anderen, behalve dat er gaten in waren, in dewelke ik's nachts de ijzeren tanden vastschroefde; met den dageraad nam ik ze er uit; de boeren verkozen mijne wafelen boven die van de andere kooplieden en hieten ze "wafelen met Brabantsche knoopen", ter oorzake van de ledige holten,--waarin de tanden geschroefd werden,--en dewelke kleine halfronden, die op knoopen geleken, op de wafelen maakten.

Maar de baljuw vervolgde.

--Wanneer beet gij de arme slachtofferen?

's Nachts, en ook 's daags. 's Daags dwaalde ik langs het duin en de groote wegen, met mijn wafelijzer steeds op den loer, maar voornamelijk 's Zaterdags, de groote merktdag te Brugge. Zag ik een boer voorbijkomen met een droevig gezicht, dan liet ik hem gaan, want ik dacht, dat zijne droefgeestigheid te wijten was aan den staat zijner beurze; doch ik bleef aanstappen naast dengene, die wel te moede scheen; en als hij er zich het minst aan verwachtte, beet ik hem in den nek, na hetwelk ik zijne beugeltasch nam. En niet alleenlijk in het duin liep ik, maar langs alle wegen en paden van 't platteland.

Toen sprak de baljuw:

--Heb berouw en bid God.

Maar godslasterlijk antwoordde de vischverkooper:

--'t Is de Heer God, die wilde dat ik was wat ik ben: ik deed alles ondanks mij zelven, beroerd door den wil der Natuur. Boosaardige tijgeren, die mij onrechtveerdig wilt straffen! Maar veroordeelt mij niet tot het vuur: ik deed alles ondanks mij zelven; hebt medelijden, ik ben arm en oud; ik zal sterven van mijne wonden; verbrandt mij toch niet!

Toen werd hij terug naar de vierschaar gebracht, onder den lindeboom, om er het vonnis te hooren, in bijzijn van het vergaderde volk.

En als schromelijke moordenaar, dief en godslasteraar, werd hij veroordeeld om de tong met een gloeienden priem doorstoken te worden, de rechterhand afgekapt, en met een zacht vuur verbrand, totdat de dood er op volge, vóór de pui van het Schepenhuis.

En Tonia riep:

--'t Is rechtveerdig, hij betale!

En het volk riep:

--Lang leven de Heeren van de Wet!

En hij werd terug naar het Steen gebracht, alwaar men hem vleesch en wijn brengen kwam. En hij was blijde, zeggende, dat hij er tot dan toe nooit had gegeten en gedronken, maar dat de koning, die zijne goederen erfde, wel dien laatsten maaltijd mocht betalen.

En hij grijnslachte.

's Anderen daags, bij zonsopgang, toen men hem naar het schavot bracht, zag hij Uilenspiegel omtrent den brandstapel staan; en hij riep, met den vinger naar hem wijzend:

--Die dààr, die moordenaar van grijsaards, moet insgelijks sterven; tien jaar geleden smeet hij mij te Damme in de vaart, omdat ik zijn vader had aangeklaagd. Daardoor diende ik, als trouw onderdaan, Zijne Katholieke Majesteit.

De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.

--Voor u ook kleppen die klokken, sprak hij tot Uilenspiegel; gij zult gehangen worden, daar gij gemoord hebt!

--De vischverkooper liegt, riepen die van 't gemeen; hij liegt, de beul, de moordenaar!

En, als waanzinnig, smeet Tonia eenen steen naar hem, die hem kwetste aan 't voorhoofd. En ze riep:

--Had hij u verdronken, ge zoudt niet geleefd hebben om mijn arm dochterken te bijten lijk een bloedzuiger, die ge zijt!

Uilenspiegel uitte geen woord; Lamme sprak:

--Heeft iemand den vischverkooper in 't water zien smijten?

Uilenspiegel antwoordde niet.

--Neen, neen, riep het gemeen, hij heeft gelogen, de beul!

--Neen, ik heb geenszins gelogen, schreeuwde de vischverkooper, hij wierp mij er in, terwijl ik hem om vergiffenis smeekte, en ik kon er maar uitgeraken door middel van een schuitje, dat aan den oever vastgemeerd lag. Doornat en bibberend, kwam ik met veel moeite naar mijne armzalige hut, alwaar ik de koorts had, alwaar niemand mij oppaste, terwijl ik tusschen leven en dood lag.

--Gij liegt, sprak Lamme, niemand heeft het gezien.

--Neen, niemand, riep Tonia. In 't vuur, met den beul! Alvorens te sterven, wil hij nog een onschuldig slachtoffer maken; in 't vuur, hij betale! Hij heeft gelogen! Belijd niet, Uilenspiegel, al mocht het nog waar zijn. Er zijn geene getuigen. Hij betale met zacht vuur, met gloeiende tangen!

--Bedreeft gij den moord? vroeg de baljuw tot Uilenspiegel.

Uilenspiegel antwoordde:

--Den aanklager, den moordenaar van Klaas, mijn vader, smeet ik in 't water. De assche klopte op mijn hert.

--Hij bekent, sprak de vischverkooper; hij zal insgelijks sterven? Waar is de galg, dat ik ze zie? Waar is de beul met het zweerd der justitie? De doodklok klept ook voor u, nietdeug, moordenaar van een armen grijsaard.

Uilenspiegel sprak:

--Ik smeet u in 't water om u te dooden: de assche van mijn vader klopt op mijn hert.

En in het volk spraken de vrouwen:

--Waarom het stuk bekend, Uilenspiegel? Niemand heeft het gezien; nu zult gij sterven.

En de vischverkooper lachte, danste van bittere vreugde, zwaaide met zijne armen, dewelke met bloedige doeken omwonden waren.

--Hij zal sterven, sprak hij, hij zal ter helle varen met een strop om den hals, als dieper, rabauw en truwant: hij zal sterven; God is rechtveerdig!

--Neen, hij zal niet sterven, sprak de baljuw. Na tien jaren wordt, in Vlaanderenland, de moord niet meer gepunieerd. Uilenspiegel pleegde een lakensweerdige daad, maar 't was uit kinderlijke liefde. Uilenspiegel zal uit dien hoofde niet worden vervolgd.

--Leve de Wet! riep het volk. Lang leven de Heeren van de Wet!

De klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten. En de vischverkooper knarsetandde, boog het hoofd en weende zijn eersten traan.

En men kapte zijne hand af, en men doorstak zijne tong met een gloeienden priem, en hij werd levend verbrand met zacht vuur, vóór de pui van het Schepenhuis.

Als hij den dood nabij was, riep hij:

--De koning zal mijn goud niet hebben; ik heb gelogen ... Boosaardige tijgeren, ik zal weerkomen om u te bijten.

En Tonia riep:

--Hij betale, hij betale! Zie hoe zijne armen en beenen, die naar den moord liepen, wringen en smijten: het lichaam van den moordenaar rookt; zijn wit haar, hyena's haar, brandt op zijn bleek gezicht. Hij betale, hij betale!

En de vischverkooper huilde als een wolf.

En de klokken van Onze-Lieve-Vrouwekerk klepten.

En Lamme en Uilenspiegel stegen terug op hunne ezelen.

En de jammerende Nele bleef bij Katelijne, dewelke gedurig zeide:

--Doe het vuur weg! het hoofd brandt; kom terug, Hansken, mijn liefste.

VIERDE BOEK.

I.

Te Heist, op het duin zijnde, zagen Uilenspiegel en Lamme van Oostende, Blankenberge, Knokke, menigvuldige visschersschuiten aankomen, vol gewapende mannen, die, in navolging van de Zeeuwsche Geuzen, een zilveren halve maan op hun hoed droegen met deze woorden: Liever den Turc als den Paus.

Uilenspiegel was wel te moede; hij floot als de leeuwerik; allerwegen antwoordde het strijdzuchtig gekraai van den haan.

De booten vaarden of vischten, verkochten hare vangst en landden de eene na de andere te Emden. Daar huisde Willem van Blois, heer van Treslong, die, op last van den prins van Oranje, een schip uitrustte.

Uilenspiegel en Lamme kwamen te Emden, terwijl op bevel van Treslong, de booten der Geuzen weder in zee staken.

Treslong, die sedert elf weken te Emden was, verveelde zich diep. Hij stapte van de boot op den wal en van den wal op de boot, als een geketende beer.

Uilenspiegel en Lamme wandelden langs de kaaien en ontwaarden daar een heer met een goede tronie, die er eenigszins droefgeestig uitzag en druk bezig was met de steenen van de kaai uit te steken, door middel van een breekijzer. Het ging niet gemakkelijk, doch met goeden moed zette hij zich steeds opnieuw aan het werk, terwijl achter zijnen rug een hond aan een been knaagde.

Uilenspiegel kwam naar den hond toe en gebaarde, dat hij hem zijn been wilde afnemen. De hond bromde; Uilenspiegel scheidde niet uit: de hond werd kwader en blafte en bromde uit al zijne macht.

De heer keerde zich om op dat gerucht, en zeide tot Uilenspiegel:

--Waarom moet gij dien hond plagen?

--Waarom, messire, moet gij de kasseien plagen?

--Dat is hetzelfde niet, sprak de heer,

--Het verschil is zoo groot niet, antwoordde Uilenspiegel: als de hond aan zijn been houdt en het niet loslaten wil, houden de kasseien ook aan de kaai en willen zij er aan blijven. En menschen van mijnen stand mogen wel eenen hond plagen, als lieden van den uwen de straat niet met rust laten.

Lamme stond achter Uilenspiegel en dorst geen woord uiten.

--Wie zijt gij? vroeg de heer.

--Ik ben Thijl Uilenspiegel, zoon van Klaas, die verbrand werd om het geloof.

En hij floot als de leeuwerik en de heer kraaide als de haan.

--Ik ben admiraal Treslong, sprak hij; wat wilt gij van mij?

Uilenspiegel vertelde hem zijne lotgevallen en langde hem vijfhonderd karolussen.

--Wie is die dikzak? vroeg Treslong, naar Lamme wijzend.

--Mijn gezel en mijn vriend, antwoordde Uilenspiegel: hij wil evenals ik, op uw schip, de schoone stem van de donderbus begeleiden, en het lied der verlossing van den grond onzer vaderen zingen.

--Gij zijt twee dappere kerels, zeide Treslong, gij moogt op mijne boot inschepen.

Toen was men in de Sprokkelmaand: scherp was de wind en vinnig de vorst. Na drie weken spijtig wachten, barstte Treslong's ongeduld uit en verliet hij Emden. Daar hij Texel dacht binnen te varen, vertrok hij van 't Vlie, maar hij was gedwongen Wieringen binnen te loopen, alwaar zijn vaartuig omringd werd door 't ijs.

Weldra zag men een vroolijk schouwspel rondom het schip: schaatsenrijders heel in de panne, schaatsende vrouwkens met wambuizen en rokken met gouden, zilveren, scharlaken, hemelsblauwe borduursels; gierende meidekens; en allen gingen, kwamen, joelden, gleden achter elkander, of bij paren, terwijl zij op 't ijs een minnelied zongen: ofwel trokken zij in kramen en tenten met wimpels versierd, om brandewijn, appelsienen, vijgen, peperkoek, eieren, warme worsten, heetekoeken en zuurtjes te drinken en te eten, terwijl rond henlieden arre- en zeilsleden onder hare sporen het ijs deden krassen.

Lamme, steeds naar zijne vrouw zoekend, schaverdijnde in 't rond, gelijk de lustige mannen en vrouwlieden, doch hij viel dikwijls op zijn achterste.

Intusschen ging Uilenspiegel eten en drinken in een kleine taveerne op de kaai, alwaar hij zijne portie niet duur moest betalen; en hij bleef geerne praten met de oude bazinne.

Op een Zondag, rond negen uren, ging hij er binnen en vroeg hij zijn eetmaal.

--Maar, sprak hij tot een aanvallige vrouw, die vóórkwam om hem te dienen, wat deedt gij met uwe oude rimpelen? Uw mond heeft al zijn witte en jeugdige tanden, en uwe lippen zijn als kersen zoo rood. Is hij voor mij, die zoete, schalksche glimlach?

--Wel neen, zeide zij, maar wat wilt gij?

--U, sprak hij.

De vrouw antwoordde:

--Dat is te veel voor een spiering lijk gij; wilt gij ander vleesch?

Daar Uilenspiegel niet sprak, ging zij voort:

--Wat hebt gij gedaan, zeide zij, met dien schoonen, welgevormden, dikken man, denwelken ik dikwijls bij u zie?

--Lamme? vroeg hij.

--Wat hebt gij er mee gedaan? vroeg zij.

Uilenspiegel antwoordde:

--Hij eet in de kramen, harde eieren, gerookte paling, gezouten visch, zuurtjes en alles wat hij tusschen de tanden kan steken; dit alles om zijne vrouw op te zoeken. Waarom zijt gij de mijne niet? Wilt gij vijftig gulden van mij? Wilt gij een gouden halssnoer?

Maar zij maakte het teeken des kruises.

--Ik ben te verkoopen noch te nemen, zeide zij.

--Bemint gij niemand? vroeg hij.

--Ik bemin u als mijn evennaaste; maar vóór alles bemin ik Onzen Lieven Heer en Zijne Moeder de Heilige Maria, die mij bevelen in kuischheid mijn leven te slijten. Hard en zwaar zijn mijne plichten, doch de Heer is ons, armen vrouwen, behulpzaam. Nochtans zijn er die bezwijken. Is uw dikke vriend vroolijk van aard?

Uilenspiegel antwoordde:

--Als hij eet is hij blijde, anders is hij treurig gestemd, en altijd zit hij in gedachten verzonken. Maar gij, zijt gij droefgeestig of vroolijk?

--Wij, vrouwen, sprak zij, zijn slavinnen.

--Ik ga tot Lamme zeggen, dat hij u moet komen bezoeken.

--Doe dat niet, sprak zij; hij zou weenen en ik insgelijks.

--Zaagt gij ooit zijne vrouw? vroeg Uilenspiegel.

Zuchtend antwoordde zij:

Zij zondigde met hem en werd veroordeeld tot een wreede penitentie. Zij weet, dat hij op zee gaat voor de zegepraal der ketterije; 't is droef voor een kerstenhert dit te moeten denken. Verdedig hem, als men hem aanvalt; verpleeg hem, als hij gewond is: zijne vrouw verzocht mij u die bede te doen.

--Lamme is mijn vriend en mijn broeder, antwoordde Uilenspiegel.

--Ha! zuchtte zij, waarom keert gij beiden niet terug in den schoot onzer Moeder, de Heilige Kerk!

--Die heure kinderen verbrandt, antwoordde Uilenspiegel.

En hij toog henen.

Daar de wind vinnig blies en het ijs maar immer dikker en sterker maakte, kon het schip van Treslong niet vertrekken; de matrozen en de soldaten vermaakten zich dus met sleden en schaatsen.

Uilenspiegel was in de taveerne en, jammerend en droevig, zei de lieftallige gastvrouw tot hem:

--Arme Lamme! arme Uilenspiegel!

--Waarom beklaagt gij ons zoo zeer? vroeg Uilenspiegel.

--Laas! laas! zeide zij, waarom ook gelooft gij niet aan de misse? Zeker gingt gij naar den hemel, en in deze wereld zou ik vermogen u te redden.

Ziende, dat zij naar de deur ging en aandachtiglijk luisterde, vroeg Uilenspiegel:

--Is 't de sneeuw niet, die gij hoort vallen?

--Neen, sprak zij.

--Luistert gij naar den wind, die huilt in het want?

--Neen, sprak zij nogmaals.

--Of naar het blijde gejuich van onze dappere matrozen in de naburige herberg?

--De dood sluipt stil als een dief, zeide zij.

--De dood, zeide Uilenspiegel, ik begrijp u niet; kom binnen en spreek.

--Daar zijn ze, sprak zij.

--Wie?

--Wie? antwoordde zij. De soldaten van Simon Bol, die, in naam van den hertog, u allen gaan vangen; zoo men u hier zoo goed behandelt, is het om met u te doen als met de ossen, die men mest in de weide. Ha, waarom, zeide zij, badend in tranen, waarom wist ik zulks niet vroeger?

--Houd op met uw gejank en geschreeuw, sprak Uilenspiegel, en blijf hier!

--Verraad mij niet, sprak zij.

Uilenspiegel ging het huis uit, liep naar al de kramen en taveernen, en fluisterde in het oor van de matrozen en de soldaten:

--De Spanjool komt!

Allen liepen naar het schip, bereidden in aller ijl al wat behoefde voor het gevecht, en wachtten dan den vijand af.

Uilenspiegel zeide tot Lamme:

--Ziet gij die lieftallige vrouw daar, op de kaai, met heur zwarten rok met scharlaken borduurselen, die heur gezicht met heur witte huik verbergt?

--'t Is mij eender, antwoordde Lamme. Ik heb koude en zou willen slapen.

En hij wikkelde zijn hoofd in zijn opperste kleed. En alzoo hoorde hij niet meer dan een doove.

Toen herkende Uilenspiegel de lieftallige vrouw en, van op het schip, riep hij heur toe:

--Wilt gij ons volgen?

--Tot in het graf, zeide zij, maar ik mag niet....

--Gij zoudt goed doen, sprak Uilenspiegel; bedenk toch: als de nachtegaal in het bosch blijft, is hij gelukkig en zingt hij: maar als hij het verlaat en zijne broze vleugelen waagt in den wind van de wijde zee, breekt hij ze en sterft hij.

--Thuis heb ik gezongen, sprak zij, en buiten zou ik zingen, zoo ik maar mocht.

Vervolgens het schip naderend, sprak zij:

--Neem, Uilenspiegel, neem dezen balsem voor u en uwen vriend, die slaapt als hij diende te waken.

En henen gaande, riep zij:

--Lamme! Lamme! God hoede u voor het kwaad!

En zij liet heur gezicht zien.

--Mijne vrouw! mijne vrouw! riep Lamme.

En hij wilde op het ijs springen.

--Uw trouwe vrouw! zeide zij.

En zij liep heen.

Lamme wilde van het dek op het ijs springen, maar een soldaat hield hem bij zijn opperste kleed en belette het hem. Hij weende, schreide, smeekte, dat men hem zou laten vertrekken. Maar de provoost zeide hem:

--Als gij het schip verlaat, wordt gij gehangen.

Lamme wilde toch op het ijs springen, maar een oude Geus weerhield hem en sprak:

--De vloer is nat, gij zoudt koude voeten krijgen.

En Lamme viel op zijn achterste, schreide en herhaalde gedurig:

--Mijne vrouw! mijne vrouw! laat mij bij mijne vrouw gaan!

--Gij zult ze wel weerzien, sprak Uilenspiegel. Zij bemint u, maar ziet God liever dan u.

--'t Is een razende duivelin, riep Lamme. Als ze God liever ziet dan heuren man, waarom komt ze dan liefelijk en streelend onder mijne oogen? En als zij mij bemint, waarom verlaat ze mij steeds?

--Ziet men klaar in de donkere putten? vroeg Uilenspiegel!

--Laas! zuchtte Lamme, ik zal het besterven!

En bleek en droefgeestig bleef hij zitten op het dek.

Intusschen rukten de lieden van Simon Bol aan, met een machtig geschut.

Zij schoten naar het schip, dat hun antwoordde. En de kogels braken het ijs in het ronde. En tegen den avond viel een warme regen.

De wind woei uit het Westen; de zee werd omstuimig onder het ijs en hief het omhoog met ontzaglijke blokken, dewelke men zag opstaan en neervallen met een eentonig gekrakkrak, niet zonder gevaar voor het schip, dat, als de morgenstond de zwarte wolken verbrak, zijn linnen vleugelen opensperde, als een vogel der vrijheid, en naar de vrije zee stevende.