De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 19

Chapter 193,994 wordsPublic domain

--En als ik wil eten en drinken, ja, eten en drinken voor zeven en twintig gulden en nog meer, zal ik het doen! Of meent gij, dat er geen rooden duit in dezen buik steekt? Bij God! tot hiertoe werd hij uitsluitend met ortolanen gevoed. Dergelijken buik zult gij nooit onder uw vettigen gordelriem dragen. Bij mij ligt het vet drie duim dik op den buik, terwijl gij het op den kraag van uw wambuis moet zoeken.

De weerd was buiten zich zelven van woede. Hakkelaar van nature, wilde hij rap spreken; doch hoe meer hij zich haastte, hoe meer hij moest niezen als een hond, die uit 't water komt. Middelerwijl wipte Uilenspiegel bollekens brood naar zijn aangezicht. En Lamme, meer en meer opgewonden, vervolgde:

--Ja, ik bezit genoeg voor uw drie magere hennen, uw vier schurftige kiekens en dien grooten dwazerik van een pauw, die met zijn morsigen steert het neerhof ginds ronddwijlt. En als uwe huid niet verrimpeld was als die van een ouden haan, als uw beenderen niet vaneen vielen in uwe borstkas, dan had ik nog genoeg om u ook op te eten, u, en uwen snotterigen knecht, en uw halfblinde meid, en uwen kok, die gelukkig mag zijn als hij 't schurft niet heeft, daar zijne armen te kort zijn om zich ordentelijk te krabben.

--Bezie mij, vervolgde hij, bezie mij dien vogel eens, die, voor een halven gulden, ons wambuis en ons hemde wil uitdoen! Daarom moet men schaamtevrij zijn; heel zijne plunje is geen drie duiten weerd.

Maar de baas blies door zijnen neus van woede.

En Uilenspiegel wipte maar altoos bollekens brood naar zijn aangezicht.

Lamme, dapper als een leeuw, vervolgde:

--Hoeveel, magere tronie, hoeveel meent gij wel wat een ezel weerd is, een ezel met een fijnen mond, met lange ooren, een breede borst, met spieren als ijzer zoo sterk? Achttien gulden voor 't minst, is 't niet, armoedige baas? Hoeveel verroeste nagelen hebt gij wel, om zulk schoon beest te betalen?

De baas blies nog meer door zijnen neus, doch dorst zich niet roeren.

Lamme sprak:

--Hoeveel meent gij, dat een schoone esschen kar geldt, die heel in 't blauw is geverfd en tegen zon en regen bespannen met eene huif van Kortrijksch lijnwaad? Vier en twintig gulden voor 't minst, niet waar? Vier en twintig gulden en achttien gulden, hoeveel maakt dat? Antwoord, armzalige rekenmeester. En, daar het marktdag is en er boeren in uwe ellendige afspanning zijn, ga ik ze dadelijk verkoopen.

Hetgene geschiedde, want allen kende Lamme. En inderdaad, voor ezel en kar kreeg hij vier en veertig gulden en tien oortjes. Toen deed hij het goud rinkelen onder den neus van den weerd, en sprak hij:

--Hewel, baas is hier geld genoeg om nog iets te peuzelen?

--Ja, sprak de baas.

En stille zegde hij:

--Als gij ooit uw vel verkoopt, geef ik er een oortje voor: 't zal een amulet tegen overdadigheid wezen.

Doch een hupsch en lieftallig wijfje, dat in het donker binnenhof stond, was verscheidene reizen voor 't venster naar Lamme komen zien, en telkens dat hij heur schoon gezichtje kon bemerken, trok ze zich schielijk achteruit.

's Avonds, als hij, zonder licht, waggelend de trap opklom, voelde hij eene vrouw, die hem omarmde, hem kuste op zijne kaken, zijnen mond, tot zelfs op zijn neus; zijn gezicht was nat van hare tranen, na hetwelk zij hem liet voortgaan.

Lamme ging naar zijn bedde en sliep als een os, en 's anderen daags trok hij met Uilenspiegel naar Gent.

XIII.

Daar zocht hij zijne vrouw in al de kaberdoeskens, danszalen en taveernen. 's Avonds vond hij Uilenspiegel terug in den Zingenden Zwaan. Uilenspiegel ging overal rond om het volk tot opstand te wekken, tegen de beulen van den vaderlandschen bodem.

Op de Vrijdagsmarkt, omtrent de Dulle Griet, ging Uilenspiegel plat op zijn buik ten gronde liggen.

Een kooldrager kwam voorbij en sprak:

--Wat doet gij daar?

--Ik maak mijnen neus nat om te zien van waar de wind komt, antwoordde Uilenspiegel.

Een timmerman kwam.

--Neemt gij den grond voor een bedde? vroeg hij.

--Er zijn er, die hem weldra voor een deken zullen nemen antwoordde Uilenspiegel.

Een monnik bleef staan.

--Wat doet dat kalf daar? vroeg hij.

--Het kalf vraagt plat op zijn buik uwen zegen, mijn vader, antwoordde Uilenspiegel.

De monnik gaf hem dien en toog henen.

Toen legde Uilenspiegel zijn oor tegen den grond; een boer kwam voorbij.

--Hoort gij daar iets? vroeg hij.

--Ja, sprak Uilenspiegel, ik hoor het hout groeien, hetwelk zal dienen om de arme ketteren te verbranden.

--Hoort gij niets anders? vroeg een stadsserjant.

--Ik hoor, sprak Uilenspiegel, de Spaansche soldaten aandraven; als gij iets hebt, dat dierbaar is, begraaf het dan, want weldra zijn de steden niet meer veilig tegen de roovers.

--Hij is zot, zei de serjant.

--Hij is zot, herhaalden de poorters.

XIV.

Doch Lamme at of dronk niet meer, dacht standvastig aan den zoeten droom op de trap in de Blauwe Lanteern. Zijn hert trok hem naar Brugge, maar Uilenspiegel nam hem mede naar Antwerpen, alwaar hij jammerend voort zocht.

Uilenspiegel ging in de taveernen en, sprekende over de plakkaten, zeide hij tot goede Vlamingen, tot hervormden, ja zelfs tot vrijheidminnende katholieken:

--Zij brengen ons de inquisitie mede, zoogezegd om ons lijf van de ketterije te zuiveren, maar 't is ook voor onze beurze, dat die rabarber zal dienen. Wij, die niets innemen tegen onze goesting, wij zullen ons verzetten, muitmaken en de hand aan de wapenen slaan. Dat weet de koning. Als hij ziet, dat wij zijne rabarber niet willen, zal hij afkomen met lavementpijpen: dat zijn groote en kleine kanonnen, falkonetten, slangen met wijden mond. Een koninklijk lavement, kortom. En in het derwijze gepurgeerde Vlaanderenland zal geen begoede burger meer overblijven. Gelukkige landen, die zulk een koninklijken geneesheer hebben!

Maar de poorters lachten.

Uilenspiegel sprak: Lacht maar; doch vlucht of wapent u op den dag, als er in Onze-Lieve-Vrouwekerk beelden worden gebroken.

XV.

Op 15 der Oogstmaand, den grooten dag van Maria en van de wijding van kruiden en wortelen, wanneer de hennen, volgepropt met graan, doof blijven voor 't geroep van den haan, werd aan eene der poorten van Antwerpen, een groot steenen kruisbeeld aan stukken geslagen door een Italiaan, in dienst van Granvelle. 's Zondags nadien ging de ommegang van Onze-Lieve Vrouwekerk uit, voorafgegaan door groene, gele en roode narren.

Maar het Mariabeeld werd onderwege gehoond door rapaille, dat riep: "Maaiken, de uitdraagster, dit is uw laatste feestdag, want men zal haast met u mosselen zieden"; het beeld werd ijlings in 't koor van de kerk teruggebracht.

Uilenspiegel en Lamme gingen Onze-Lieve-Vrouwekerk binnen. Havelooze, in lompen gehulde jongelieden en ook eenige volwassenen, elkeen onbekend, stonden vóór het koor tot malkander zekere teekenen en gebaren te maken. Zij maakten veel gerucht met voeten en tongen. Niemand had ze ooit in Antwerpen gezien, of zag ze later ooit weer. Een hunner, met een bruin gezicht als een verbrande ajuin, vroeg of Maaiken--dat was Maria--bang was, daar ze zoo ijlings terug in de kerk kwam.

--'t Is toch niet voor u dat ze bang is, leelijke moor, antwoordde Uilenspiegel.

De jonge schoelje, tot wien hij sprak, kwam op hem af om hem te slaan, maar Uilenspiegel nam hem bij den kraag en sprak:

--Als gij durft slaan, doe ik u uwe tong uitspuwen.

Zich vervolgens tot eenige Antwerpsche vrienden wendend, die daar waren, zeide hij:

--Signoorkens en pagadders (naar de havelooze kerels wijzend), betrouwt ze niet, 't zijn valsche Vlamingen, lafaards en verraders, die betaald zijn om ons in kwaad, in ellende en in rampspoed te lokken.

Vervolgens tot het geboefte sprekend, zeide hij:

--Hewel, ezelskoppen, die uittdroogt van armoe, vanwaar haalt gij het geld, dat thans in uwe beurze rinkelt? Hebt gij soms nu reeds uw vel verkocht om er trommelen van te maken?

--Beziet eens dien preeker! riepen ze.

Toen begonnen zij allen samen te schelden, sprekende van Onze-Lieve-Vrouwe:

--Maaiken heeft een schoon kleed! Maaiken heeft een schoone kroon! Ik zal ze geven aan eene loddege van mijne kennis.

Zij gingen buiten, terwijl een onverlaat den predikstoel beklom om er zotte reden te houden, en zij kwamen terug, roepende:

--Kom beneden, Maaiken, of wij komen u halen. Doe een mirakel, toon nu eens dat gij kunt loopen, in stee van u laten dragen!

Maar Uilenspiegel riep te vergeefs: Rampzaligen, houdt op met uw geschimp; alle plundering is misdaad! Zij gingen voort met hunne heiligschendende taal en spraken zelfs van het koor binnen te breken en Maaiken beneden te halen.

Daarop smeet een oude vrouw, die keersen verkocht in de kerk, hun de assche van haren vuurpot in het gezicht; maar zij werd geslagen en ten gronde gestampt, en daarna herbegon het geweld.

De markgraaf kwam in de kerk met zijne hellebaardiers. Toen hij het volk samengeschoold zag, spoorde hij het aan de kerk te verlaten, maar zoo weinig krachtdadig, dat slechts enkelen henen gingen; de anderen spraken:

--Eerst moeten de kanunniken de vespers zingen, ter eere van Maaiken.

De markgraaf sprak:

--Er wordt niet gezongen.

--Dan zullen we zelven zingen was het antwoord.

Zoo deden zij in de zijbeuken en omtrent het portaal van de kerk. Eenigen speelden met den bal en hinkelden met steentjes over den vloer en zeiden: "Maaiken, nimmer speelt gij in het hemelrijk, en gij verveelt u: kom spelen met ons".

En onophoudelijk hoonden zij het beeld, riepen, huilden en floten.

De markgraaf gebaarde bang te zijn en ging henen. Hij deed de deuren sluiten behalve ééne.

En hoewel het gemeen er zich niet mee bemoeide, werden de galgenazen stoutmoediger en riepen zij nog luider. Het gewelf weergalmde als onder 't gebulder van kanonnen.

Op den predikstoel klom er toen een. Hij scheen gezag te hebben; met een gebaar deed hij allen zwijgen, en hij begon te preeken:

"In den naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes, drie zijn één en één is drie; God beware ons in 't hemelrijk van dergelijke cijferkunde; op heden, vijftienden van de Oogstmaand, is Maaiken met heur schoonste kleeren in triomf uitgegaan om haar houten gezicht te toonen aan alle signoorkens en pagadders van de goede stad Antwerpen. Maar onderwege in den ommegang, is Maaiken den duivel Satan tegengekomen en Satan sprak lachend tot haar: "Zijt gij nu te fier om den armen pagadder Satan goeden dag te zeggen, omdat gij gekleed zijt als eene koningin, en gij gedragen wordt door vier signoren?" En Maaiken antwoordde: "Gaat van hier, Satan, of ik verbrijzel u nogmaals den kop!" "Maaiken, dat doet gij nu reeds vijftienhonderd jaar, maar de Geest van den Heer uwen meester heeft mij verlost. Ik ben sterker dan gij; gij zult mij op den kop niet meer trappen, en nu ga ik u een dansken leeren. Satan nam een duchtige lederen zweep en begon er mee te kletsen op Maaiken, die niet dorst schreeuwen om niet te laten zien dat ze bang was; en toen is ze op den loop gegaan en deed zij de signoorkens die haar droegen insgelijks loopen, opdat ze met heur gouden kroon en rijke juweelen niet onder 't arme gemeene volk zou vallen. En nu zit Maaiken koes en bevend in heur kot, te kijken naar Satan, die daar omhoog op gindsche zuil zit, met de zweep in de hand, en grijnslachend zegt: "Ik zal u het bloed en de tranen betaald zetten, die vloeiden in uwen naam! Maaiken, hoe is 't met uwe onbevlektheid? Ge moet rijden! We gaan u aan stukken slaan, leelijk houten beeld dat ge zijt, voor al de beelden van vleesch en beenderen, die in uwen naam genadeloos verbrand, gehangen en levend begraven werden." Aldus sprak Satan, en hij had gelijk. En gij moet beneden, wreedaardig, bloeddorstig Maaiken, want gij geleekt geenszins op uwen zoon Christus.

En heel de menigte handlangers riep en tierde en huilde: "Maaiken! Maaiken, gij moet rijden! Maakt gij nu uw hemd nat van schrik? Weg met de houten heiligen! Laat heur een bad in de Schelde nemen! Hout drijft toch boven!"

Het volk aanhoorde hen zonder iets te zeggen.

Doch Uilenspiegel klom op den predikstoel, stampte met geweld den spreker van de trappen en zei tot het volk:

--Dwazen, onnoozele dwazen, ziet gij dan niet verder dan uw neus lang is? Begrijpt gij dan niet, dat dit alles verraderswerk is? Zij willen u tot heiligschenners en tot beeldbrekers maken, om u tot muiters te kunnen verklaren, uwe kisten te ledigen, u te onthalzen en levend te verbranden! En de koning zal erven! Signoorkens en pagadders, hecht geen geloof aan de woorden dier bewerkers van rampspoed: laat Onze-Lieve-Vrouw in heure nis, leeft kloekmoedig, werkt blijgezind en geniet van uwe winsten en profijten. De zwarte duivel des rampspoeds heeft u in 't oog, en 't is door plundering en vernieling, dat hij het vijandelijke leger zal roepen om u als rebellen te behandelen en Alva over u te doen regeeren door dictatuur, inquisitie, verbeurdverklaring en dood!

... En hij zal erven!

--Laas, sprak Lamme, plundert niet, signoorkens en pagadders; de koning is al kwaad genoeg. De dochter van de borduurster heeft het tot mijn vriend Uilenspiegel gezegd. Plundert niet, mijne heeren!

Maar het gemeen kon hen niet hooren.

De handlangers riepen:

--Ze moet beneden! In de Schelde, de houten heiligen. Hout drijft toch boven!

Uilenspiegel klampte zich aan den preekstoel vast en riep tevergeefs:

--Signoorkens en pagadders, duldt de plundering niet! Brengt uwe stad niet ten onder!

En hij werd weggerukt met gekwetst gelaat, wambuis en hoos gescheurd, hoewel hij zich dapper verweerde met vuisten en voeten. En heel bebloed, hield hij niet op te roepen:

--Duldt de plundering niet!

Maar het was te vergeefs.

De onbekenden en het grauw van de stad liepen tegen het hek van het koor aan, hetwelk zij braken al roepend:

--Vive le geus!

Allen begonnen te breken, te plunderen, te vernielen. Vóór middernacht was die groote kerk, in dewelke zeventig autaren, allerhande schoone schilderijen en kostbaarheden waren, teenemaal ledig. De autaren werden aan stukken geslagen, de beelden werden van hunne pedestalen getrokken, uit hunne nissen gerukt, op den vloer geworpen en met hamers verbrijzeld en de gewijde olie tot schoensmeer gebezigd. Toen er niets meer te breken viel, trok de bende naar de Minderbroeders, De Franciscanen, Sint-Pieters, Sint-Andries, Sint-Jacobs, Sint-Joris, Sint-Michiels, de Peterpotkerk, den Burcht, het Fawkensklooster, de Witte Zusters, de Grijze Zusters, de Predikheeren en al de kerken en kapellen van de stad, om er te werk te gaan als in Onze-Lieve-Vrouwe. Zij namen waskeersen en flambouwen en liepen er mee overal rond.

En onder hen was geen getwist nog krakeel; geen hunner werd gekwetst in die groote afbraak van steen, van hout en andere stoffen.

Zij trokken naar den-Haag, om er de beelden en autaren weg te nemen; doch daar noch elders verleenden de protestanten hun hulp.

In den-Haag vroeg de magistraat hun, waar hunne lastgeving was.

--Hier, sprak een hunner, en hij sloeg op zijn hert.

--Hoort gij, signoorkens en pagadders? Hunne lastgeving! sprak Uilenspiegel, die het feit vernomen had. Er is dus iemand, die hun last geeft het werk van heiligschenners te doen! Als een dief mijne hut binnendringt, zal ik doen als de magistraat van den-Haag, en zal ik, mijn hoedeken afnemend, vragen: Lieve schelm, beminnelijke dieper, eerbiedweerdige roover, waar is uwe lastgeving? Hij zal wijzen naar zijn hert, dat dorst naar mijne have. En ik zal hem al mijne sleutels ter hand stellen! Zoekt, zoekt wien de plundering baat. Mistrouwt den Rooden Hond; de misdaad is begaan, de beteugeling zal volgen. Mistrouwt den Rooden Hond! Het groote steenen kruisbeeld is aan stukken geslagen. Mistrouwt den Rooden Hond!

Toen Uilenspiegel vernam dat de Groote Raad van Mechelen, door den mond van zijnen voorzitter Viglius, geboden had den beeldenstorm geenerlei verzet te bieden, sprak hij:

--Laas! de oogst is rijp voor de Spaansche maaiers. De hertog! de hertog nadert! Vlamingen, de zee, de zee der wrake wast. Arme vrouwen en meidekens, vlucht den put. Arme mannen, vlucht de galg, het vuur en het zweerd! Philippus wil het bloedig werk van keizer Karel voltooien. De vader zaaide dood en ballingschap; de zoon heeft gezworen, dat hij liever over een kerkhof dan over een kettervolk heerscht. Vlucht, daar zijn de beul en de grafmakers.

Het volk luisterde naar Uilenspiegel, en honderden gezinnen verlieten de steden, en de wegen waren vervuld met karren vol huisraad van allen die in ballingschap gingen.

En Uilenspiegel ging overal, gevolgd door Lamme, die jammerend zocht naar zijne vrouw.

En te Damme weende Nele bij de uitzinnige Katelijne.

XVI.

Toen Uilenspiegel, in de Wijnmaand, te Gent was, kwam hij Egmond tegen, die gegastreerd had in het edel gezelschap van den abt van Sint-Baafs. Neurend, dede hij droomerig zijn peerd op stap gaan. Eensklaps keek hij op, en zag hij eenen man, die met een brandende lanteerne naast hem ging.

--Wat wilt ge? vroeg Egmond.

--Uw welzijn, antwoordde Uilenspiegel, zooveel welzijn, als een brandende lanteerne kan geven.

--Ga heen en laat mij, sprak de graaf.

--Ik zal niet gaan, antwoordde Uilenspiegel.

--Moet gij dan van de zweep hebben?

--Ik wil er wel tienmaal van hebben, als ik in uw hoofd zulk eene lanteerne kan steken, dat gij klaar ziet tot in 't Escuriaal.

--Ik heb zaken met uwe lanteerne noch met 't Escuriaal, antwoordde de graaf.

--Wel, antwoordde Uilenspiegel, ik kan mij niet weerhouden u een goeden raad te geven.

Hij greep het peerd des graven bij den teugel en, terwijl het sloeg en steigerde, sprak hij:

--Heere, gedenk toch, dat gij thans goed op uw peerd danst en dat uw hoofd ook goed op uwe schouderen danst; maar de koning wil, naar men zegt, dien schoonen dans afbreken, u uw lijf laten, maar uw hoofd nemen om het zoo verre van hier te doen dansen, dat gij het nimmermeer krijgen kunt. Geef mij een gulden, ik heb hem verdiend.

--Van de zweep, als gij niet wegkomt, ongeluksvogel.

--Heer, ik ben Uilenspiegel, zoon van Klaas, die levend verbrand werd voor het geloof, en van Soetkin, die stierf van verdriet. De assche die klopt op mijne borst, zegt mij, dat Egmond, de dappere krijgsman, met de landwacht, die hij aanvoert, tegen den hertog van Alva zijne driemaal zegevierende troepen kan stellen.

--Ga heen, antwoordde Egmond, ik ben geen verrader.

--Red onze landen, gij alleen vermoogt het, sprak Uilenspiegel.

De graaf wilde hem slaan met zijne zweep, doch Uilenspiegel bleef op de slagen niet wachten, wegvluchtend riep hij nog:

--Eet lanteernen, eet lanteernen, heer graaf. Red onze landen!

Op een anderen dag hield Egmond stil voor de afspanning het Bont Verken, gehouden door een lieftallige bazinne van Kortrijk, het Muizeken geheeten.

De graaf stond recht op zijne stijgbeugels en riep:

--Is er iemand?

Uilenspiegel, die bij 't Muizeken diende, kwam vóór met een tinnen beker in eene hand en in de andere eene bottel vol rooden wijn.

De graaf herkende hem:

--Ha, gij zijt het, ongeluksvogel, sprak hij.

--Heere, antwoordde Uilenspiegel, kunt gij mij zeggen wat het roodst is, óf de wijn die door de keel vloeit, óf het bloed dat uit den hals stroomt? Dat was het wat mijne lanteerne vroeg.

De graaf antwoordde niet, dronk, betaalde en vertrok.

XVII.

Uilenspiegel en Lamme, elk gezeten op een ezel, dien zij kregen van Simon Simonsen, een der getrouwen van den prins van Oranje, reden overal rond om de poorters te verwittigen van de snoode inzichten van den bloedigen koning en om tijdingen uit Spanje te vernemen.

Zij verkochten groenten, waren gekleed als boeren en liepen de markten af.

Bij het terugkeeren van de markt van Brussel, zagen zij in een steenen huis, op de Kareelkaai, in een lage kamer, eene dame gekleed in samijt, hoog van kleur, vol van boezem en schalksch van oog.

Zij sprak tot een jonge en poezele keukenmeid:

--Gij zult een goede klont boter in de pan moeten smelten, want ik houd niet van saus met ijzersmaak.

Uilenspiegel stak zijn neus voor het venster.

--Ik wel, sprak hij, want een hongerige maag kan veel verdragen.

De dame keerde zich om en sprak:

Wat is dat voor een moeial, die zich met mijne keuken bemoeit?

--Eilaas! schoone dame, sprak Uilenspiegel, liet ge mij er een weinig mede bemoeien in uwe gezelschap, ik leerde u gerechten uit vreemde streken maken, die onze dames niet kennen.

En smakkende, zei hij:

--Ik heb dorst.

--Naar wat? vroeg zij.

--Naar u, sprak hij.

--Hij is schoon, zei de keukenprinses tot de dame. Willen wij hem binnenlaten, hij zal ons zijne avonturen vertellen.

--Maar zij zijn getweeën.

--Ik gelast mij met éénen, hernam de keukenmeid.

--Mevrouwe, sprak Uilenspiegel, 't is waar, we zijn getweeën: ik en mijn arme Lamme, die geen honderd pond op den rug kan dragen, doch gemakkelijk met vijfhonderd pond eten en drinken op de maag loopt.

--Jongen, zei Lamme, spot niet met mij; 't is al ongelukkig genoeg, dat mijn buik mij zoo duur kost.

--Vandaag kost hij u geen duit, sprak de dame. Komt beiden binnen.

--Maar, sprak Lamme, er zijn ook twee ezelen, waarop wij zitten.

--In den stal van den grave van Meghem is geene haver te kort, antwoordde de dame.

De keukenmeid liet heure braadpannen staan en bracht Uilenspiegel en Lamme op het binnenhof, en de ezels begonnen seffens te balken.

--Ze rieken eten en ze schateren uit van vreugde, de arme dieren, sprak Uilenspiegel.

Toen beiden van hunne ezels waren gestegen, sprak Uilenspiegel tot de keukenmeid:

--Zoudt gij een ezel lijk ik willen, als gij een ezelinnetje waart?

--Ik zou een jongen met een vroolijk gezicht willen, als ik eene vrouw was, antwoordde zij.

--Wat zijt gij dan, als gij vrouw noch ezelin zijt? vroeg Lamme.

--Eene maagd, sprak zij, eene maagd is geene vrouw, en eene ezelin evenmin: begrijpt gij, dikzak?

Uilenspiegel sprak tot Lamme:

--Gij moet heur niet gelooven, 't is een deugnietje en een duivelinneken. Beëlzebub heeft ze van nu af aan verkoren tot zijne gezellin in de helle.

--Leelijke spotter, antwoordde de keukenmeid.

De dame sprak:

--Drinkt eerst eene pint bruinbier, eet een stuk hesp, snijdt van dien bout, opent de pastei en proeft de salade.

Uilenspiegel vouwde de handen te zamen.

--Hesp, sprak hij, is heerlijk eten; bruinbier, hemelsche drank, hamelbout, goddelijk vleesch; een gevulde pastei doet de tong van genoegen trillen; een geurige salade is een vorstelijke spijs. Doch zalig is hij, die uwe schoonheid tot nagerecht krijgt.

--Hoor hem eens bezig. Toe, eet, ondeugende jongen!

Uilenspiegel antwoordde:

--Zou ik niet liever beginnen met de dankzegging?

--Neen, sprak zij.

Maar Lamme was jammerlijk aan 't zuchten:

--Ik heb honger.

--Gij zult eten, sprak de schoone dame, vermits gij over niets anders bekommert zijt dan over uwen buik.

--Ha! en mijne vrouw, zuchtte Lamme, als om heur gezegde te logenstraffen.

Maar die woorden stelden de meid teleur. Lamme en Uilenspiegel aten buik-sta-bij en dronken als tempeliers. En de dame gaf dien nacht nog te eten aan Uilenspiegel en ook 's anderen daags en volgende dagen.

De ezels kregen een dobbel maatje haver en Lamme dobbel rantsoen. Eene week lang bleef hij in de keuken geplakt en sloeg hij menigerhande schotels naar binnen, maar hij hield zich niet bezig met de meid, want hij dacht te veel aan zijne vrouw.

Dat maakte de dienstmeid spijtig, en ze zei, dat het een schande was den menschen al dien last aan te doen, om uitsluitend aan zijn vettigen buik te denken.

En intusschen leefden Uilenspiegel en de dame zeer vriendschappelijk samen. Eens zegde zij tot hem:

Thijl, zoudt gij de verdediging uwer gemartelde broederen op u nemen?

--De assche van Klaas klopt op mijne borst, antwoordde Uilenspiegel.

--Zóó zijt gij schoon, riep zij uit. Maar wie is die Klaas?

Uilenspiegel antwoordde:

--Mijn vader, die voor het geloove verbrand werd.

--De grave van Meghem lijkt geenszins op u, sprak zij; hij wil eene lating toedienen aan de stad, die ik minne, want ik ben van Antwerpen, de zeeghaftige stede. Weet dus, dat hij overeengekomen is met Scheyf, den raadsheer van Brabant, om zijne tien vendels voetvolk in Antwerpen te brengen.