De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 20

Chapter 203,875 wordsPublic domain

--Dat zal ik den poorters gaan zeggen, sprak Uilenspiegel; en hij ijlde weg, rap als de wind. 's Anderen daags waren de poorters te wapen.

Doch Uilenspiegel en Lamme, die hunne ezels op stal gezet hadden bij eenen pachter van Simon Simonsen, moesten zich schuil houden, uit vreeze voor den grave van Meghem, die hen overal deed zoeken om ze te hangen; want hij had vernomen, dat twee heretieken van zijn vleesch gegeten en van zijnen wijn gedronken hadden.

De grave was jaloersch, en zeide het tot de schoone edelvrouwe, die knarsetande, weende en wel zeventien reizen in onmacht viel. De keukenmeid volgde heur voorbeeld, maar zoo dikwijls niet en verzekerde, op heur aandeel in 't hemelrijk en heurer ziele zaligheid, dat zij en heure Mevrouw niets anders gedaan hadden dan het afval van 't eetmaal gegeven aan twee armzalige pelgrims, die op magere ezelen gezeten, voor het keukenvenster waren komen staan,--en méér niet.

En dien dag vloeiden er zoovele tranen, dat de grond teenemale nat was. Dit ziende, schonk messire van Meghem geloof aan heure woorden.

Lamme dorst niet meer teruggaan naar het huis van den edelen heere, want telkens dat de keukenmeid zijn neus zag, begon zij zelve te zuchten en te jammeren: Ha! mijne vrouw!

En hij was mistroostig, om den wille van het eten; doch Uilenspiegel bracht hem altoos eenige lekkere kliekjes mede, want hij drong in het huis langs de Sinte-Katelijnestraat, en hield er zich op den zolder verscholen.

's Anderen daags, na de vespers, beleed de grave van Meghem aan de schoone vrouwe, dat hij besloten had vóór den dageraad met zijne soldaten 's-Hertogenbosch binnen te dringen. Dan viel hij in slaap.

De gravinne liep naar den zolder om Uilenspiegel te vertellen hetgeen zij wist.

XVIII.

Verkleed als pelgrim, zonder geld, zonder mond behoeften, trok Uilenspiegel dadelijk naar 's Hertogenbosch, om de poorters te waarschuwen.

Hij was van zins een peerd te nemen bij Jeroen Praet, broeder van Simon, voor wien hij brieven van den prins had, om van daar spoorslags, langs de binnenwegen naar 's Bosch te rijden.

Op den steenweg, hoorde hij eene bende huurlingen achter zich aanstappen. Hij verschrikte hevig, om reden van de brieven.

Vast besloten allen tegenspoed het hoofd te bieden, bleef hij staan om Onze-Vaders te mompelen: toen zij hem ingehaald hadden, ging hij mede met hen, en alzoo vernam hij, dat zij naar 's Hertogenbosch trokken.

Een Waalsch vendel opende den marsch. Aan het hoofd reden kapitein Lamotte en zijne wacht van zes hellebaardiers; vervolgens, naar rangorde, de vendrig met eene kleinere wacht, de provoost, zijne hellebaardiers en zijne twee vangmannen, het hoofd van de wacht, de trosbewaarder, de beul en zijne knecht; dan volgden pijpen en tamboerijnen met een oorverdoovend lawijd.

Vervolgens kwam een Vlaamsch vendel van tweehonderd soldaten, met zijn kapitein, zijn vendrig, en verdeeld in twee afdeelingen van honderd man, elk aangevoerd door de bent-serjanten, en onderverdeeld in rotten, geleid door tiendeniers of rotmeesters. De provoost en zijne stokknechten waren mede voorafgegaan door pijpers en tamboerijnslagers, die bliezen en roffelden om 't hardst.

Achter hen reden twee wagens, vol schoone, gichelende meidekens, de lieven der soldaten. Joelend, dartelend en schaterend, etend, drinkend en dansend, volgden de schoone, dolle meidekens den tros.

Er waren er gekleed als landsknechten, maar in fijn, helderwit lijnwaad, uitgesneden aan de borst, uitgebekt aan mouwen en beenen, aan het wambuis, zoodat men heure donzige huid kon zien; op het hoofd droegen zij fijn lijnwaden kappen, met goud afgelegd, en met schoone wapperende struisvogelpluimen. Aan heure goudlinnen gordelbanden, gestikt met rood satijn, hingen de goudlakensche scheeden heurer dolkmessen. En heure schoenen, kousen en hozen, heure wambuizen en rijgsnoeren waren van witte zijde en klatermeerse.

Anderen waren insgelijks als landsknechten gekleed, doch in blauwe, groene, scharlaken, paarse, karmozijnen stoffen, uitgebekt, geborduurd en met wapenen versierd, naar alle grillen en vindingen. En allen droegen op den arm een rood schijfje, tot teeken van heur bedrijf.

De hoerwijfel, haar serjant, wilde haar het zwijgen opleggen; maar zij deden hem lachen door heur grappige woorden en bekoorlijke gebaren, en naar zijne vermaningen luisterden zij niet.

Uilenspiegel, in zijn pelgrimspij, ging naast de twee vendels, gelijk een speeljacht, dat vaart naast een oorlogsschip. En hij knauwde steeds voort Onze-Vaders.

Eensklaps sprak Lamotte tot hem:

--Waar gaat gij aldus, reizende pelgrim?

--Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel die honger had, weleer bedreef ik een groote zonde, en 't kapittel van Onze-Lieve-Vrouwekerk veroordeelde mij, te voet naar Rome vergiffenis te gaan vragen aan den Heiligen Vader, die ze mij verleende. Nu kom ik gereinigd in deze landen terug, op voorwaarde onderwege de Heilige Mysteriën te prediken voor alle soldaten, die ik zou ontmoeten en die mij, in ruil mijner sermoenen, brood en vleesch moeten geven. En aldus preekend, voorzie ik in mijn armzalig bestaan. Wilt gij mij de toelating schenken, bij de eerste pleisterplaats mijn gelofte te houden?

--Ja, sprak messire van Lamotte.

Zich broederlijk mengend onder Walen en Vlamingen, vergat Uilenspiegel niet, van tijd tot tijd te tasten naar de brieven onder zijn wambuis.

De lustige deernen riepen hem toe:

--Pelgrim, schoone pelgrim, kom hier en laat ons hooren den gloed uwer rede.

Uilenspiegel naderde heur en zeide vol zedigheid:

--Zusteren in Christus, spot niet met een armen pelgrim, die allerwegen het heilig geloof voor de soldaten moet preeken.

En met de oogen verslond hij de lieve meidekens.

Maar de lustige wijven staken heure blijde gezichten door de gaten van het zeil van den wagen.

--Ge zijt wel jong, spraken zij, om voor de soldaten te preeken. Kom in onze wagens, wij zullen een blijdere taal tot u spreken.

Uilenspiegel had geerne gedaan zooals zij zeiden, maar hij dorst niet, om reden van de brieven; reeds hadden er twee heure ronde blanke armen uit den wagen gestoken, om hem op te trekken, maar de hoerwijfel, die jaloersch was, snauwde tot Uilenspiegel:

--Ga weg of ik kap uw hoofd af!

En Uilenspiegel verwijderde zich van den wagen, dorstige blikken werpend naar de frissche deernen, die de zonne met licht overstroomde.

Men kwam te Berchem; Philip de Lannoy, heere van Beauvoir, aanvoerder der Vlamingen, beval daar halt te houden.

Daar stond een eik van middelbare grootte, met een enkelen tak afgebroken in 't midden en waaraan, eene maand geleden, een wederdooper had gehangen.

De soldaten bleven staan, en de marketensters kwamen bij hen om hun brood, vleesch, wijn, bier en allerhande toespijzen te verkoopen. Aan de lustige wijvekens verkochten zij suikergebak, krakelingen, amandelen, taartjes. Als Uilenspiegel dat zag, kreeg hij nog grooteren honger.

Vlug als een aap, klom Uilenspiegel op den boom en zette zich op den dikken tak, zeven voet boven den grond. Daar sloeg hij zich met eene geeselkoord, terwijl de soldaten en hunne lieven rond den boom kwamen staan.

--In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, sprak hij. Amen! Er staat geschreven: Wie aan den arme geeft, leent aan God: dappere krijgslieden, en gij ook, schoone damen, leent aan God: 't is te zeggen, geeft mij brood, vleesch, wijn, bier, als gij wilt, en de taartjes die gij missen kunt, en God, die rijk is, zal U alles dobbel teruggeven, met dozijnen ortolanen, beken malvezij, bergen kandijsuiker en rijstpap, die gij in 't hemelrijk zult eten met zilveren lepels.

Vervolgens jammerend:

--Ziet gij niet door welke wreede smerten ik beproef, vergiffenis mijner zonden te bekomen? Zoudt gij de bijtende pijn dier geeseling niet lenigen, die tot bloedens toe mijnen rug kwetst?

--Wat is dat voor een zot? vroegen de soldaten.

--Mijne vrienden, antwoordde Uilenspiegel, zot ben ik niet, doch boetveerdig en stervend van honger; want terwijl mijn geest zijne zonden beweent, beweent mijn buik het gebrek aan smakelijke spijzen. Brave soldaten en gij, schoone meidekens, bij u zie ik vette hesp, gebraden ganzen, worsten, wijn, bier en taartjes, in grooten getale. Hebt gij niets over voor den armen pelgrim?

--Ja, ja, riepen de Vlaamsche soldaten, zijne tronie bevalt ons.

En allen wierpen stukken eten naar hem. Op zijn tak gezeten, hield Uilenspiegel niet op met bidden en spreken.

--De honger, sprak hij, maakt den mensch wederspannig tegen het gebed, doch een stuk hesp neemt die kwade stemming dadelijk weg.

--Pas op uw hoofd! riep een serjant, terwijl hij een half volle flesch naar hem wierp.

Uilenspiegel greep de flesch en, met kleine slokjes drinkend, sprak hij:

--Zoo razende honger schadelijk is voor 't lichaam des menschen, is er nog iets, dat even nadeelig is: te weten de angst van den armen pelgrim, die van goedhertige soldaten een klein stukje hesp en een heele bottel bier kreeg. Want gewoonlijk is de pelgrim sober van aard, en zoo hij dronk met te weinig eten in de maag, ware hij dadelijk zat.

Terwijl hij sprak, ving hij eene ganzebil.

--In de lucht weidevisch vangen, sprak hij, is iets wondersbaars. Maar de vangst is verdwenen in mijn keelgat. Wat is er gretiger dan droog zand? Een onvruchtbare vrouw en een hongerige maag.

Plotseling voelde hij de punt eener hellebaard in zijne bil steken. En eenen vendrig hoorde hij zeggen:

--Versmaden de pelgrims nu hamelbout?

Uilenspiegel zag op de punt van de hellebaard een groot stuk hamelbout steken.

Hij nam het en sprak:

Bout voor bout, liever heb ik er zoo een tusschen mijn tanden dan zoo'n ijzeren tegen mijn maag.

--Uit medelijden trek ik dit stuk hamelbout van uw wapen. Van het mergbeen zal ik eene pijp maken om uwen lof te bezingen, goedhertige hellebaardier.

... Nochtans, ging hij voort, terwijl hij het been afknaagde, wat is een bout, hij moge nog zoo lekker en sappig wezen, zoo den armen pelgrim geen vriendelijk taartje komt toelachen?

Terwijl hij dus sprak, sloeg hij de hand vóór het gezicht, want twee taartjes, die uit de vrouwengroep kwamen, vlogen het een op zijn oog, het andere op zijne kaak. De meidekens schaterden van lachen en Uilenspiegel sprak:

--Wel bedankt, lieve meidekens, die mij roomkusjes zendt!

Maar de taartjes waren ten gronde gevallen.

Plotseling roffelden de trommels, bliezen de pijpen en zetten de soldaten zich weder op marsch.

Messire van Beauvoir beval Uilenspiegel van den boom te komen en nevens de soldaten te stappen. Doch Uilenspiegel had honderd uren van dáár willen zijn, want uit de woorden van eenige soldaten maakte hij op, dat hij verdacht voorkwam en dat zij hem wel voor een spion konden nemen; dan zouden zij hem aftasten, en dit was zeker de galge, als ze zijne brieven ontdekten.

Hij liet zich dus in eene greppel vallen en riep:

--Medelijden, heeren soldaten, mijn been is gebroken, ik kan niet meer gaan; laat mij meerijden in den wagen der vrouwen.

Maar hij wist, dat de hoerwijfel het niet zou gedoogen.

Van uit haren wagen riepen de vrouwen:

--Ja, kom, schoone pelgrim, kom bij ons. Wij zullen u minnen, u streelen, u kussen, en gij zult genezen zijn.

--Ik weet het, sprak hij, vrouwenhanden zijn hemelsche balsem voor alle wonden.

Maar de jaloersche hoerwijfel sprak tot messire van Lamotte:

--Messire, ik geloof dat die pelgrim den spot bij ons drijft, en dat zijn been maar alleen gebroken is, om bij de vrouwen mede te rijden. Beveel, dat men hem op den weg late liggen.

--Zoo zal geschieden, sprak messire van Lamotte.

En men liet Uilenspiegel liggen.

Eenige soldaten, die meenden dat zijn been waarlijk gebroken was, hadden spijt dat men een christenmensch zoo maar liet liggen, want ze vonden dat hij een lustige kwant was. Zij gaven hem vleesch en wijn voor twee dagen. De meidekens hadden hem geerne geholpen, doch wijl zij niet mochten, smeten zij hem de krakelingen toe, die zij nog hadden.

Als de troep verre was, koos Uilenspiegel het hazenpad. Hij kocht een peerd en rende vlug als de wind, over wegen en paden, naar 's-Hertogenbosch.

Bij de tijding van de komst der heeren Beauvoir en Lamotte, grepen die van de stad, ten getale van achthonderd, naar de wapenen; zij kozen aanvoerders en zonden Uilenspiegel, in kooldrager gekleed, naar Antwerpen om hulp te vragen aan den machtigen Brederode.

En de soldaten der heeren Lamotte en Beauvoir konden niet binnen in 's-Hertogenbosch, de wakkere stede, die zich dapper verweerde.

XIX.

De volgende maand gaf zekere doctor Agileus twee gulden aan Uilenspiegel en brieven voor Simon Praet, die hem zou zeggen wat hij te doen had.

Uilenspiegel kreeg bij Praet eten en slapen. Zijn slaap was goed, zoo goed als zijn tronie; Praet, daarentegen, was schraal en droevig, altoos in naargeestige gedachten verslonden. En Uilenspiegel was verwonderd dat hij, als hij 's nachts bij toeval wakker werd, hoorde kloppen met een hamer.

En hij mocht nog zoo vroeg opstaan, Simon Praet was altijd vóór hem op, en droever was zijn gelaat, en somberder zijne blikken, als iemand die bereid is tot sterven of strijden.

Somtijds, bij een zucht, vouwde Praet de handen biddend te zamen en scheen hij vol verontweerdiging. Zijne vingeren, alsook zijn hemd en zijn armen, waren vettig en zwart.

Uilenspiegel wilde weten van waar de hamerslagen, de zwarte armen en Praet's neerslachtigheid kwamen. Op een avond, dat hij in de taveerne de Blauwe Gans was gebleven, in gezelschap van Simon, die er zijns ondanks gegaan was, gebaarde hij zoo dronken te zijn en zoo'n zeer in het hoofd te hebben, dat hij zich onverwijld te bedde moest leggen.

En Praet bracht hem neerslachtig naar huis.

Uilenspiegel sliep op den zolder, bij de katten; het bed van Simon was beneden, dicht bij den kelder.

Uilenspiegel die dronkenschap bleef voorwenden, klom waggelend de trap op, en gebaarde schier te vallen, als hij naar de koord greep. Simon kwam hem ter hulp als een broeder, met teedere zorgen. Hij hielp hem in zijn bed; hij had medelijden met hem en bad God, dat Hij hem zijne dronkenschap zou vergeven. Dan ging hij naar beneden en weldra hoorde Uilenspiegel hetzelfde geklop, dat hem zoo dikwijls gewekt had.

Zonder gerucht stond hij op en daalde op bloote voeten de smalle treden af; als hij er twee en zeventig geteld had, stond hij vóór een kleine deur die op een kier stond, waardoor een licht flikkerde.

Simon drukte vliegende blaadjes met oude letteren uit den tijd van Laurens Coster, den uitvinder van de edele drukkunst.

--Wat doet gij daar? vroeg Uilenspiegel.

Verschrikt gaf Simon hem tot antwoord:

--Klaag mij aan, zoo gij van den duivel zijt: ik zal sterven; maar zijt gij van God, dat uw mond het gevang uwer tong zij.

--Ik ben van God, antwoordde Uilenspiegel, en wil u geenerlei kwaad. Maar wat doet gij daar?

--Ik prent bijbels, antwoordde Simon. Want als ik, om vrouw en kinderen te spijzen, 's daags de booze en wreede edicten Zijner Majesteit drukken moet, 's nachts ben ik de zaaier van 't echte woord Gods en herstel ik het kwaad, dat ik bedrijf in den dag.

--Gij zijt braaf en moedig, sprak Uilenspiegel.

--Ik heb het geloove, antwoordde Simon.

Inderdaad, uit die heilige drukkerij was het, dat de Vlaamsche bijbels kwamen, die verspreid werden in Brabant, in Vlaanderen, in Holland, in Zeeland, Utrecht, Noord-Brabant, Overijsel, Gelderland, tot den dag, waarop Simon veroordeeld werd tot het schavot en aan Christus en de gerechtigheid zijn leven offerde.

XX.

Eens vroeg Simon aan Uilenspiegel:

--Hebt gij moed, broeder?

--Ik heb er genoeg, antwoordde Uilenspiegel, om eenen Spanjaard te geeselen totdat de dood er op volge, om eenen moordenaar te dooden, eenen beul onschadelijk te maken.

--Zoudt gij, vroeg de drukker, geduld genoeg hebben om in eenen schoorsteen te blijven, ten einde te luisteren wat in eene kamer gezegd wordt?

Uilenspiegel antwoordde:

--Wijl ik door de gratie Gods stevige lenden en fiksche beenen bezit, kan ik, als de katten, blijven staan waar ik ben.

--Hebt gij geduld en een goed geheugen? vroeg Simon.

--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.

--Nu, luister, sprak de drukker, neem deze aldus gevouwen speelkaart en ga naar Dendermonde; daar zult gij tweemaal hard en eenmaal zachtjes kloppen aan de deur van het huis, waarvan de gevel hierop is geteekend. Iemand zal opendoen en u vragen of gij de schouwveger zijt; gij zult antwoorden dat gij mager zijt en de kaart niet verloren hebt. En gij zult ze hem toonen. Dan, Thijl, moet gij doen wat er hoeft. Groote rampen zweven over Vlaanderenland. Men zal u eene schouw toonen, gereedgemaakt en geveegd; daar zullen krammen voor uwe voeten zijn en, om te zitten, een berd, dat stevig vastgemaakt is. Als hij, die u binnen liet, u zegt in de schouw te kruipen, zult gij het doen, en gij zult daar stil wachten. Adellijke heeren zullen daar bijeenkomen, in de kamer vóór de schouw, waarin gij zijn zult. Het zijn Willem de Zwijger, de prins van Oranje, de graven van Egmond, van Hoorne, van Hoogstraten en Lodewijk van Nassau, de dappere broeder des Zwijgers. Wij, hervormden, willen weten wat die heeren willen en kunnen voor de redding onzer landen.

Nu, den eersten April, deed Uilenspiegel zooals hem gezegd was. Hij was tevreden, dat er geen vuur in den heerd brandde en zei tot zich zelven: hoe minder rook hoe scherper het gehoor.

Weldra werd de deur van de kamer geopend, en een tocht trok door de schouw. Geduldig verdroeg hij den wind, zeggende: hij zal mijn aandacht aanwakkeren.

Vervolgens hoorde hij de heeren van Oranje, van Egmond en de anderen de kamer binnentreden. Zij spraken over hunne vreeze, over de gramschap des konings en over het slecht beheer van 's lands zaken en penningen. Een hunner sprak op bitsen, hoogmoedigen, helderen toon. Het was Egmond. Uilenspiegel herkende hem, lijk hij ook Hoogstraten herkende aan zijn heesche stem. Hoorne aan zijn harde stem; graaf Lodewijk van Nassau aan zijn mannelijke, krijgshaftige taal, en den Zwijger aan de langzame wijze waarop hij zijne woorden uitsprak, alsof hij elk hunner vooraf wilde wegen.

Graaf van Egmond vroeg waarom men hen een tweede reize bijeenriep, terwijl zij te Hellegat hadden kunnen beslissen wat er te doen stond.

Hoorne antwoordde:

--De uren loopen snel voorbij, de koning is vertoornd; wij mogen niet talmen.

Toen sprak de Zwijger:

--De landen verkeeren in gevaar; wij moeten ze verdedigen tegen de aanvallen van de uitheemsche soldaten.

Egmond antwoordde driftig, dat hij het zonderling vond, dat de koning een leger meende te moeten zenden, daar alles in vrede was door de zorgen der heeren en voornamelijk door de zijne.

Maar de Zwijger sprak:

--Philippus heeft in de Nederlanden veertien benden, die zijne bevelen moeten uitvoeren, waarvan al de soldaten dengene verkleefd zijn, die hen aanvoerde te Gravelingen en te Saint-Quentin.

--Ik begrijp niet, sprak Egmond.

De prins hervatte:

--Ik wil er niets bijvoegen, maar aan u en de andere vergaderde heeren zal lezing gegeven worden van zekere brieven, met die van den armen gevangene Montigny te beginnen.

In zijne brieven, schreef messire van Montigny:

"De koning is uitermate vergramd over hetgeen in de Nederlanden gebeurd is, en op tijd en stond zal hij de daders der woelingen straffen".

Daarop zei Egmond, dat het koud was en dat men diende een houtvuur aan te steken. Zoo werd gedaan, terwijl de beide heeren spraken over de brieven.

Het vuur trok niet, om reden van den al te grooten takkebos in de schouw, en de kamer was vol rook.

Hoestend las toen de graaf van Hoogstraten de onderschepte brieven, door den Spaanschen gezant te Parijs, don Francès d'Alava, aan de landvoogdes geschreven.

--De gezant, sprak hij, schrijft dat al het kwaad, dat den Nederlanden overkomt, te wijten is aan de heeren van Oranje, van Egmond en van Hoorne. Gij moet, schreef hij, u van de vriendelijkste zijde aan hen toonen en hun zeggen dat de koning erkentelijk is voor hunne trouw. Wat betreft Montigny en Bergen: Zij blijven waar zij behooren te zijn.

--Ha! dacht Uilenspiegel, ik zit nog liever in een rookende schouw in Vlaanderenland, dan in een goed verlucht gevang in Spanje; want daar verrijzen schavotten tusschen de vochtige muren.

De gezant van Spanje voegde er bij dat de koning in Madrid gezegd had:

--Door al hetgeen in de Nederlanden voorgevallen is, is ons koninklijk gezag verminderd, de dienst van God verlaagd, en wij zullen liever het bezit van al onze andere landen in de weegschaal leggen, dan dit oproer ongestraft te laten. Wij zijn besloten in eigen persoon naar de Nederlanden te gaan en de hulp des pausen en des keizers te vorderen. Het kwaad van heden moet het goede van morgen baren. Wij zullen de Nederlanden onder onze algeheele gehoorzaamheid brengen en, naar ons believen, staat, godsdienst en regeering wijzigen.

--Ha! koning Philippus, dacht Uilenspiegel, kon ik u naar mijn believen wijzigen, zeker zoudt gij, onder mijn Vlaamschen stok, een merkelijke wijziging ondergaan aan uwe dijen, armen en beenen; ik zou uwen kop met twee nagelen in het midden van uwen rug vastmaken, opdat gij aldus de kerkhoven kondt zien, die gij achter u laat, en naar eigen believen uw liedeken van gewelddadige wijziging zoudt kunnen zingen.

Er werd wijn opgediend. Hoogstraten stond recht en sprak:--Ik drink op onze landen! Allen deden als hij; toen voegde hij er bij, terwijl hij zijn ledigen beker nederzette:--De rampspoed is gekomen voor den Belgischen adel. Wij moeten middelen beramen tot onze verdediging.

Hij wachtte een antwoord en zag naar Egmond, die zweeg.

Maar de Zwijger zei:

--Wij zullen weerstaan, als Egmond, die Frankrijk tweemaal beven deed te Saint-Quentin en te Gravelingen, die alle gezag over de Vlaamsche soldaten bezit, ons helpen wil om den Spanjaard te beletten in onze landen te komen.

Messire van Egmond antwoordde:

--Ik heb een al te eerbiedigen dunk van den koning om te meenen dat wij ons, als rebellen, tegen hem moeten wapenen. Dat zij, die zijnen toorn duchten, deze landen verlaten. Ik zal blijven, zonder zijne hulp kan ik niet leven.

--Philippus zal zich wreedelijk wreken, sprak de Zwijger.

--Ik heb vertrouwen, antwoordde Egmond.

--Ook voor uw hoofd? vroeg Lodewijk van Nassau.

--Mijn hoofd, mijn lijf, mijne toewijding, sprak Egmond, alles is zijn.

--Ik, een getrouw onderdaan, doe als gij, sprak Hoorne.

De Zwijger sprak:

--Men moet voorzien en niet wachten.

Toen antwoordde messire van Egmond met drift:

--Te Geeraardsbergen deed ik twee en twintig hervormden hangen. Als de preeken ophouden, als de beeldenstormers gestraft worden, zal de woede des konings zich stillen.

De Zwijger antwoordde:

--IJdele hoop.

--Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Egmond.

--Wapenen wij ons met vertrouwen, sprak Hoorne.

--'t Is met ijzer, en geenszins met vertrouwen, dat wij ons moeten wapenen, hervatte Hoogstraten.

Daarop deed de Zwijger teeken, dat hij wilde vertrekken.

--Vaarwel, prins zonder land, zegde Egmond.

--Vaarwel, graaf zonder hoofd, antwoordde de Zwijger.

Toen zegde Lodewijk van Nassau:

--De slachter is voor het schaap, en de roem voor den moedigen strijder, die den grond der vaderen redt.

--Ik mag, noch ik wil, sprak Egmond.

--Het bloed van de slachtoffers valle op het hoofd van den hoveling, sprak Uilenspiegel.

De heeren verlieten de kamer.

Toen kwam Uilenspiegel uit zijne schuilplaats; hij ging rechtstreeks bij Praet en vertelde hem wat hij gehoord had.

--Egmond is verrader; God is met den prins, zegde Praet.

De hertog! de hertog te Brussel! Waar zijn de geldkisten, die vleugelen hebben?

DERDE BOEK.

I.

De Zwijger gaat henen, God leide hem!

De twee graven zijn reeds gevangen; Alva belooft aan den Zwijger goedertierenheid en vergiffenis, zoo hij vóór hem wil verschijnen.

Op die tijding sprak Uilenspiegel tot Lamme: