De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 13

Chapter 133,996 wordsPublic domain

--De aanbrenger, toevallig eens te Damme gebleven, ten einde zijn geld te Brugge niet in slemperijen en braspartijen te verteren, gelijk dit meer gebeurt bij deze heilige gelegenheid, stond in pais een luchtje te scheppen aan zijne zulle, toen hij een man de Reigerstraat zag ingaan. Klaas, den man ziende, ging hem tegen en groette hem. De man was in 't zwart gekleed. Hij ging bij Klaas binnen en de deur bleef half open. Nieuwgierig om te weten wie die man was, ging de aanbrenger in de gang en hoorde Klaas met den vreemdeling spreken over zekeren Judocus, zijn broeder, die, onder de protestantsche troepen gevangengenomen, omtrent Aken geradbraakt werd. De vreemdeling zei tot Klaas: aangezien het geld hetwelk zijn broeder hem gegeven had, genomen was van het arme, onwetende volk, hij het moest gebruiken om zijn zoon op te brengen in den hervormden eeredienst. Ook zette hij Klaas aan om den schoot Onzer Moeder de Heilige Kerk te verlaten, en nadat hij allerlei goddelooze woorden uitgesproken had, antwoordde Klaas alleenlijk: De beulen! De moordenaars! Mijn arme broeder! En dusdoende lasterde de beschuldigde Onzen Heiligen Vader den Paus en Zijne Koninklijke Majesteit, omdat zij de ketterije terecht willen straffen als eene misdaad van goddelijke en menschelijke majesteitsschennis. Als de man gedaan had met eten, hoorde de aanbrenger Klaas uitroepen: "Arme Judocus, dat God zich uwer ontferme; zij waren wreed jegens u." Daardoor beschuldigde hij God zelf van goddeloosheid, door te willen veronderstellen dat Hij ketteren in zijnen hemel zou ontvangen. En Klaas hield niet op te zeggen: "Mijn arme broeder!" Gelijk een kettersch predikant, riep de vreemdeling toen in woede uit: "Zij zal vallen, de Babylonische Hoer, en het verblijf worden van duivelen en roofdieren." Klaas riep daarop: "De beulen, de moordenaars! Mijn arme broeder!" De vreemdeling, zijne rede vervolgende, sprak: "Want de engel zal eenen steen oprapen, zoo groot als een molensteen. En hij zal hem in de zee smijten en zeggen: Zoo wordt het groot Babylon weggeworpen en nimmermeer teruggevonden."--"Heer, sprak Klaas, uw mond is vol grammoedigheid; maar zeg mij wanneer de heerschappij zal komen in dewelke de zachtmoedigen in pais op de wereld zullen kunnen leven?"--"Nooit! antwoordde de vreemdeling, zoolang de antichrist regeert, dat is de paus, die een vijand van licht en waarheid is."--"Ha! sprak Klaas, gij spreekt zonder eerbied van Onzen Heiligen Vader. Hij is onwetend van de wreede folteringen waarmede de arme protestanten gestraft worden." De vreemdeling antwoordde: "Zeker weet hij het, want het is op zijne bevelen dat zij worden om hals gebracht door den keizer, nu door den koning, die profijt trekt uit de verbeurdverklaringen, die van de gestorvenen erft en juist liefst de rijken uit hoofde van ketterije voor de Vierscharen daagt." Klaas antwoordde: "Overal spreekt men ervan in Vlaanderenland, ik moet het gelooven. Het vleesch des menschen is zwak, al is het ook koninklijk vleesch. Mijn arme Judocus!" En Klaas gaf alzoo te verstaan dat het uit een verachtelijk winstbejag is dat Zijne Majesteit de ketteren doet straffen. Mits de vreemdeling wilde voortgaan, antwoordde Klaas: "Gelief, Heere, met deze reden niet voort te gaan, want werden zij gehoord, ik zou het duur moeten bekoopen."

... Klaas stond op om naar den kelder te gaan, waaruit hij met een kan bier terugkwam: "Ik ga de deur toedoen", sprak hij vervolgens, en de aanbrenger hoorde niets meer, want hij moest haastelijk het huis verlaten. Maar met valavond werd de deur weer geopend. De vreemdeling ging heen, maar weldra kwam hij weder kloppen, zeggende: "Klaas, 't is koud; ik weet niet waar slapen; verleen mij eene schuilplaats; niemand heeft mij zien binnenkomen; alles is stil." Klaas liet hem binnen, stak eene lanteerne aan en men zag hem,--den ketter den weg wijzend,--de trap opgaan en den vreemdeling brengen in een kleine dakkamer waarvan het venster uitzicht geeft in den hof.

--Wie anders, riep Klaas uit, kan dat alles overgedragen hebben dan gij, deugniet van een vischverkooper? Stondt gij dien Zondag niet stijf als een paal aan uwe zulle, schijnheilig naar de zwaluwen te kijken?

En hij wees naar Judocus Grijpstuiver, deken der vischverkoopers, die met zijn leelijke tronie tusschen het volk te zien was.

De vischverkooper grijnslachte, toen hij hoorde dat Klaas aldus zich zelven verried. Allen die van 't gemeen, mannen, vrouwen en meidekens, zeiden tot elkaar:

--Arme man, die woorden kosten hem het leven!

Doch de griffier ging voort:

--De ketter en Klaas spraken dien nacht en ook de zes volgende nachten langdurig met elkander; men kon den vreemdeling vele gebaren van dreigement of van zegening zien maken, de handen ten hemel zien heffen, als zijne gelijken in ketterije plegen te doen. Klaas scheen zijne reden goed te keuren. Voorzeker spraken zij die dagen, avonden en nachten smadelijk over de misse, de biecht, de aflaten en Zijne Koninklijke Majesteit....

--Niemand heeft dat gehoord, sprak Klaas, en zonder bewijzen mag men mij daarvan niet beschuldigen!

De griffier hernam:--Men heeft andere dingen gehoord. Als de vreemdeling den zevenden dag omtrent den valavond vertrok, hebt gij hem uitgeleide gedaan tot aan den paalsteen van Katelijne's akker. Daar vroeg de vreemdeling u wat gij gedaan hadt met de leelijke afgodenbeelden--en de baljuw sloeg een kruis--van de Allerheiligste Maagd, van Sint-Nikolaas en van Sint-Maarten? Gij antwoordet dat gij ze gebroken en in den put gesmeten hadt. Zij werden inderdaad, verleden nacht, in uwen put gevonden, en de stukken ervan liggen in de folterkamer.

Op die rede scheen Klaas verstomd. De baljuw vroeg hem of hij niets te antwoorden had; Klaas zegde van neen.

De baljuw vroeg hem of hij de vermaledijde gedachte niet herroepen wilde, die hem de beelden had doen breken, alsmede de goddelooze doling dewelke hem smadelijke woorden ten opzichte van Zijne Goddelijke Majesteit en ten opzichte van Zijne Koninklijke Majesteit had doen uitspreken.

Klaas antwoordde dat zijn lijf aan Zijne Koninklijke Majesteit, maar dat zijn geweten aan Christus behoorde, wiens wet hij wilde opvolgen. De baljuw vroeg hem of die wet diegene van de Heilige Kerk was.

--Zij staat geschreven in de Heilige Schrift, antwoordde Klaas.

Aangemaand te antwoorden op de vraag of de Paus de Stadhouder van Christus op dees aarde is, sprak hij:

--Neen!

--Ondervraagd of hij geloofde dat het verboden was de beelden van de Heilige Maagd en van de Heiligen te aanbidden, antwoordde hij, dat het afgoderij was. Ondervraagd over het stuk of de oorbiecht goed is en heilzaam, antwoordde hij:

--Christus heeft gezegd: Belijdt uwe zonden aan malkander.

Hij was kloekmoedig in zijne antwoorden, hoewel hij in den grond treurig en angstig scheen.

Acht uren had de klok geslagen en de avond viel: de heeren der rechtbank stelden de uitspraak uit tot den volgenden dag.

LXXI.

In Katelijne's hut weende Soetkin, waanzinnig van smerte. En gedurig sprak zij:

--Mijn man! mijn arme man!

Uilenspiegel en Nele omhelsden heur met oneindige teederheid. Zij drukte hen toen in heure armen en weende in stilte. Dan deed zij hun teeken heur alleen te laten. Nele sprak tot Uilenspiegel:

--Laat heur, zij wil het; wij zullen de karolussen redden.

En zij togen henen; Katelijne liep rond Soetkin en sprak:

Maak open: mijne ziel wil er uit!

En Soetkin, met strakke oogen, keek heur aan zonder heur te zien.

De hutten van Klaas en van Katelijne paalden aaneen, die van Klaas stond wat achteruit en had een hofje van voren. Bij het huisje van Katelijne hoorde een boonenveld, dat op de straat uitgaf. Dat veld was afgesloten met een groene haag, waarin Uilenspiegel en Nele, toen ze jong waren, een gat gemaakt hadden, om bij malkander te komen.

Uilenspiegel en Nele gingen in het boonenveld en van daar zagen zij den landsknecht welke, met waggelenden kop in de lucht spuwde, maar het speeksel viel terug op zijn wambuis. Een flesch lag nevens hem.

--Nele, sprak Uilenspiegel stille, die dronken soldaat heeft niet genoeg gedronken, hij moet nog meer drinken. Eerst dan zullen wij hem meester zijn. Laat ons de flesch nemen.

Bij den klank hunner stemmen, keerde de soldenier zijn zwaren kop naar hen toe; hij zocht zijne flesch en, die niet vindende, spuwde hij voort in de lucht om in den maneschijn zijn speeksel te zien vallen.

--De brandewijn zit tot aan zijne tanden, sprak Uilenspiegel, ziet gij, Nele, hoe moeilijk hij spuwt?

Als de soldenier opnieuw gespuwd en in de lucht gekeken had, stak hij de hand uit naar de flesch. Hij vond ze, zette ze aan zijn mond, stak zijn hoofd achteruit, klopte zachtjes op de flesch om er de laatste droppelen uit te halen en lokte er aan als een kind aan de borst zijner moeder. Er niets meer in vindende, smeet hij de flesch weg, vloekte toen in het Hoogduitsch, spuwde weer, liet den kop rechts en links vallen, knauwde een onverstaanbaar vaderons en sliep in.

Uilenspiegel, die begreep dat die slaap niet van langen duur wezen zou, zegde dat zij hem nog zwaarder moesten doen ronken; hij kroop door de haag, nam de flesch van den dronkenlap, gaf ze aan Nele, die ze met brandewijn vulde.

De soldaat snorkte door; Uilenspiegel kroop weder door het gat van de haag, stak de volle flesch tusschen de beenen van den dronkaard en keerde terug in het boonenveld, waar hij met Nele bleef wachten.

De koelte van de versch gevulde flesch deed den soldaat de oogen openen, en onwillekeurig tastte hij naar het voorwerp, dat hem koude veroorzaakte.

Zijn dronkaards-instinct zei hem, dat het wel eene volle flesch kon wezen, en hij greep ze vast. Uilenspiegel zag hem, in den maneschijn, de flesch schudden om te hooren of er iets in was, er van proeven, lachen en verwonderd zijn dat zij zoo vol was, dan een slok drinken, de flesch neerzetten, weernemen en nog drinken.

Toen zong hij:

Komt in 't blauw heer Maneschijn 's Avonds bij vrouw Zee....

Bij de Hoogduitschers is vrouwe Zee de gemalinne van heer Maan, die de meester der vrouwen is. Hij zong dus:

Komt in 't blauw heer Maneschijn 's Avonds bij vrouw Zee, Vrouwe Zee dan biedt hem aan Heet haar grooten roemer wijn, Komt in 't blauw heer Maneschijn.

Met hem zal ze aan tafel gaan, Om zijn hals haar armen slaan, En is 't rijke maal gedaan, In haar bed hem liggen gaan, Komt in 't blauw de heere Maan.

Dien' me zoo mijn lievekijn, Lekker eten, heeten wijn, Dien' me zoo mijn lievekijn, Komt in 't blauw heer Maneschijn.

Na elk referein nam hij een slok en na het laatste ledigde hij de flesch. En toen viel hij in slaap. En hij hoorde niet dat Nele zegde: "Ze steken in eenen pot achter den brandmuur van den schoorsteen", noch dat Uilenspiegel langs het stalleken in de keuken van Klaas drong. Uilenspiegel hief de plaat van den brandmuur op, nam den pot en de karolussen en ging toen de karolussen begraven naast den steenput van Katelijne, daar hij wel wist dat men ze misschien in den put, doch geenszins er nevens zou zoeken.

Vervolgens keerden zij terug bij Soetkin, die weende en zuchtte:

--Mijn man! mijne arme man!

Nele en Uilenspiegel bleven heel den nacht bij heur waken.

LXXII.

Den volgenden dag riep de burgstorm de rechters ter vierschare.

Als zij op de vier banken rond den boom der justitie zaten, onderhoorden zij nogmaals Klaas en vroegen hem of hij zijne dolingen wilde herroepen.

Klaas hief de handen ten hemel en sprak:

--Christus, mijn Heer, ziet mij van omhoog. Ik bekeek de zonne toen mijn Thijl ter wereld kwam. Waar is hij nu, de zwerver? Soetkin, mijn goede, mijn zoete vrouwe, zult gij kloekmoedig zijn in 't ongeluk?

Toen bezag hij den lindeboom en vloekte hij hem:

--Storm en droogte! dat de boomen van den grond onzer vaderen liever verschroeien dan te gedogen, dat men in hunne schaduw het vrije geweten ten dood verwijst! Waar zijt gij, mijn jongen? Ik was hard jegens u Mijne Heeren, ontfermt U mijner, en oordeelt mij gelijk Onze Goedertieren Heere zou doen.

En allen die hem aanhoorden, moesten weenen, behalve de rechters en Judocus Grijpstuiver.

Toen vroeg hij of er voor hem geenerlei vergiffenis was, zeggende:

--Ik heb altijd veel gewrocht en weinig gewonnen; ik was goed jegens den arme en gedienstig voor elkeen. Ik heb de Roomsche Kerke verlaten om te gehoorzamen aan den geest Gods, die tot mij sprak. Ik smeek om geen andere gratie dan de verandering van de straffe des vuurs in die van eeuwigdurende verbanning uit Vlaanderenland, op verbeurte mijns levens, straffe die voorwaar streng genoeg is.

Allen riepen:

--Genade, heeren! erbarming!

Maar Judocus Grijpstuiver riep niet mede.

De baljuw gaf de toehoorders teeken te zwijgen en zegde dat het door de plakkaten strengelijk verboden was, genade voor ketteren te vragen, maar dat, zoo Klaas zijne doling wilde afzweren, hij zou gehangen worden in stee van verbrand.

En het volk sprak:

--Gehangen of verbrand, 't is toch de dood!

En de vrouwen weenden en de mannen morden.

--Ik zweer niets af, sprak Klaas. Doet met mijn lijf wat uwer genade zal believen.

Titelman, de deken van Ronse, riep toen uit:

--Het is ondraaglijk zulk een kettergespuis tot zijne rechters het hoofd te zien verheffen; het lichaam tot assche verbranden is een kortstondige pijne; men moet de ziele redden en de ketteren, door middel van de torture, dwingen hunne dolingen af te gaan, opdat zij aan 't volk het gevaarlijk schouwspel niet geven van ketteren, die in onboetveerdigheid sterven.

Op die rede weenden de vrouwen nog meer en zeiden de mannen:

--Hij heeft het stuk bekend: 't is dus de straffe, maar niet de torture.

De rechtbank besliste dat, mits de tortuur niet voorgeschreven was door de ordonnantiën, Klaas die niet moest verduren. Nogmaals tot afzweren vermaand, antwoordde hij:

--Ik kan niet.

Krachtens de plakkaten, werd hij plichtig verklaard aan simonie, wegens het verkoopen van aflaten, aan ketterije en aan het herbergen van ketters en als dusdanig werd hij veroordeeld om "geëxecuteerd te worden met den viere, zoo dat er de dood naar volge", vóór de pui van het schepenhuis.

Zijn lichaam zou twee dagen aan den staak blijven hangen om tot voorbeeld te dienen en daarna gevoerd worden ter plaatse patibulaire, zooals zij het galgeveld heetten.

De rechtbank kende den aanbrenger Judocus Grijpstuiver--wiens' naam niet genoemd werd--vijftig gulden op de eerste honderd karolusgulden der erfenis en den tienden penning op het overige toe.

Als Klaas dat vonnis hoorde, sprak hij tot den deken der vischverkoopers:

--Gij zult een kwaden dood sterven, slecht mensch, die voor een kleine som gelds eene weduw en eenen wees, twee ongelukkigen maakt.

De rechters hadden Klaas laten uitspreken, want zij ook--behalve Titelman--voelden groote verachting voor den deken der vischverkoopers en zijne eerlooze aanklacht.

Grijpstuiver was bleek van woede en van schaamte.

En Klaas werd terug naar het Steen gebracht.

LXXIII.

Den volgenden dag, werd het vonnis aan Nele, Uilenspiegel en Soetkin bekend gemaakt.

Zij vroegen den rechters om in het gevang te mogen gaan, hetwelk hun toegestaan werd, behalve aan Nele.

Als zij binnenkwamen, zagen zij Klaas met een keten aan den muur geklonken. Een klein houtvuur smeulde in den heerd, ter oorzake van de wakheid. Want bij wet en recht is het in Vlaanderen voorgeschreven, goed te zijn voor hen die moeten sterven, en hun brood, vleesch of kaas, alsmede wijn te geven. Maar de schrokkige cipiers overtreden dikwijls de wet, en talrijk zijn zij, die het grootste en beste deel van het eten der arme gevangenen achterhouden.

Weenend vloog Klaas om den hals van Uilenspiegel en Soetkin, maar hij was de eerste die ophield met weenen, want hij wilde sterk zijn, als man en als hoofd van het huis.

Soetkin snikte en Uilenspiegel sprak:

--Kon ik die ijzers breken.

Soetkin snikte en sprak:

--Ik zal bij koning Philippus gaan, hij zal genade verleenen.

Klaas antwoordde:

--De koning erft van de martelaren.

Dan voegde hij er bij:

--Lieve vrouw en kind! treurig en smertvol ga ik deze wereld verlaten. Zoo ik eenigen schrik koester voor het lijden mijns lichaams, ben ik mede bedroefd als ik er aan denk dat, als ik dood ben, gij beiden arm en ellendig zult zijn, want de koning zal u uwe have ontnemen.

Uilenspiegel antwoordde met stille stemme:

--Gisteren heb ik met Nele alles gered.

--Dat doet mij genoegen, antwoordde Klaas; de aanbrenger zal niet lachen op mijn lijk.

--Hij sterve, de judas, sprak Soetkin met haatvollen blik.

Maar Klaas dacht aan de karolussen en sprak:

--Dat was slim van u, Thijlken, mijn lieveling; Soetkin, mijn arme Soetkin, zal dus in haren ouden dag geen honger hoeven te lijden.

En Klaas omhelsde heur, drukte heur tegen zijne borst, en zij snikte nog harder, bij de gedachte dat zij weldra heuren braven beschermer zou kwijt zijn.

Klaas bezag Uilenspiegel en sprak:

--Mijn zoon, dikwijls deedt gij kwaad, door langs de wegen te slenteren als de rabauwen; dat moogt gij nimmermeer doen, mijn kind, noch uw moeder alleen laten, want gij, als man, moet heur beschermer en verdediger zijn.

--Dat zal ik, vader, sprak Uilenspiegel.

--O mijn arme man! zei Soetkin hem kussend. Welke misdaad bedreven wij dan? Wij leefden getweeën gelukkig in eere en in deugd; wij beminden elkander, dat weet gij, Heere God, die ons ziet! Wij stonden vroeg op om te werken en 's avonds aten wij, U dankend, het zuur gewonnen brood van den dag. Ik ga naar den koning; ik zal hem verscheuren met mijne nagelen. Heere God, wij hebben niets misdaan!

Maar de cipier kwam binnen en zei dat ze moesten vertrekken.

Soetkin vroeg om te blijven. Klaas voelde heur arm gezicht branden tegen het zijne, en de tranen van Soetkin maakten zijne wangen nat, en heel heur lichaam trilde en huiverde in zijne armen. Hij vroeg om heur bij hem te laten.

De cipier zei nog dat ze moesten henengaan en trok Soetkin uit de armen van Klaas.

Klaas sprak tot Uilenspiegel:

--Waak over haar.

Uilenspiegel beloofde het hem. En de zoon de moeder ondersteunend, togen Uilenspiegel en Soetkin henen.

LXXIV.

Den volgenden dag, die de dag van de lijfstraffe was, namen de buren uit medelijden, Uilenspiegel, Soetkin en Nele mede naar Katelijne's huis en sloten hen op.

Maar zij hadden er niet aan gedacht, dat zij van verre de kreten van den martelaar hooren en, door het venster, de vlammen van den brandstapel zien konden.

Schuddebollend dwaalde Katelijne door de stad, roepende:

--Maakt open: de ziel wil er uit!

Te negen uren werd Klaas in zijn hemde, met de handen op den rug gebonden, uit de gevangenis gehaald. Volgens de sententie, was de brandstapel opgericht in de Onze-Lieve-Vrouwestraat, rondom een staak, die vóór de pui van 't schepenhuis geplaatst was. De beul en zijne knechten waren nog bezig met het hout opeen te stapelen.

Klaas, omringd door zijne serjanten, wachtte geduldig, terwijl de provoost te peerd, de staffieren van 't baljuwschap en de negen uit Brugge ontboden landsknechten groote moeite hadden om het morrende volk tegen te houden.

Allen zeiden dat het wreedheid was een man, die steeds goed, gedienstig en neerstig was, in zijn ouden dag aldus te martelen.

Doch eensklaps knielden zij neder om te bidden. De doodklok begon te kleppen.

De uitzinnige Katelijne stond vooraan in het volk.

Naar Klaas en den brandstapel kijkend, sprak zij:

--Het vuur! Het vuur! Maakt een gat: de ziel wil er uit.

Als Soetkin en Nele de klokke hoorden, sloegen beiden een kruis. Maar Uilenspiegel deed het niet, zeggende dat hij God niet aanbad op de manier van de beulen. De hut rondloopend, beproefde hij deuren en vensteren open te breken, maar de buren, die buiten stonden, beletten het hem.

Doch Soetkin sloeg eensklaps heur voorschoot vóór heur gezicht en gilde:

--De rook!

De drie bedroefden zagen een groote zwarte rookwolk dwarrelend omhoog stijgen. 't Was de rook van den brandstapel, waarop Klaas aan eenen staak was gebonden en dien de scherprechter aan drie kanten aangestoken had, in naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

Klaas keek rond zich, en als hij Soetkin en Uilenspiegel in de menigte niet zag, was hij tevreden dat zij hem niet zouden zien lijden.

Klaas bad, het hout knetterde, de mannen morden, de vrouwen weenden, Katelijne sprak:--Doet het vuur uit, maakt een gat, de ziel wil er uit,--en de doodklok klepte, en ander gerucht hoorde men niet.

Soetkin werd eensklaps bleek als de dood, zij huiverde over gansch heur lichaam en wees naar den hemel. Een lange, smalle vlam was uit den brandstapel opgestegen en verhief zich bijwijlen boven de daken van de lage huizen. De vlam was bitter smertelijk voor Klaas, want al naar gelang van de grillen des winds, knaagde zij aan zijne beenen, verschroeidde en verbrandde zij zijn haar en zijnen baard.

Uilenspiegel drukte Soetkin in zijne armen en wilde heur van voor het venster trekken. Zij hoorden een bangen kreet: 't was Klaas, wiens lichaam aan eenen kant brandde. Maar hij zweeg en weende. En zijne borst was nat van zijne tranen.

Toen hoorden Soetkin en Uilenspiegel een groot rumoer. 't Waren de poorters, vrouwen en kinderen die riepen:

--Klaas werd niet veroordeeld om te sterven met zacht vuur, maar met groote vlammen. Beul, pook het vuur aan!

De beul deed het, doch het vuur wilde niet laaien.

--Verworg hem, riepen zij.

En zij smeten steenen naar den provoost.

--De vlam! de groote vlam! huilde Soetkin.

Te midden van den rook, zag zij nu een roode vlam ten hemel stijgen.

--Hij gaat sterven, sprak de weduw. God, ontferm U der ziele van den onschuldigen martelaar. Waar is de koning, dat ik hem met mijne nagelen het hert uitrukke?

En de doodklok klepte.

Soetkin hoorde Klaas nog een grooten kreet slaken, maar zij zag noch zijn lichaam dat zich wrong en kronkelde door de smerte des vuurs, noch zijn gezicht dat ineentrok, zijn hoofd dat hij langs alle kanten keerde en draaide en tegen den staak sloeg. Het volk ging voort met roepen en fluiten, de vrouwen en kinderen smeten nog steenen, toen plotseling heel de brandstapel ontgloeide, en allen, te midden van rook en van vlammen, Klaas hoorden zuchten:

--Soetkin! Thijl!

En zijn hoofd viel op zijne borst alsof het van lood was.

En uit Katelijne's woning kwam een schellen, hertverscheurenden kreet. En toen hoorde men niets meer dan de uitzinnige, die schuddebollend sprak: "De ziel wil er uit".

Klaas was dood. De brandstapel viel ineen aan den voet van den staak, aan denwelken het arme, verkoolde lichaam bij den hals bleef hangen.

En de doodklep klepte.

LXXV.

Met gebogen hoofd en gevouwen handen stond Soetkin zwijgend tegen den muur van den keuken. En Uilenspiegel had zijne armen om heuren hals geslagen, zonder spreken of weenen.

Hij was verschrikt van het koortsvuur dat in zijn moeders lichaam brandde.

De buren, die terugkwamen, zeiden dat Klaas gedaan had met lijden.

--Hij is in den hemel, sprak de weduw.

--Bid voor hem, sprak Nele tot Uilenspiegel, en zij gaf hem heuren rozenkrans; maar hij stiet dien van zich af, omdat, zoo hij zeide, de bollekens door den paus gewijd waren.

De nacht was gevallen en Uilenspiegel zei:

--Moeder, ga slapen, ik zal bij u waken.

--Gij moet niet waken, sprak Soetkin, want de slaap doet goed aan jonge menschen.

Nele maakte hun elk eene legerstee in de keuken en ging toen henen.

En zij bleven er getweeën, terwijl het vuur van de wortels in den heerd uitbrandde.

Soetkin ging slapen, Uilenspiegel deed als zij en hoorde ze weenen in heur bedde.

Buiten, in de nachtelijke stilte, deed de wind de boomen huilen lijk de zee en joeg, als voorboden van den herfst, dwarrelende stofwolken tegen de ruiten.

Het scheen Uilenspiegel dat hij een man zag over en weer gaan, dat hij stappen hoorde in de keuken. Toen hij opkeek, zag hij den man niet meer; maar hij luisterde en hoorde alleen den wind, die in den schoorsteen huilde en Soetkin, die in heur bedde weende.

Dan opnieuw hoorde hij stappen, en, achter zich, tegen zijn hoofd, een bangen zucht.--Wie is daar? sprak hij.