De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 23

Chapter 233,863 wordsPublic domain

En, met hunne lanteernen, bracht hij hen ter plaatse waar de twee mannen gevallen waren. Werkelijk zagen zij hen ten gronde liggen: de eene was dood, de andere reutelde: in zijn hand hield hij eenen brief, dien hij in een laatste stuiptrekking verfrommeld had.

Zij droegen de verslagenen mede, die zij aan de kleederen voor edelen herkenden, en kwamen aldus met hunne lanteernen bij den prins, die beraadslaagde met Frederik van Hollenhausen, met den markgraaf van Hessen en met andere heeren.

Gevolgd door landsknechten, ridders met gele en groene wambuizen, kwamen zij vóór de tent van den Zwijger, luide roepend of hij hen wilde ontvangen.

Hij kwam buiten.

Uilenspiegel liet den provoost niet spreken, die, hoestend, zich gereedmaakte om hem te beschuldigen, en zegde:

--Heer, in stee van raven, heb ik twee edele verraders van uw gevolg gedood.

Vervolgens vertelde hij wat hij gezien, gehoord en gedaan had.

De Zwijger sprak geen woord. De twee lijken werden afgetast in bijzijn van hem, Willem van Oranje, van Frederik van Hollenhausen, van den markgraaf van Hessen, van Diederik van Schoonenberg, van graaf Albrecht van Nassau, van den graaf van Hoogstraten, van Antonius van Lalaing, stadhouder van Mechelen, alsmede van de soldaten en van Lamme, die beefde als een riet. Op de edellieden werden verzegelde brieven van Granvelle en Noircarmes gevonden, waarbij zij aangezocht werden verdeeling te zaaien in 's prinsen gevolg, om zijne krachten te verzwakken, hem te dwingen zich te onderwerpen en hem aldus te leveren aan den hertog van Alva, ten einde onthoofd te worden, naarvolgens verdienste. Gij moet, zeiden de brieven, omzichtig te werk gaan, en met bedekte woorden doen gelooven aan die van het leger, dat de Zwijger, in zijn eigen voordeel alleen, reeds met den hertog heeft onderhandeld; zijn vertoornde hoofdmannen en soldaten zullen hem gevangennemen. Als belooning werd aan elk hunner een wissel van vijfhonderd dukaten gezonden op het huis Függer van Antwerpen; zij zouden nog duizend dukaten krijgen, zoodra in Zeeland de Spaansche schepen aankwamen, met de vierhonderd duizend dukaten die men verwachtte.

Het eedgespan ontdekt zijnde, wendde de prins zich naar de edelen, heeren en soldaten, onder dewelken een groot getal hem verdachten; zonder spreken wees hij naar de twee lijken, om hun hun wantrouwen te verwijten.

Allen riepen met groot rumoer:

--Lang leve Oranje! Oranje is den landen getrouw!

Vol verachting wilden zij de lijken aan de honden werpen; maar de Zwijger sprak:

--Het zijn die lijken niet, die men aan de honden moet werpen, maar de zwakheid des geestes, die aan de zuiverste inzichten twijfelen doet.

En de heeren en soldaten riepen:

--Leve de prins! Leve Oranje, de vriend onzer landen!

En hunne stemmen klonken als de donder, dreigend voor 't onrecht.

Naar de lichamen wijzend, zeide de prins:

--Begraaft ze als kerstenen.

--En wat gaat men met mij doen? vroeg Uilenspiegel. Dat men mij kastijde als ik kwaad, en loone als ik goed deed.

Toen sprak de Zwijger:

--Die soldaat zal in mijne tegenwoordigheid vijftig slagen krijgen met een stok van groen hout, omdat hij, in weerwil van alle tucht en zonder bevel, twee edellieden doodde. Ook zal hij dertig gulden ontvangen, omdat hij zoo goed gezien en gehoord heeft.

--Heer, sprak Uilenspiegel, als men mij eerst de dertig gulden gaf, zou ik de stokslagen met meer geduld ontvangen.

--Ja, ja, zuchtte Lamme Goedzak, lang hem eerst de dertig gulden; de slagen zal hij deemoedig verdragen.

--En overigens, sprak Uilenspiegel, daar mijn geweten zuiver is, heb ik niet van doen gewasschen of gespoeld te worden met stokken of zweepen.

--Ja, zuchtte Lamme Goedzak opnieuw, Uilenspiegel heeft niet van noode gewasschen of gespoeld te worden. Zijn geweten is zuiver. Wascht hem niet, mijne heeren, wascht hem toch niet!

Uilenspiegel had de dertig gulden ontvangen, als de provoost den stokmeester gebood, Uilenspiegel onder handen te nemen.

--Ziet toch, mijne heeren, zegde Lamme, wat jammerlijk gezicht hij trekt. Hij is in 't geheel geen liefhebber van stokken, mijn vriend Uilenspiegel.

--Een schoonen, goed getakten esch, die met zijn frischgroene bladeren in de zonne prijkt, zie ik geerne, hernam Uilenspiegel; maar ik koester een doodelijken haat tegen die leelijke stokken, die nog nat zijn, zonder twijgen of bladeren, die hard en woest zijn van uitzicht,

--Zijt gij gereed? vroeg de provoost.

--Gereed, herhaalde Uilenspiegel, gereed tot wat? Om geslagen te worden? Neen, dat ben ik niet en zal het nooit wezen, mijnheer de stokmeester. Uw baard is ros en gij ziet er vreeselijk uit; maar ik ben zeker, dat gij zachtmoedig van aard zijt en met tegenzin een armen man, als ik, zoudt afranselen. Ik moet het u zeggen, maar slaan doe of zie ik niet geerne, want de rug van een kerstenmensch is een heilige tempel, die, evenals de borst, de longen bevat met dewelke wij Gods goede lucht ademen. Heel uw leven door, zou de wroeging u knagen als een ruwe stokslag mij aan stukken sloeg.

--Spoed u, sprak de stokmeester.

--Heer, zegde Uilenspiegel tot den prins, er is geene haast bij, ge moogt mij gelooven; eerst zoudt gij dien stok moeten laten goed drogen, want men zegt, dat het sap van groen hout een doodelijk vergif voor het bloed is. Zou uwe Hoogheid mij zulken vreeselijken dood willen zien sterven? Heer, ik behoud mijnen rug ten dienste Uwer Hoogheid; laat hem slaan met roeden, hem striemen met de zweep; maar, als gij mij niet wilt zien sterven, Heer, spaar mij toch het groen hout, als het u belieft.

--Prins, schenk hem genade, spraken beiden, de heer van Hoogstraten en Diederik van Schoonenberg. De anderen glimlachten goedhertig en medelijdend.

Lamme kwam achteraan en zuchtte:

--Heer, genade, heer; groen hout is doodelijk vergif.

Toen sprak de prins:

--Ik schenk hem genade.

Uilenspiegel maakte eene tuimelpert, sloeg op Lamme's buik, dwong hem tot dansen en sprak:

--Loof met mij Zijne Hoogheid, die mij van het groen hout heeft gered.

En Lamme beproefde te dansen, maar hij kon niet, ter oorzake van zijn dikken buik.

En Uilenspiegel trakteerde hem en liet hem eten en drinken, zooveel als hij kon.

XII.

De hertog wilde geen slag leveren, doch bestookte den Zwijger op 't platteland tusschen Gulik en de Maas; Oranje deed overal den stroom peilen, te Hond, Mechelen, Elsen, Meersen, en overal vonden zij er voetangels in, om de mannen en peerden te kwetsen, die zouden pogen den stroom over te steken.

Te Stokhem vonden de peilers er geene. De prins beval daar te waden. De ruiters togen over den stroom en hielden zich aan den overkant in slagorde, om het overzetten der troepen langs den kant van het bisdom Luik te dekken; vervolgens kwamen, van den eenen tot den anderen oever, tien rotten busschutters en boogschutters staan, die aldus den loop van de Maas stremden, en in het midden van welke zich Uilenspiegel bevond.

Hij stond tot aan de dijen in 't water; somwijlen zelfs werden hij en zijn peerd opgeheven door een plotselinge, verraderlijke golving.

Hij zag de voetknechten overgaan met een zakje buskruit op het hoofd en hunne bussen omhoog; vervolgens kwamen de ammunitiewagens, de haakbussen, de geleiders, de stukrijders, de slangen, de dubbele slangen, de falkonetten, de dubbele falkonetten, de serpenten, de halve serpenten, de dubbele serpenten, de slangen met wijden mond, de kanonnen, de halve kanonnen, de dubbele kanonnen, de donderbussen, de sakers, de kleine stukken bereden veldgeschut, geladen op voorwagens, met twee peerden bespannen, en die in alles geleken op de kanonnen, die men de Pistolen des keizers heette; daarna kwamen Vlaamsche ruiters en landsknechten, die de achterhoede moesten dekken.

Uilenspiegel zocht iets te drinken, dat hem verwarmen kon. De boogschutter Riesencraft, een Hoogduitscher, een mager, reusachtig en wreedaardig man, die nevens hem op zijn peerd zat te ronken, rook geweldig naar brandewijn. Uilenspiegel zocht naar de flesch op het kruis van zijn peerd, en vond ze aan zijnen schouderband geknoopt. Hij sneed het koordeken door, nam de flesch en dronk lustig van het verkwikkende nat. De gezellen boogschutters zeiden tot hem:

--Geef ons ook een slok.

En hij gaf hun de flesch. Als de brandewijn op was, bond hij 't koordeken weer aan de flesch en wilde ze terugbrengen op de borst van den soldenier. Toen hij den arm oplichtte om de bottel er onder te steken, werd Riesencraft wakker. Naarde bottel grijpend, wilde hij zijn gewone koe melken. Daar hij er echter geene melk meer in vond, ontstak hij in hevige woede.

--Dief, sprak hij, wat hebt gij gedaan met mijn brandewijn?

Uilenspiegel antwoordde:

--Uitgedronken. Onder doornatte ruiters is de brandewijn van één, de brandewijn van allen. Gierig zijn is leelijk.

--Morgen daag ik u uit tot een tweegevecht, antwoordde Riesencraft, en ik beloof u fatsoenlijk aan stukken te kappen.

--Wij zullen alles afkappen, sprak Uilenspiegel, hoofden, armen en beenen. Maar zijt gij verstopt, dat uwe tronie zoo zuur ziet?

--Dat ben ik, sprak Riesencraft.

--Dan moet gij purgeeren, in stee van te vechten.

Zij kwamen overeen zich 's anderen daags met elkander te meten. Elk mocht gekleed en uitgerust zijn lijk hij verkoos, en zij zouden naar elkander kerven en kappen met een korten stootdegen.

Uilenspiegel vroeg, om voor zich zelven, den degen te mogen vervangen door eenen stok, hetgeen hem toegestaan werd.

Intusschen waren al de soldaten over den stroom getogen en reeds stelden zij zich in goede orde, op de bevelen hunner kapiteins en kolonels. Nu verlieten ook de tien rotten schutters hunne vochtige stelling.

En de Zwijger sprak:

--Wij marcheeren op Luik,

Uilenspiegel was er blijde om en riep met al de Vlamingen:

--Lang leve Oranje! Naar Luik! naar Luik!

Maar de vreemdelingen, en voornamelijk de Hoogduitschers zeiden, dat zij te nat waren om te marcheeren. Te vergeefs bevestigde de prins hun, dat zij naar een gewisse zegepraal gingen, naar eene stede met hert en ziel hun toegedaan: zij wilden niet luisteren, en ontstaken groote vuren om zich te warmen, met hunne onttuigde peerden.

De aanval der stad werd uitgesteld tot 's anderen daags; en Alva, hoogst verbaasd over den stoutmoedigen overtocht, vernam door zijne spionnen, dat de soldaten van den Zwijger nog niet bereid waren tot den aanval.

Daarop deed hij Luik en heel de omliggende streek bedreigen alles in vuur en vlam te zullen zetten, zoo de vrienden des prinsen er eenige beweging maakten. Geeraard van Groesbeek, de bisschoppelijke serjant, deed zijne soldaten wapenen tegen den prins, die te laat kwam door de schuld der Hoogduitschers, benauwd voor een beetje water in hunne schoenen.

XIII.

Uilenspiegel en Riesencraft hadden hunne getuigen gekozen; deze beslisten, dat de twee soldaten te voet zouden vechten, totdat de dood er op volgde, zoo dit den overwinnaar behaagde, want dit waren de voorwaarden die Riesencraft stelde.

Het gevecht greep plaats in een kleine heide.

Reeds van den vroegen morgen had Riesencraft zijne kleedij van boogschutter aan: de salade, dat is de helm, met ijzeren halsstuk, zonder vizier, alsmede een maliënhemd zonder mouwen. Daar zijn ander hemd aan stukken vaneen viel, stak hij het in zijnen helm om er in geval van nood, pluksel van te maken. Hij nam eenen voetboog van goed hout der Ardennen, eenen koker met dertig pijlen, een lange dagge, doch geen tweehandig zweerd, dat een wapen der busschutters was. En hij kwam naar het strijdperk op zijn handpeerd, dat met den oorlogszadel, het met pluimen versierde hoofdharnas, en met een ijzeren borstharnas opgetuigd was.

Uilenspiegel koos de uitrusting van een gewapenden ridder: tot rijdier had hij een ezel; tot zadel de rokken eener deerne; het hoofdharnas was van wisschen, versierd met wuivende schavelingen. Het borstharnas van zijn rijdier was van spek, want zeide hij, het ijzer kost te duur, het staal is buiten prijs en, wat het koper betreft, in de laatste dagen heeft men er zooveel van noodig gehad om kanonnen te gieten, dat er niet genoeg meer overblijft om een konijn uit te rusten; tot hoofddeksel had hij een schoonen saladestruik, dien de slekken nog niet opgegeten hadden; op de salade stak eene zwanepluim, om hem te doen zingen als hij soms stierf.

Zijn stootdegen was een goede, lange, dikke stok van dennenhout, waarop een bezem van dennentakken. Aan den linkerkant van zijnen zadel hing zijn mes, van hout, aan zijne rechterzijde slingerde zijne strijdknots: een vliertak met eene raap opgestoken. Zijn harnas bestond uit niets dan gaten, met andere woorden: hij had er geen aan.

Als hij, aldus toegetakeld, plechtstatig het strijdperk binnenreed, schoten de getuigen van Riesencraft in een luiden schaterlach, doch de Hoogduitscher bleef norsch kijken met zijn bittere tronie.

Toen vroegen de getuigen van Uilenspiegel aan die van Riesencraft, dat de Duitscher zijne uitrusting van maliën en ijzer zou uitdoen, vermits Uilenspiegel slechts met lompen gepantserd was. Riesencraft stemde er in toe. Daarop vroegen de getuigen van Riesencraft aan die van Uilenspiegel hoe het kwam, dat de Vlaming met eenen bezem gewapend was.

--Gij liet mij toe den stootdegen door eenen stok te vervangen, sprak Uilenspiegel, maar gij hebt mij niet verboden de takken er aan te laten.

--Ga maar uw gang, spraken de vier getuigen.

Riesencraft zei geen woord, doch kapte, in zijne opgewondenheid, met zijne stootdegen de schrale heideplanten af.

De getuigen zetten hem aan, zijn stootdegen neder te leggen en ook eenen bezem te nemen, lijk Uilenspiegel.

Hij antwoordde:

--Als die truwant uit eigen beweging een zoo gemeen wapen koos, is het dat hij meent daarmede zijn leven te kunnen verdedigen.

Daar Uilenspiegel opnieuw verklaarde, dat hij zijnen bezem wilde gebruiken, drongen de vier getuigen niet verder aan en zeiden zij dienvolgens, dat alles in regel was.

Beiden stonden tegenover elkander: Riesencraft op zijn peerd, dat met ijzer geharnast, Uilenspiegel op zijnen ezel, die met spek gepantserd was.

Uilenspiegel reed tot in het midden van het veld. Zijnen bezem recht als eene lans houdend, zeide hij:

--Dat gespuis, dat, in het leger van dappere makkers, anders niets doet dan schuimbekkend van woede, met een zure tronie rond te loopen om ruzie te zoeken, stinkt erger dan pest, dan melaatschheid en dood. Waar zij komen, vlucht de lach, versterft het blijde liedeken. Zij moeten altoos brommen of vechten, en zij vervangen het heilig gevecht voor het vaderland door het tweegevecht, dat het leger ondermijnt tot vreugde van den vijand. Riesencraft, hier tegenwoordig, heeft, om onschuldige poetsen, een en twintig zijner gezellen vermoord, maar nimmer verrichtte hij zelf, in gevecht of schermutseling, een schitterende heldendaad of erlangde hij om betoonden moed de minste belooning. Nu, heden behaagt het mij, het ruige vel van dien twistzieken hond eens averechts te borstelen.

Riesencraft antwoordde:

--Die dronkelap heeft schoone dingen hooren vertellen over het misbruik der tweegevechten; heden behaagt het mij hem het hoofd in tweeën te klieven, om aan elkeen te toonen, dat er maar hooi in zijne hersenpan steekt.

De getuigen deden hen afstijgen. Uilenspiegel liet van zijn hoofd den saladestruik vallen, dien de ezel gretig binnensloeg; doch het grauwtje werd in die bezigheid gestoord door eenen schop van een der getuigen, om hem buiten de omheining van het strijdperk te drijven. Het geharnaste peerd ontving mede zijn deel en de beide dieren gingen eendrachtiglijk grazen in 't ronde.

De getuigen van Uilenspiegel, die eenen bezem droegen, en de getuigen van Riesencraft, die eenen stootdegen voerden, gaven fluitend het teeken van 't gevecht.

En Riesencraft en Uilenspiegel vochten als razenden: Riesencraft sloeg met zijn stootdegen, Uilenspiegel weerde de slagen af met zijn bezem; Riesencraft zwoer bij alle duivelen, Uilenspiegel ontweek de slagen, liep schuins, draaide rechts, keerde links door de heide, stak de tong uit en zette allerlei vieze gezichten naar Riesencraft, die, ziedend van woede, buiten adem geraakte en blindelings als een dronkeman in de lucht kapte. Als Uilenspiegel hem vlak achter zich voelde, keerde hij zich plotseling om en gaf hem, met zijnen bezem, een forschen slag onder den neus. Riesencraft viel neder met uitgestrekte armen en beenen, lijk een kikvorsch op zijn uiterste.

Uilenspiegel wierp zich op hem, streek zonder genade den bezem rechts en averechts over zijn aangezicht en sprak:

--Roep om genade, of ik doe u den bezem slikken!

En hij wreef en herwreef, tot groot genoegen van de omstanders, en zeide altijd:

--Roep om genade, of ik doe u hem slikken!

Maar Riesencraft kon niet meer roepen, want hij was dood van woede en gramschap.

--God hebbe uwe ziel, arme razende! zeide Uilenspiegel.

En treurig gestemd, toog hij henen.

XIV.

Het was het einde van Wijnmaand. Geld ontbrak aan den prins; zijne soldaten hadden honger. Zij morden; de prins marcheerde naar Frankrijk en bood den hertog 't gevecht aan, maar deze weigerde het.

Uit Quesnoy-le-Comte vertrokken om naar het land van Kamerijk te gaan, ontmoette hij tien compagnieën Duitschers, acht vendels Spanjaards en drie kornetten ruiterij, aangevoerd door don Ruffele Henricis, zoon des hertogen, die te midden van het gevecht in het Spaansch riep:

--Slaat dood! Slaat dood! Geen kwartier! Leve de Paus!

Don Henricis met zijne mannen, tegenover de compagnie busschutters, waarbij Uilenspiegel tiendenier was, wierp zich op hen.

Uilenspiegel zeide tot den bentserjant:

--De tong van dien beul ga ik in tweeën snijden!

--Snij maar op, zei de serjant.

En met een goed gerichten kogel, verplette Uilenspiegel tong en kaken van don Ruffele Henricis, zoon van den hertog.

Uilenspiegel schoot ook den zoon van den markies Delmares van zijn peerd.

De acht vendels en de drie kornetten werden verslagen.

Na die zegepraal zocht Uilenspiegel naar Lamme, in het kamp en in 't ronde, maar hij vond hem niet.

--Laas! sprak hij, hij is weg, mijn vriend Lamme, mijn dikke vriend. In het vuur van den strijd zal hij het gewicht van zijn buik vergeten en de Spaansche vluchtelingen achternagezet hebben. Buiten adem, zal hij op den weg gevallen zijn als een zak. En zij zullen hem opgeraapt hebben, om er losgeld van te trekken; losgeld voor kerstenspek. Vriend Lamme, waar zijt gij toch, waar zijt gij, mijn arme, vette vriend?

Uilenspiegel zocht hem overal, en, hem niet vindend, was hij treurig gestemd.

XV.

In de Slachtmaand, de maand der sneeuwstormen, ontbood de Zwijger Uilenspiegel vóór zich. De prins beet op de koord van zijn maliënhemd.

--Luister goed, sprak hij.

Uilenspiegel antwoordde:

--Mijne ooren zijn gevangenispoorten; men komt er gemakkelijk binnen, maar uitgeraken is een andere zaak.

De Zwijger sprak:

--Ga door Namen, Henegouw, Vlaanderen, Zuid-Brabant, Antwerpen, Noord-Brabant, Gelderland, Overijsel, Noord-Holland overal verkondigen, dat, zoo het geluk onze heilige en kerstene zaak te lande verlaat, de strijd tegen onrecht en geweld ter zee voortgezet wordt. God bestiere genadig deze zaak, in voor- als in tegenspoed. Te Amsterdam gekomen, zult gij Pauwel Buys, mijn getrouwe, rekenschap geven van uwe zending. Hier zijn drie passen, door Alva zelven onderteekend en gevonden op verslagenen te Quesnoy-le-Comte. Mijn schrijver heeft ze behoorlijk ingevuld. Wellicht vindt gij onderwege een goeden gezel, in wien gij vertrouwen moogt stellen. Goeden zijn zij, die op 't gezang van den leeuwerik antwoorden met 't krijgshaftig gekraai van den haan. Hier zijn vijftig gulden. Wees moedig en trouw.

--De assche klopt op mijn hert, antwoordde Uilenspiegel. En hij toog henen.

XVI.

Met oorlof van den koning en van den hertog, mocht hij, naar believen, alle wapenen dragen. Hij nam zijn goede radbus, patronen, alsmede droog kruit. Vervolgens trok hij een gescheurd wambuis, een gelapt opperste kleed en eene hooze met gaten aan; naar Spaansche wijs zette hij eene toque met wuivende pluim op en gordde een zweerd om. Aldus verliet hij het leger en stapte naar Maastricht.

De winterkoninkjes, voorboden der koude, vlogen rond de huizen, om eene schuilplaats te zoeken. Den derden dag viel het aan 't sneeuwen.

Menigwerf moest Uilenspiegel onderwege zijne vrijgeleide vertoonen. Men liet hem overal door. Hij zette zijn weg voort naar Luik.

Hij kwam in eene vlakte; een hevige wind joeg de vlokken in zijn gezicht. Vóór zich zag hij de oneindige, witte vlakte, gesluierd door dwarrelende sneeuwbuien. Drie wolven volgden hem op de hielen; hij velde er eenen neder met zijne bus; de anderen wierpen zich op den gewonde, trokken hem vaneen en liepen het bosch in, elk met een stuk.

Van dat gezelschap verlost, keek Uilenspiegel of er geen andere bende in 't veld was. Ten einde de vlakte zag hij meerdere stipjes als grijze standbeelden, die zich bewogen in den sneeuwstorm, en achter hen, zwarte gedaanten van soldaten te peerd.

Hij klom op eenen boom. De wind bracht een verre geweeklaag tot hem. "Wellicht", zeide hij in zichzelven, "wellicht zijn het pelgrims met witte pijen: met moeite zie ik iets van hun lichaam in de sneeuw." Vervolgens onderscheidde hij menschen, die naakt liepen, en twee ruiters met zwarte harnassen op groote peerden gezeten, welke die ellendige kudde met zweepslagen voortdreven. Hij wapende zijne bus. Onder die ongelukkigen zag hij jongelieden en grijsaards, naakt, bibberend, verkleumd, ineengedrongen, angstig voortloopend om de zweep te ontvluchten van de twee soldaten, die, warm gekleed, rood van brandewijn en goeden kost, er vermaak in schepten, het lichaam dier naakte menschen tot bloedens toe te striemen, om ze nog sneller te doen aanstappen.

Uilenspiegel sprak:

--Gij zult gewroken worden, assche van Klaas.

En hij zond een kogel in 't voorhoofd van een der ruiters, die dood van zijn peerd viel. De andere, die niet wist van waar die onverwachte kogel kwam, werd bang, en dacht dat vijanden in het bosch verborgen waren. Hij wilde vluchten met het peerd van zijn makker. Maar terwijl hij met den teugel van dat dier in de hand van zijn peerd steeg om het geld van den doode te rooven, werd hij in den hals getroffen door een anderen kogel en viel hij insgelijks dood ten gronde.

De naakten meenden, dat een engel des hemels, een goed schutter, hun ter hulp kwam, en vielen op de knieën. Toen kwam Uilenspiegel van zijnen boom en werd erkend door mannen uit den troep, die, als hij, in het leger des prinsen gediend hadden. Zij zeiden tot hem:

--Uilenspiegel, in dezen jammerlijken staat werden wij uit Frankrijk naar Maastricht gezonden, waar de hertog is, om daar behandeld te worden als gevangen muitmakers; daar wij geen rantsoen kunnen betalen, zijn wij van te voren veroordeeld om gefolterd en onthalsd te worden of, als truwanten en diepers, op de galeien des konings te roeien.

Uilenspiegel gaf zijn opperste kleed aan den oudste der bende en sprak:

Komt, ik zal U naar Mézières leiden, maar eerst moeten wij dezen soldaten hunne kleeren uittrekken en hunne peerden meenemen.

De wambuizen, hoozen, leerzen en hoeden der soldeniers werden verdeeld onder de zwaksten en de zieksten, en Uilenspiegel sprak:

--Wij gaan in het bosch: daar is het zoo koud niet, de lucht is er zoeter. Komt, broeders, komt mede.

Doch een der mannen viel ten gronde en zuchtte:

--Ik sterf van kou en van honger, en vóór God zal ik getuigen, dat de paus de antichrist is.

En hij stierf. De anderen wilden hem meenemen, om hem als kerstenmensch te begraven.

Terwijl zij op de groote baan gingen, zagen zij eenen boer met eene huifkar. Als hij de naakte menschen zag, kreeg hij medelijden en deed hij hen in zijne kar komen, waar zij hooi vonden om op te liggen en ledige zakken om hun schamelheid te bedekken. Zij dankten God, dat zij warm lagen. Uilenspiegel reed naast de kar op een van de peerden der soldaten, terwijl hij de andere bij den toom leidde.