De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 22

Chapter 223,919 wordsPublic domain

Uilenspiegel, die zich voorzien had van krabpoeder, had zelf Pompilius zijn bisschoppelijk kleed helpen aantrekken, zijn handschoenen aangedaan, zijnen staf in zijne hand gestoken en hem geleerd hoe hij de handen moest houden om het volk te zegenen. Ook had hij de priesters helpen kleeden. Den eenen had hij de stool aangedaan, den anderen den pelsmantel, den diakenen het koorhemd. Hij liep gedurig de kerk rond om de plooien van een wambuis of een hooze effen te strijken. Hij bewonderde de scherpe wapenen der gilden en de geduchte bogen der schutters. En elkeen strooide hij een weinig krabpoeder in den hals, in den rug, op den pols. Maar de deken en de vier dragers van den heiligen Martinus kregen het meest. De maagdekens spaarde hij omdat zij zoo lief waren.

De processie ging uit de kerk, in prachtige orde, met fladderende banieren en wapperende wimpels. Mannen en vrouwlieden sloegen een kruis als zij voorbijging. En de zonne was heet.

De deken werd 't eerst het poeder gewaar en krabde een weinig achter zijn oor. Allen, priesters, boogschutters, dragers, krabden zich aan den hals, de beenen, de polsen, zonder het nog openlijk te durven; doch de klokluider, die meer uitstond dan de anderen, ter oorzake van de brandende zon, dorst zich niet verroeren, uit vreeze van levend in de olie te worden gekookt. Hij neep zijn neus toe, trok een leelijk gezicht en beefde op zijn waggelende beenen, want telkens dat de dragers zich krabden, liep hij gevaar van te vallen.

Maar hij dorst zich niet verroeren, en uit schrik liet hij zijn water maar loopen; en de dragers zeiden:

--Groote Sint Maarten, gaat het nu regenen?

De priesters zongen een lofzang aan de Heilige Maagd:

Si de coe ... coe ... lo descenderes O Sanc ... ta ... ta ... Ma ... ma ... ria.

Want hunne stemmen beefden wegens de krieuweling die onuitstaanbaar werd; maar zij krabden zich bedektelijk. Doch de deken en de vier dragers van Sint-Maarten krabden hun vel vaneen. Pompilius hield zich stil op zijn arme beenen, die 't meest van al jeukten.

Maar eensklaps bleven al de boogschutters, diakenen, priesters, deken en dragers staan om zich te krabben. Het poeder beet de voetzolen van Pompilius vaneen, doch hij dorst zich niet verroeren uit vrees van te vallen.

En de nieuwsgierigen zeiden, dat de heilige Maarten grammoedig rondkeek en een dreigend gezicht naar het arme volk zette.

Toen beval de deken, dat de processie zou voortgaan.

Weldra echter maakte de loodzware zon de jeukte van de plechtige ruggen en buiken onuitstaanbaar.

En toen bleven priesters, boogschutters, diakenen en deken, net als een bende apen eensklaps staan om zich onbeschaamd overal te krabben waar het jeukte.

De maagdekens zongen heuren lofzang als engelen en heur frissche stemmetjes stegen liefelijk ten hemel.

Allen trokken er trouwens van door zooals zij konden: krabbend, redde de deken 't heilig sacrament; het geloovige volk droeg de fierters terug in de kerk; de vier dragers van Sint Maarten smeten Pompilius ruwweg ten gronde. En daar nog dorst de arme klokluider zich niet krabben noch roeren, doch hij sloot devotelijk de oogen.

Twee jonge knapen wilden hem oprichten, doch daar zij hem te zwaar vonden, stelden zij hem recht tegen den muur en daar begon Pompilius bitter te schreien.

Het volk kwam rond hem staan; de vrouwen gingen neusdoeken van fijn, helder lijnwaad halen, wischten zijn gelaat af om zijne tranen als reliquieën te bewaren, en zeiden tot hem: "Mijnheer de Sant, wat hebt gij het warm!"

De klokluider keek hen jammerlijk aan en maakte, zijns ondanks, wegens de krieuweling, met zijn neus de koddigste gebaren.

Doch daar de tranen over zijne wangen rolden, spraken de vrouwen:

--Groote heilige Maarten, weent gij over de zonden der stede Ieperen? Niet waar, uwe edele neus verroert zich? Wij hebben nochtans de raadgevingen gevolgd van Lodewijk Vives, en den armen van Ieperen zal het aan werk noch aan brood ontbreken. Ho! wat groote tranen! Het zijn kostbare perelen. Onze redding is hier!

De mannen spraken:

--Wat moeten wij doen, groote heilige Maarten, om uwe droefheid te stillen?

Maar het volk riep:

--Daar is de koster!

Uilenspiegel kwam bij, greep Pompilius vast en droeg hem op den schouder weg, gevolgd door eene menigte geloovigen van beide geslachten.

--Laas! zei de arme klokluider hem stille in 't oor, ik ga bezwijken van de jeukte.

--Houd u stijf, antwoordde Uilenspiegel; vergeet niet dat gij een houten heilige zijt.

Hij liep op een draf en legde Pompilius neer voor de voeten van den proost, die zich tot bloedens toe aan 't krabben was.

--Klokluider, vroeg de proost, hebt gij u gekrabd lijk wij?

--Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.

--Hebt gij gesproken of u verroerd?

--Neen, eerwaarde, antwoordde Pompilius.

--Hewel, sprak de proost, hier zijn uwe vijftien dukaten. Ga u nu krabben; gij hebt het verdiend.

VIII.

Toen Uilenspiegel de zaak uitgebracht had, zei het gemeen 's anderen daags, dat het een ongehoorde spotternij was, hun dien schreeuwer van een klokluider voor eenen heilige te doen doorgaan en te doen aanbidden.

En velen werden ketters. En, hunne have meenemend, gingen zij het leger des prinsen versterken.

Uilenspiegel keerde naar Luik terug.

Onderweg zette hij zich te droomen in een bosch. Den helderen hemel beziende, sprak hij tot zich zelven:

--De oorlog, altijd de oorlog, opdat de Spaansche vijand het arme volk vermoorde, onze goederen roove, onze vrouwen en dochteren verkrachte. Nochtans vlieden ons schoone penningen heen en stroomt ons bloed bij beken door de straten, zonder het minste voordeel voor iemand, tenzij voor dien koninklijken schoft, die eene perel van gezag te meer aan zijne krone wil hechten. Perel, die hij glorierijk waant, doch die maar eene perel van bloed en van rookwalm is. Ha! kon ik U perelen naar mijnen zin, vliegen alleen zouden uw gezelschap nog wezen.

Terwijl hij daaraan dacht, zag hij eene bende herten voorbijrennen. Er waren er groote en oude, die hun gewei met negen takken fier in de lucht bewogen. Jonge reebokjes, die hunne schildknapen zijn, trappelden met hen en schenen bereid hun met hunne scherpe horens ter hulp te komen. Uilenspiegel wist niet waar zij heengingen, maar hij dacht dat het naar hun leger was.

--Ha! sprak hij, oude herten en lieve reebokjes, fier en blijde gaat gij in het diepst van het bosch uwe legerstee zoeken; langs geurige paden vindt gij jeugdige spruitjes te eten; gelukkig zijt gij, totdat de jager, uw beul, komt. Aldus is het ook gelegen met ons, oude herten en jonge reebokjes!

En de assche van Klaas klopte op Uilenspiegel's borst.

IX.

In de Herfstmaand, als de muggen niet meer bijten, stak de Zwijger te Sint-Vijt den Rijn over met zes stukken veldgeschut en vier zware kanonnen, en met veertienduizend Vlamingen, Walen en Duitschers.

Onder de geel-en-roode vendels van Alva, den bloedigen hertog, stapten zes en twintigduizend vijfhonderd man, vergezeld van zeventien stukken veldgeschut en negen zware kanonnen.

Maar de Zwijger kon in dien strijd geenerlei voordeel behalen, want Alva weigerde gedurig 't gevecht.

En zijn broeder Lodewijk, die reeds vele steden gewonnen en vele booten op den Rijn gekaapt had, verloor bij Jemmingen, in Friesland, tegen den zoon des hertogen, zestien kanonnen, vijftien honderd peerden en twintig vendels, door de schuld der lafhertige huurknechten, die geld vroegen als er te vechten viel.

En te midden van puin en van bloed en van tranen, zocht Uilenspiegel te vergeefs de redding van den vaderlandschen bodem.

En, heel de Nederlanden door, werden onschuldige slachtofferen gehangen, onthalsd, verbrand door de beulen.

En de koning erfde.

X.

Door het Walenland reizend, zag Uilenspiegel, dat de prins daar weinig hulp te verwachten had, en zoo kwam hij omtrent de stad Bouillon.

Weldra zag hij op den weg bultenaars van de beide geslachten, van allen leeftijd en allen stand verschijnen. Allen, met groote paternosters in de hand, baden devotelijk.

En hunne gebeden geleken op het gerikkik van kikvorschen in eenen vijver, 's avonds, na een warmen dag.

Daar waren moeders met bulten, die gebochelde kinderen op den arm droegen, terwijl andere kleinen aan heure rokken hingen. Er waren bultenaars op de heuvelen en bultenaars in de dalen. En overal zag Uilenspiegel op den helderen hemel hun magere schimmen afsteken.

Hij ging tot een hunner en vroeg:

--Waar trekken zij allen henen, die ongelukkige mannen, vrouwen en kinderen?

De man antwoordde:

--'t Is de begankenis van St. Remaclus; wij gaan naar het graf van den heilige, om van hem te verkrijgen wat onze herten verlangen: ons ontlasten van dat vernederend pak op onzen rug.

Uilenspiegel hernam:

--Zou ik van Sint-Remaclus niet kunnen verkrijgen wat mijn herte verlangt: onze arme gemeenten ontlasten van den bloedigen hertog, die als een looden bochel op de Nederlanden drukt?

--Hij is niet gelast, de bochels der boete af te nemen, antwoordde de pelgrim.

--Neemt hij er andere af? vroeg Uilenspiegel.

--Ja, als de bulten jong zijn. Als het mirakel der genezing geschiedt, is 't volop kermis in de stad. En elke pelgrim geeft dan een zilverstuk, soms wel een gouden florijn, aan den gelukzalige, die door zijne genezing heilig geworden is en alzoo met vrucht voor de anderen kan bidden.

Uilenspiegel sprak:

--Waarom doet de rijke mijnheer Sint-Remaclus zijne genezingen betalen, lijk een pillendraaier?

--Goddelooze reiziger, hij zal u straffen voor uwe lastertaal, antwoordde de pelgrim, terwijl hij woedend zijnen bochel schudde.

--Laas! zuchtte Uilenspiegel.

En hij liet zich nedervallen aan den voet van een boom.

De pelgrim staarde hem aan en zeide:

--De heilige Remaclus treft goed als hij slaat!

Uilenspiegel kromde zijnen rug en zuchtte, terwijl hij er aan voelde:

--Genade, doorluchtige heilige. 't Is de kastijding. Tusschen mijne schouderen voel ik een geweldige pijn. Laas! ai! Vergiffenis, mijnheer Sint-Remaclus, Ga voort, pelgrim, en laat mij hier, als een vadermoorder, in alleenigheid weenen met mijn berouwhebbend herte.

Maar de pelgrim was reeds op de vlucht: hij liep tot op de Markt van Bouillon, waar al de bultenaars vergaderd waren.

Huiverend van schrik, zeide hij met afgebroken woorden:

--Pelgrim ontmoet ... recht als een keers ... den heilige gelasterd ... bult op den rug....

Als de andere bultenaars dit hoorden, stieten zij blijde kreten en spraken zij:

--Sint-Remaclus, als gij bulten kunt maken, kunt gij er afnemen ook. Neem onze bulten weg, mijnheer Sint-Remaclus.

Intusschen was Uilenspiegel opgestaan en voortgegaan. Aan de deur eener taveerne van de eenzame voorstad, zag hij aan eenen stok twee verkensblazen hangen, een teeken, dat het daar pensenkermis was.

Uilenspiegel nam eene der twee blazen en raapte de ruggegraat eener schol op; stak zich, om wat bloed in de verkensblaas te laten loopen, blies haar op, bond ze toe, na hetwelk hij ze vastmaakte op den rug met de graat daarboven. Aldus toegetakeld, schuddebollend en waggelend als een oude bultenaar, ging hij naar de Markt.

De pelgrim, die hem had zien vallen, werd hem dadelijk gewaar en riep:

--Daar is de lasteraar!

En hij wees met den vinger naar hem.

En allen liepen naar hem om den rampzalige te zien.

Uilenspiegel schudde treurig het hoofd.

--Ha! sprak hij, ik verdien genade noch medelijden; doodt mij als een razenden hond.

En de bultenaars riepen verheugd:

--Eén te meer in onze broederschap!

Uilenspiegel mompelde onhoorbaar tusschen de tanden:

--Ik zal het U wel betaald zetten, booze lieden!

Doch hij scheen alles geduldig te verdragen en sprak:

--Ik eet of ik drink niet meer, totdat de hoogweerdige heilige Remaclus mij geneest zooals hij mij trof.

Bij het nieuws van 't mirakel, kwam de deken uit de kerk. 't Was een groote, dikke, plechtstatige kerel. Met den neus in de lucht, kliefde hij door de baren der bultenaars, als eene bark door de zee.

Men toonde hem Uilenspiegel; hij zegde tot hem:

--Zijt gij het, manneken, die getroffen werd door de roede van den heiligen Remaclus?

--Ja, heer deken, antwoordde Uilenspiegel, ik ben het inderdaad, zijn nederige dienaar, die zijn nieuwen bult wil laten genezen, als het Zijne Heiligheid belieft.

De deken, die giste dat er look in de meersch was, sprak:

--Laat mij dien bult eens betasten.

--Tast maar, genadige deken, sprak Uilenspiegel.

Toen de deken getast had, sprak hij:

--Hij is nieuw en nog nat. Ook hoop ik, dat de groote heilige U genadig zal wezen. Kom mede.

Uilenspiegel volgde den deken en ging mee in de kerk.

De bultenaars liepen achter hem en schreeuwden:

--Daar is hij, de gedoemde, de lasteraar! Hoeveel weegt uw versche bult? Ik zou er een zak van maken, om mijne daalders in te steken? Heel uw leven hebt gij den spot gedreven met ons, omdat gij recht waart; nu is 't onze beurt! Gezegend zij Sint-Remaclus!

Uilenspiegel antwoordde niet, doch volgde met gebogen hoofde den deken, die hem leidde in een kleine kapel, waar een marmeren graf was, gedekt met eene zerk, mede van marmer.

Tusschen het graf en den muur der kapel was eene opening van ruim eene hand breed. Een menigte gebochelde pelgrims, die elkander volgden, gingen tusschen den muur en de zerk van het graf, tegen dewelke zij stilzwijgend hunne bulten wreven. En aldus hoopten zij er van verlost te worden. En zij, die hunne bulten tegen de plaat wreven, wilden de plaats niet afstaan aan degenen, die volgden; en er werd gevochten, doch zonder gerucht, want zij dorsten niet dan heimelijk stompen, uit vreeze van heiligschennis.

De deken zegde tot Uilenspiegel op de zerk te klimmen, opdat alle pelgrims hem goed konden zien.

Uilenspiegel antwoordde:

--Dat kan ik alleen niet.

De deken hielp hem, bleef bij hem staan en deed hem knielen. Uilenspiegel gehoorzaamde en bleef met gebogen hoofde zitten in die deemoedige houding.

Na een kort inwendig gebed, zeide de eerwaarde geestelijke met heldere stem:

--Kinderen en broeders in Christus, aan mijne voeten ziet gij den grootsten zondaar en lasteraar, dien Sint-Remaclus ooit met zijne woede trof.

En, op zijne borst kloppend, sprak Uilenspiegel:--Confiteor.

--Weleer, vervolgde de deken, was hij recht als de stok eener hellebaard, en was hij er fier op. Beziet hem nu, hij is gebult en gebocheld onder de verwensching des hemels.

--Confiteor, neem mijnen bult weg, sprak Uilenspiegel.

--Ja, vervolgde de deken, ja, groote heilige, ja, Sint-Remaclus, die, sedert uw glorierijken dood, negen en dertig mirakels gedaan hebt, neem van zijne schouderen het gewicht, dat er op drukt, opdat wij uwen lof kunnen zingen in de eeuwigheid der eeuwigheden, in soecula soeculorum! En vrede op de aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn.

En de bultenaars herhaalden te gelijk:

--Ja, ja, vrede op aarde aan de bultenaars, die van goeden wil zijn; weg met de bulten, weg met haat en met nijd, weg met alle vernedering! Neem onze bulten weg, doorluchtige heilige Remaclus!

De deken gebood Uilenspiegel het graf te verlaten en zijnen bochel te wrijven tegen den kant van de zerk. Uilenspiegel deed het, steeds mompelend: Mea culpa, confiteor, neem mijnen bult weg!

En hij wreef zich zoo goed, dat al de omstanders zulks oogenschijnlijk zagen.

En dezen riepen:

--Ziet naar zijn bult, hij plooit! Ziet gij, hij smelt weg, rechts neemt hij af,--Neen, hij zal in zijnen buik zakken; bulten vergaan niet, zij keeren terug in de darmen, uit dewelke zij komen.--Neen, zij keeren naar de maag, waar zij tachtig dagen lang tot voedsel verstrekken.--'t Is een geschenk van den heilige aan hen, die door zijne genade van hunnen last zijn verlost.--Wat geworden de oude bulten?

Plotseling stieten al de bultenaars een grooten schreeuw uit, want Uilenspiegel had zijnen bult gebersten, door hard tegen den boord der zerk te drukken. Het bloed dat er in was, liep er uit, droop van onder zijn wambuis met groote droppelen op de steenen der kerk. En rechtspringend en de armen uitstrekkend, riep hij blijde:

--Ik ben er van af!

En al de bultenaars riepen te zamen:

--Gezegende Sint-Remaclus, genadig zijt gij voor hem.--Groote heilige, neem den mijnen ook weg!--Ik zal u een kalf offeren.--Ik, zeven schapen.--Ik, de jacht van één jaar.--Ik, zes hespen,--Ik, ik schenk mijne hut aan de kerk.--Neem onze bulten af, heilige Remaclus!

En zij bekeken Uilenspiegel met eerbied en afgunst. Een der bultenaren wilde onder Uilenspiegel's wambuis tasten, doch de deken verbood het hem, zeggende:

--Daar is een wonde, die het licht niet mag zien.

--Ik zal voor ulieden bidden, sprak Uilenspiegel.

--Ja, pelgrim, spraken al de bultenaars ondereen, ja, mijnheer de rechtgemaakte; wij dreven den spot met u; vergeef het ons, wij wisten niet wat wij deden. Christus, de Zaligmaker, vergaf aan het kruis, wilt gij ons ook vergiffenis schenken?

--Ik vergeef u, sprak Uilenspiegel op hooghertigen toon.

--Neem toch, zeiden zij, neem dit oortje, aanvaard dezen gulden, laat ons u dien gouden angelot schenken, dien daalder aanbieden, dien karolus in uwen zak steken.

--Laat angelotten en karolussen het daglicht niet zien, zeide Uilenspiegel zeer stille: de linkerhand mag niet weten wat de rechterhand geeft.

Dat zeide hij om den wille van den deken, die het geld der bultenaars met de oogen verslond, zonder te zien of het goud was of zilver.

--Wij zeggen u duizendmaal dank, gezegende, geheiligde oud-bultenaar, zeiden de pelgrims tot Uilenspiegel.

En hij nam hunne giften met hooghertigheid aan, zooals iemand betaamt die met de gratie des hemels bedeeld is.

Maar de gierigaards wreven hardnekkig hunne bochels tegen het graf, zonder iets te zeggen en vooral zonder iets te geven.

Uilenspiegel trok 's avonds naar eene taveerne, waar hij kermis vierde.

Alvorens slapen te gaan, dacht hij er aan dat de deken, zoo niet alles, dan toch zijn deel van den buit zou eischen. Hij telde zijn winst en vond meer goud dan zilver, want er waren minstens driehonderd karolussen. Hij zag een verdroogden laurier in een bloempot staan, trok de plant bij den kop uit den pot en legde zijn goud onder de aarde. En al de halve guldens, oortjes, deniers spreidde hij uit op de tafel.

De deken trad de taveerne binnen en kwam boven bij Uilenspiegel.

Toen deze hem zag, vroeg hij:

--Heer deken, wat wilt gij van mij, nieteling?

--Ik wil niets dan uw goed, antwoordde de dienaar des Heeren.

--Laas, zuchtte Uilenspiegel, bediedt gij dát goed, dat daar ligt op de tafel?

--Ja, mijn zoon, antwoordde de deken.

Vervolgens de hand uitstekend, ruimde hij al het geld van de tafel, en liet hij het vallen in eenen zak, dien hij daarvoor opzettelijk meegebracht had.

En hij gaf een gulden aan Uilenspiegel, met een zucht alsof het een stuk zijner ziel was.

En hij vroeg hem het gerief van het mirakel.

Uilenspiegel toonde hem de graat en de blaas.

De deken nam ze, terwijl Uilenspiegel weeklaagde en hem wat méér vroeg, daar de weg van Bouillon naar Damme zoo lang was voor een armen voetganger, dat hij ongetwijfeld van honger zou omkomen.

De deken ging heen en lispte geen woord.

Als Uilenspiegel alleen was, sliep hij in met het oog op de plant, 's Anderen daags, met den dageraad, stak hij zijnen buit op zak en verliet de stad.

Hij ging recht naar het kamp van den Zwijger, gaf hem het geld en vertelde den Prins hoe hij er aan geraakt was: dit was het beste middel om schattingen van den vijand te lichten, meende hij.

En de prins gaf hem tien gulden.

De graat werd in een kristallen doos gevat, en gestoken tusschen de twee armen van het kruis op het hoogautaar, in de kerk van Bouillon.

En een iegelijk, in die stad, weet dat de bult van den rechtgemaakten lasteraar steekt in het kruis.

XI.

De Zwijger, die in de omstreken van Luik was, deed, alvorens de Maas over te steken, marschen en tegenmarschen, om de waakzaamheid des hertogen te verschalken.

Uilenspiegel nam zijne plichten van soldaat ter herte, hanteerde zeer behendig zijne bus, en hield steeds de ooren en oogen goed open.

Om dien tijd kwamen in het kamp meerdere Vlaamsche en Brabantsche edelen, die in goede overeenstemming leefden met de heeren, kolonels en hopmans van 't gevolg van den Zwijger.

En weldra kwamen in het kamp twee partijen tot stand, die gedurig met elkander in twist waren. De eenen spraken: De prins is een verrader. De anderen antwoordden, dat de beschuldigers logen en dat zij hun hunne leugentaal zouden doen slikken. Het wantrouwen werd langzamerhand grooter. Zij werden handgemeen bij troepen van zes, acht, twaalf man, vochten in tweegevecht met alle wapenen, ja zelfs met vuurroeren.

Op het gerucht kwam de prins eens toegeloopen; hij drong tusschen de beide partijen. Een kogel rukte zijn degen aan zijne zijde weg. Hij stelde een einde aan 't gevecht en bezocht heel het kamp om zich te toonen, opdat men niet zeggen zou: "De Zwijger is dood, de oorlog is gedaan".

's Anderen daags, omtrent middernacht, bij mistig weder, stond Uilenspiegel gereed een huis te verlaten, waar hij een Vlaamsch minnelied aan een Waalsch meideken gaan zingen was, toen hij eensklaps aan de deur van het naburige huis een driemaal herhaald ravengekras hoorde. Een boer kwam op de zulle. Uilenspiegel hoorde stappen op den weg.

Twee mannen, die Spaansch spraken, kwamen bij den boer, die hun zeide in dezelfde tale:

--Wat hebt gij gedaan?

--Goed werk, zeiden zij, leugens verspreid ten voordeele des konings. Dank zij ons, zeggen de wantrouwende hoofdmannen en soldaten tot elkander: 't Is uit lage eerzucht, dat de prins den koning wederstand biedt; aldus hoopt hij gevreesd te worden en, als onderpand van den vrede, vele steden en heerlijkheden te krijgen; voor vijfhonderd duizend gulden verlaat hij de dappere heeren, die strijden voor onze landen. De hertog heeft hem algeheele kwijtschelding doen aanbieden met belofte en eed, al de hooge legerhoofden weer in 't bezit hunner goederen te stellen, als zij zich onderwerpen aan den koning. Oranje gaat alleen met hem onderhandelen.

--'s Zwijgers getrouwen antwoordden ons:

--De voorstellen des hertogen zijn een verraderlijke strik, waarin de prins geenszins zal vallen; hij kent 't lot van Egmond en Hoorne. Zij weten wel dat kardinaal Granvelle zegde, toen hij te Rome de aanhouding der graven vernam: Men vangt de twee blieken, maar men laat den snoek ontsnappen; men heeft niets gevangen, zoolang men den Zwijger niet heeft.

--De verdeeldheid is dus groot in het kamp? vroeg de boer.

--De verdeeldheid is groot, zeiden zij, en wordt elken dag grooter. Waar zijn de brieven?

Zij gingen de hut binnen, alwaar zij eene lanteerne aanstaken. Door een klein venster loerend, zag Uilenspiegel hen twee verzegelde brieven openen, die lezen met merkbare vreugde, een glas wijn drinken en eindelijk weggaan, in het Spaansch tot den boer zeggende:

--Kamp verdeeld, Oranje genomen. Daar zal een ferme beker afmogen.

--Die, sprak Uilenspiegel in zich zelven, die mogen in't leven niet blijven.

In den dikken nevel gingen zij buiten. Uilenspiegel zag den boer hun eene lanteerne brengen.

Het licht der lanteerne werd somtijds verduisterd door een zwarte gedaante. Uilenspiegel leidde daaruit af, dat zij achter elkander gingen.

Hij laadde zijn vuurroer en schoot naar de zwarte gedaante. Toen zag hij de lanteerne verscheidene reizen op en neer gaan; hij maakte eruit op, dat een van beiden gevallen was en de andere wilde weten waar hij gewond was. Hij wapende zijn vuurroer opnieuw. Als hij de lanteerne vlug en slingerend in de richting des kamps zag voortgaan, schoot hij opnieuw. De lanteerne waggelde, viel ten gronde en doofde uit.

Uilenspiegel liep naar het kamp, maar hij kwam den provoost tegen met een menigte soldaten, die de vuurschoten hadden gewekt en hij zei hun:

--Ik ben de jager, het wild ligt ginder, gaat het maar oprapen.

--Lustige Vlaming, sprak de provoost, wat beteekenen uwe woorden?

--Woorden zijn wind, antwoordde Uilenspiegel, doch lood blijft in het lijf der verraders. Maar volgt mij.