De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 3

Chapter 34,048 wordsPublic domain

Klaas, Uilenspiegel en de ezel verlustigden zich met aldus een groote verscheidenheid breede, hooge, lange, puntige, fiere, ronde of slappe buiken te zien voorbijgaan.

Al de pelgrims hadden helmen op. Er waren er die van Troje kwamen, andere, die phrygische mutsen leken. Sommige pelgrims hoewel met bolle wangen en dikke buiken, droegen helmen met uitgespreide vleugelen, doch hadden geenerlei zin tot vliegen. Anderen waren gekapt met zoogenaamde "salades", door de slakken onwaardig gekeurd omdat ze niet groen genoeg waren.

Maar het meerendeel had helmen, zoo oud en verroest, dat ze uit den tijd schenen te zijn van Gambrinus, koning van Vlaanderen en koning van het bier, dewelke regeerde negenhonderd jaar vóór Christus en eene pint op zijn hoofd droeg, uit vrees niet op tijd te kunnen drinken, bij gebrek aan een beker.

Eensklaps begonnen klokken, pijpen, schalmeien, trommelen en het oudroest te kleppen, te fluiten, te schallen, te slaan en te kletteren.

Het was het sein voor de pelgrims zich omme te keeren en bij groepen van zeven zich nu tegenover elkaar te plaatsen. Als uitdaging stak elk de brandende keers in het gelaat van zijn overman. Daardoor ontstond groot genies en daarna regende het stokslagen.

Ze vochten en sloegen met handen en voeten, met hoofden, met alles. Er waren er, die, gelijk de rammen, op hunne tegenstrevers vielen, met den helm vooruit, die bij den eersten schok over hunne ooren schoot, en als blinden terechtkwamen op zeven andere woedende pelgrims, die hen verwelkomden, maar niet met zachtheid.

Anderen, schreeuwers en bloodaards, jammerden om de ontvangen slagen, maar bij het prevelen hunner gebeden werden ze bliksemsnel door nieuwe zeventallen overvallen en zonder genade omvergeloopen of omvergetrapt.

En de heremiet lachte.

Verderop zag men zeventallen, die als klissen aan elkaar hingen en van boven naar beneden in het water rolden; maar zij bleven elkaar toetakelen en ranselen, zonder dat het water hunne woede bekoelde.

En de heremiet lachte.

Zij, die boven gebleven waren, sloegen elkander de oogen blauw en de tanden vaneen, rukten elkanders haren uit, en scheurden wambuizen en hoozen aan stukken.

En de heremiet lachte en sprak:

--Dapper aan, vrienden: wie 't hardst slaat, bemint het meest. Aan de kloekste vechters, de schoonste liefjes! Hier ziet Onze Lieve Vrouw van Rindbisbels, wie man is!

En de pelgrims sloegen als op kaf.

Middelerwijl was Klaas den heremiet genaderd, terwijl Uilenspiegel lachend en gierend op de slagen bleef toekijken.

--Eerwaarde vader, vroeg hij, welke misdaad hebben die arme sukkelaars bedreven, om elkander zoo wreedelijk te mishandelen?

Doch zonder hem te aanhooren, riep de heremiet:

--Luieriken! gij verliest den moed. Als de vuisten moede zijn, zijn de voeten het immers nog niet! Zijn er onder U, die beenen hebben om te vluchten als hazen? Wat doet het vuur uit de steenen springen? Het ijzer, dat er op slaat!

Op die woorden gingen die onnoozele pelgrims voort te vechten met helmen, met handen en met voeten. 't Was een verwoede strijd, waarvan Argus met zijn honderd oogen niets hadde gezien dan stofwolken en hier en daar de punt van een helm.

Doch eensklaps begon de heremiet te kleppen. Pijpen, trommelen, trompetten en schalmeien en het oudroest staakten hun gedruisch, tot teeken van vrede.

De pelgrims brachten nu hunne gekwetsten bijeen. Er waren er, wier tong, gezwollen van gramschap, uit den mond hing. Maar die ging van zelve in hare verblijfplaats terug. Moeilijker was het om de helmen af te trekken, die tot ver over de ooren zaten. Zij schudden den kop en bleven hem schudden: de helmen waren vast gelijk groene pruimen aan den boom.

Doch toen sprak de heremiet:

--Leest elkeen een ave en keert terug naar uw wijf. En binnen negen maanden zullen evenveel kinderen meer in het baljuwschap zijn, als heden 't gevecht dappere strijders telde.

En de heremiet zong het ave voor, en allen zongen het mee. En de klok klepte.

De heremiet zegende hen in name van Onze Lieve Vrouwe van Rindbisbels en sprak tot de pelgrims:

--Gaat in vrede!

En roepend en stompend en zingend, trokken zij naar Meiborg terug. Al de vrouwen, oude en jonge, wachtten hen op den dorpel van de huizen, waar zij binnenvlogen als soldeniers in een stormenderhand veroverde stad.

De klokken van Meiborg luidden al te gader: de jongens floten, riepen, speelden op den rommelpot.

Pinten en stoopen, bekers en glazen gingen lustig aan 't klinken en rinkelen. En de wijn vloeide in de kelen als een stroom in de zee.

Terwijl de klokken luidden en de wind, bij vlagen, aan Klaas 't gezang van mannen, vrouwlieden en kinderen bracht, vroeg hij opnieuw aan den heremiet, welke hemelsche gratie die sukkelaars hoopten te verkrijgen, na die hardhandige oefeningen.

Lachend antwoordde hem de heremiet:

--Op die kapel daar, ziet ge twee gekapte beelden, die twee stieren voorstellen. Zij staan daar ter herinnering aan het mirakel van den heiligen Martinus, die twee ossen in stieren veranderen deed, door hen met de horens te doen vechten. Daarna streek hij meer dan een uur keersvet over hunnen snuit, en sloeg er met den stok op.

Welnu, ik kende het mirakel. Ik vroeg Zijne Heiligheid om eene vergunning, die ik duur betaalde en kwam mij vestigen in dit oord.

Toen preekte ik over het wonder en weldra kregen al de mannen, zoo ouden als jongen, de zekerheid dat Onze Lieve Vrouwe hun genadig was als ze goed gevochten hadden met de keers die de zalf, en den stok die de kracht is. Hierheen is het, dat de vrouwen heuren man sturen. De kinderen, die uit kracht van de bedevaart verwekt zijn, worden vlug en wreedaardig, geweldig en roekeloos en, later, vrome soldaten.

Eenklaps vroeg de heremiet aan Klaas:

--Herkent gij mij?

--Ja, sprak Klaas, gij zijt mijn broeder Judocus.

--Gij zijt er, antwoordde de heremiet, maar wie is die bengel daar, die leelijke gezichten naar mij trekt?

--'t Is uw neef, was 't antwoord van Klaas.

--Welk verschil maakt gij tusschen keizer Karel en mij?

--'t Is groot, sprak Klaas.

--'t Is klein, wedervoer Judocus: de keizer doodt de menschen en bij mij krijgen ze klop, tot ons beider profijt en vermaak.

Dan bracht hij Klaas en Uilenspiegel naar zijne kluis, waar zij elf dagen achtereen kermis vierden.

XIII.

Als Klaas afscheid nam van zijn broer, steeg hij op zijn ezel, met Uilenspiegel achter zich. Op de Markt van Meiborg stonden velerhande pelgrims en als zij hen zagen, ontstaken ze in woede en hieven de stokken dreigend omhoog. En allen riepen "Schelm! Nietdeug!" om den wille van Uilenspiegel, die zijne hooze losgemaakt en zijn hemd opgetrokken had, en zijne achterkaken liet zien.

Klaas, ziende dat ze zijn zoon bedreigden, vroeg hem:

--Wat hebt gij gedaan, dat zij zoo kwaad op u zijn?

--Vadertjelief, antwoordde Uilenspiegel, ik zit op den ezel en zeg tot niemand een woord, en toch schelden ze mij uit voor een nietdeug.

Toen deed Klaas hem langs voren zitten.

In die postuur stak Uilenspiegel de tong uit naar de pelgrims, en roepend en tierend balden ze hunne vuisten en dreigden met hunne stokken Klaas en den ezel.

Maar Klaas sloeg op zijn ezel om hunne woede te ontvlieden. Toen de pelgrims hen met rust lieten, sprak Klaas tot zijn zoon:

--Gij zijt onder een zeer slecht gesternte geboren, want gij zit vóór mij, doet niemand kwaad en toch willen ze u dooden!

Uilenspiegel hield zijn buik vast van 't lachen.

Terwijl Klaas door 't Land van Luik reed, hoorde hij zeggen, dat die van Rivage hongersnood leden en dat ze gesteld waren onder de jurisdictie van den officiaal, eene vierschaar van geestelijke rechters. Zij maakten opstand om brood en om wereldlijke rechters te bekomen. Eenigen werden onthoofd of gehangen, anderen uit het land gebannen; dàt was de goedertierenheid van den zachtzinnigen aartsbisschop, den hoogweerdigen Van de Marck.

Klaas zag onderwege de gebannenen, die de zoete vallei van Luik ontvloden, en, aan de boomen, omtrent de stad, zag hij de lijken van hen die gehangen waren, omdat zij de misdaad begaan hadden, honger te hebben. En Klaas schreide over hunnen rampspoed.

XIV.

Toen Klaas op zijn ezel weer thuis kwam met een zak vol oortjes, dien hij van zijn broeder gekregen had en ook met een schoonen beker van Engelsch tin, was 't Zondag en weekdag kermis in de arme stulp; alle dagen at men boonen met vleesch.

Menigmaal vulde Klaas den schoonen beker met schuimende dobbele kuite.

Uilenspiegel at voor drie; hij ging en kwam naar de borden en teilen als eene musch op een graanzolder.

Eet gij het zoutvat niet mee? vroeg Klaas.

Uilenspiegel antwoordde:

--Wanneer, gelijk hier, het zoutvat gemaakt is van een uitgeholde korst brood, moet men het soms opeten, anders komen er wormen in.

--Waarom, zegde Soetkin, veegt gij uwe vettige handen af aan uwe hooze?

--Aan mijne hooze? wel, om nooit met natte billen te loopen.

Daarop dronk Klaas een groote teug bier uit zijn tinnen beker.

Uilenspiegel vroeg hem:

--Waarom hebt gij zoo'n grooten beker en ik maar een klein kroezeken?

Klaas antwoordde:

--Omdat ik uw vader en de baas van het huis ben.

Doch Uilenspiegel hernam:

--Gij drinkt al veertig en ik nog maar negen jaar; gij hebt al genoeg gedronken en mijne beurt is gekomen. Geef mij den beker en neem gij het kroezeken.

--Zoon, sprak Klaas, men giet geen vat bier in een vaatje over zonder morsen.

--Nu ga dan te werk met verstand en giet uwe kan in mijn tonne, want mijn buik is grooter dan uw beker, antwoordde Uilenspiegel.

En lachend liet Klaas hem zijn beker ledigen. En zoo leerde Uilenspiegel listig worden om bier te krijgen.

XV.

Onder haren gordel droeg Soetkin het kenmerk van een nieuwe bevruchting; ook Katelijne was zwanger, maar zij dorst heur huis niet verlaten.

Soetkin ging haar bezoeken.

--Ach! sprak zij jammerend, wat ga ik aanvangen met de ongelukkige vrucht van mijn lichaam? Moet ik het wichtje versmachten? Ik zou het besterven! Maar zoo ik een kind heb zonder getrouwd te zijn, zullen de serjanten mij pakken. Ik zal, als een ontuchtige deerne, twintig gulden moeten betalen, en op de groote markt gegeeseld worden.

Om haar te troosten, sprak Soetkin heur eenige zoete woorden toe. Bezorgd en nadenkend keerde zij huiswaarts. Op een morgen sprak zij tot Klaas:

--Zoudt ge mij slaan, Klaas, als ik u twee kindjes schonk in stee van maar één?

--Dat weet ik niet, antwoordde Klaas.

--Maar, sprak Soetkin, als het tweede kindje niet uit mijn lichaam kwam en, gelijk dat van Katelijne, verwekt was door een onbekende, door den duivel misschien?

--De duivel, antwoordde Klaas, verwekt wel vuur en dood en rook, maar geen kinderen. Het kind van Katelijne zal ik als het onze aanzien.

--Zoudt gij dat? vroeg zij.

--Gelijk ik u zeg, hernam Klaas.

Soetkin ging die goede mare aan Katelijne kondschappen en uiterst gelukkig en opgetogen riep deze uit:

--De goede man heeft gesproken voor 't heil van mijn lichaam. God zal hem zegenen, en ook de duivel, sprak zij huiverd, als 't een duivel is, die U verwekte, arm schaapje, dat in mijn boezem leeft.

Soetkin bracht een zoon en Katelijne eene dochter ter wereld. Beiden werden ten doop gebracht als zoon en dochter van Klaas. De knaap werd Hans genoemd, maar bleef niet in leven; het meisje werd Nele geheeten en groeide flink op.

Aan vier bekers dronk zij levenssap: aan de borsten van Soetkin en aan die van Katelijne. En een zoete strijd ontstond tusschen de twee vrouwen, om de kleine de borst te mogen geven. Maar tot haar groot leed, moest Katelijne heure melk laten verdrogen, want men hadde heur gevraagd van waar die kwam, zonder dat zij moeder was.

Als Nele gespeend was, nam Katelijne heure dochter bij zich en liet haar niet eerder naar Soetkin gaan, dan nadat zij heur "moeder" genoemd had.

En de buren zeiden, dat het schoon was van Katelijne, die have en goed bezat, het kind op te voeden, want Soetkin en Klaas leefden veelal in kommer en armoe.

XVI.

Op zekeren morgen was Uilenspiegel alleen thuis. Hij verdroot zich geweldig, en nam een schoen van zijn vader, om er een schuitje van te maken. De groote mast stond reeds vast in de zool en Uilenspiegel ging een gat snijden in 't overleer, om den boegspriet te plaatsen, toen hij over 't halfdeurken het hoofd van een ruiter en den kop van een peerd zag.

--Is hier niemand? vroeg de ruiter.

--Ja, antwoordde Uilenspiegel, een mensch, een halve mensch en een paardekop.

--Hoezoo? vroeg de ruiter.

Uilenspiegel sprak:

--Wel, ik zie hier een heelen mensch en die ben ik; verder zie ik een halven mensch, te weten, uw hoofd en borst, en daarbij nog den kop van uw peerd.

--Waar zijn uw vader en moeder? vroeg de man.

--Vader gaat van kwaad tot erger en moeder is bezig met ons in scha of schande te brengen.

--Dat begrijp ik niet, sprak de ruiter.

Uilenspiegel hernam:

--Vader graaft de voren van zijn land dieper, om de jagers, die zijn koren plat trappen, van kwaad in erger te doen vallen. Moeder is geld gaan leenen: geeft zij te veel weer, dan is het ons scha en geeft ze te weinig, dan is het ons schande.

Toen vroeg de man hem den weg.

--Daar, waar de eenden gaan, antwoordde Uilenspiegel.

De ruiter ging heen, doch als Uilenspiegel bezig was met van Klaas' tweeden schoen eene galei te maken, kwam hij terug.

--Gij hebt mij bedrogen, sprak hij; daar waar de eenden zijn, is het modder en veengrond, waarin zij ploeteren.

Uilenspiegel antwoordde:

--Ik zei u niet van te rijden waar zij ploeteren, doch daar waar zij gaan.

--Wijs mij ten minste den weg, die naar Heist gaat, sprak toen de man.

--In Vlaanderen, zei Uilenspiegel, zijn 't de menschen die gaan, en de wegen blijven liggen.

XVII.

Op zekeren dag sprak Soetkin tot Klaas:

--Man, ik heb den dood op het lijf. 't Is nu al drie dagen, dat Thijl uit den huize is. Waar mag hij wel zijn?

Treurig antwoordde Klaas:

--Hij is waar de straathonden zijn, op den grooten weg, met nietdeugen van zijne soort. God was vol wreedheid, toen hij ons zulk een zoon gaf. Toen Thijl ter wereld kwam, zag ik in hem de vreugd van onzen ouden dag, een werktuig te meer in ons huis; ik meende hem een handwerk te leeren, maar 't boosaardige noodlot maakt hem tot een schelm, een dagdief.

--Wees niet te gestreng, man, sprak Soetkin. Onze zoon is maar negen jaar, hij is nog in den roes van de eerste jeugd. Moet hij, als de boomen, niet eerst zijne hulsels afwerpen, alvorens zich te kunnen tooien met zijne bladeren, die, voor den boom des volks, de eer en de deugd zijn? 't Is een kleine guit, ik weet het, maar zijne slimheid zal hem later te goede keeren, als hij ze tot een of ander goed ambacht aanwendt, in stee van ze tot kwade parten te gebruiken. Hij steekt geerne den draak met een ieder; maar later zal hij zijn plaats vinden in een lustige broederschap. Hij lacht gedurig; maar de gezichten, die zuur zien vóór hunne rijpheid, zijn een slecht voorteeken voor later. Zoo hij loopt, is 't dat hij zulks noodig heeft om te groeien; zoo hij niet werkt, is het dat hij nog niet begrijpt, dat werken een plicht is en als hij somwijlen dag en nacht, een halve week uitblijft, is het dat hij niet beseft hoeveel verdriet hij ons aandoet, want hij heeft een goed hart en ziet ons geerne.

Klaas schudde het hoofd en antwoordde niet, en toen hij sliep, lag Soetkin te weenen. En 's morgens, als zij dacht dat haar zoon wellicht ergens aan den weg ziek lag, ging zij op den dorpel der deure zien of hij niet afkwam; maar zij zag hem niet en zij zette zich aan 't venster, om van daar naar de straat te kijken. En meer dan eens bonsde heur het hert in de borst, als zij den lichten stap van een kind hoorde; maar als de kleine voorbijging en zij zag dat het Uilenspiegel niet was, weende zij weer, de arme moeder.

Doch Uilenspiegel was, met zijn deugnieten van kameraden, te Brugge op de Zaterdagsmarkt.

Daar zag men leerzenmakers en schoenlappers in hunne kramen, kleermakers met hoozen, wambuizen, bovenkerels; Antwerpsche meezenvangers, die 's nachts met een uil ter vogelvangst gaan; daar waren kooplui in wild, hondenvangers, verkoopers van kattevellen voor handschoenen, borstlappen en kragen, en koopers uit alle standen, poorters en poorteressen, knechten en dienstmaagden, broodmeesters, botteliers, eierboeren en -boerinnen en men hoorde ze, ieder op zijn wijs, vragen en bieden, de waren prijzen en afkeuren.

In een hoek van de markt was een schoone lijnwaden tente opgericht op vier palen. Aan den ingang van die tente stond een boer uit het Land van Aalst--met twee monniken naast zich om het geld te ontvangen--die voor een oortje aan de nieuwsgierigen een stukje van het schouderblad van de heilige Maria van Egypte liet zien. Met schorre, heesche stemme, roemde hij de verdiensten der gelukzalige; in zijnen lofzang vergat hij zelfs niet te zeggen hoe ze eens, bij gebreke aan geld, een jongen veerman, die haar overgezet had, betaalde met schoone munt der nature, om Gods gebod, omtrent het loon der werklieden, niet te overtreden.

En de twee monniken knikten om te bevestigen, dat de boer waarheid sprak. Naast hen stond een groot, dik wijf, met een rood gezicht, als Astarte zoo wulpsch, een oorverdoovend lawaai te maken op een gebarsten doedelzak, terwijl een lieftallig meisje naast haar zong als een nachtegaaltje, doch op haar lette niemand. Aan den ingang van de tent wiegelde eene kuip, met de beide ooren aan twee staken vastgemaakt. Als het wijf in hoogdravende woorden vertelde, dat het eene kuip wijwater was, die van Rome kwam en de monniken weer knikten om hare woorden te staven, verviel Uilenspiegel in diepe overpeinzing.

Aan een van de palen der tente stond een ezel gebonden, die meer hooi dan haver kreeg: met hangenden kop zag hij naar de aarde, maar zonder hoop er distels te zien opschieten.

--Jongens, riep Uilenspiegel, naar het wijf, de twee paters en 't weemoedige grauwtje wijzend, vermits de meesters zoo goed zingen, moet de ezel dansen. En hij liep naar een winkel, en kwam met zes duiten peper. Toen hief hij den steert van den ezel op en wreef er de peper onder.

Als het beest de peper gevoelde, keek het omme, om te zien van waar die ongewone warmte kwam. Het meende, dat het den vuurduivel achter de hielen had en wilde loopen om hem te ontvlieden; dan begon het dier te balken en te stampen en uit al zijne kracht aan den paal te trekken. Bij den eersten schok ging de kuip los, die tusschen de twee haken hing, en al het wijwater kletste op de tent en op hen, die er in waren. Weldra stortte de tent in en de aanwezigen, die naar de geschiedenis van Maria van Egypte luisterden, lagen als onder een natten mantel begraven. En Uilenspiegel en zijne vrienden hoorden van onder het doek groote beroering en geweeklaag, want de geloovigen, die binnen waren, beschuldigden malkander de kuip omvergetrokken te hebben, en wit van woede brachten ze elkander vele vuistslagen toe. Men zag het doek van de tente op en neer gaan, en telkens als Uilenspiegel op het doek een ronden vorm zag uitkomen, stak hij er in met eene speld. Dan hoorde hij grootere kreten en grootere uitdeeling van vuistslagen onder de tente.

En hij had dolle pret en het meest toen hij den ezel zag wegloopen met doek, met kuip en met palen achter zich aan, terwijl de baas van de tent, zijn wijf en zijn kind zich vastklampten aan den sleep van den ezel. Eindelijk kon het dier niet meer voort, het begon erbarmelijk te balken en te stampen, en hield maar op om onder zijn steert te zien of het vuur, dat er brandde, niet haast gebluscht was.

Maar de kwezelaars vochten voort en zonder aan hen te denken, scharrelden de monniken het geld bijeen, dat uit de schaal gevallen was.

Uilenspiegel hielp devotelijk mee, doch niet zonder profijt.

XVIII.

Terwijl de zoon van den kooldrager als een schalk opwies, bracht de ziekelijke zoon van den grooten keizer zijne dagen in droefgeestigheid door. Edelvrouwen en heeren zagen hem, door kamers en gangen van 't paleis van Vallodolid, zijn armzalig lichaam op waggelende beentjes voortsleepen, alsof hij moeite had de zwaarte te dragen van zijn groot hoofd, met stekelig blond haar bedekt.

Steeds zocht hij de donkere gangen op en bleef er uren lang zitten, met de beenen uitgestrekt. En als een dienstknecht er uit onachtzaamheid op trapte, liet hij hem geeselen, en als hij hem hoorde huilen van pijn, deed het hem goed, maar hij lachte niet.

's Anderen daags haalde hij elders in de gangen van het paleis dezelfde streken uit. Edelvrouwen, heeren en schildknapen, die hem voorbijgingen, deed hij struikelen, en als zij vielen en zich bezeerden deed hem dat genoegen, maar hij lachte niet.

En zoo iemand hem aanraakte en niet viel, huilde hij alsof hij geslagen was: en de ontsteltenis ziende, was hij blij, maar hij lachte niet.

Zijne Majesteit hierover verwittigd, beval, dat men geen acht op den infant moest geven, zeggende, zoo hij niet wilde dat men hem trapte, hij zijne voeten niet moest zetten waar eens anders beenen gingen.

Zulks mishaagde Philippus, doch hij zei niets; men zag hem niet meer, tenzij in den tuin, wanneer hij, bij helderen zomer dag, zijn schraal lichaampje in de zonne ging warmen.

En als keizer Karel, van den oorlog teruggekeerd, zijn zoon vol somberheid zag zitten, sprak hij:

--Mijn zoon, hoe zeer verschilt gij van mij! Op uwen leeftijd klom ik op de boomen achter de eekhoorntjes; met een koord liet ik mij langs steile rotsen glijden om arendsnesten te ledigen. Ik kon er het leven bij inschieten, maar mijn lichaam werd er des te sterker om. Op de jacht vluchtten de wilde dieren, als ze mij zagen met mijn vuurroer.

--Ach! zuchtte de infant, 'k heb buikpijn, heer vader.

--Paxarete-wijn is een uitstekend geneesmiddel tegen de buikpijn, sprak Karel.

--Dien wijn lust ik niet; 'k heb hoofdpijn, heer vader.

--Mijn zoon, zei Karel, gij moet loopen, springen, stoeien, zooals de andere kinderen van uwen leeftijd doen.

--Mijne beenen zijn stijf, heer vader.

--Kan het anders? sprak Karel, gij maakt er houten beenen van. Wacht, ik ga u vastbinden op een vurig peerd.

De infant weende.

--Bind mij niet vast, sprak hij, ik heb pijn aan de lenden, heer vader.

--Maar, vroeg Karel, hebt gij dan overal pijn?

--Het zou niets zijn, zoo men mij gerust liet, zegde de infant.

--Denkt gij soms, hernam de keizer ongeduldig, uw koninklijk leven als de poëten in mijmering door te brengen? Laat hen hunne perkamenten met inkt bemorsen, in stilte, eenzaamheid en bespiegeling; aan u zoon van het zweerd, behoort het warme bloed, het oog van den arend, de list van den vos, de kracht van een Hercules. Waarom maakt gij het teeken des kruises? Een leeuwenwelp mag geen paternosterknauwer zijn!

--Het Angelus, heer vader, antwoordde de infant.

XIX.

Bloei- en Zomermaand waren dat jaar oprecht de maanden der bloemen. Nooit zag men, in Vlaanderen, zulke welriekende hagedoornen, in de hovingen zooveel rozen, jasmijn en kamperfoelie. Als de Westenwind de geuren van dat bloemenland naar 't Oosten dreef, stak iedereen, en meest nog in Antwerpen, verrukt den neus omhoog, zeggende:

--Riekt gij dien goeden wind, die uit Vlaanderen waait?

Onverpoosd waren de vlijtige bijen bezig met honig uit de bloemen te zuigen, was te maken, het broedsel te verzorgen in de korven, te weinig in aantal om al de zwermen te bergen. Heerlijke muziek van den arbeid onder den blauwen hemel, die schitterend den rijken bodem overdekte!

Men maakte rieten, strooien, wisschen bijenkorven. Mandenmakers, kuipers, stroovlechters arbeidden van den vroegen morgen. En de kastenmakers konden bijlange het bestelde werk niet afdoen.

De zwermen bestonden uit dertig duizend werkbijen en twee duizend zevenhonderd hommels. De honigraten waren zoo lekker en van zulke zeldzame hoedanigheid, dat de deken van Damme er elf zond aan keizer Karel, als dankzegging omdat hij, door zijne ordonnantiën de Heilige Inquisitie weder ingevoerd had. Philippus at de honigraten op, maar hij had er geen genot van.