Part 2
Op die woorden dorst de meid Klaas niet meer te bezien, noch heuren broeder te naderen; zij verborg zich achter de rokken heurer moeder. Doch in de stad schreeuwde zij het overal uit:
--De kooldrager heeft mij geslagen; hij heeft een duivel in zijn kelder.
Nochtans dorst zij Lamme niet meer slaan; maar als zij groot was, deed ze hem haar werk doen. En de goede sul gehoorzaamde gewillig.
Onderweg had Klaas zijne vangst verkocht aan een pachter, een lekkerbek, en thuis komende, zegde hij tot Soetkin:
--Zie, dat heb ik gevonden in den buik van vier snoeken, negen karpers en in een volle ben paling.
En hij smeet twee gulden en een oortje op tafel.
--Man, waarom gaat gij niet alle dagen visschen? vroeg Soetkin.
Klaas antwoordde:
--Wel, omdat ik zelf niet geerne zou spartelen in de netten van de stadsserjanten.
IV.
Te Damme werd Uilenspiegel's vader "Klaas de kooldrager" geheeten. Klaas had zwart haar, schitterende oogen; zijn vel was van de kleur zijner koopwaar, uitgenomen op Zon- en feestdagen, als er veel zeep in de stulp was. Hij was klein, hoekig, sterk en blijgezind.
Als zijn werk gedaan was en hij met den valavond naar eene taveerne van den Brugschen steenweg ging, om met kuite zijn keelgat te spoelen, dat zwart was van koolstof, riepen al de vrouwen, die, op den dorpel van heur deur den koelen avond genoten, hem vriendelijk toe:
--Goên avond en klaar bier, kooldrager!
--Goên avond en 'nen man die niet slaapt, antwoordde Klaas.
De meisjes die in troepjes van het veld kwamen, stelden zich vóór hem, lieten hem niet door en vroegen hem:
--Wat geeft ge om er door te mogen: een scharlaken lint, een vergulden gesp, fluweelen schoentjes of een gulden in ons beursje?
Maar Klaas nam er eene om haar middel en kuste heur wangen of heur hals, al naarvolgens zijn mond het dichtst bij de donzige huid was, en dan zegde hij:
--Vraagt, mijne hertjes, vraagt de rest aan uwe minnaars.
En schaterlachend gingen de joelende meisjes voort.
De kinderen herkenden Klaas aan zijn grove stem en aan zijn zwaren stap. Zij liepen naar hem toe en zeiden:
--'n Avond, kooldrager!
--Van 's gelijken, mijne engelkens, zei Klaas; maar komt niet te dicht, of 'k maak U zwart als moorkens.
De stoute kaboutermannekens kwamen toch nader; dan nam Klaas er een bij zijn wambuis, streek zijn zwarte hand over 't gladde gezichtje en liet hem zoo loopen, tot groote vreugd van de schaterende bende.
Soetkin, Klaas' wijf, was een brave, wakkere vrouw, die opstond met de zon, en vlug en vlijtig was als een bij.
Zij en Klaas bebouwden getweeën hunnen akker en spanden zich als ossen vóór den ploeg. Zwaar was het om hem voort te trekken, doch zwaarder nog trok de egge, die met hare houten tanden den harden grond moest scheuren. Toch deden zij het blij te moede, met een liedeken op de lippen.
En de grond mocht nog zoo hard zijn en de zon hare heetste stralen op hen neerschieten: zij konden water en bloed zweeten als zij de egge trokken dat hunne knieën knikten--al hun lijden vergaten zij, als zij even stil stonden en Soetkin heur zacht gelaat naar Klaas keerde, want dan kuste Klaas den spiegel van die teedere ziele.
V.
Den vooravond had men van de pui van 't gemeentehuis uitgeroepen dat Mevrouw, echtgenoote van keizer Karel, zwanger was en dat er gebeden voor hare aanstaande verlossing moesten worden opgezegd.
Gansch huiverend kwam Katelijne bij Klaas binnen.
--Wat scheelt er? vroeg de kooldrager.
--Laas! sprak zij met hijgenden boezem. Dezen nacht zag ik spoken, die menschen maaiden gelijk de hooiers het gras.--'k Zag meisjes levend begraven! En de beul danste op de lijken!--De bloedsteen, die sedert negen maanden zweette, is dezen nacht gebarsten.
--Erbarming, zuchtte Soetkin, erbarming, Heere God: wat duister voorteeken voor Vlaanderenland!
--Ziet gij dat met uwe oogen of in droom? vroeg Klaas.
--Met mijne eigen oogen, sprak Katelijne.
Doodsbleek en schreiend sprak Katelijne toen:
--Twee kinderkens zijn geboren; het een, in Spanje, is de kleine Philippus, het ander, in Vlaanderenland, is de zoon van Klaas, die later Uilenspiegel zal heeten. Philippus wordt een beul, want hij werd verwekt door Karel den Vijfde, den moordenaar van ons land. Uilenspiegel wordt een meester in kwinkslagen en guitenstreken, maar goedhertig zal hij zijn, want zijn vader is Klaas, de wakkere arbeider, die in braafheid, eer en deugd zijn brood verdient. Keizer Karel en koning Philippus zullen hun leven lang kwaad doen, door oorlog en knevelarij en andere misdaden. Klaas, die heel de week werkt, zal leven volgens recht en wet, bij zijn zuren arbeid zal hij lachen in stee van weenen: hij zal het zinnebeeld van de goede Vlaamsche werkers zijn. Uilenspiegel, immer jong en onsterfelijk, gaat de wereld door, maar nergens zal hij een vaste woonplaats hebben. En hij zal boer, edelman, schilder, beeldhouwer worden, alles zal hij te gelijk zijn. Zoo zal hij dolen langs velden en wegen, het goede en het schoone prijzen en lachen en spotten met alles wat dwaas en verkeerd is. Klaas is uw moed, edel volk van Vlaanderen, en Soetkin uwe dappere moeder; Uilenspiegel is uw geest; een lief en bevallig meisje, Uilenspiegel's gezellin en onsterfelijk als hij, zal uw hert zijn, en Lamme Goedzak, een dikke pens, uwe maag. En omhoog zullen de opeters van 't volk gaan, en omlaag hunne slachtoffers; omhoog de roovende wespen, omlaag de noeste bijen, en in den hemel zullen de wonden van Christus bloeden.
Toen Katelijne, de goede tooveres, dit gezegd had, viel zij in slaap.
VI.
Uilenspiegel werd ten doop gebracht, toen plotseling een hevige regenbui viel, die hem gansch nat maakte. Zoo werd hij voor de eerste maal gedoopt.
Als hij nu de kerk binnengebracht werd, kwam de kosterschoolmeester aan peter en meter, vader en moeder zeggen, dat zij zich rond de doopvont moesten scharen, hetgeen zij deden.
Maar boven de vont, was er in 't gewelf een gat, dat een metser gekapt had om er eene lamp aan een vergulde sterre te hangen. De metser, die, van boven, peter en meter stokstijf rond de toegedekte vont zag staan, goot verraderlijk door het gat een emmer water, dat, tusschen hen, met groot geplas op het deksel van de vont kletste. Doch Uilenspiegel kreeg er het grootste deel van. En zoo werd hij voor de tweede maal gedoopt.
De deken kwam; zij deden hem hun beklag, maar hij zei hun van zich te haasten, dat het een ongeluk was. Uilenspiegel ging te werk als een bezetene, om den wille van het water, dat op hem gespat was. De deken gaf hem het zout en het water en heette hem Thijlbert, wat zeggen wil: "altijd ongedurig". En zoo werd hij voor de derde maal gedoopt.
Uit Onze Lieve Vrouwekerk ging men daar rechtover, in de Langestraat, eene taveerne binnen, die voor uithangbord een rozenkrans had, met eene pint in het midden. Zij dronken er zeventien pinten dobbele kuite en nog meer. Want in Vlaanderen, als men nat is, droogt men zich met een vuur van bier in den buik. Zoo werd Uilenspiegel voor de vierde maal gedoopt.
Met het hoofd zwaarder dan 't lichaam, strompelden ze huiswaarts; zoo kwamen ze aan een brugje over eenen poel; Katelijne, die meter was, droeg het kind; zij struikelde en viel in de modder met Uilenspiegel. Zoo werd hij voor de vijfde maal gedoopt.
Men trok hem uit den poel. In 't huis van Klaas werd hij met lauw water gewasschen. Dit was zijn zesde doopsel.
VII.
Dien dag besloot Zijne Heilige Majesteit keizer Karel, groote feesten te houden, om de geboorte van zijn zoon te vieren. Evenals Klaas, besloot hij uit visschen te gaan, niet in de vaart, doch in de beurzen en tasschen zijner onderdanen. Daaruit is het dat vorstelijke lijnen gouden karolussen, gouden lammeren, rozenobels, dubloenen, zilveren daelders en al die wonderbare visschen trekken, die, naar willekeur van den visscher, veranderen in fluweelen kleederen en schitterende edelgesteenten, in lekkeren wijn en smakelijke gerechten. Want de rivieren, die 't rijkst zijn aan visch, zijn niet die, waarin het meeste water is.
Nadat Zijne Heilige Majesteit zijn raad bijeengeroepen had, besloot hij, dat de vangst volgenderwijze geschieden zou:
De genadige infant zou rond negen of tien uren ten doop gebracht worden; ten blijke van groote vreugde, zouden de inwoners van Valladolid heel den nacht, op eigen kosten, feesten en kermissen, en ten bate der armen, hun geld op de Groote Markt strooien.
Op vijf punten zou eene fontein, tot aan den dageraad toe, goeden wijn spuiten, die door de stad moest betaald worden. Op vijf andere plaatsen zouden, op houten kramen, allerhande worsten, ossetongen en pasteien uitgestald worden, mede ten laste van de stad.
Op eigen kosten zouden de lieden van Valladolid, op den doortocht van den stoet, in grooten getale zegebogen oprichten, den Vrede, het Geluk, den Overvloed, de Fortuin voorstellend, en allerhande zinnebeeldige toespelingen op de gaven des hemels, waarmede zij onder de regeering van Zijne Heilige Majesteit begunstigd waren.
Ten slotte en behalve deze bogen van pais, zouden er andere opgericht worden, waarop, in helle kleuren, minder goedertieren kenteekenen zouden prijken, zooals arenden, leeuwen, lansen, hellebaarden, vlammende spiesen, kanonnen, falkonetten, slangen met wijden mond, mitsgaders al ander oorlogstuig, om op zinnebeeldige wijze de macht en de kracht van Zijne Heilige Majesteit voor te stellen.
En, voor het verlichten der kerk zou, als een blijk van de genade Zijner Majesteit, aan het gilde der keersgieters toegestaan worden, voor niet, over de twintig duizend waskeersen te leveren, waarvan de onopgebrande einden naar 't kapittel zouden gaan.
Al de andere kosten zou de keizer zelf betalen, om aldus te toonen, dat het Zijner Goedertierenheid behaagde, zijne volkeren niet te zeer te belasten.
Als de gemeente die bevelen uitvoerde, kwamen jammerlijke tijdingen uit Rome. Oranje, Alençon en Frundsberg, bevelhebbers van den keizer, waren binnen de heilige stede gedrongen en hadden er kerken, kapellen en huizen verwoest en geplunderd, niemand, priesters, nonnen, moeders noch kinderen, sparend. Den Heiligen Vader hadden zij gevangengenomen. De plundering duurde reeds een volle week; ridders en landsknechten doolden door Rome, zwelgend en brassend, met de wapens zwaaiend, op zoek naar de kardinalen, roepende en tierende, dat zij hen allen derwijze verminken zouden, dat geen hunner ooit paus zou worden. Enkelen hadden die bedreiging reeds ten uitvoer gebracht en dweilden langs de straten met halssnoeren van acht-en-twintig of meer bloedige bollen, groot als okkernoten. De wegen leken roode beken, waarin de verminkte lijken der vermoorden lagen.
Onder het volk werd gezegd, dat de keizer, die geld noodig had, er wilde visschen in het bloed van de priesters, en dat hij bekend met het tractaat, den gevangen paus door zijne bevelhebbers opgelegd, hem dwong afstand te doen van al de versterkte plaatsen zijner Staten, 400.000 dukaten te betalen en gevangen te blijven totdat aan die voorwaarden voldaan was.
Nochtans was de droefheid van Zijne Majesteit zoo groot, dat hij al de toebereidselen van vreugde, feesten en vermakelijkheden afzegde en den heeren en edelvrouwen van zijn huis beval den rouw aan te nemen.
En de infant werd gedoopt in zijn witte doeken, ten teeken van koninklijken rouw.
Dat alles aanschouwden de heeren en edelvrouwen als voorteekenen van rampspoed.
Desniettemin toonde de voedster den infant aan de edelen en edelvrouwen van het koninklijk huis, opdat zij hem, naar aloud gebruik, hunne wenschen en giften zouden bieden.
Mevrouw de la Coena hing om zijn hals een zwarten steen tegen het vergif, zoo rond en zoo groot als eene hazelnoot, in een gouden ring gevat; Mevrouw de Chaussade bond aan een zijden draadje eene schelp, wolfsmuil geheeten, hangende op zijne maag, voor de goede spijsvertering; messire Van der Steen, uit Vlaanderen, bood hem een Gentsche worst, vijf ellebogen lang en een halven dik, en wenschte daarbij hoogstnederig aan Zijne Hoogheid, dat hij, alleen op den reuk van de worst, dorst mocht krijgen naar Gentschen klauwaard, daarbij voegende dat, al wie het bier eener stad lust, de brouwers niet kan haten; messire jonker Jacob Christoffel van Castilië bad Zijne Hoogheid den Infant een groenen jaspis aan zijn doorluchtige voetjes te willen dragen, opdat hij goed zou kunnen loopen. Jan de Paepe, de nar, die daar ook was, sprak toen:
--Messire, geef hem liever den horen van Jozua, op wiens geschal al de steden, met alles wat er in was aan mannen, vrouwlieden en kinderen, zich in beweging zetten en liepen. Want Zijne Hoogheid moet niet leeren zelf te loopen, maar wel de anderen te doen loopen.
De bedrukte weduwe van Floris van Borsele, in leven heer van Veere in Zeeland, schonk aan Zijne Hoogheid Philippus eenen steen die, naar zij zegde, de eigenschap had de mannen verliefd en de vrouwen ontroostbaar te maken.
Maar de infant schreide zonder ophouden.
Uilenspiegel schreide ook, maar Klaas stak hem een wisschen klater met belletjes in de hand, deed hem op zijne hand dansen en sprak: Klingelingeling, hadt gij maar altijd belletjes aan uw kaproen, mijn zoon, want de gekken zijn meester van de wereld.
En Uilenspiegel lachte zijn vader toe.
VIII.
Klaas had een grooten zalm gevangen, die op een Zondag gegeten werd door hem en ook door Soetkin, Katelijne en den kleinen Uilenspiegel; doch Katelijne at niet meer dan een vogelken.
--Maar, zei Klaas tot haar, is Vlaanderens lucht tegenwoordig zoo voedzaam, dat gij maar moet ademhalen om gespijsd te wezen als met een teil vleesch? Wanneer zal men kunnen leven zonder eten? De regen moest goede soep zijn, de hagelsteenen erwten en de sneeuw stoverije; dat zou den armen pelgrims versterking geven.
Katelijne schudde zwijgend het hoofd.
--Maar, moet gij daar zoo jammerend zitten? zei Klaas. Wat scheelt er aan?
Toen sprak Katelijne met eene stem, zacht als een ademtocht:
--De booze geest, de zwarte nacht valt neer.--Daar meldt hij zijne komst, met het geschreeuw van den nachtuil.--Rillend aanroep ik--te vergeefs--de Heilige Maagd.--Voor hem, muren noch hagen, deuren noch vensters.--Licht als een geest, dringt hij overal binnen.--Krakende ladder.--Hij is bij mij, op den zolder waar mijne legerstee staat.--Hij grijpt mij in zijn koude armen, als marmer zoo hard.--IJskoud is zijn gelaat, en zijn kussen vochtig als de sneeuw.--De stroohut schudt en slingert als een schuitje op de woelige zee....
--Elken morgen, zei Klaas, moet gij ter misse gaan, opdat de Heer Jezus U de kracht geve dat helsche spook te verjagen.
--Hij is zoo schoon! sprak zij.
IX.
Als Uilenspiegel gespeend was, groeide hij op lijk een boom.
Dan kuste zijn vader hem zoo dikwerf niet meer, maar voedde hem streng op, opdat hij geen weekeling worden zou.
Als Uilenspiegel thuis kwam en kloeg, dat hij, bij een of anderen twist, klop gekregen had, kreeg hij er nog klop bij van Klaas, omdat hij de anderen niet geklopt had: en, aldus opgebracht, kreeg Uilenspiegel den moed van een jongen leeuw.
Als Klaas er niet was, vroeg Uilenspiegel aan Soetkin een duit om te spelen. Dan was Soetkin boos en sprak:
--Waarom moet ge gaan spelen? Blijf liever thuis, om mutsaards te binden.
En als zij niets gaf, begon Uilenspiegel te blaten als een lam. Maar Soetkin maakte dan veel leven met potten en pannen, om te gebaren dat ze hem niet hoorde. Dan weende Uilenspiegel, en de zoete moeder liet hare geveinsde hardheid af, kwam tot hem, streelde hem en vroeg: "Hebt gij genoeg met een denier?" Nu, gij moet weten, dat een denier zes duiten gold.
Zoo beminde zij hem te veel en, als Klaas er niet was, was Uilenspiegel baas in huis.
X.
Op een morgen zag Soetkin haren man met gebogen hoofd in de keuken staan, in gedachten verdiept.
--Wat scheelt er toch, man? vroeg zij. Ge ziet bleek, gij zijt kwaad en verstrooid.
Met eene stem, als een hond die bromt, antwoordde Klaas:
--De wreede plakkaten des keizers gaan ze weer uithalen. Opnieuw gaat de dood over Vlaanderenland heerschen. De aanbrengers krijgen de helft van de have der slachtoffers, als de have de honderd karolusgulden niet te boven gaat.
--Wij zijn arm, sprak zij.
--Arm, zeide hij,... niet arm genoeg. Er zijn lage zielen, gieren en raven, die ons zouden aanklagen, zoowel om een zak kolen als om een zak karolussen met Zijne Majesteit te deelen. Wat bezat het arme Tanneken, de weduw van Sies den kleermaker, die ze te Heist levend begroeven? Een Latijnschen bijbel, drie gouden florijnen en wat potten van Engelsch tin, waarop eene buurvrouw loerde. Wantje Martens werd eerst in 't water geworpen; haar lijf dreef boven, en daarin zag men hekserij, weshalve zij als tooveres verbrand werd. Zij had wat gebroken meubelen, zeven gouden karolussen in een lederen tassche, en de aanklager vroeg er de helft van. Eilaas! nog tot morgen zou ik aldus kunnen spreken: maar wat baat het, vrouw: in Vlaanderen is het leven onhoudbaar om den wille van de plakkaten. Welhaast zal telken nacht de kar van den Dood dof door de straten rijden en wij zullen zijne beenderen hooren rammelen.
Soetkin sprak:
--Jaag me geen schrik aan, Klaas. De keizer is de vader van Vlaanderen en Brabant; als dusdanig is hij braaf en grootmoedig, geduldig en genadig.
--Daarbij zou hij te veel verliezen, antwoordde Klaas, want de verbeurdverklaarde goederen komen hem bij erfenis toe.
Plotseling hoorde men de trompet en de cimbels van den stadsuitroeper. Op dat geluid kwamen Klaas en Soetkin, die beurt om beurt Uilenspiegel op den arm droegen, met de volksmenigte toegeloopen.
Zoo kwamen zij aan het schepenhuis. Voor de pui waren de herauten te peerd, op bazuinen blazend en op cimbels slaande, de provoost met de roede der justitie in de hand en de stadsprocureur, ook te peerd, die eene ordonnantie des keizers in de hand hield en zich gereed maakte ze aan vergaderde volksmenigte voor te lezen.
Klaas vernam, dat het andermaal aan allen in 't algemeen en aan elk in 't bijzonder verboden was, te drukken, te lezen, in bezit te hebben of voor te staan, de boeken, schriften of leerstellingen van Martinus Luther, van Joannes Wycliff, Joannes Huss, Marcilius van Padua, Æcolampadius, Ulricus Zwinglius, Philippus Melanchton, Franciscus Lambertus, Joannes Pomeranus, Otto Brunselsius, Justus Jonas, Joannes Pupperis en Gorcianus, de Nieuwe Testamenten gedrukt door Adriaan van Bergen, Christoffel van Roemonde en Joannes Zell, vol Luthersche en andere heresiën, verworpen en veroordeeld door de Faculteit der godgeleerdheid van de Universiteit van Leuven. Mitsgaders te maken of te doen maken smadelijke konterfeitsels of afbeeldsels van God, van de heilige Maagd Maria of van de santen; te breken, te scheuren of uit te wisschen de beelden of konterfeitsels, vervaardigd tot verheerlijking van en tot aandenken aan God en de Maagd Maria of de heiligen der kerk.
Verder zei het plakkaat, dat het aan niemand toegelaten was, tot welken staat hij ook mocht behooren, zich te vermeten de Heilige Schrifture te bespreken of over haar te twisten, zelfs niet op twijfelachtige punten, tenzij door een godgeleerde van naam, erkend door eene Universiteit, daartoe gemachtigd.
Onder andere straffen besliste Zijne Heilige Majesteit, dat de verdachten nooit of nimmer een eerbaar ambt zouden kunnen bekleeden. En zij, welke in hunne dolingen hervielen of bleven volharden, zouden veroordeeld worden met een zacht of hard vuur, in een strooien huis of gebonden aan een paal te worden verbrand, al naar de sententie van den rechter. De anderen zouden omgebracht worden door het zweerd als zij edelen of goede burgers waren, de gemeene manslieden aan de galg geknoopt en de vrouwlieden levend begraven. Om tot voorbeeld te strekken, zou hun hoofd op een paal worden gestoken. Ten profijte van den keizer was er verbeurte hunner goederen, overal waar verbeurdverklaring geschieden kon.
Zijne Heilige Majesteit schonk den aanbrengers de helft van al hetgene de aflijvigen in eigendom bezeten hadden, zoo die have de somme van honderd pond grooten, Vlaamsche munte, alles in 't alles, niet te boven ging. En wat aanging het deel van den keizer, dit zou hij aanwenden voor werken van godsvrucht en van bermhertigheid, gelijk bij de plundering van Rome was geschied.
En treurig keerde Klaas naar huis, met Soetkin en Uilenspiegel.
XI.
Daar het een jaar van voorspoed geweest was, kocht Klaas voor zeven florijnen een ezel en negen halsters boonen, en op een morgen besteeg hij zijn beest. Uilenspiegel zat van achteren. Aldus gingen zij hun oom en oudsten broeder, Judocus Klaas, bezoeken, die woonde omtrent Meiborg, in de Duitsche landen.
Judocus, die in zijne jeugd eenvoudig en zacht van aard was geweest, had door vele geleden onrechtveerdigheden haat tegen de menschen opgevat en leefde in eenzaamheid.
Zijn vermaak was, twee zoogezeid trouwe vrienden met elkander te doen vechten, en hij gaf drie oortjes aan hem, die zijn vriend het ergst toegetakeld had.
Ook bracht hij geerne, in een warme kamer, in grooten getale, twistzieke oude wijven bijeen en gaf haar geroosterd brood en kruidenwijn.
Aan de vrouwen, die meer dan zestig jaar oud waren, stelde hij saaie ter hand, die zij in een hoek moesten opbreien; daarbij beval hij haar altijd aan, de nagels lang te laten groeien. En 't was wonderlijk ze te hooren kuchen, babbelen, snappen en, met hare priemen onder de oksels, te zamen den naam en de eer van den evennaaste te hooren schenden en rooven.
Wanneer Judocus zag, dat zij goed in gang waren, smeet hij eenen borstel in 't vuur, die door het schroeien der haren de lucht met een geweldigen stank vervulde.
Dan begonnen de wijven al te gelijk te kijven en elkaar te beschuldigen de oorzaak te zijn van den stank: en allen streden het af en vlogen weldra elkander in 't haar; en dan wierp Judocus opnieuw borstels in het vuur en paardenhaar op den vloer. Als het gevecht zoo verwoed en de rook zoo dik werd, en het stof zoo hoog steeg, dat hij niets meer zien kon, ging hij zijne twee in stadsserjanten verkleede knechts halen, die de ouden als woedende ganzen met groote stokslagen uit de kamer verdreven.
En toen Judocus het slagveld overzag, vond hij er lappen van rokken, van kousen, van hemden en ook oude tanden.
En droefgeestig zei hij tot zich zelven:
--Mijn dag is verloren, niet eene van haar heeft hare tong achtergelaten.
XII.
In het baljuwschap Meiborg ging Klaas door een smal boschje: de ezel hapte hier en daar naar een distel; Uilenspiegel smeet zijne kaproen naar de vlinders en ving ze weer op, zonder van den ezel te komen. Klaas at eene snede brood en nam zich voor, die in de naaste taveerne te begieten. Van verre hoorde hij een klokje kleppen en een gedruisch als van vele menschen die altegader spreken.
--'t Is eene bedevaart, en de heeren pelgrims zijn zeker in grooten getale. Houd u goed vast, mijn zoon, dat zij u niet van het grauwtje stooten. Wij zullen zien. Komaan, ezeltje, wat gauwer, toe!
En de ezel draafde.
Zij verlieten den zoom van het bosch en daalden naar een groote vlakte, ten Westen door eene rivier bespoeld. Aan den Oosterkant stond een kleine kapel, den gevel versierd met een beeld der Lieve-Vrouwe, met twee stieren aan heure voeten. Op de trappen van de kapel stonden een heremiet--die giegelend, aan 't kleppen was--vijftig staffieren met brandende keersen in de hand, spelers, klokluiders en trommelslagers, klaroenblazers, pijpers, schalmei- en doedelzakspelers, alsmede een hoop lustige gezellen, die bakken vol oudroest in de handen hielden, doch voor het oogenblik allen stille zwegen.
Meer dan vijf duizend pelgrims, in gesloten gelederen, elk van zeven man, met helmen op en stokken van groen hout in de hand, gingen hen voorbij. Dan schaarden zij zich, telkens zeven, vóór de kapel. Zij lieten hunne stokken zegenen en kregen elk eene keers uit de handen der staffieren, in ruil waarvan zij den heremiet een halven florijn betaalden.
En hunne processie was zoo lang, dat de keersen van de eersten opgebrand waren, toen die van de laatsten nog hare volle lengte hadden.