Part 21
--Op aanzoek van Dubois, procureur-generaal, heeft de hertog gedagvaard binnen driemaal veertien dagen vóór hem te verschijnen: den prins van Oranje, Lodewijk zijn broeder, Hoogstraten, van den Berg, Kuilenburg, Brederode en andere vrienden des prinsen, onder belofte van goede justitie en goedertierenheid. Luister, Lamme: Eens daagde een Amsterdamsche jood een zijner vijanden uit, op straat te komen; de uitdager stond op den openbaren weg en de andere was boven aan een venster.
--Kom beneden, riep de uitdager zijn vijand toe, en ik geef u zulken slag op uwen kop, dat hij in uwe borstkas zal zinken en gij door uwe ribben zult kijken, lijk een dief door de traliën van zijnen kerker.
De andere antwoordde:--"Al beloofdet gij mij honderdmaal meer, nog kwam ik niet beneden". Zoo kunnen Oranje en de anderen antwoorden. En zoo deden zij ook, en zij weigerden vóór Alva te verschijnen. Egmond en Hoorne deden niet als zij. En zwakheid bij het vervullen van den plicht roept het uur van God.
II.
Te dien tijde werden te Brussel, op de Peerdenmarkt de heeren onthalsd, die zich door verrassing hadden willen meester maken van Amsterdam.
En toen zij, geachttienen, naar de strafplaats gingen en psalmen zongen, roffelden tamboerijnen den heelen weg langs.
En de Spaansche soldaten, die hen begeleidden met brandende toortsen, brachten hun overal brandwonden toe. En als zij zich verroerden, ter oorzake van de pijne, riepen de soldaten:--Hoe, Lutheranen, doet het u dan zeer, zoo vroegtijdig te worden verbrand?
En hij, die hen verraden had, hiet Diederik Slosse. Hij had hen naar het nog katholieke Enkhuizen gelokt, om ze den beulsknechten van den hertog over te leveren.
En zij stierven als helden.
En de koning erfde.
III.
--Hebt gij hem zien voorbijgaan? vroeg Uilenspiegel, in houtkapper gekleed, tot Lamme, die op dezelfde wijze uitgedost was. Hebt gij den leelijken hertog gezien, met zijn plat voorhoofd als dat van een arend, en zijn langen baard, die gelijkt op een eind galgekoord? God verworge er hem mede! Hebt gij die spinnekop met haar lange harige pooten gezien, die Satan over onze landen braakte? Kom, Lamme, kom; laat ons steenen smijten in haar net.
--Laas! sprak Lamme, om levend verbrand te worden!
--Kom naar Groenendaal, mijn beste vriend, kom naar Groenendaal; daar is een schoon klooster, waar de Hertogelijke Spin den God van vrede bidt, dat Hij heur werk zou laten volvoeren, dat Hij haar als eene raaf in rot vleesch late wroeten. Wij zijn in de vasten, maar de hertog wil zich niet onthouden van bloed. Kom, Lamme, er zijn vijfhonderd gewapende mannen rond het huis van Ohain; driehonderd man te voet zijn bij kleine groepen vertrokken en dringen in het Zoniënbosch.
Straks, als Alva aan 't bidden is, grijpen wij hem vast, wij steken hem in een ijzeren kooi en zenden 't ondier aan den prins.
Doch rillend van angst, antwoordde Lamme:
--Groot gevaar, mijn zoon, groot gevaar! Ik zou u helpen in die onderneming, als mijne beenen zoo zwak niet waren, en mijn buik niet zoo opgezwollen van het zuur bier, dat zij drinken in Brussel.
Dit gesprek werd gehouden in een hol, gegraven in een dicht bewassen plaats van het bosch. Door de bladeren turend, zag Uilenspiegel eensklaps de gele en roode kleederen van de soldeniers des hertogen, wier wapenen flikkerden in de zonne en die te voet door het bosch kwamen.
--Wij zijn verraden, sprak Uilenspiegel.
Als de soldaten uit het gezicht waren, liep hij ijlings naar Ohain. De soldaten lieten hem ongemerkt door, ter oorzake van zijne kleeding van houtkapper en den last hout, dien hij op den rug droeg. Daar wachtten de ruiters; hij verspreidde het nieuws; allen gingen uiteen en ontsnapten, behalve de heer Bausart d'Armentières, die gevat werd. De heer Bausart moest het voor de anderen wreedelijk bekoopen.
En 't was een lafhertige verrader uit het regiment van den heer van Likes, die hen allen had aangeklaagd.
Met een hert, dat klopte van angst, ging Uilenspiegel te Brussel naar de Peerdenmarkt, den ijselijken folterdood bijwonen.
En de arme Armentières, op het rad gelegd, kreeg zeven en dertig slagen met een ijzeren staaf op de beenen, de armen, de handen en voeten, die achter elkander aan stukken werden geslagen, want de beulen vermaakten zich met hem wreed te doen lijden.
En op de borst kreeg hij den zeven en dertigsten klop, van denwelken hij stierf.
IV.
Op een zoelen en helderen dag van de Zomermaand werd te Brussel, op de Groote Markt, vóór het Broodhuis, een schavot opgericht, dat met zwart laken behangen was en nevens hetwelk twee hooge palen stonden, met ijzeren pinnen. Op het schavot waren twee zwarte kussens en een kleine tafel, met een zilveren kruisbeeld.
En op dat schavot werden, met het zweerd, de edele heeren van Egmond en van Hoorne onthalsd.
En de koning erfde.
En de gezant van koning Frans I, over Egmond sprekend, zeide:
--Ik heb daar het hoofd zien vallen van hem, die Frankrijk tweemaal deed beven.
En de hoofden der graven werden op de ijzeren pinnen gestoken.
En Uilenspiegel sprak tot Lamme:
--De lijken en het bloed zijn met zwart laken bedekt. Gezegend zij, die in de zwarte dagen, welke op handen zijn, het hert hoog en het zweerd recht zullen houden.
V.
In dien tijd bracht de Zwijger een leger bijeen, en deed hij de Nederlanden langs drie kanten tegelijk aanvallen.
En Uilenspiegel zeide in eene vergadering van Wilde Geuzen van Marenhout:
--Op advies van die der inquisitie heeft koning Philippus een iegelijk inwoner der Nederlanden plichtig verklaard aan majesteitsschennis, zoowel om de ketterije aangehangen, als om haar niet bestreden te hebben. En uit hoofde dier afschuwelijke misdaden veroordeelt hij allen, zonder onderscheid van kunne of ouderdom, met uitzondering van hen, die met name genoemd zijn, tot de straffen voor dergelijke gruweldaden bepaald; en dit zonder de minste hoop op genade. En de koning erft. De dood maait in de rijke streek tusschen de Noordzee, het graafschap Emden, de rivier Amisia, de landen van Westfalen, van Kleef, van Gulik en van Luik, de bisdommen Keulen en Trier, het land van Lotharingen en Frankrijk. De dood maait in een land van driehonderd veertig uren omtrek, binnen tweehonderd ommuurde steden, in honderd vijftig dorpen die stadsrecht bezitten, in vlekken en velden. En de koning erft.
Elfduizend beulen zijn niet te veel om dat werk te verrichten,--Alva heet hen soldaten. En de bodem der vaderen is eene slachtbank geworden, gevlucht door de kunsten, verlaten door de getrouwen, geschuwd door al de ambachtslieden, die liever den vreemde gaan verrijken, alwaar men hun den God van het vrije geweten laat aanbidden. Dood en ondergang maaien. De koning erft.
De landen hadden hunne privileges bekomen met macht van geld, gegeven aan behoeftige vorsten; die privileges worden verbeurdverklaard. Volgens de verdragen, gesloten tusschen de landen en de vorsten, hadden zij gehoopt te genieten van de rijke vrucht van hun arbeid. Zij bedriegen zich: de metser bouwt voor den brand; de ambachtsman werkt voor den dief. De koning erft.
Bloed en tranen! De dood maait op de brandstapels, op de boomen, die langsheen de groote wegen tot galgen dienen, in de gapende kuilen, in dewelke de arme meidekens levend worden geworpen, in de kerkers der gevangenissen, in de kransen van brandende takkebossen, te midden waarvan de slachtofferen met zacht vuur verbranden, in de gloeiende stroohutten, waarin de veroordeelden sterven door rook en door vuur. De koning erft.
Aldus wilde de Paus van Rome.
De steden zijn vol spionnen, die loeren op hun deel van de erfenis der slachtofferen. Hoe rijker, hoe schuldiger. De koning erft.
Maar de wakkere mannen van den lande zullen zich niet laten kelen als lammeren. Onder de vluchtelingen, zijn gewapende mannen, die zich in de bosschen verschuilen. De monniken hadden ze verklikt, opdat men hun lijf en goed zou ontnemen. 's Nachts en ook 's daags werpen zij zich dan ook bij benden, als wilde dieren, op de kloosters; zij nemen er het geld terug, dat aan het arme volk ontroofd werd onder de gedaante van gouden en zilveren kandeleers, fierters of reliquieënkastjes, kostbare ciboriën, patenen en heilige vaten. Niet waar, goede lieden? Zij drinken den wijn, dien de monniken voor zich zelven bewaarden. De gesmolten of verkochte vaten zullen dienen tot den heiligen oorlog. Vive le geus!
Zij bestoken, dooden, plunderen de soldaten des Konings en vluchten vervolgens naar hunne holen. Dag en nacht ziet men in de bosschen vuren aansteken en uitdooven, en gedurig van plaats veranderen. 't Is het vuur onzer festijnen. Aan ons de eenden en hazen! Wij zijn de heeren! De boeren geven ons brood en spek, zooveel als wij willen. Bezie ze, Lamme. Schuw, armoedig, vastberaden en zonder genade, zwerven zij door de bosschen met hunne aksten, hellebaarden, zweerden, kruismessen, pijken, lansen, kruisbogen, bussen, want alle wapens zijn goed, en onder vendrigs willen zij niet staan. Vive le geus!
En Uilenspiegel zong:
Slaat op den trommel van dirre dom deijne, Slaat op den trommel van dirre dom dom. Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!
Rukt den hertog Zijn ingewand uit! Klopt met de zweep in Zijn aanzicht! Slaat op den trommel, de holle trom, Vloek zij den hertog, dood den beul!
Werpt den honden den bloedhond voor! Leve de Geus! Hangt hem bij de tong op, bij den arm op, Bij de tong, die het vonnis velt, Bij den arm, die 't onderschrijft. Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
Levend bij lijken van slachtoffers! Delft den hertog in een kuil, Dat hij, in goren stank, Sterve om de pest der dooden! Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
Aanschouw uit den hoogen, Christus, uw scharen, Dapper vóór 't vuur, vóór strik en zweerd, Al om Uw woord. Redden willen wij 't vaderland. Slaat op de krijgstrom. Leve de Geus!
En allen dronken en riepen:
--Leve de Geus!
En Uilenspiegel dronk uit den gouden beker eens monniks en keek met fierheid naar de krijgshaftige gezichten der Wilde Geuzen.
--Wilde geuzen, sprak hij, gij zijt wolven, leeuwen en tijgers. Verslindt de honden van den bloedigen koning.
--Leve de Geus! riepen zij, en zij zongen:
Slaat op den trommel van dirre dom deijne, Slaat op den trommel van dire dom dom. Oorlog om Oorlog! Leve de Geus!
VI.
Terwijl Uilenspiegel te Ieperen was en soldaten voor het leger van den Zwijger aanwierf, werd hij gezocht door de serjanten des hertogen. Dienvolgens bood hij zich aan als koster bij den proost van St.-Maartens-kerk. Voor gezel had hij een klokluider, Pompilius Numan, een lafaard die zijn gelijke niet had, en 's nachts zijn schaduw voor den duivel en zijn hemd voor een spook nam.
De proost was vet als een sleksken, of liever, als een kalkoen, vetgemest en pas voor het braadspit. Weldra werd Uilenspiegel gewaar, hoe hij het aan boord legde om zoo vollijvig te wezen. Naarvolgens hij hoorde zeggen door den klokluider en met eigen oogen zag, was de proost gewoon te negen uren het noenmaal en te vier uren het avondmaal te nemen. Hij bleef slapen tot halfnegen; vervolgens, alvorens te eten, deed hij een ronde in zijne kerk, om te zien of de offerblokken voor den arme goed gevuld waren.
En hij stak de helft der ontvangst in zijn tassche. Te negen uren nuttigde hij een kom melk, een halven bout, een reigerspasteitje, besproeid met vijf bekers Brusselschen wijn. Te tien uren nam hij eenige pruimen met daarbij wat Orlans-wijn, en bad hij God dat Hij hem steeds voor gulzigheid zou behoeden. 's Middags knabbelde hij als tijdverdrijf eenen vleugel en de stuit van een kieken. Een uur daarna dronk hij, in afwachting van 't avondmaal, een grooten beker Spaanschen wijn; vervolgens legde hij zich te bed, om zich door een middagslaapje te verkwikken.
Wakker geworden, at hij een stuksken zalm en dronk hij een grooten beker Antwerpschen dobbelen knol, om zijn eetlust te scherpen. Vervolgens ging hij naar de keuken, en daar zette hij zich neer voor het schoon houtvuur, dat in den heerd flikkerde. Hij zag het groot stuk kalfsvleesch of het speenverkentje voor de monniken der abdij braden en bruineeren. Hij had er in gebeten, zoo lekker scheen het. Maar de eetlust ontbrak hem een weinig. En hij bewonderde het braadspit, dat van zelf ronddraaide. Het was werk van Pieter van Steenkiste, den smid, wonende in de kasselrij Kortrijk. De proost had elk dier braadspitten met vijftien pond parisis betaald.
Vervolgens keerde hij terug naar zijn bed, alwaar hij insluimerde, uit vermoeienis. Daarna werd hij weder wakker om een weinig verkensgelei te nemen met een slokje Romagne-wijn van tweehonderd veertig gulden het stuk. Te drie uren peuzelde hij een vogelken met Madeirasuiker, besproeid met twee glaasjes Malvezij van zeventien gulden het pijpje. Te half vier at hij een halven pot confituur, begoten met mede. Goed wakker, nam hij toen een zijner voeten in de handen en bleef hij in diepe overweging zitten rusten.
Als de tijd van 't avondmaal dáár was, kwam de pastoor van Sint Jans hem dikwijls bezoeken op dit genoeglijk uur. Soms wedden zij om 't meeste visch, gevogelte, wild of vleesch te eten. En die 't eerste vol was, moest karbonaden betalen, die volgens den toen heerschenden smaak moesten bereid zijn met drie soorten warmen wijn, vier soorten specerijen en zeven soorten groenten.
Terwijl zij dus dronken en aten, spraken zij samen over de ketteren, die men, naar hun eenstemmig gevoelen, niet genoeg uitroeien kon. Ook was er onder hen nooit eenig krakeel, behalve als zij spraken over de negen en dertig verschillende wijzen om goede bierpap te maken.
Vervolgens neigden hunne eerbiedige hoofden over hunne heilige buiken, en zij deden een dutje. Soms half wakker schietend, zeide een hunner dat het leven toch schoon is en dat de arme sukkelaars, die klagen, ongelijk hebben.
Bij dien heiligen man werd Uilenspiegel koster. Hij diende zeer goed de misse, en vulde wel driemaal de wijnkannetjes, tweemaal voor zich zelven en eenmaal voor den proost. De klokluider Pompilius Numan stak hem hierbij een handeken toe.
Als Uilenspiegel den klokluider zoo gezond, zoo dik en zoo vet zag, vroeg hij hem of het in den dienst van den proost was, dat hij al die gezondheid opgedaan had.
--Ja, mijn zoon, antwoordde Pompilius; maar doe goed de deur toe, want men zou kunnen luisteren.
Toen zegde hij hem stille in 't oor:
--Gij weet dat onze meester, de proost, van alle wijnen en bieren, alle vleezen en pluimdieren houdt als de kat van de melk. Zijne eetwaren sluit hij op in eene schapraai en zijne dranken in eenen kelder, waarvan de sleutels gedurig in zijne tassche steken. En hij slaapt er mee.... 's Nachts, als hij slaapt, ga ik de sleutels van op zijnen buik nemen, en ik leg ze dan weder, doch niet zonder beven; want als hij het wist, zou hij mij zeker in de olie doen koken.
--Pompilius, sprak Uilenspiegel, al die moeite en schrik zijn onnoodig: neem de sleutels nog eenmaal; ik zal er van maken hetzelfde model en de andere zullen wij gerust laten liggen op den buik van den goeden proost, onzen heer.
--Dat is een goed gedacht, zeide Pompilius.
Uilenspiegel maakte de sleutels; zoodra hij en Pompilius, rond acht uren des avonds, oordeelden dat de goede proost vast in slaap was, gingen zij beneden en namen zij hunne gading uit vleezen en flesschen. Uilenspiegel droeg de flesschen en Pompilius de spijzen, omdat Pompilius altoos beefde als een riet en dat hespen en bouten toch niet breken als zij vallen. Verscheidene reizen stalen zij gevogelte, als het nog rauw was, welke feiten ten laste gelegd werden van meerdere katten uit de gebuurte, dewelke deze dieften met den dood moesten bekoopen.
Toen trokken de beide gezellen naar de Ketelstraat, waar de meidekens van pleizier wonen. Daar kniesden zij niet, doch gaven hunnen lievekens edelmoedig gerookt ossevleesch en hesp, worst en gevogelte; zij lieten heur zelfs Orlans- en Romagne-wijn drinken, alsmede Engelsche ale en smakelijk Oosterbier, dat zij goten in de frissche keel hunner schoenen. En zij werden ruimschoots met kussen betaald.
Doch op een morgen, na het eten, deed de proost zijne beide dienaars ontbieden. Hij zag er ontzagwekkend uit en zoog, met een boos gezicht, aan een mergbeentje uit zijne soep.
Pompilius stond te beven in zijne schoenen, en zijn buik trilde van schrik. Uilenspiegel hield zich stil en tastte, inwendig lachend, in zijnen zak naar de sleutels.
De proost sprak tot hem:
--Men eet mijn vleesch op en drinkt mijnen wijn uit: zijt gij het, mijn zoon?
--Neen, antwoordde Uilenspiegel.
--En die man, daar, de klokluider, sprak de proost, naar Pompilius wijzend, heeft hij dan de hand aan die misdaad geleend, dat hij zoo wit als een doek ziet? Zeker heeft de gestolen wijn hem vergiftigd.
--Laas! messire, sprak Uilenspiegel, gij beschuldigt uwen klokluider ten onrechte, want zoo hij zoo wit ziet, is het niet omdat hij uwen wijn heeft gedronken, doch wèl omdat hij er te weinig drinkt; dáárvan is hij zoo slap, dat zijne ziel weldra bij stroomen zijne hooze zal uitloopen.
--Er zijn arme lieden op deze wereld, zuchtte de proost, terwijl hij een grooten slok wijn uit zijn beker dronk. Maar zeg mij, mijn zoon, gij die arendsoogen hebt, hebt gij de dieven niet gezien?
--Ik zal goed opletten, heer proost, sprak Uilenspiegel.
--God bescherme u beiden, mijne kinderen, sprak de proost, en leeft op sobere wijze. Want uit de onmatigheid komen hier in dit tranendal al onze kwalen voort. Gaat in vrede.
En hij gaf hun zijn zegen.
En hij zoog nogmaals aan zijn mergbeen, en hij dronk nog een grooten slok wijn.
Uilenspiegel en Pompilius gingen henen.
--De leelijke vrek, sprak Uilenspiegel, hij had u nog geen slokje van zijn wijn laten drinken. Als wij nog stelen, zal 't wèl besteed zijn. Maar wat hebt gij toch, dat gij zoo beeft?
--Heel mijne hooze is nat, zei Pompilius.
--Dat is gauw droog, kameraad, sprak Uilenspiegel. Maar wees verheugd: dezen avond zal er flesschenmuziek zijn, bij onze lievekens in de Ketelstraat. En de drie nachtwachten zullen wij dronken maken, en snorkend zullen zij de stede bewaken.
Zoo gezegd, zoo gedaan.
Doch, 't was dicht tegen Sint-Maartensdag: de kerk was versierd voor den heiligdag. Uilenspiegel en Pompilius gingen 's nachts de kerk binnen en sloten goed de deur. Vervolgens staken zij al de waskeersen aan; zij namen eene viool en eene doedelzak, en begonnen daarop om het best te spelen. En de keersen vlamden als zonnen. Maar het was nog niet alles. Als hun werk verricht was, gingen zij bij den proost, dien zij, hoewel het al laat was, nog op vonden. Hij knabbelde een lijster en dronk een glas Rijnwijn. De ruiten der kerk verlicht ziende, trok hij de oogen wijd open.
--Heer proost, zei Uilenspiegel, wilt gij weten wie uw vleesch opeet en uwen wijn uitdrinkt?
--En die verlichting? sprak de proost, naar de vensters der kerk wijzend. Ha! Heere God, laat gij den heiligen Martinus nu toe, 's nachts zonder betalen, de keersen der arme monniken te branden?
--Hij doet nog andere dingen, heer proost, sprak Uilenspiegel. Kom maar zien.
De proost nam zijnen staf en ging mede. Zij traden de kerk binnen.
Daar zag hij, in 't midden van den grooten beuk, al de heiligen uit hunne nissen gedaald, in een rondeken staan. De heilige Martinus, wel een kop grooter dan de anderen, scheen de meester te zijn. En op den wijsvinger der rechterhand, die zegenend uitgestrekt was, stak een gebraden kalkoen. De anderen hadden in de hand of in den mond stukken kieken of gans, worst, hesp, versche visch en gekookte visch en, onder andere, eenen snoek wel veertien pond zwaar. En elke sant had eene flesch wijn voor zijne voeten staan.
Als de proost dat zag, kon hij zich van woede niet inhouden; hij zag rood als een haan, en zijn gelaat was zóó opgezwollen, dat Pompilius en Uilenspiegel meenden dat hij ging bersten; maar, zonder op hen te letten, ging hij met gebalde vuist recht op den heiligen Martinus af, alsof hij hem aanzag voor den dief. Hij rukte hem den kalkoen van zijnen vinger en sloeg op Martinus als de duivel op Geeraard, zoodat de arm, de neus, de staf en de mijter aan stukken vlogen.
De anderen kregen mede hun deel en meer dan één liet er bij armen, handen, mijter, staf, zeis, bijl, rooster, zaag en andere kenteekenen van weerdigheid of martelaarschap. Vervolgens liep de proost, woedend en haastig, al de waskeersen uitblazen.
En al wat hij vond aan hesp, worst en gevogelte nam hij mede, en gebogen onder den last, ging hij zoo treurig en ellendig zijne slaapkamer binnen, dat hij drie bottels wijn dronk.
Toen Uilenspiegel zeker was dat hij sliep, peuzelden de beide vrienden de beste brokken op, en legden zij de beentjes vóór de voeten der heiligen. Vervolgens gingen zij naar de Ketelstraat met al wat de proost meende gered te hebben en ook met hetgeen nog lag in de kerk.
Den volgenden morgen ging Pompilius de metten luiden, terwijl Uilenspiegel naar boven trok om zijnen meester te wekken.
Deze vroeg wat hij wilde, en Uilenspiegel verzocht hem, beneden te komen.
Als de proost in de kerk was, toonde Uilenspiegel het overschot van de heiligen en van het gevogelte.
--Messire proost, sprak hij, zij hebben het toch opgegeten.
--Ja, antwoordde de proost, zij zijn als dieven in mijne slaapkamer gedrongen, om te stelen hetgeen ik gered had. Ha! heeren santen, ik zal mijn beklag aan den Paus doen.
--Ja, sprak Uilenspiegel met een bedenkelijk gezicht, maar de ommegang gaat overmorgen uit: straks komen de werklieden in de kerk. Vreest gij niet, verraden te worden als beeldenstormer, als zij al die santen in stukken en brokken zien liggen?
--Ha! heilige Sint Maarten, sprak de proost, spaar mij van het vuur, ik wist niet wat ik deed.
Zich naar Uilenspiegel wendend, terwijl de bange Pompilius zich aan het klokzeel liet hangen, sprak hij:
--Nooit zal men tegen Zondag den heiligen-Martinus kunnen herstellen. Wat zullen de menschen zeggen en wat staat mij te doen?
--Heere, antwoordde Uilenspiegel, nood breekt wet: wij moeten tot een onschuldig bedrog onze toevlucht nemen. Wij zullen eenen baard plakken op 't gezicht van Pompilius, die er eerbiedweerdig uitziet, daar hij altijd weemoedig is. Wij zullen hem den mijter opzetten, hem het koorhemd, den pelsmantel en het groote opperste kleed des santen aandoen; wij zullen hem aanbevelen stil op zijn voetstuk te blijven, en de geloovigen zullen hem voor den houten Sint-Maarten nemen.
De proost ging tot Pompilius, die meer dood dan levend aan het klokzeel bengelde.
--Houd op met luiden, sprak hij, en luister. Wilt gij vijftien dukaten verdienen? Zondag zult gij Sint-Maarten in de processie verbeelden. Uilenspiegel zal u kleeden en als gij, door de vier mannen gedragen, een gebaar durft maken of uw mond open doen, laat ik u levend in de olie koken in den grooten ketel, dien de hangman rechtover de Hallen gebouwd heeft.
--Heer, ik zeg u duizendmaal dank, sprak Pompilius, maar gij weet dat ik zeer moeielijk mijn water kan ophouden.
--Gij moet gehoorzamen, hernam de proost.
--Ik zal gehoorzamen, eerweerdige heer, sprak Pompilius met den dood op het lijf.
VII.
De ommegang ging uit, onder een blijde, heldere zon. Uilenspiegel had de twaalf heiligen zoo goed mogelijk opgelapt en zij waggelden op hunne voetstukken tusschen de banieren der gilden; daarachter kwam het standbeeld van Onze-Lieve-Vrouw, vervolgens de maagdekens, in 't wit, die lofzangen zongen, dan de boogschutters, eindelijk het dichtst bij den hemel en meer waggelend dan de anderen, Pompilius, die gebogen ging onder de zware kleederen van den heiligen Martinus.