De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 12

Chapter 123,656 wordsPublic domain

Daar honger en dorst hem kwelden, ging hij eenige hoeven binnen, doch dorst het vel niet te koop bieden, uit vreeze dat de hond aan den boer toebehoord had. Hij vroeg een stuk brood, maar men weigerde het hem. De nacht kwam. Zijne beenen waren vermoeid en hij ging een kleine afspanning binnen. Daar zag hij een oude bazin, die een ouden hond streelde, wiens vel op dat van den doode geleek.

--Van waar komt gij, reiziger? vroeg de oude bazinne.

Uilenspiegel antwoordde:

--Ik kom van Rome, alwaar ik den hond van den Paus van eene verkoudheid genas, die hem grootelijks hinderde.

--Hebt gij den Paus gezien? vroeg zij, een glas bier tappend.

--Laas! zei Uilenspiegel, het glas ledigend, het is mij alleen toegestaan geweest zijn heilige voeten en zijn doorluchtige muilen te kussen.

De oude hond van de bazinne kuchte, doch spuwde niet.

--Wanneer deedt gij dat? vroeg de oude.

--Nu twee maanden geleden, antwoordde Uilenspiegel. Men verwachtte mij, ik kwam en klopte:--Wie is daar? vroeg de aartsdoorluchtige, aartsgeheime en aartsbuitengewone kardinaal-kamerheer van Zijne Zeer Heilige Heiligheid.--Ik, heer kardinaal, antwoordde ik, ik kom opzettelijk uit Vlaanderen om de voeten van den Paus te kussen en zijnen hond van het slijm te verlossen.--Ha! zijt gij het, Uilenspiegel? sprak de Paus langs den anderen kant, achter een deurken. Het zou mij veel genoegen doen u te zien, maar nu is dat onmogelijk. De heilige Decretalen verbieden mij mijn gezicht aan de vreemdelingen te toonen, als men er met het heilige scheermes over gaat--Laas! zei ik, het slaat mij erg tegen, ik was uit verre landen gekomen om de voeten Uwer Heiligheid te kussen en zijn hond van het slijm te genezen. Moet ik onverrichter zake terugkeeren?--Neen, sprak de Heilige Vader; vervolgens hoorde ik hem roepen:--Aartskamerheer, schuif mijn stoel tot bij de deur en open het schuifken. Zoo werd gedaan.--En door het schuifje zag ik twee voeten steken met gouden muilen aan, en 'k hoorde eene stem die als de donder rolde, zeggen:--Dit zijn de doorluchtige voeten van den Prins der Prinsen, den Koning der Koningen, den Keizer der Keizers. Kus, geloovige, kus de heilige muilen. En ik kuste de heilige muilen en mijn neus was gansch vervuld met den hemelschen geur die uit die voeten opsteeg. Toen ging het schuifken weder toe en dezelfde geduchte stemme gebood mij te wachten. De deur ging toen open en daar kwam een hond te voorschijn, om de waarheid te zeggen, een ruige, kuchende hond met loopende oogen en zoo opgeblazen, dat hij schier niet gaan kon.

De Heilige Vader verweerdigde zich nog mij te zeggen:--Uilenspiegel, gij ziet mijnen hond; hij heeft slijm en andere ziekten gekregen met te knagen aan het gebeente van geradbraakte ketteren. Genees hem, mijn zoon, gij zult er u wel mee bevinden.

--Drink, sprak de oude.

--Schenk, antwoordde Uilenspiegel. Zijne rede vervolgend, sprak hij: Ik deed den hond purgeeren door middel van een wonderbaar drankje, dat ik zelf gereedgemaakt heb. Hij piste drie dagen en drie nachten aan één stuk, en was toen genezen.

--Jezus, Maria! sprak de oude, laat mij u kussen, doorluchtige pelgrim, die den Paus gezien hebt en ook mijn hond kunt genezen.

Doch Uilenspiegel, die niet erg ingenomen was met de kussen der oude, sprak:--Zij, wier lippen de heilige muilen aangeraakt hebben, mogen, twee jaar lang, geene kussen van eenige vrouwe ontvangen. Geef mij wat goede karbonaden, een koppel bloedworsten en bier in overvloed, en ik zal uwen hond zulke heldere stem geven, dat hij gemakkelijk zal kunnen meezingen op de okzaal in de groote kerk.

--Mocht het waar zijn, sprak de oude, ik gaf u een gulden voor uwe moeite.

--Ik zal het doen, sprak Uilenspiegel, maar slechts na het eten.

Zij diende hem alles wat hij gevraagd had. Hij at en dronk zijn bekomst en had wel, uit erkentelijkheid, de oude gekust, hadde hij niet gezegd dat dit niet mogelijk was.

Terwijl hij sprak, kwam de oude hond met zijne pooten op zijne knieën om een stuksken te vragen. Uilenspiegel gaf er hem meerdere; vervolgens sprak hij tot de hospita:

--Wat zoudt gij doen, als iemand bij u at en niet wilde betalen?

--Ik zou den dief zijn opperste kleed afnemen, sprak de oude.

--Goed, sprak Uilenspiegel; daarna nam hij den hond in den arm en ging er mee naar den stal, alwaar hij hem opsloot met een been. Hij nam het vel van den dooden hond en, bij de oude terugkomend, vroeg hij haar of zij bij heur woord bleef, dat zij het opperste kleed zou uitdoen van dengene die at zonder betalen.

--Zeker, antwoordde zij.

--Wel, uw hond heeft met mij medegegeten zonder betalen; en ik heb hem volgens uw voorschrift zijn opperste en eenig kleed uitgedaan.

En hij toonde heur de huid van den dooden hond.

--Ha! snikte de oude, dat is wreed van u, mijnheer de dokter. Arm hondje! het was mij als een kind. Waarom ontnaamt gij mij den eenigen vriend, dien ik op aarde bezat? Nu mag ik sterven!

--Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel.

--Weder in 't leven! sprak zij. En hij zal mij nog streelen, nog aankijken, nog likjes geven? Doe het, mijnheer de dokter; niet alleenlijk zult gij voor niet een lekker maal hebben genoten, maar 'k geef u nog een gulden op den koop toe.

--Ik zal hem weder in 't leven roepen, sprak Uilenspiegel, maar ik moet warm water hebben, siroop om de voegen van het nieuw vel toe te plakken, eene naald en garen, en saus van karbonaden, en men moet mij alleen laten.

De oude gaf hem alles wat hij vroeg; en hij trok met het vel van den dooden hond naar den stal.

Daar streek hij saus aan den snoet van den ouden hond, die hem liet begaan; van onderen op zijnen buik en aan zijne pooten maakte hij groote streepen met siroop.

Hij stiet driemaal een grooten schreeuw en sprak: Sta op! sta op! ik beveel het, vuile hond!

Vervolgens stak hij gezwind het vel van den dooden hond in zijne tassche, gaf den levenden hond een schop en joeg hem alzoo de gelagkamer binnen.

Als de oude heuren hond levend en likkebaardend terugzag, wilde zij hem kussen van geluk. Maar Uilenspiegel liet het haar niet toe.

--Gij moogt uwen hond maar streelen, sprak hij, als hij al de siroop afgelikt heeft die aan zijn vel plakt; dan eerst zullen de naden goed dicht zijn. Tel mij nu mijne tien gulden.

--Eén had ik gezeid, sprak de oude.

--Eén voor het nieuw vel en negen om den hond in 't leven te roepen.

En zij telde ze hem. Uilenspiegel toog henen en smeet het vel van den dooden hond in de gelagkamer, zeggende:--Daar, vrouwe, bewaar het oude vel, het kan dienen om het nieuwe te vermaken, als de mot er in komt.

LXVII.

Dien Zondag ging te Brugge de Heilig-Bloedprocessie uit. Klaas zei tot zijne vrouw en tot Nele van er heen te gaan, daar zij misschien Uilenspiegel in de stad zouden ontmoeten. Hij zelf zou thuis blijven om den pelgrim te ontvangen, mocht hij terugkomen.

De vrouwen vertrokken getweeën. Klaas bleef aan zijne deur zitten en vond Damme doodsch en verlaten. Hij hoorde niets dan het kleppen van eene of andere dorpsklok in 't ronde, terwijl de wind, bijwijlen uit Brugge, het getintel van den beiaard en een groot geraas van falkonetten en van vuurpijlen bracht, die ter eere van het Heilig Bloed afgeschoten werden.

Klaas zocht droomerig Uilenspiegel op de wegen, doch hij zag niets dan een blauwen, onbewolkten hemel, eenige honden die met hangende tong in de zonne lagen, wat musschen die tjilpend zich wentelden in 't stof, eene kat die ze beloerde, en het zonnelicht dat vriendelijk in al de huizen drong en er de koperen ketels en tinnen pateelen op den schoorsteen glinsteren deed.

Doch Klaas was treurig te midden van al die vreugd en, zijn zoon zoekend, tuurde hij in den dikken damp, die over de weiden hing en spitste het oor om te luisteren of hij hem niet hoorde tusschen het blijde geritsel der bladeren en het vroolijk gekweel der vogelen in de boomen. Eensklaps zag hij op den weg van Maldegem een man van lange gestalte afkomen, maar seffens zag hij dat het Uilenspiegel niet was. Hij zag hem stilstaan bij een rapenveld en gulzig eenige dier knollen opeten.

--Die moet grooten honger hebben, sprak Klaas.

Nadat hij hem een oogenblik uit het zicht verloren had, zag hij hem weder te voorschijn komen aan den hoek van de Reigerstraat, en hij herkende den bode van Judocus, die hem zevenhonderd gouden karolusguldens gebracht had. Hij ging hem tegemoet en sprak:

--Kom binnen!

De man antwoordde:

--Gezegend zijn zij, die goed zijn jegens den dolenden reiziger.

Buiten op de vensterbank lagen broodkruimelen, die Soetkin voor de vogelen had gestrooid. Zij kwamen daar 's winters hun eten zoeken. De man nam de brokkelingen en at ze gulzig op.

--Gij hebt honger en dorst, sprak Klaas.

--Voor acht dagen werd ik uitgestroopt door de roovers, sprak de man, en sedert dien voed ik mij met rapen en wortelen langs de wegen.

--'t Is dus tijd eenige versterking te nemen. Hier is, sprak Klaas, de schapraai openend, hier is eene teil vol boonen, hier zijn eieren, pensen, hesp, Gentsche worst, en nog hier is waterzooi. Beneden in den kelder ligt Leuvensche wijn te rusten, die bereid is naar de wijze van Bourgondië, als robijn zoo rood en zoo klaar. Hij vraagt maar om gedronken te worden. Nu, wij gaan wat hout op het vuur doen. Hoort gij de pensen zingen op den rooster? Dat is een liedje van wellust.

Klaas keerde de pensen op den rooster en sprak:

--Hebt gij mijn zoon, mijn Uilenspiegel, niet gezien?

--Neen, antwoordde hij.

--Brengt gij nieuws van Judocus, mijn broeder? vroeg Klaas, terwijl hij alles opdiende: gerooste pensen, een eierpannekoek, kaas, twee groote bekers en Leuvenschen wijn, die helder en rood in de bottels flikkerde.

De man antwoordde:

--Uw broeder is te Sippenaken gestorven op het rad. En dit om, als ketter, de wapenen tegen den keizer te hebben gevoerd.

Klaas was als waanzinnig en beefde, over gansch zijn lijf, zoo groot was zijn gramschap.

--De beulen, de moordenaars! Judocus! mijn arme broeder!

--Onze vreugde en onze smerten zijn niet van deze wereld, zegde de man.

En hij begon te eten. Vervolgens sprak hij:

--Ik heb uw broeder bijgestaan in het gevang, ik deed mij doorgaan voor een zijner neven. Ik kom alhier, omdat hij mij zeide: Ga bij mijn broeder Klaas, als gij voor 't geloove niet sterft als ik; zeg hem van in den vrede des Heeren te leven, door werken van bermhertigheid te plegen en zijn zoon heimelijk in de wet van Christus op te brengen. Het geld dat ik hem gaf, werd genomen van het arme, onwetende volk; dat hij het gebruike om Thijl op te voeden in de leering van God en zijn woord.

Op die rede, gaf de bode aan Klaas den vredekus.

En Klaas jammerde:

--Op het rad gestorven! mijn arme broeder!

En zoo groot was zijn smert, dat hij niet tot bezinning kon komen. Doch, daar hij zag dat de man dorst had en zijn glas uitstak, schonk hij hem wijn in, maar hij at en dronk zonder vreugde.

Soetkin en Nele bleven zeven dagen weg; gedurende dien tijd bleef de bode de gast van den koolbrander.

Al die nachten hoorden zij Katelijne huilen:

--Het vuur! het vuur! Maak open, maak open; de ziel wil er uit!

En als Klaas naar heure hut ging, stilde hij heur met zoete woorden.

Na zeven dagen toog de vreemde henen, zonder iets van Klaas te willen aanveerden dan twee karolussen, om onderwege te eten en te slapen.

LXVIII.

Nele en Soetkin waren van Brugge teruggekomen. Klaas zat in de keuken als een kleermaker, knoopen aan een oude hooze te naaien. Nele stond naast hem en hitste tegen den ooievaar Titus Bibulus Snuffius op, die beurtelings vooruit en achteruit sprong en kefte. De ooievaar stond, op één poot, hem ernstig te bezien, met zijn langen hals in de pluimen zijner borst. Als Titus Bibulus Snuffius hem zoo vreedzaam zag, kefte hij nog meer. Maar de vogel, wien die muziek op den duur verveelde, gaf eensklaps eenen slag met zijn bek in den rug van den hond, die jankend en jammerend wegvluchtte.

Klaas lachte, Nele insgelijks en Soetkin keek gedurig naar de straat of Uilenspiegel niet afkwam.

Eensklaps sprak zij:

--Daar is de provoost met vier sergeanten. 't Is toch zeker niet voor ons. Twee van de mannen loopen de hut om.

Klaas hief zijn hoofd op.

--En de twee anderen blijven staan voor de deur, vervolgde Soetkin.

Klaas stond recht.

--Wien gaat men hier vangen? sprak zij. Jezus God! man, zij komen hier binnen.

Klaas sprong van de keuken in den hof, gevolgd door Nele en zei:

--Red de karolussen, ze steken achter den brandmuur van den schoorsteen.

Nele begreep hem: toen zag ze dat hij over de haag sprong, dat de serjanten hem bij den kraag vatten, dat hij worstelde om los te geraken en zij weende en riep:

--Hij is onschuldig! hij is onschuldig! doet geen kwaad aan Klaas, aan mijn vader! Uilenspiegel, waar zijt gij? Gij zoudt ze den kop inslaan!

En zij sprong naar een der serjanten en reet zijn gezicht met heure nagelen vaneen. En zij riep: Zij gaan hem dooden! en zij viel machteloos op het gras van den hof.

Op het gerucht kwam Katelijne toegeloopen, en stijf en onbeweeglijk aanzag zij het schouwspel.

--Het vuur! het vuur! Maakt open: de ziel wil er uit!

Soetkin onkundig van hetgeen er gebeurde, sprak op vroolijken toon tot de serjanten, die binnengekomen waren:

--Mijne heeren, wien zoekt gij hier in deze arme woning? Als 't mijn zoon is, die is verre. Hebt gij lange beenen?

Doch op dit oogenblik schreeuwde Nele om hulp; Soetkin liep in den hof. Daar zag zij heuren man tegenspartelend medegesleept door de beide serjanten.

--Sla ze dood! riep zij. Uilenspiegel waar zijt gij?

En zij wilde heuren man ter hulp komen, maar een der serjanten greep heur vast, niet zonder moeite.

Klaas verweerde zich zoo geducht, dat hij ware ontsnapt, hadden de twee andere serjanten hunne gezellen de hand niet geleend.

En, met de handen gebonden, brachten ze hem terug naar de keuken, waar Soetkin en Nele heete tranen weenden en snikten.

--Heer provoost, sprak Soetkin, wat heeft mijn arme man gedaan, dat gij hem bindt als een dief?

--Ketter, sprak een der serjanten.

--Ketter? hernam Soetkin, zijt gij een ketter, gij? Die duivels liegen!

--Ik stel mijn vertrouwen op God, antwoordde Klaas.

Hij werd buitengeleid; Nele en Soetkin volgden hem weenend, in den waan dat zij ook voor den rechter moesten verschijnen. Mannen en vrouwlieden kwamen bij heur; maar als zij hoorden dat Klaas opgeleid werd onder verdenking van ketterije, kregen zij zulken schrik dat zij haastelijk weer in huis liepen en de deuren toededen. Alleen eenige meisjes dorsten bij Klaas komen en hem vragen:

--Waar gaat gij alzoo gekoord en gebonden, kooldrager?

--Op Gods genade, meidekens, antwoordde hij.

--Men bracht hem naar het Steen; Soetkin en Nele zetten zich neer aan de poort. Als het avond werd, zei Soetkin tot Nele te gaan zien of Uilenspiegel niet teruggekomen was.

LXIX.

Weldra liep de mare in de omliggende dorpen, dat een man gevangengezet was uit hoofde van ketterije en dat de kettermeester Titelman, deken van Ronse, bijgenaamd de Inquisiteur Zonder Genade, het onderzoek zou bestieren.

Uilenspiegel verbleef toen te Koolkerke, in de beste vriendschap met een schoone pachterse, een jonge weduwe die hem niets weigeren kon van hetgeen heur eigendom was. Hij werd daar gevierd en geliefkoosd, tot op den dag dat een verraderlijke medeminnaar, een schepene der gemeente, hem in den morgen afwachtte als hij uit de taveerne kwam en hem afrossen wilde. Maar Uilenspiegel, om zijne woede te stillen, smeet hem in een vijver, waaruit de schepene met de grootste moeite klaveren kon, groen als een kikvorsch en nat als een spons.

Uilenspiegel duchtte de weerwraak van den schepene en maakte dat hij zoo gauw mogelijk uit Koolkerke kwam.

En hij liep regelrecht naar Damme.

De avond viel: hij hadde thuis willen zijn; in zijnen geest zag hij Nele zitten naaien, Soetkin het avondmaal bereiden, Klaas zijne mutsaards binden en Titus Bibulus Snuffius knagen aan een been.

Een rondleurder vroeg hem in 't voorbijgaan:

--Waar loopt gij zoo haastig?

--Naar Damme, naar mijn huis, was 't antwoord van Uilenspiegel.

De rondleurder sprak:

--De stad is niet meer veilig, ter oorzake van de ketteren die men er pakt.

En hij ging voort.

Aan de afspanning het Roode Schild gekomen, ging Uilenspiegel er binnen, om een glas dobbele kuite te drinken.

De baas zei hem:

--Zijt gij de zoon van Klaas niet?

--Die ben ik, antwoordde Uilenspiegel.

--Haast u, sprak de baas, want het uur van rampspoed is voor uwen vader geslagen.

Uilenspiegel vroeg wat hij zeggen wilde.

De baas antwoordde, dat hij het ongelukkiglijk maar al te gauw zou weten.

En Uilenspiegel liep voort.

Toen hij Damme binnen kwam, liepen de honden die op de zullen der deuren zaten, hem keffend en blaffend achterna. Op dat gerucht kwamen de vrouwen buiten en allen vroegen hem te gelijk:

--Van waar komt gij? Hebt gij nieuws van uwen ongelukkigen vader? Waar is uwe arme moeder? Zit zij ook in het Steen? Laas! als zij hem maar niet levend verbranden!

Uilenspiegel liep nog harder.

Hij kwam Nele tegen, die hem zegde:

--Thijl, ga niet naar huis: die van de stad hebben er een bewaker gesteld van wege den keizer.

Uilenspiegel bleef staan.

--Nele, sprak hij, is 't waar dat zij Klaas, mijn vader in 't gevang hebben gestoken?

--Ja, sprak Nele, en Soetkin weent aan de poort van het Steen.

Het hert van den verloren zoon bonsde van smerte en hij zei tot Nele:

--Ik wil ze zien.

--Neen, dat moet gij niet doen, sprak Nele, maar wel volbrengen hetgeen Klaas gezegd heeft, vóóraleer hij gepakt werd: Red de karolussen, zij steken achter den brandmuur van den schoorsteen. Die moet gij eerst redden, want zij zijn 't erfdeel van Soetkin, van de arme vrouwe.

Uilenspiegel luisterde niet, maar liep tot aan de poort van het Steen. Daar vond hij Soetkin zitten; hij kuste heur snikkend en zij weenden beiden. Door hun jammeren was het volk in menigte naar 't gevang toegeloopen. Maar de serjanten kwamen, en verjoegen de arme Soetkin en Uilenspiegel.

Moeder en zoon gingen toen naar het huis van Nele, naast hunne woonstee, vóór dewelke zij een der landsknechten zagen, die men uit Brugge ontboden had, uit vreeze voor de onlusten, die tijdens de uitspraak en gedurende de lijfstraf konden uitbreken. Want Klaas werd geerne gezien door de burgers van Damme.

De soldenier zat vóór de deur, en zoog de laatste droppelen uit eene bottel brandewijn. Toen zij ledig was, smeet hij ze waar ze vliegen wilde. Vervolgens trok hij zijn jachtmes en stak hij kasseien uit.

Snikkend kwam Soetkin bij Katelijne binnen.

En schuddebollend sprak Katelijne: "Het vuur! Maakt open, mijne ziel wil er uit!"

LXX.

De burgstorm had geluid om de rechters ter vierschare te roepen; omtrent vier uren zaten zij rond den boom der justitie.

Klaas werd vóór hen geleid en hij zag onder het verhemelte den Baljuw van Damme zitten; aan zijne zijden waren de drossaard, de schepenen en de griffier.

Op het geluid van de klokke kwam het gemeen in groote menigte toegeloopen, en het sprak:

--Vele onder de rechters zitten daar niet om naar recht te vonnissen, maar als slaven in dienst van den Keizer.

De griffier verklaarde dat de rechtbank zich voorafgaandelijk ter vierschare rond den lindeboom vergaderd hebbende, beslist had dat, gehoord de aantijgingen en getuigenissen, de genaamde Klaas, koolbrander, geboortig van Damme, echtgenoot van Soetkin, dochter van Joostens, bij den lijve moest gevat worden. En nu, voegde hij er bij, gaan wij tot het verhoor der getuigen over.

Hans Barbier, buurman van Klaas, werd eerst onderhoord. Nadat hij den eed afgelegd had, sprak hij: "Op mijner ziele zaligheid bevestig en verzeker ik dat Klaas, alhier tegenwoordig, door mij gekend is meer dan vijftien jaar; dat hij altijd eerlijk geleefd heeft volgens de wetten Onzer Moeder de Heilige Kerk; dat hij nooit smadelijk over haar gesproken of bij mijn wete nooit eenigen ketter geherbergd heeft, noch het boek van Luther verborgen, noch over gemeld boek gesproken, noch iets gedaan dat hem in verdenking kan brengen, de wetten en ordonnantiën van het keizerrijk overtreden te hebben. Zoo helpen mij God en al zijne santen."

Jan Van Roosebeke werd vervolgens onderhoord en zei "dat, gedurende de afwezigheid van Soetkin, vrouw van Klaas, hij verscheidene reizen in het huis van den beschuldigde twee mannenstemmen had meenen te hooren en dat hij dikwijls, na de avondklokken, in een kleine zolderkamer, een licht en twee klappende mannen gezien had, waaronder Klaas. Wat betreft te zeggen of de andere man al of niet een ketter was, dat kon hij niet, daar hij hem van verre gezien had. Maar wat Klaas betreft, vervolgde hij, in volle waarheid moet ik zeggen dat hij, sedert ik hem ken, geregeld zijn Paschen houdt, op de groote heiligdagen Onzen Heere ontvangt, en alle Zondagen naar de misse gaat, uitgenomen nochtans dien van het Heilig Bloed en de volgende. Meerder weet ik niet. Zoo helpen mij God en al zijne santen."

Ondervraagd of hij Klaas, in de taveerne den Blauwen Toren, geene aflaten had zien verkoopen en met het vagevuur niet had hooren spotten, antwoordde Jan Van Roosebeke dat Klaas inderdaad aflaten verkocht had, maar zonder eenigerlei verachting of spotternije, en dat hij, Jan Van Roosebeke, er van hem gekocht had gelijk ook Judocus Grijpstuiver, de deken der vischverkoopers, had willen doen.

De baljuw maakte nu de feiten en punten bekend, uit hoofde waarvan Klaas voor de vierschare gedaagd was en sprak: