Part 14
Niemand antwoordde, maar hij hoorde drie kloppen op de tafel. Uilenspiegel, verschrikt en huiverend, vroeg nogmaals:--Wie is daar? Hij kreeg geen antwoord, maar hoorde drie kloppen op de tafel en voelde twee armen die hem vastgrepen, en over zijn gelaat zich een ruig lichaam buigen, dat een groot gat in de borst had en naar verbrand rook.
--Vader, sprak Uilenspiegel, is het uw arm lichaam, dat aldus op mij drukt?
Hij kreeg geen antwoord, en, hoewel de schimme omtrent hem was, hoorde hij buiten roepen: "Thijl! Thijl!" Soetkin stond schielijk op en kwam aan Uilenspiegel's bed. "Hoort gij niets?" vroeg zij hem.
--'t Doet, vader die mij roept.
Ik, sprak Soetkin, ik heb een koud lichaam in mijn bedde gevoeld; en de stroozakken schudden en de gordijnen gingen open en toe en 'k hoorde eene stemme die sprak: "Soetkin"; eene stemme die zwak als een ademtocht was, en stappen zoo licht als het dansen der muggen. Vervolgens tot den Geest van Klaas sprekend, zegde zij: "Man, zoo gij iets begeert in den hemel alwaar God U opgenomen heeft, moet gij het zeggen, opdat wij uwen wil kunnen volbrengen."
Eensklaps sloeg de wind met geweld de deur open en de kamer werd met stof vervuld, en Uilenspiegel en Soetkin hoorden in de verte een akelig ravengekras.
Zij kwamen samen buiten en gingen naar den brandstapel.
Het was stikdonker, behalve wanneer de gure Noordenwind de wolken in den hemel als herten voortjoeg en de bleeke maan heur zilveren licht ter aarde zond.
Een stadsserjant stond op wacht bij den brandstapel. Soetkin en Uilenspiegel hoorden den klank zijner stappen op den harden grond en het gekras eener raaf, die zekere raven bijriep, want het werd in de verte beantwoord door andere raven.
Als Uilenspiegel en Soetkin bij den brandstapel waren, viel de raaf op Klaas' schouderen neer, en zij hoorden heur pikken in het lijk, en andere raven vlogen weldra bij.
Uilenspiegel wilde op den brandstapel springen om de raven te verjagen; de serjant sprak tot hem:
--Tooveraar, 't is nuttelooze moeite die gij doen gaat, weet dat de handen van verbranden het vermogen niet hebben onzichtbaar te maken als die van gehangenen.
--Heer serjant, antwoordde Uilenspiegel, ik ben geen tooveraar, maar de wees van hem die daar hangt, en deze vrouw is zijne weduwe. Wij willen hem nogmaals kussen en een weinig van zijne assche meenemen, tot gedenkenis. Laat het ons toe, heer, gij die geen vreemd soldenier, maar een zoon van Vlaanderen zijt.
--Doet als gij vraagt, antwoordde de serjant.
De wees en de weduw klommen op het verkoold hout en kwamen bij het lijk; weenend kusten zij Klaas zijn gezicht.
Ter plaats van het hert, waar de vlam een groot gat had geknaagd, nam Uilenspiegel een weinig asch van den doode. Vervolgens nederknielend, begonnen zij te bidden. En toen de ochtendschemering de kimmen lichtte, zaten beiden daar nog; doch de sergeant deed hen heengaan, uit vreeze voor straf.
Thuis, nam Soetkin een stukje roode en een stukje zwarte zijde; zij maakte een zakje van, in hetwelk zij de assche stak; en zij naaide twee linten aan het zakje, opdat Uilenspiegel het om den hals kon dragen. Zij langde hem het zakje en sprak:
--Dat deze assche, die het hert van mijn man is, dit rood, dat zijn bloed is, dit zwart, dat onze rouw is, steeds op uwe borst blijve, als een vuur van wrake voor zijne beulen!
--Dat zal, zwoer Uilenspiegel.
En de weduw kuste den wees, en de zonne stond op.
LXXVI.
's Anderen daags kwamen de serjanten en omroepers der gemeente in de hut van Klaas, om al het huisraad op straat te brengen en publiek te verkoopen. Van uit Katelijne's huis zag Soetkin de wieg van ijzer en kooper beneden komen die, van vader tot zoon, altijd in Klaas' huis was geweest, waarin de arme doode geboren was en ook Uilenspiegel ter wereld kwam. Vervolgens bracht men ook het bedde beneden, in hetwelk Soetkin heuren zoon had ontvangen. En vervolgens de schapraai, en de ketels, pateelen en potten, die niet meer blonken lijk weleer, maar nu vuil van het stof waren.
En ook eene tonne enkele en een klein vaatje dobbele kuite en, in een groote mande, ten minste dertig flesschen wijn; en alles werd op straat gezet, tot den laatsten stoel uit het huis.
Met bloedend herte, doch zonder klagen, zag zij zich heur nederigen rijkdom, alle die herinneringen van vroeger, alle die vrienden ontnemen. De omroeper stak de keers aan en het huisraad werd stuk voor stuk verkocht. De keers was bijkans op, als de deken der vischverkoopers alles tegen een spotprijs gekocht had om het voort te verkoopen. Hij scheen vergenoegd als een wezel, die de hersenen eener henne uitzuigt.
Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet blijven lachen, moordenaar."
De verkoop was gedaan en nochtans bleven de serjanten overal zoeken, zonder de karolussen te vinden. De vischverkooper riep:
--Gij zoekt slecht: ik weet dat Klaas voor zes maanden zevenhonderd karolussen bezat.
Uilenspiegel zei in zich zelven: "Gij zult niet erven, moordenaar."
Eensklaps keerde Soetkin zich naar hem en sprak, met den vinger naar den vischverkooper wijzend:
--Dáár is de aanbrenger!
--Ik weet het, zei Uilenspiegel.
--Duldt gij, sprak zij, dat hij uws vaders bloed erve?
--Nog liever zat ik een heelen dag op de pijnbank, antwoordde Uilenspiegel.
--Ik ook, sprak Soetkin, maar spreek niet uit medelijden, hoe groot ook de smerte weze die ik lijde.
--Eilaas! gij zijt eene vrouwe, zei Uilenspiegel.
--Arme jongen, sprak Soetkin, ik bracht u ter wereld en kan tegen 't lijden. Maar gij, als ik u zag.... Vervolgens verbleekend: Ik zal de Heilige Maagd bidden, die heuren zoon aan het kruis zag....
En zij weende, en kuste Uilenspiegel.
En aldus sloten zij een verdrag, dat hun haat en hunne kracht versterkte.
LXXVII.
De vischverkooper moest maar de helft van de koopsom betalen, mits de andere helft hem als aanbrenger toekwam, tot dat men de zevenhonderd gouden karolussen vond, die hem tot zijn eerlooze daad aangezet hadden.
Soetkin weende 's nachts en werkte 's daags in het huishouden. Dikwijls hoorde Uilenspiegel haar in zich zelve zeggen:
--Als hij erft, laat ik mij dooden.
Nele en hij, wisten dat zij doen zou wat zij zeide; zij deden hun best om Soetkin te bewegen naar Walcheren te trekken, alwaar zij magen had. Soetkin wilde niet, zeggende dat zij zich niet verwijderen wilde van den bodem, die weldra heur gebeente zou ontvangen.
Ondertusschen ging de vischverkooper opnieuw tot den baljuw en zegde, dat de aflijvige voor eenige maanden zevenhonderd karolussen geërfd had, dat Klaas een spaarzam man was en dat hij dus die groote som niet verteerd had, maar dat ze ergens verborgen moest zijn.
De baljuw vroeg hem wat kwaad Uilenspiegel en Soetkin hem hadden gedaan om, na den eenen zijn vader en de andere heuren man te hebben ontnomen, hen nu nog zoo wreedelijk te vervolgen.
De vischverkooper antwoordde dat hij, als hoogpoorter van Damme, de wetten van den lande wilde doen eerbiedigen om 's keizers goedertierenheid te verwerven.
Daarop liet hij in handen van den baljuw een geschrevene aanklacht en hij bracht getuigen, die, in volle waarheid sprekende, huns ondanks moesten bevestigen, dat de vischverkooper niet loog.
Op die getuigenissen verklaarden de heeren van de Schepenkamer, dat de vermoedens van plichtigheid voldoende waren om de torture toe te passen. Dienvolgens lieten zij het huis opnieuw afzoeken door de serjanten, die last hadden moeder en zoon naar het Steen te brengen, alwaar zij zouden opgesloten blijven, tot dat de scherprechter van Brugge kwam, die men op staanden voet had ontboden.
Toen Soetkin en Uilenspiegel gekoord en gebonden door de straat kwamen, stond de vischverkooper aan zijne deur naar hen te kijken.
En de poorters en poorteressen van Damme stonden ook aan hunne deur. Mathijssen, de naaste gebuur van den vischverkooper, hoorde Uilenspiegel tot den lafaard zeggen:
--Gij, die eene weduwe martelt, wordt gedoemd door den Heere!
En ook Soetkin, die zei:
--Gij, die eenen wees vervolgt, zult een kwaden dood sterven!
Toen die van Damme aldus vernomen hadden dat het op een tweede aanklacht van Grijpstuiver was, dat men moeder en zoon naar 't gevang bracht, jouwden zij den vischverkooper uit en smeten 's avonds steenen in zijne ruiten. En zijne deur werd vol vuiligheid bestreken.
En hij dorst niet meer buitenkomen.
LXXVIII.
Omtrent tien uur des voormiddags werden Soetkin en Uilenspiegel in de folterkamer gebracht.
Daar waren de baljuw, de griffier en de schepenen, de beul van Brugge, zijn knecht en een chirurgijn-baardemaker.
De baljuw vroeg aan Soetkin of zij niets achterhield dat den keizer toekwam. Zij antwoordde dat zij, mits zij niets bezat, niets kon achterhouden.
--En gij? vroeg hij aan Uilenspiegel.
--Voor zeven maanden, antwoordde hij, erfden wij zevenhonderd karolussen; eenigen daarvan zijn verteerd. En ik weet niet waar de andere zijn, maar ik denk dat de reiziger, die tot onzen rampspoed ten onzent verbleef, die heeft medegenomen, want nooit heb ik thuis karolussen gezien.
De baljuw vroeg toen nog eens of beiden in hun gezegde bleven volherden.
Zij antwoordden, dat zij geenerlei goed achterhielden dat den keizer toekwam.
Ernstig doch vol medelijden, sprak de baljuw:
Mits de lasten tegen u beiden zwaar zijn, zult gij, zoo gij geen bekentenis doet, de pijnbank moeten verduren.
--Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel. De vischverkooper heeft alles gekocht wat er was.
--Arme jongen, sprak Soetkin, de mannen kunnen geen smerten als de vrouwen verdragen.
Als zij zag dat Uilenspiegel om harentwille wit als een doode was, zeide zij nog:
--Ik haat en 'k ben sterk.
--Spaar de weduw, sprak Uilenspiegel.
--Neem mij in zijne plaats, zei Soetkin.
De baljuw vroeg aan den beul of alles gereed was om de waarheid te ontrukken.
De beul antwoordde:
Alles is gereed.
De rechters, na beraadslaagd te hebben, besloten dat men moest beginnen met de vrouw, om 't stuk te doen bekennen.
--Want, sprak een der schepenen, geen zoon is zoo wreedaardig dat hij zijne moeder kan zien lijden, zonder te bekennen om heur te verlossen.
De baljuw sprak tot den scherprechter:
--Zet de vrouw op den stoel en doe de stokskens aan heure handen en voeten.
De beul gehoorzaamde.
--Ho! doet dat niet, mijne heeren, riep Uilenspiegel. Bindt mij vast in heure plaats, breekt mijne vingeren en teenen, maar spaart heur!
--De vischverkooper! riep Soetkin. Ik haat en 'k ben sterk.
Uilenspiegel werd nog bleeker, beefde en zweeg.
De stokskens, die van palmhout waren, werden tusschen de vingeren gestoken. Door middel van koordjes waren zij tot een zoo vernuftigen toestel gemaakt, dat de beul naar den wil van den rechter, al de vingeren kon pletteren, of den lijder maar een geringe pijn veroorzaken.
Hij stak de stokskens tusschen de vingeren en teenen van Soetkin.
--Trek aan, zei de baljuw.
De hangman deed het wreedelijk.
Toen sprak de baljuw tot Soetkin:
--Zeg mij waar de karolussen liggen.
--Ik weet het niet, antwoordde zij zuchtend.
--Nijp harder, sprak hij.
Uilenspiegel wilde zijne armen losrukken, die op zijnen rug waren gebonden, om Soetkin te hulpe te komen.
--Doet niet prangen, heeren rechters, het zijn teere en broze vrouwenvingeren. Een vogeltje zou ze aan stukken pikken. Prangt niet; heer scherprechter, ik spreek geenszins tot u, want gij moet doen wat die heeren u heeten. Spant niet, hebt medelijden.
--De vischverkooper! riep Soetkin.
En Uilenspiegel zweeg.
Doch, als hij zag dat de beul de stokskens harder deed spannen, riep hij opnieuw:
--Erbarming, heeren! Daar breekt gij heure vingeren die zij noodig heeft om te werken. Laas! heure voeten, nu zal zij niet meer kunnen gaan! Erbarming, heeren!
--Vischverkooper, gij zult een bangen dood sterven! riep Soetkin.
En heure beenderen kraakten en 't bloed van heure voeten gutste ten gronde.
Uilenspiegel zag het en sprak, bevend van smert en van gramschap:
--Vrouwenbeenderen, breekt ze toch niet, heeren rechters.
--De vischverkooper! zuchtte Soetkin.
En heure stem was zacht als de stem van eene schim.
--Heeren rechters, de handen en voeten zijn rood van 't bloed. Men heeft heure beenderen gekraakt.
De chirurgijn-baardemaker raakte ze aan, en Soetkin stiet een kreet van smerte.
--Beken in heure plaats, zei de baljuw tot Uilenspiegel.
Maar Soetkin bezag hem met opengesperde oogen, als die van een doode. En hij begreep dat hij niet spreken mocht, en weende zonder een woord te uiten.
--Daar die vrouwe de kloekmoedigheid des mans heeft, sprak toen de baljuw, moet men ze beproeven door heuren zoon onder heure oogen uit te rekken.
Soetkin hoorde niet, want zij lag in bezwijming, door de pijnen die zij uitstond.
Men deed ze met azijn tot heur zelve komen.
Vervolgens werd Uilenspiegel ontkleed en bloot voor de oogen zijner moeder gesteld. De beul scheerde hem zijn haar af, om te zien of hij geenerlei tooverteeken verbolgen hield. Toen zag hij op zijn rug een zwarte geboortevlek. Verscheidene reizen stak hij er in met een lange naalde; er kwam bloed uit, en hij was van oordeel dat het litteeken geen tooverije verborg. Op 't bevel van den baljuw, werden Uilenspiegel's handen gebonden met twee koorden, die rond een wielken aan een zolderbalk hingen, zoodat de beul, op bevel van de rechters, hem met geweldige schokken kon optrekken en weer laten vallen; dit deed hij wel negen reizen, na vooraf aan elk been een gewicht van vijf en twintig pond te hebben gebonden.
Bij den negenden schok, scheurde de huid en werden polsen en enkels ontwricht.
--Belijd, sprak de baljuw.
--Neen, antwoordde Uilenspiegel.
Soetkin bezag heuren zoon, doch zij had de kracht niet om te roepen of te spreken; zij stak alleenlijk heure bloedige handen uit, ten teeken dat men die folteringen zou staken.
Maar de beul trok Uilenspiegel nogmaals op, om hem te laten vallen. En het vel der polsen en enkels scheurde erger en zijn voeten werden nog erger ontwricht; doch hij schreeuwde niet.
Soetkin weende en zwaaide met heure bloedige handen.
--Belijd, sprak de baljuw, en gij krijgt vergiffenis.
--De vischverkooper heeft vergiffenis noodig, antwoordde Uilenspiegel.
--Is 't om met de rechters te spotten? vroeg een der schepenen.
--Spotten? Laas, antwoordde Uilenspiegel, ik heb er geen lust toe, ge moogt mij gelooven.
Soetkin zag toen den beul, op bevel van den baljuw, een fornuis aanstoken, terwijl een beulsknecht twee keersen deed branden.
Zij wilde rechtstaan op heure vermorzelde voeten, doch zij viel terug, uitroepende:
--Weg met dat vuur! Ach! heeren rechters, spaart zijne jeugd. Weg met dat vuur!
--De vischverkooper! riep Uilenspiegel, heur ziende wankelen.
--Trek Uilenspiegel een voet boven den grond, sprak de baljuw; stel het fornuis onder zijne voeten en eene keers onder elken oksel.
De beul gehoorzaamde. Het haar onder de okselen knetterde en schroeide onder de vlamme.
Uilenspiegel schreeuwde, en Soetkin sprak weenend:
--Doe dat vuur weg.
--Belijd, sprak de baljuw, en gij zult verlost zijn. Belijd voor hem, vrouwe.
En Uilenspiegel sprak:
--De vischverkooper verdient het eeuwige vuur!
Soetkin schudde het hoofd tot teeken dat zij niets te zeggen had. Uilenspiegel knarste op zijne tanden, en weenend keek Soetkin met verwilderde oogen naar heuren zoon.
Nochtans toen de beul de keersen uitgeblazen had en het gloeiend fornuis onder Uilenspiegels voeten plaatste riep zij uit:
--Heeren rechters, hebt medelijden met hem, hij weet niet wat hij zegt.
--En waarom niet? vroeg de baljuw listiglijk.
--Ondervraagt heur niet, heeren rechters, sprak Uilenspiegel, gij ziet wel dat de smert heur waanzinnig maakt. De vischverkooper heeft gelogen.
--Spreekt gij als hij, vrouw? vroeg de baljuw.
Soetkin knikte van ja.
--Verbrandt den vischverkooper! riep Uilenspiegel.
Soetkin zweeg, hief den arm tot vermaledijding omhoog.
Doch als zij het fornuis zag gloeien onder de voeten haars zoons, riep zij uit:
--Heere God! Heilige Maria, die in de hemelen zijt, stelt toch een einde aan die marteling! Ontferming! Doe het vuur weg!
--De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel nog.
Hij spuwde bloed door den mond en de neusgaten, en hij bleef met gebogen hoofde, boven de gloeiende kolen hangen.
Toen riep Soetkin:
--Hij is dood! Zij hebben hem vermoord! Ha! hem ook! Rechters, doet het vuur weg! Laat mij hem in mijne armen nemen, om getweeën te sterven. Gij weet dat ik niet kan wegloopen, met mijn gebroken voeten.
--Geef de weduw haren zoon, sprak de baljuw.
Vervolgens gingen de rechters tot beraadslaging over.
De hangman maakte Uilenspiegel los en legde hem naakt en met bloed overdekt op den schoot zijner moeder, terwijl de chirurgijn-baardemaker de beenderen weer in de gewrichten bracht.
En Soetkin kuste Uilenspiegel, en weende en sprak:
Mijn zoon, arme martelaar! Ik zal u genezen, zoo de heeren rechters het gedoogen; maar wordt toch wakker, Thijl, mijn zoon! Heeren rechters, als gij hem gedood hebt, zal ik tot Zijne Majesteit gaan; want gij hebt gehandeld tegen wet en recht, en gij zult zien wat een arme vrouwe tegen de boozen vermag. Maar, heeren rechters, laat ons in vrijheid. De hand Gods valt zwaar op ons neder, en wij zijn slechts getweeën op de wereld.
Na beraadslaging, brachten de rechters de volgende sententie uit:
"Omme dieswille dat gij, Soetkin, weduwvrouwe van Klaas, en gij, Thijl, zoon van Klaas, in de wandelinge Uilenspiegel, beschuldigd het goed geroofd te hebben dat door verbeurdverklaring, niettegenstaande alle privileges, aan Zijne Koninklijke Majesteit toebehoorde, in weerwil van de pijnbank en voldoende beproevingen, niets beleden hebt;
"Overwegende het gebrek aan bewijzen, en gezien den erbarmlijken staat uwer ledematen, vrouwe, en de tortuur die gij onderstaan hebt, man, verklaart de vierschaar u beiden vrij en staat u toe, niettegenstaande uwe armoede, te wonen bij hem of heur van de stede, waar het u believen zal.
"Aldus gewijsd ende geprononcieerd te Damme, den drij en twintigsten van Wijnmaand van 't jaar onzes Heeren 1558."
--Weest gezegend, heeren rechters, sprak Soetkin.
--De vischverkooper! zuchtte Uilenspiegel.
En moeder en zoon werden op eene kar naar 't huis van Katelijne gevoerd.
LXXIX.
In dat jaar, het acht en vijftigste der eeuw, kwam Katelijne bij Soetkin binnen en sprak:
"Dezen nacht heb ik mij laten vervoeren, door middel van eenen stok met zalve bestreken, naar den Onze-Lieve-Vrouwetoren. Daar zag ik de sylphen de gebeden der menschen overgeven aan de engelen, dewelke naar het hoogste der hemelen vlogen om ze naar den troon Gods te dragen. En heel het hemelrijk was met fonkelende sterren bezaaid. Eensklaps verhief zich van op een brandstapel een zwarte gedaante, die omtrent mij op den toren kwam zitten. Ik herkende Klaas gelijk hij was in zijn leven, met zijne kooldragerskleeren.--Wat doet gij hier op Onze-Lieve-Vrouwetoren? vroeg hij mij,--Maar gij zelf, antwoordde ik, waar gaat gij henen, vliegend door de lucht als eene zwaluw?--Ik ga, sprak hij, naar het oordeel; hoort gij de trompet van den engel niet? Ik stond dicht tegen hem, en voelde dat zijn lichaam niet vast was gelijk dat der levenden, maar zoo licht dat ik er doorging als door een warmen damp. Aan mijne voeten, heel Vlaanderenland door, flikkerden eenige lichtjes, en ik sprak in mij zelve: Zij die vroeg opstaan en spade werken, zijn gezegend door God.
En heel den nacht hoorde ik de trompet van den engel schallen. En ik zag een andere gedaante omhoog stijgen; ze kwam uit Spanje; deze was oud en afgeleefd; siroop van kweeperen hing nog aan hare lippen. Om de schouders droeg zij een karmozijnpannen mantel, gevoerd met hermelijn, op het hoofd eene keizerskroon, in de eene hand eene ansjovis, in de andere een beker bier.
Zij kwam, zeker uit vermoeienis, op Onze-Lieve-Vrouwetoren zitten. Nederknielend vroeg ik haar: Gekroonde Majesteit, vol eerbied lig ik voor U neder, doch ik ken U niet. Van waar komt gij, wat doet gij op de wereld?--Ik kom, sprak zij, van Sint-Just in Estramadura, en was keizer Karel de vijfde.--Maar, vroeg ik, waar vaart gij henen, in dien kouden nacht, door dien hemel vol hagelwolken?--Ik ga, was het antwoord, naar het oordeel.
Als de keizer zijne ansjovis wilde eten en zijn bier wilde drinken, schalde de trompet van den engel. En de keizer verhief zich in de lucht, grommend omdat hij niet voorteten kon. Ik volgde Zijne Heilige Majesteit. Hij vloog door het luchtruim, hijgend van vermoeienis, blazend van aamborstigheid, en soms brakend, want hij was van overdaad gestorven. Wij klommen hooger en hooger, gelijk de pijlen uit eenen boog van kornoelje-hout. De sterren vlogen ons voorbij en lieten vurige strepen na. De trompet des engels weerschalde, met een machtig, klaterend geweld. Bij elk geschal dat door de ruimte klonk, sloeg de lucht uiteen, alsof een orkaan had geblazen. En aldus werd de weg gebaand. Duizend uren hoog en nog meer, zagen we Christus, in al zijn heerlijkheid op een sterrentroon gezeten. Aan zijne rechterzijde, zat de engel die de daden der menschen opteekent in een bronzen boek, en aan zijne linkerzijde, Maria, zijne moeder, die de zondaren voorsprak.
Klaas en keizer Karel knielden neder voor den troon.
De engel sloeg den keizer de krone van 't hoofd:--Christus alleen is keizer, sprak hij.
Zijne Heilige Majesteit scheen verstoord, doch nederig vroeg hij: Zou ik dit ansjovisje en dit bier niet mogen behouden, want 'k heb honger van die lange luchtvaart?--Gelijk heel uw leven, antwoordde de engel; nu, eet en drink maar.
Als hij gedaan had, vroeg Christus:
--Komt gij met zuivere ziele naar 't oordeel?
--Ik hoop het, zoete heer Jezus, want ik heb gebiecht, antwoordde keizer Karel.
--En gij, Klaas? vroeg Christus; gij beeft niet lijk die keizer.
--Heer Jezus, antwoordde Klaas, geenerlei ziele is teenemaal zuiver, doch ik heb geen angst voor U, die het opperste goed en de opperste rechtveerdigheid zijt; maar ik vrees voor mijne zonden, die groot in getal waren.
--Spreek, aardworm, sprak de engel tot den keizer.
--Heer, antwoordde Karel met verlegene stem, gezalfd door de hand uwer priesteren, werd ik koning van Castilië, keizer van Duitschland en Roomsch koning gewijd. Steeds nam ik de instandhouding van de macht, die van U komt, ter herte, en ik ging de ketterije te keer te vuur en te zweerd, met put en galg.
--Leugenaar, sprak de engel, gij wilt ons bedriegen. In Duitschland duldet gij de ketteren, want gij vreesdet hen, maar gij deedt ze onthalzen, branden, hangen en levend begraven in de Nederlanden, dáár waar gij vreesdet niet genoeg te erven van die noeste bijen, zoo rijk aan honig. Honderd duizend menschen werden ter dood gebracht, niet omdat gij Christus, mijnen Heere, bemindet, maar omdat gij een dwingeland, een landverwoester waart, die niemand bemindet, dan zichzelven, en daarna het vleesch, de visch, het bier en den wijn, want gij waart gulzig als een hond en dronkt als eene spons.
--En gij, Klaas, spreek, zegde Christus.
Doch de engel stond recht en sprak:
--Deze heeft niets te zeggen. Hij was goedhertig, neerstig, gelijk heel het Vlaamsche volk, dat geerne werkt en geerne lacht, dat den eed gestand bleef, denwelken het aan zijne vorsten gezworen had, in den waan dat zijne vorsten ook den hunne zouden houden. Hij had geld, hij werd in beschuldiging gesteld, en omdat hij een ketter gehuisd had, werd hij levend verbrand.
Maria sprak toen:--Arme martelaar! doch in het hemelrijk zijn frissche bronnen, fonteinen die melk en wijn spuiten; kom mee, kooldrager, ik zal u leiden.
Nogmaals schalde de trompet van den engel en, van uit het diepste des afgronds, zag ik een schoonen, naakten man verrijzen, met een ijzeren krone op 't hoofd. En op den band van de krone stond geschreven: Droef tot op den dag der gerechtigheid.
Hij naderde den troon en zeide tot Christus:
--Ik ben uw slaaf tot dat ik uw meester worde.
--Satan, sprak Maria, eens komt een dag waarop er geen meesters noch slaven meer zijn, waarop Christus dewelke liefde is, en Satan, die de hoogmoed is, beteekenen zullen: Macht en kennis.