De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 29

Chapter 293,974 wordsPublic domain

--Ik geef daar niet om, antwoordde ik; ik zal als voorheen uwe kamenier, uwe strijkster, uwe keukenmeid, uwe waschvrouw, uw onderdanige slaaf wezen; maar schei toch geen twee herten en zielen, die maar één wezen uitmaken; breek den zoeten liefdeband niet, die ons zoo innig verbindt.

--Het moet, antwoordde zij.

--Laas! zeide ik, is het te Brugge, dat gij dit harde besluit hebt genomen?

Zij antwoordde:

--Ik heb gezworen voor God en Zijne santen.

--Wie dan, riep ik uit, heeft u gedwongen te zweren uwe echtelijke plichten niet meer te volbrengen?

--Hij, die den geest Gods in zich heeft en zich verweerdigt mij onder 't getal zijner boetelingen te tellen, sprak zij.

--Van dat oogenblik hield zij op mijne vrouw te wezen, alsof zij de trouwe gezellin van een ander was.

--Ik smeekte, plaagde, dreigde haar; ik weende en bad, doch tevergeefs. Op een avond, dat ik van Blankenberge terugkwam, alwaar ik gegaan was om de halfwinning van een mijner hofsteden te ontvangen, vond ik mijne vrouw niet meer in huis. Zij was onze halle ontvlucht; ongetwijfeld was zij mijne smeekingen moede, of was zij vergramd of droevig om mijn verdriet.

--Waar mag zij nu wezen?

En Lamme zette zich neer aan den boord van de Leie, met het hoofd in zijne handen, en keek naar het water.

--Ha! mijne vriendin, sprak hij, wat waart gij teeder, poezel en lieftallig! Zal ik ooit een duifje vinden als gij? Stoverije van liefde, zal ik u nimmermeer proeven? Waar zijn uwe kussen, geurig als ortolanen; waar is uw mond, op denwelken ik uw zoenen plukte, als het bijtje den honig op de roze; waar zijn uw witte armen, die mij streelend omhelsden? Waar is uw kloppend hert, uw ronde boezem en die lieve huivering van uw aanbiddelijk lichaam, verlangend naar liefde? Doch waar zijn uwe golven van vroeger, frissche rivier, die uw nieuwe golfjes zoo blijde voortstuwt in 't gouden licht van de zon?

XXXIV.

De beide wandelaars kwamen voorbij het Petegemsche bosch; het was snikkend heet. Lamme sprak tot Uilenspiegel:

--Ik braad; laat ons de schaduw opzoeken.

--'t Kan mij niet schelen, antwoordde Uilenspiegel.

Zij zetten zich neer in het bosch, op het gras, en zagen eenen troep herten voorbijrennen.

--Kijk goed, Lamme, zei Uilenspiegel, die den haan zijner Duitsche bus overtrok. Daar zijn groote, oude herten, die hun gewei met negen takken fier in de lucht dragen; lieve reebokjes, die hunne schildknapen zijn, huppelen aan hunne zijde, bereid om hun van dienst te zijn met hun puntige horens. Zij gaan naar hun leger. Trek het rad van uwe bus over, lijk ik. Schiet. Het oude hert is gewond. Een reebokje is getroffen aan de bil; het vlucht. Laten wij het volgen totdat het valt. Doe lijk ik, loop, spring, vlieg....

--Mijn gekke vriend is wederom bezig, sprak Lamme, hij wil de herten te voet achternazetten. Beproef niet te vliegen zonder vleugelen, 't is verloren moeite. Gij zult ze niet krijgen. Ha! wat wreedaardige gezel! Meent gij, dat ik zoo vlug ben als gij? Ik zweet, mijn vriend; ik zweet en ik ga vallen van vermoeidheid. Als de houtvester u pakt, wordt gij gehangen. Herten zijn koningswild; laat ze loopen, mijn zoon, gij kunt ze toch niet krijgen.

--Kom, sprak Uilenspiegel. Hoort gij het gerucht van zijn gewei in de bladeren? 't Is als eene hoos, die voorbijvliegt. Zie eens deze gebroken takken, de bladeren, waarmede de grond teenemaal bedekt is. Nu heeft het een nieuwen kogel in de bil; fluks eten wij het op.

--Het is nog niet gebraden, zeide Lamme. Laat die arme dieren maar loopen. He! wat is het warm! Ge moogt mij gelooven: ik ga er bij vallen om nimmermeer op te staan.

Doch eensklaps kwamen armzalig gekleede mannen, die wapenen droegen, te allen kanten te voorschijn uit het bosch. Blaffende honden renden de herten achterna. Vier mannen met woest uitzicht kwamen rond Lamme en Uilenspiegel staan en leidden hen naar eene plaats, te midden in het dichtst begroeide deel van het woud.

Daar zagen zij vrouwen en kinderen, die daar gelegerd waren, en ook een groot getal mannen, allen op verschillende wijze gewapend met zweerden, met bussen, met voetbogen, met lansen, met spiesen, met ruiterspistolen.

Toen Uilenspiegel hen zag, zei hij tot hen:

--Gij schijnt hier in gemeenschap te leven om de vervolging te ontvluchten; zijt gij soms de Broeders van het Woud?

--Wij zijn de Broeders van het Woud, antwoordde een grijsaard, die bij het vuur zat en eenige vogelen in eene braadpan liet bakken. Maar gij, wie zijt gij?

--Ik ben uit het schoone Vlaanderenland vandaan, antwoordde Uilenspiegel, en ben schilder, boer, edelman, beeldhouwer, alles te gelijk. En door de wereld ga ik aldus, om het goede en het schoone te prijzen, en luidkeels te lachen en te spotten met alles wat dwaas en verkeerd is.

--Als gij zoovele landen bereisd hebt, sprak de oude man, moet gij Schild en Vriend kunnen uitspreken, naar de wijs van de Gentenaren; zoo niet, zijt gij een valsche Vlaming en moet gij u tot sterven bereiden.

Uilenspiegel sprak:

--Schild en Vriend.

--En gij, dikzak? vroeg de oude man tot Lamme, welk bedrijf voert gij uit?

Lamme antwoordde:

--Mijne landerijen, pachthoeven, cijnzen en messeniën opeten, mijn echtelijke vrouw zoeken, en mijn vriend Uilenspiegel in alle oorden en plaatsen opvolgen.

--Als gij ook zooveel gereisd hebt, sprak de oude man, moet gij weten hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?

--Ik weet het niet, was 't antwoord van Lamme, maar kunt gij mij den naam niet zeggen van den ellendigen deugniet, die mijne vrouw overreede heur huis te verlaten? Zeg mij zijn naam, en dadelijk ga ik hem vermoorden.

De oude man antwoordde:

--In deze wereld bestaan twee dingen, die nimmermeer wederkomen, eens dat zij weg zijn: te weten het verteerde geld, en de onverschillig geworden vrouw, die den huize ontvlucht is.

Toen wendde de oude man zich tot Uilenspiegel en stelde hij hem ook deze vraag:

--En gij, weet gij niet hoe die van Weert, in Limburg, worden geheeten?

--De rogstekers, wat in hunne streek onttooveraars van roggen bediedt.

--Kunt gij ook zeggen waarom?

--Een levende rog, gevallen uit de kar van een vischverkooper, lag zoodanig te spartelen op den weg, dat eenige oude wijven ze voor den duivel namen. "Laat ons den parochiepaap halen om den duivel uit de rog te verbannen", zeiden zij. De pastoor bezweerde de rog, en nam ze mede naar huis, alwaar hij ze kookte, ter eere van die van Weert. Mocht het Gode behagen hetzelfde lot te bescheren aan den bloedigen koning!

Intusschen hoorde men, in het bosch, 't geblaf van de honden weerklinken. De gewapende mannen liepen het woud in, en riepen luidkeels om het wild schrik aan te jagen.

--Het zijn de dieren, die ik achternagezet heb, zeide Uilenspiegel.

--Wij zullen ze opeten, sprak de oude man. Maar zeg mij nog: hoe noemt men die van Eindhoven, in Limburg?

--De pinnemakers, antwoordde Uilenspiegel. Eens was de vijand vóór de poort hunner stede, en zij grendelden die vast met eenen wortel. De ganzen kwamen en begonnen gulzig in den wortel te pikken, en de vijand rukte Eindhoven binnen. Maar ijzeren bekken zullen het wezen, die de pinnen zullen vaneen pikken, achter dewelke men het vrije geweten wil kerkeren.

--Als God met ons is, wie kan tegen ons zijn? antwoordde de oude man.

Uilenspiegel sprak:

--Hondengeblaf, mannengeschreeuw en gebroken takken: het stormt in het woud.

--Is hertenvleesch lekkere spijze? vroeg Lamme, terwijl hij de stoverije bekeek.

--Het geroep der drijvers komt nader en nader, zei Uilenspiegel tot Lamme; de honden zijn nabij. Wat gedonder! Het hert! het hert! uit den weg, mijn vriend! Foei! wat leelijk beest, het heeft mijn dikken vriend ten gronde geworpen, te midden van potten, pannen, mooren, ketels en stoverije. Waanzinnig van schrik, gaan de vrouwen en meidekens op den loop. Maar gij bloedt, mijn vriend?

--Gij lacht, nietdeug, sprak Lamme. Ja, ik bloed, het dier heeft mij met de horens eenen stoot op mijn achterste gegeven. Zie, mijne hooze is gescheurd, en mijn vel insgelijks, en al die lekkere stoverije ten gronde! Zie, ik verlies zooveel bloed, dat mijne kous er gansch mee besmeurd is.

--Dat hert is een knap chirurgijn, het heeft U van eene geraaktheid gered, antwoordde Uilenspiegel.

--Foei, hertelooze deugniet die ge zijt, sprak Lamme verwijtend. Doch ik zal U niet meer volgen. Hier blijf ik, te midden van deze goede mannen en vrouwen. Hoe kunt ge toch zoo schaamteloos wezen, ongevoelig te zijn voor mijne smerten, alswanneer ik u volg op de hielen, als een hondje, door sneeuw, door vorst, door hagel en wind en, als het heet is, mijne ziel door mijn vel zweet?

--Wees gerust, 't is niet erg. Leg een oliekoekje op uwe wonde, het zal een gebakken pleister zijn, antwoordde Uilenspiegel. Maar weet gij hoe die van Leuven worden geheeten? Gij weet het niet, mijn arme vriend? Hewel, ik zal het u zeggen, maar gij moogt niet meer schreien. Men heet ze de koeienschieters: want eens waren ze zoo onnoozel naar weerlooze koeien te schieten, die zij voor vijandelijke soldaten aanzagen. Wat ons betreft, wij schieten naar de Spaansche bokken, hun vleesch stinkt als de pest, maar hun vel is goed om trommelen van te maken. En die van Thienen? Weet gij het? Ook al niet? Zij hebben den glorierijken naam van kwekkers. Want bij hen vliegt, op Sinksen, in de groote kerk, een eendvogel van het oksaal naar het autaar, en dat is de beeltenis van hunnen Heiligen Geest. Leg eenen heete koek op uwe wonde. Het zal niet erg zijn, want ik zie dat gij, zonder een woord te vertellen, de mooren en stoverije opraapt, die het hert omver gesmeten heeft. Uw moed behoort vooral thuis in de keuken. Gij steekt het vuur opnieuw aan, brengt den soepketel terug op zijne drie palen, en houdt u zorgvuldig bezig met de kook. Weet gij waarom er vier wonderen te Leuven zijn? Neen? Ik zal het u zeggen. Ten eerste, omdat de levenden er onder de dooden gaan, want St.-Michielskerk is gebouwd dicht bij de poort van de stad. Haar kerkhof ligt op den berm der wallen; ten tweede, omdat de klokken er buiten de torens hangen, gelijk men aan St.-Jacobskerk ziet, waar een groote klok en een kleine klok zijn; daar de kleine in den toren niet meer kon geplaatst worden, heeft men ze buiten gehangen. Ten derde, omdat de autaren buiten de kerk staan, want de gevel van St.-Jacobskerk lijkt op een autaar. Ten vierde, ter oorzake van den Toren-zonder-Nagels, omdat de torenspits van Ste-Geertrui van steen gemaakt is en niet van hout, en dat men in steenen geene nagelen slaat, behalve in het hert van den bloedigen koning, dat ik boven aan de groote poort van Brussel zou willen spijkeren. Maar, gij luistert niet. Hebt gij zout in het eten gedaan? Weet gij waarom die van Dendermonde de vuurpannen heeten? Omdat, toen eens een jonge prins in de afspanning de Wapens van Vlaanderen moest komen vernachten, de baas niet wist hoe hij het bed warm zou krijgen, want hij had geene vuurpan. Hij deed het bed verwarmen door zijne dochter, die, zoodra zij den prins hoorde bovenkomen, ijlings de vlucht nam, en de prins vroeg waarom men de pan uit het bed had genomen. God believe dat koning Philippus, in een gloeienden ijzeren trommel gestoken, tot vuurpan diene voor het leger van Astarte.

--Laat mij gerust, zeide Lamme; ik lach met u, met uwe vuurpannen, met uwen Toren-zonder-Nagels, met uwe Astarte en met al de flauwe kul, die gij verkoopt. Trek mij niet af van mijne sausen.

--Pas op, sprak Uilenspiegel. Het geblaf houdt niet op, het komt dichter en dichter, de honden huilen, de trompetten weerschallen. Pas op voor het hert.

Op die woorden nam Lamme de vlucht, en Uilenspiegel riep hem nog achterna:

--Hoort gij de jachthorens?

--'t Is niets, Lamme, kom terug bij uwe stoverije, sprak de oude man. 't Zijn de honden, die hun deel van het wild krijgen; het hert is dood.

--Dat zal ons een lekkeren maaltijd bezorgen, sprak Lamme. Ik hoop wel dat gij mij zult nooden, ter oorzake van de moeite, die ik mij geef voor ulieden. De saus van de vogelen zal lekker zijn, maar ze kraakt toch een weinig. Dat kan ook niet missen, want de vogelen zijn in het zand gevallen, als die groote duivel van een hert op mij kwam gestormd, en mijn wambuis en mijn vel al te zamen aan stukken trok. Maar zeg eens, vreest gij de houtvesters niet?

--Wij zijn al te talrijk, sprak de oude man; zij zijn bevreesd en verontrusten ons niet. Ook de serjanten, beulsknechten en rechters laten ons met vrede. De inwoners van de steden zien ons geerne, want wij doen hun geen kwaad. Wij zullen hier nog eenigen tijd leven in vrede, ten ware het Spaansche leger ons omsingelde. Mocht dat gebeuren, zoo zouden wij, grijsaards, jonge mannen, vrouwen, dochteren, knapen en meidekens, ons leven duur verkoopen, en liever nog doodden wij elkander, dan duizend folteringen te lijden door de hand van den bloedigen hertog.

Uilenspiegel sprak:

De tijd is voorbij, dat men den gruwzamen beul te lande bestreed. 't Is op zee, dat wij zijne macht moeten fnuiken. Gaat naar den kant van de Zeeuwsche eilanden, over Brugge, Heist en Knokke, langs het duin.

--Wij bezitten geen duit, spraken zij.

Uilenspiegel antwoordde:

--Hier zijn duizend karolussen vanwege den prins. Gaat voort langsheen de waterloopen, vaarten, stroomen en rivieren; als gij schepen ziet met het merk J-H-S, dat een uwer het gezang des leeuweriks nabootse. Een hanengekraai zal U antwoorden. En gij zult wezen bij vrienden, bij soldaten van 't vrije geweten.

--Wij zullen het doen, zeiden de mannen.

De jagers, gevolgd door de honden, verschenen weldra, en trokken met koorden het doode hert achter zich.

Toen zetten allen zich neer rond het vuur.

Zij waren wel zestig in getal, mannen, vrouwen en kinderen.

Het brood werd uit de weitasschen gehaald, de messen uit de scheeden getrokken. Het hert werd aan stukken gesneden, gestroopt, geruimd, en met het kleinere wild aan het braadspit gestoken.

En, na den maaltijd, zag men Lamme tegen eenen boom zitten snorken, met het hoofd op de borst.

Toen de avond gevallen was, trokken de Broeders van het Woud in holen onder den grond om te slapen, en Lamme en Uilenspiegel deden hetzelfde.

Gewapende mannen hielden de wacht rond het kamp. En Uilenspiegel hoorde de droge bladeren onder hunne voeten kraken.

En 's anderen daags morgens ging hij henen met Lamme, terwijl die van het kamp zeiden tot hem:

--God zegene u; wij gaan naar de zee.

XXXV.

Te Harelbeke vernieuwde Lamme zijnen voorraad oliekoeken. Hij vond ze zoo lekker, dat hij er zeven en twintig zelf opat en dertig in zijnen korf stak.

Uilenspiegel droeg zijne vogelkooien in de hand.

Rond den avond kwamen zij te Kortrijk, alwaar zij afstapten in de afspanning de Bie, bij Gillis Vanden Ende, die aan zijne deur kwam, zoodra hij het gezang des leeuweriks hoorde.

Daar leefden zij als vischjes in 't water. Toen de weerd de brieven des prinsen gezien had, stelde hij Uilenspiegel vijftig karolussen ter hand voor den Zwijger; bovendien wilde hij niets voor den kalkoen, dien hij opgediend had, noch voor den dubbelen klauwaard, waarmede hij hem rijkelijk besproeide. Ook verwittigde hij hem, dat er spionnen van den Bloedraad in Kortrijk rondliepen, weshalve hij en zijn gezel goed op hunne tong moesten letten.

--Wij zullen ze wel herkennen, zeiden Lamme en Uilenspiegel.

De zonne neigde ten Westen en vergulde de gevelspitsen der huizen; de vogelen zongen hun avondgebed; de vrouwen praatten op de zulle harer deuren; de kinderen stoeiden in het stof en Uilenspiegel en Lamme dwaalden op goed-valle-'t-uit door straten en stegen.

Eensklaps sprak Lamme:

--Ik heb aan Gillis Vanden Ende gevraagd of hij geene vrouw gezien had, die op de mijne geleek--ik gaf hem zoo goed als ik kon de beschrijving van heur bekoorlijk gezicht--en hij zei mij dat, bij Stevenijne, op den Brugschen steenweg, in den Regenboog, buiten de stad, alle avonden een groot getal vrouwen bijeenkomen. Ik trek er aanstonds naar toe.

--Ik zal u daar komen vinden, sprak Uilenspiegel. Ik wil de stad eens afzien; als ik uwe vrouw tegenkom, zal ik ze dadelijk bij u zenden. Vergeet niet, dat de baas u voor raad heeft gegeven op uwe tong te passen, zoo gij aan uw leven houdt.

--Wees gerust, sprak Lamme.

Uilenspiegel wandelde op zijn gemak rond de stad; de zonne ging onder en de avond viel snel.

Uilenspiegel kwam in een eenzame steeg. Daar hoorde hij kunstig op de vedel spelen; toen hij nadergekomen was, zag hij van verre een witte gedaante, die hem riep, doch wegvluchtte en steeds op de vedel speelde.

Maar Uilenspiegel liep sneller dan zij; hij haalde heur in, greep ze vast en wilde heur aanspreken; maar zij legde heure hand, die naar benzoë rook, op zijnen mond.

--Zijt gij gemeene burger of edelman? vroeg zij.

--Ik ben Uilenspiegel.

--Zijt gij rijk?

--Rijk genoeg om een hemelsch genot te betalen, niet genoeg om mijne ziel af te koopen.

--Hebt gij geen peerd, dat gij te voet gaat?

--Ik had een ezel, antwoordde Uilenspiegel, maar ik heb hem op stal gelaten.

--Hoe komt het dat gij alleen, zonder vrienden of dienaren, rondzwerft in een vreemde stede?

--Omdat mijn vriend zijnerzijds ergens ronddwaalt lijk ik mijnerzijds, nieuwsgierige schoone.

--Ik ben geenszins nieuwsgierig, antwoordde zij. Is hij rijk, uw vriend?

--Ja, hij is rijk, doch in vet, sprak Uilenspiegel. Maar hebt gij haast gedaan met mij te ondervragen?

--Ik heb gedaan, zeide zij, laat mij nu.

--U laten? sprak hij, 't was precies alsof men tot Lamme, als hij honger heeft, zou zeggen eene pateel ortolanen te laten staan. Van u wil ik eten.

--Maar gij hebt mij nog niet gezien, zeide zij.

En zij opende eene lanteerne, die plotseling heur aangezicht verlichtte.

--Hoe schoon! sprak Uilenspiegel. Ho! wat schoone lichtbruine huid, wat zachte oogen, wat roode mond, wat liefelijk lichaam! Alles zij mijn!

--Alles, sprak zij.

En zij bracht hem bij Stevenijne, op den Brugschen steenweg, in den Regenboog.

Uilenspiegel zag daar een groot getal meidekens, die aan den arm schijfjes droegen van een andere kleur dan die van heur bombazijnen kleed.

De gezellinne van Uilenspiegel had een zilverlakensch schijfje op een goudlinnen kleed. En al de meidekens bezagen heur met afgunst.

Bij het binnenkomen had zij de bazinne eenen wenk gegeven, maar Uilenspiegel had het niet bemerkt: zij zetten zich getweeën neder en dronken.

--Weet gij, sprak zij, dat wie mij eens beminde, voor eeuwig mijn is?

--Schoone, welriekende deerne, sprak Uilenspiegel, het ware mij een heerlijk festijn eeuwig uwe genuchten te smaken.

Eensklaps zag hij Lamme in eenen hoek zitten, met een tafeltje voor zich, waarop eene keers, eene hesp en een pot bier stonden; hij had het zeer druk om zijne hesp en zijn bier te verdedigen tegen twee meidekens, die met alle geweld met hem wilden eten en drinken.

Toen Lamme zijn vriend Uilenspiegel gewaar werd, kwam hij voor hem staan en sprong wel drie voet hoog van blijdschap.

--God zij geloofd, sprak hij, omdat Hij mij mijnen vriend Uilenspiegel teruggeeft! Bazinne, breng ons te drinken!

Uilenspiegel trok zijne tasch uit en sprak:

--Te drinken tot dit op is!

En hij deed zijne karolussen rinkelen.

--Leve God! sprak Lamme, die hem gezwind de tassche uit de hand trok, ik ben 't die betaal, maar gij niet! Deze tassche is mijn!

Uilenspiegel wilde met geweld zijne tassche terugnemen, doch Lamme hield ze stevig vast. Terwijl zij met elkander vochten, de een om de tassche te houden, de andere om ze terug te nemen, sprak Lamme stille tot Uilenspiegel:

--Luister: serjanten in huis ... ze zijn gevieren ... in een kleine kamer met drie meidekens.... Twee buiten voor u, voor mij.... Heb willen weggaan ... ben belet geworden.... De deerne met heur goudlinnen kleed is eene verklikster ... Stevenijne, ook verklikster!

Terwijl zij met elkander vochten, luisterde Uilenspiegel goed naar Lamme en riep hij:

--Mijne tasch terug, dieper!

--Gij zult ze niet hebben, sprak Lamme.

En zij vatten elkander bij den nek, bij de schouderen en rolden ten gronde, terwijl Lamme stille alles zeide tot Uilenspiegel wat deze diende te weten.

Maar de baas uit de Bie kwam eensklaps binnen met zeven mannen, die hij niet scheen te kennen. Hij kraaide als de haan en Uilenspiegel floot als de leeuwerik.

Toen de baas Uilenspiegel en Lamme samen aan 't vechten zag, vroeg hij tot Stevenijne:

--Wat zijn dat voor twee rabauwen?

Stevenijne antwoordde:

--Truwanten, die men niet slecht zou doen van elkander te scheiden, in stede van hen hier al dat gedruisch te laten maken, vóór zij naar 't galgeveld trekken.

--Als hij zich vermeet ons te scheiden, sprak Uilenspiegel, hameren wij met zijnen kop op de vloersteenen.

--Ja, op de vloersteenen, bevestigde Lamme.

--De baas komt ons redden, fluisterde Uilenspiegel tot Lamme.

De baas, die eene of andere geheimenis ried, wierp zich tusschen de vechters.

Lamme zei hem in der haast deze woorden in 't oor:

--Komt gij ons redden? Hoe dat?

De baas gebaarde dat hij Uilenspiegel duchtig bij de ooren trok, en fluisterde hem toe:

--Zeven voor u ... sterke mannen, beenhouwers.... Ik ga weg ... te zeer gekend in de stad.... Als ik weg ben, is 't tijd van te beven den klinkaard.... Alles aan stukken slaan....

--Goed, zeide Uilenspiegel, die zich oprichtte en den baas eenen schop gaf.

Maar de baas gaf hem eenen schop terug en eenen slag daarbij. En Uilenspiegel zei hem:

--Gij slaat dapper, kameraad.

--Ja, ze vallen als hagelsteenen, niet waar, antwoordde de baas, die meteen vlug de tassche uit Lamme's handen rukte en ze aan Uilenspiegel teruggaf.

--Daar, rabauw, sprak hij, trakteer mij, nu gij terug in 't bezit van uw goed zijt.

--Zuip maar op, schandalige dieper, antwoordde Uilenspiegel.

--Hoor eens hoe stout hij is, sprak Stevenijne.

--Zoo stout als gij schoon zijt, lievelinge, antwoordde Uilenspiegel met een spottenden glimlach.

Nu, Stevenijne was diep in de zestig en had een gezicht als eene mispel, doch 't was nu geel van toorn en gramschap. In 't midden stond een neus, die geleek op den bek van een uil. Zij had oogen lijk die van een vrek, zonder glans van min of van vriendschap. Twee lange, puntige tanden staken uit haren mageren mond met zijn dunne, kleurlooze lippen. En een groote roode vlek bemorste hare linkerwang.

De meidekens lachten, spotten met haar en zeiden:

--Lievelinge, lievelinge, geef hem te drinken!--Hij zal u kussen en streelen.--Hoelang is het geleden, dat gij samen voor de eerste maal paardet?--Pas op, Uilenspiegel, zij gaat u verscheuren.--Bezie hare oogen, zij flikkeren, maar 't is van haat en niet van liefde.--Zou men niet zeggen, dat zij lust heeft tot bijten?--Wees niet bevreesd.--Al de vrouwen, die oprecht beminnen, doen zooals zij.--Zij wil slechts uw goed.--Zie eens hoe 't lachen haar in goede luim heeft gebracht!

En, inderdaad, Stevenijne lachte, doch knipoogde intusschen tot Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed.

De baas dronk, betaalde en vertrok.

De zeven beenhouwers deden teeken van verstandhouding tot de serjanten en tot Stevenijne.

Een van de zeven maakte een gebaar om te bedieden, dat hij Uilenspiegel voor een onnoozele hield en dat hij hem leelijk ging beethebben.

En in Uilenspiegel's oor zeide hij, terwijl hij spottend de tong uitstak naar Stevenijne, die lachte en heure tanden liet zien:

--'t Is van te beven den klinkaard!

Vervolgens, naar de serjanten wijzend, sprak hij luidop:

--Lieve hervormde, wij zijn allen met u, trakteer ons met eten en drinken.

En Stevenijne lachte van plezier en stak ook heure tong uit naar Uilenspiegel, toen deze met zijnen rug naar heur was gekeerd.

En Gilline, de deerne met heur goudlinnen kleed, stak insgelijks heure tong uit naar Uilenspiegel.

En de meidekens zeiden tot elkander: