De legende en de heldhaftige, vroolijke en roemrijke daden van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in Vlaanderenland en elders

Part 10

Chapter 103,995 wordsPublic domain

Eindelijk ziende, dat er in Damme niemand overbleef dan de hertevreters, die geen aflaten zouden koopen, trokken de beide broeders naar Heist.

LV.

Gekleed met zijne pelgrimspij en met eene absolutie in regel op zak, verliet Uilenspiegel de heilige stede. Hij ging recht voor zich en kwam te Bamberg, waar de smakelijkste groenten der wereld zijn.

Hij kwam in eene afspanning, waar een vroolijke weerdinne hem vroeg:

--Jonge meester, wilt gij eten voor uw geld?

--Ja, sprak Uilenspiegel. Maar voor hoeveel eet men hier?

De hospita sprak:

--Aan de tafel der heeren eet men voor zes gulden; aan de tafel der poorters voor vier, en aan de huistafel voor twee.

--Hoe meer, hoe liever! antwoordde Uilenspiegel.

Hij ging dus aan de tafel der heeren zitten. Als hij wel zijne bekomst en zijn maal met Rijnwijn begoten had, sprak hij tot de weerdin:

--Bazin, ik heb goed gegeten voor mijn geld: geef mij mijne zes gulden.

De weerdinne sprak:

--'t Is om te lachen, zeker! Betaal mij maar gauw!

--Liefste bazinne, antwoordde Uilenspiegel, gij ziet er geen slechte betaalster uit; integendeel, gij ziet er zoo eerlijk, zoo rechtschapen uit, dat gij mij nog liever achttien gulden zoudt geven, dan mij de zes te weigeren die gij mij schuldig zijt. Wat schoone oogen! 't is de zonne, die mij bestraalt, die mijne liefde hooger doet schieten dan 't hondsgras in een verlaten kluis.

De weerdinne sprak:

--Ik heb geen zaken noch met uwe liefde noch met uw hondsgras, betaal mij en trek op!

--Optrekken, sprak Uilenspiegel, en u niet meer zien. 'k Zei nog liever vaarwel aan 't leven. Bazinne, zoete bazinne, ik, arme pelgrim, pleeg niet voor zes gulden te eten; ik heb mij vol gepropt en straks laat ik de tong hangen als een hond in de zonne: wil mij betalen, ik verdiende eerlijk de zes gulden door het lastige werk mijner tanden; geef ze mij, en 'k zal u streelen, u zoenen, u kussen, met meer vuur dan wel zeven en twintig minnaars te zamen.

--Zoo spreekt gij voor 't geld, antwoordde zij.

--Moet ik u voor niets opeten? vroeg hij.

--Neen, sprak zij, hem afwerend.

--Ah! zuchtte hij, steeds naderend, uwe huid is als room zoo zacht, uw haar als gebraden fazant, en uwe lippen als rijpe kersen! Maar zijn er lekkerder kersen dan gij?

--Ik vind het goed, leelijke stouterik, sprak zij glimlachend, mij op den koop toe nog zes gulden te vragen! Wees tevreden dat ik u eten gaf, zonder betaling te eischen.

--Wist gij, sprak Uilenspiegel, hoeveel plaats er nog is!

--Vertrek, sprak de hospita, eer mijn man komt!

--Zie, sprak Uilenspiegel, ik zal een redelijke schuldeischer zijn, geef mij slechts één gulden voor den dorst, die zal komen.

--Daar, stouterik, sprak zij.

En zij gaf hem een gulden.

--Mag ik nog terugkomen? vroeg Uilenspiegel.

--Wilt gij wel heengaan! sprak zij.

--Wél heengaan, zei Uilenspiegel, dat ware naar u toe gaan, maar 't is een slecht heengaan, die schoone oogen te moeten verlaten. Als ge mij wilt houden, zal ik alle dagen maar voor één gulden eten....

--Moet ik een stok nemen?

--Wilt gij den mijnen? antwoordde Uilenspiegel.

Zij lachte, maar hij moest henengaan.

LVI.

Rond dien tijd kwam Lamme Goedzak weder te Damme wonen, mits het land van Luik niet meer rustig was, ter oorzake van de ketterij. Zijne vrouw kwam volgeerne mede, omdat de Luikenaars, spotters van nature, lachten met Lamme's lamlendigheid.

Lamme ging dikwijls bij Klaas, die sedert hij geërfd had, veel in de taveerne den Blauwen Toren verbleef, alwaar hij eene tafel gekozen had voor zich zelven en zijne gezellen. Aan de naburige tafel zat een man profijtelijk zijn kapperken te drinken; 't was Judocus Grijpstuiver, de gierige deken der vischverkoopers, die niets dan haring at en meer van zijn geld hield dan van zijner ziele zaligheid. Klaas droeg in zijn tassche het stuk perkament, op hetwelk zijn aflaat van tien duizend jaar geschreven stond.

Op een avond dat hij met Lamme Goedzak, Jan van Roosebeke en Mathijs van Assche in den Blauwen Toren zat, en Judocus Grijpstuiver er ook was, ging Klaas lustig aan 't drinken; Jan van Roosebeke zegde tot hem:

--'t Is zonde Gods van zoo te drinken!

Klaas antwoordde:

--Voor elk pintje te veel brandt men maar een halven dag. En 'k heb tienduizend jaar aflaat in mijn tassche. Wie wil er honderd jaar, om zonder vrees voor de pijnen der hel, den god Bacchus te dienen?

Allen riepen:

--Hoeveel vraagt gij er voor?

--Eene pinte, antwoordde Klaas, maar honderd vijftig jaar geef ik voor eene portie konijn.

En een ieder kwam bij en betaalde aan Klaas pinten, kuite en muskens, hesp en konijn, en voor een ieder sneed hij een stuksken perkament. Doch 't was niet Klaas die alles at en dronk, maar wel Lamme Goedzak, dewelke at dat hij oogenschijnlijk opzwol, terwijl Klaas met zijne waar de taveerne rondging.

Grijpstuiver keerde zijn schrokkig gezicht naar hem.

--Kunt gij tien dagen missen? vroeg hij.

--Neen, antwoordde Klaas, dat is moeilijk om passen.

Iedereen lachte, en Grijpstuiver kropte zijne woede op.

Toen trok Klaas naar zijne hut, gevolgd door Lamme, die stapte alsof hij wollen beenen aan zijn lijf had.

LVII.

Rond het einde van heur derde jaar ballingschap, keerde Katelijne te Damme terug naar heur huis. En gedurig sprak zij uitzinnig: "Vuur op het hoofd, de ziele klopt, maakt een gat, zij wil er uit". En altijd vluchtte zij weg, bij het zien van ossen en schapen. En zij zette zich neer op de bank onder de linden achter heure hut, en schudde het hoofd, terwijl zij, zonder ze te herkennen, die van Damme bekeek, dewelke tot elkander lispten: "Daar is de zottinne".

Doch reizend over velden en wegen, zag Uilenspiegel een ezel, getuigd met leder en koperen nagelen, en den kop versierd met roodwollen kwasten en kwispels.

Eenige oude wijven stonden rond den ezel en zeiden, allen te gelijk sprekend: "Niemand mag hem vastnemen; 't is het afgrijselijke rijbeest van den grooten toovenaar, den baron von Raiz, die levend verbrand werd, om acht kinderen aan den duivel geofferd te hebben.--Zoo rap is hij gevlucht, dat niemand hem krijgen kon; Satan houdt de hand boven zijnen kop.--Want terwijl hij, vermoeid op den weg, een oogenblik stilstond om adem te halen, zijn de stadsserjanten gekomen om hem te pakken, maar hij balkte en sloeg zoo geweldig met zijne achterpooten, dat zij niet naderen dorsten.--En 't is niet 't gebalk van een ezel, maar 't gebalk van een duivel.--Men heeft hem dus distelen laten eten zonder hem voor de vierschaar te dagen of als toovenaar levend te branden?--Die mannen, die mannen, zij hebben geen greintje moed in hun lijf".

Niettegenstaande al deze schoone reden, namen allen schreeuwend de vlucht, zoodra de ezel de ooren spitste of met den steert zijne zijden sloeg; en tienmaal kwamen zij aldus nader al kakelend en snaterend, om tienmaal weder de vlucht te nemen.

Maar Uilenspiegel zag haar van verre en sprak lachend tot zich zelven:

--Zie ze parlesanten! Hoe ouder ze zijn, hoe meer ze babbelen: de jongeren zitten meer met minnarijen in 't hoofd.

Den ezel beziende, ging hij voort:

--Dat betooverde grauwtje staat goed op zijne pooten, dunkt mij; ik ga het ergens berijden of verkoopen.

Zonder een woord te spreken, kocht hij een maatje haver, hetwelk hij den ezel vóór zette. Hij sprong vervolgens gezwind op den rug van het dier, nam den teugel vast, keerde zich naar het Noorden, het Oosten en het Westen en zegende de oude wijven. Dezen, van schrik bevangen, vielen op de knieën, en 's avonds vertelden zij aan den hoek van den heerd, dat een engel verschenen was met een vilten hoed met fazanteveeren en heur allen gezegend had en dat hij, door bijzondere gunste van God, weggereden was op den ezel des toovenaars.

En Uilenspiegel ging met zijn ezel te midden van malsche beemden, waar peerden huppelden, en koeien en veerzen loom in de zonne herkauwden.

En hij heette hem Jef.

De ezel was blijven staan en deed zich deugd aan de distelen. Somwijlen nochtans, huiverde hij over gansch zijne huid en sloeg hij met den steert op zijne zijden om de vraatzuchtige horzels te verdrijven die, evenals hij, wilden eten, doch van zijn vleesch en zijn bloed.

Uilenspiegel, wiens maag naar eten riep, was weemoedig en sprak:

--Gij zoudt wel gelukkig zijn, mijnheer de ezel, zoo gij kondt blijven smullen zonder dat iemand u stoort en u herinneren komt dat gij sterfelijk zijt, dat wil zeggen geboren om te lijden en te verduren.

... Evenals gij, vervolgde hij, heeft de man met de Heilige Muil zijne horzel en dat is mijnheer Luther; en Zijne Genadige Majesteit Karel heeft ook de zijne, dat is messire Frans de eerste, de koning met zijn langen neus en zijn nog langeren degen. Ik, arme zwerveling, mag dus ook mijne horzel wel hebben, mijnheer de ezel. Laas! in al mijne zakken zijn gaten, en langs de gaten schaveelen dukaten, guldens en daalders, gelijk een legioen muizen die vluchten voor den klauw eener kat. Ik weet niet waarom het geld van mij niet houdt, ik houde nochtans zooveel van het geld. 't Is eene leugen, dat de Fortuin eene vrouw is, want zij bemint maar de oude gierigaards, die haar vrekkig sluiten in kisten, in koffers, in zakken, en haar nooit met het tipje van heur gouden neusje aan 't venster laten komen. Dat is de horzel die mij bijt en mij knaagt, die mij kittelt zonder mij te doen lachen. Maar gij luistert niet, mijnheer de ezel, gij denkt maar aan eten. Ha! buikvuller, uwe lange ooren blijven doof voor den kreet mijner ledige maag. Aanhoor mij, ik wil het!

En hij zweepte hem. De ezel begon te balken.

--Laat ons gaan, nu gij gezongen hebt, sprak Uilenspiegel.

Maar de ezel verroerde zich niet meer dan een paal en scheen van zins al die distelen van den weg tot de laatste naar binnen te jagen. En hij sloeg er geen enkele over.

Dat ziende, steeg Uilenspiegel af; hij sneed een bussel distelen, stak die onder den bek van den ezel en mende dezen bij den neus tot op het grondgebied van den landgraaf van Hessen.

--Mijnheer de ezel, sprak Uilenspiegel onderweg, gij loopt achter mijn bos distelen en versmaadt de lekkere planten waarmede de lange weg volstaat. Gij zijt lijk de mannen die loopen achter eenen bos roem, eenen bos gewin, eenen bos liefde, dien de Geluksgodin onder hunnen neus steekt. Op het einde van den weg zien zij, gelijk gij, dat de nagejaagde buit weinig weerde heeft, terwijl zij onderweg èn rust èn werk èn gezondheid lieten.

Aldus met zijn ezel klappend, bereikte Uilenspiegel het kasteel van den landgraaf.

Twee kapiteins der boogschutters speelden op de trap met dobbelsteenen.

Een hunner, ros van haar en groot van gestalte, bezag Uilenspiegel, die zediglijk op Jef zat en hen aankeek.

--Wat wilt gij, met uwe hongerige en reizende tronie? sprak hij.

--'k Heb inderdaad honger, antwoordde Uilenspiegel, en reize geenszins voor mijn vermaak.

--Zoo gij honger hebt, sprak de kapitein, kunt gij met den hals de koorde opeten, die zwiert aan de eerste galge die gij ontmoet.

--Heer kapitein, antwoordde Uilenspiegel, als gij mij de schoone gouden koorde geeft die rond uwen hoed ligt, zal ik mij met de tanden gaan ophangen aan die vette hesp, die ginder bij dien spekslachter zwiert.

--Van waar komt gij? vroeg de kapitein.

--Uit Vlaanderen, was 't antwoord van Uilenspiegel.

--Wat wilt gij?

--Aan Zijne Landgrafelijke Hoogheid eene schilderij van mijne hand toonen.

--Kom binnen, als gij een schilder en van Vlaanderen zijt, sprak de kapitein, ik zal u bij mijnen meester brengen.

Toen Uilenspiegel bij den landgraaf was, groette hij hem drie reizen en nog meer.

--Uwe Hoogheid, sprak hij, verweerdige mij aan zijne edele voeten eene schilderij neder te leggen, die ik voor hem maakte, en op dewelke ik het konterfeitsel verbeeldde van de Allerheiligste Maagd Maria, in haren vorstelijken dos.

... Die schilderij zal misschien de eer hebben Uwe Hoogheid te bevallen, vervolgde hij, in welk geval ik mij vermete te hopen het ambt te verkrijgen van schilder Uwer Grootmoedigheid.

De landgraaf bezag het doek, dat goed gemaald was, en sprak:

--Gij zult onze schilder zijn; neem plaats in dien zetel.

En Uilenspiegel kuste hem op beide wangen en nam plaats in den zetel.

--Gij ziet er niet rijk uit, sprak de landgraaf.

Uilenspiegel antwoordde:

--Inderdaad sire; Jef, mijn ezel kon distelen eten, doch drie dagen reeds leef ik van ellende en eet ik rook van hope.

--Straks krijgt gij beters, sprak de landgraaf lachend, maar waar is uw ezel?

Uilenspiegel antwoordde:

--Ik liet hem op de Groote Markt, rechtover 't kasteel Uwer Genade; ik ware gelukkig zoo Jef dezen nacht op stal was.

De edele landgraaf gebood dadelijk aan een zijner schildknapen den ezel van Uilenspiegel als zijn eigen beest te behandelen.

Weldra kwam het uur des avondmaals, dat een recht festijn was. En de spijzen rookten op tafel, en de wijn liep als een stroom door de kelen.

Uilenspiegel en de landgraaf werden zoo rood als hanen. Uilenspiegel was vol vreugd, maar de landgraaf bleef nadenkend.

--Schilder, sprak hij eensklaps, gij zult mijn portret moeten maken, want 't is een groote voldoening voor een sterfelijken vorst, aan zijne nazaten de geheugenis zijner trekken te laten.

--Sire, antwoordde Uilenspiegel, uw wensch is mijn wil, maar 't schijnt mij, nietsweerdige, dat uwe Edelheid in de toekomende eeuwen niet veel genoegen zal smaken, zoo alleene op het doek te staan. Hij moet vergezelschapt wezen door zijne adellijke gemalinne, mevrouw de Landgravin, door zijne edelvrouwen en heeren, door zijne dapperste kapiteins, te midden waarvan zijne Hoogheid en Mevrouwe schitteren zullen als twee zonnen te midden van lanteernen.

--Inderdaad, antwoordde de landgraaf, en wat moet ik u betalen voor dat groot kunstwerk?

--Honderd gulden op voorhand of anderszins, antwoordde Uilenspiegel.

--Hier zijn ze vooraf, sprak de edele landgraaf.

--Allergenadigste heer, hernam Uilenspiegel, gij giet olie in mijne lamp, ze zal branden te uwer eere.

's Anderen daags vroeg hij aan den landgraaf de hovelingen vóór hem te doen komen, welke de eer hadden hem op het doek te mogen vergezelschappen.

Toen kwam de hertog van Luneburg, hoofdman der landsknechten in dienst van den landgraaf. 't Was een dikke vent, die verging in zijn vet. Hij naderde Uilenspiegel en fluisterde hem deze woorden in 't oor:

--Als gij mij op de schilderij de helft van mijnen buik niet afneemt, laat ik u opknoopen door mijne soldaten.

En de hertog ging voort.

Toen kwam een lange dame, die een bochel op den rug had, terwijl haar borst plat was als het zwaard der wrekende gerechtigheid.

--Heer schilder, sprak zij, als gij mij langs voren geen twee bochels geeft, in stee van éénen langs achteren, doe ik u als giftmenger vierendeelen.

En de hofdame ging voort.

Vervolgens kwam een jonge eerejuffer die blond, frisch en lieftallig was, doch drie tanden miste in de bovenste rij.

--Heer schilder, sprak zij, als ge mij lachen doet en niet al mijne tanden laat zien, doe ik u in stukskens kappen door mijn minnaar, die daar staat.

En zij wees naar den kapitein van de boogschutters die den dag te voren op de trappen van het paleis met de dobbelsteenen speelde; daarop ging zij voort.

En allen gingen aldus hem voorbij; ten slotte bleef Uilenspiegel alleen met den edelen landgraaf.

--Als gij het ongeluk hebt, sprak de edele landgraaf, alle die lieden niet trouwelijk uit te schilderen, laat ik u het hoofd afkappen.

--Zonder hoofd, dacht Uilenspiegel, gevierendeeld, in stukskens gekapt of voor het minste gehangen, zal het veel voorzichtiger zijn, niemand te schilderen. Ik zal er over nadenken.

--Waar is de zaal op welker muren ik al die doorluchtige lieden moet malen? vroeg Uilenspiegel aan den landgraaf.

--Volg mij, sprak de landgraaf.

En hij bracht hem naar een ruime kamer met groote witte muren.

--Hier is zij, sprak hij.

--Het ware goed, zei Uilenspiegel, dat men vóór die muren groote gordijnen hing, om mijn schilderwerk te behoeden voor stof en voor de beleediging der vliegen.

--Dat zal geschieden, sprak de edele landgraaf.

Toen de gordijnen hingen, vroeg Uilenspiegel drie leerjongens, om zijne verven te malen, naar hij zeide.

Dertig dagen lang gastreerden Uilenspiegel en de leerjongens en lieten zij zich de fijne vleezen en de oude wijnen goed smaken. De landgraaf zorgde voor alles.

Doch den een en dertigsten dag stak hij zijn neus in de kamer, alwaar Uilenspiegel gezegd had, dat niemand mocht binnenkomen.

--Hewel, Thijl, sprak hij, waar zijn de portretten?

--Ze zijn verre, antwoordde Uilenspiegel.

--Mag ik ze zien?

--Nog niet.

Den zes en dertigsten kwam hij weer met zijn neus voor de deur.

--Hewel, Thijl? vroeg hij.

--Edele landgraaf, zij gaan op hun laatste.

Den zestigsten dag maakte de landgraaf zich kwaad en, de kamer binnentredend, sprak hij:

--Op staanden voet gaat gij mij het schilderwerk toonen.

--Ja, geduchte heer, sprak Uilenspiegel, maar gelief het gordijn niet te openen, alvorens de kapiteins en de edelvrouwen van uw hof hier binnen te roepen.

--Dat zij komen, sprak de edele landgraaf.

Op dit bevel traden allen binnen.

Uilenspiegel stond voor het dichtgesloten gordijn.

--Doorluchtige Landgraaf, sprak hij, en gij, mevrouwe de Landgravinne, en gij, hertog van Luneburg, en gij allen, schoone damen en dappere kapiteins, achter dit gordijn heb ik, op mijn beste, uw lieve of krijgshaftige gezichten geschilderd. Een iegelijk zal zich dadelijk herkennen. Gij zijt nieuwsgierig uw konterfeitsel te zien; 't is redelijk, doch verweerdigt u geduld te nemen en laat mij nog een woord of vijf zeggen. Gij, schoone damen en dappere kapiteins, die allen van edelen bloede zijt, kunt mijn schilderwerk zien en bewonderen, maar mocht onder u zich iemand bevinden van onadellijk bloed, niets zou hij zien dan een witten muur. En nu, verweerdigt U uwe doorluchtige oogen te openen.

Uilenspiegel schoof het gordijn weg.

--Alleen de edelen kunnen iets zien; lieden van gemeene afkomst blijven blind voor dit kunststuk.

Al de hovelingen sperden de oogen open, gebaarden in bewondering te staan, zich zelven en anderen wederzijds te herkennen, doch in werkelijkheid zagen zij niets dan een naakten muur, hetwelk hen gansch onthutste.

Doch de nar die aanwezig was, sprong drie voet hoog, en, zijn narrenstok zwaaiend, sprak hij:

--Men mag mij uitmaken voor boer, en daarenboven voor schurk, voor deugniet, maar 'k zal het roepen en schreeuwen van de daken, dat ik daar een witte muur, een naakten muur, een blooten muur voor mijnen neus heb! Zoo helpe mij God en alle zijne santen.

Uilenspiegel sprak:

--Als de zotten spreken, is 't tijd dat de wijzen optrekken.

Hij wilde het paleis verlaten, als de landgraaf hem tegenhield.

--Snaak, sprak hij, die overal gaat en komt om het schoone en goede te prijzen en luidkeels te spotten met de dwaasheid; gij, die in tegenwoordigheid van zooveel grooten der aarde, als man uit het volk, zoo onbermhertig dorst spotten met hunne blazoenen en voorrechten, gij zult eens gehangen worden om uw stoute tong.

--Als de koord van goud is, antwoordde Uilenspiegel, zal zij breken van schrik als ze mij ziet komen.

--Daar, sprak de landgraaf, hem vijftien gulden in de hand stoppend, zie hier een stukje van de koorde!

--Hertelijk dank, genadige heer, antwoordde Uilenspiegel, elke afspanning van den weg krijgt er een vezel van, een gouden vezel, die al die dieven van weerden tot rijkaards maakt.

En hij sprong op den ezel en reed weg, met zijn hoedeken fier naar omhoog.

LVIII.

De bladeren verdorden op de boomen en de Octoberwind begon te waaien. Soms was Katelijne gedurende eenige uren bij heur verstand. En Klaas zei dan dat de geest Gods heur in zijne zoete ontferming kwam bezoeken. In die oogenblikken had zij de macht, door woorden en gebaren, Nele te betooveren en dan zag het meisje, meer dan honderd uren verder, alles wat omging op pleinen, in straten of in huizen.

Op een dag dat Katelijne bij heure zinnen was en oliekoeken at, wel begoten met dobbele kuite, in gezelschap van Klaas, van Soetkin en Nele, sprak Klaas:

--'t Is heden de troonafstand van Zijne Heilige Majesteit keizer Karel. Zeg, Nele, liefste, zoudt gij tot Brussel, in Brabant, kunnen zien?

--Ja, zoo Katelijne wil, antwoordde Nele.

Katelijne deed het meisje op eene bank zitten en betooverde heur door woorden en teekenen, en Nele viel zachtjes in slaap.

Katelijne zegde heur:

--Ga in het kleine huis omtrent de Warande, het geliefkoosd verblijf van keizer Karel.

--Ik ben, sprak Nele stille, in een kleine kamer, groen geschilderd. Daar zit een man van vier en vijftig jaar, grijs en kaal, met blonden baard op een vooruitstekende kin, met onheilspellenden blik in zijne sluwe, wreede en listige oogen. Dien man heet men Heilige Majesteit. Hij is aamborstig en hoest. Naast hem zit nog een man, jonger, met een afschuwelijk gelaat gelijk een aap met een waterhoofd. Ik zag hem te Antwerpen, 't is koning Philippus. Zijne Heilige Majesteit verwijt hem, dat hij zeker weer bij eene of andere slet in eene kroeg van de benedenstad uitgeslapen heeft. Hij zegt hem dat zijn haar naar de taveerne riekt, en dit geen vermaak is voor een koning die te kiezen heeft tusschen de aanbiddelijkste vrouwen met satijnen huid, die uit geurige baden komen, wat beter is, zegt hij, dan een vuile smots die met moeite uit de armen komt van een dronken soldaat. Geene vrouw, onder de schoonsten en edelsten, 't zij maagd, gehuwd of weduw, zegt hij hem, zou hem willen wederstaan; trotsch zouden zij heure minnarijen verlichten met den gloed van wierookvaten, in stee van het walmende licht eener stinkende vetkeers.

De koning antwoordt Zijne Heilige Majesteit, dat hij hem in alles gehoorzaam zal wezen. Ik zie dat Zijne Heilige Majesteit een hoestbui krijgt en eenige slokken kruidenwijn drinkt.

Hij zegt tot Philippus: Aanstonds zullen voor Ons verschijnen de Staten-Generaal, prelaten, edelen en poorters: Oranje de Zwijger, Egmond de IJdele, Hoorn de Onbeminde, Brederode de Leeuw en allen die van het Gulden Vlies, van hetwelk ik u grootmeester zal maken. Honderden liefhebbers voor dat speelgoed zult gij zien die zich den neus zouden laten afsnijden, zoo zij het op den borst aan een gouden ketting mochten dragen, tot teeken van hoogen adel.

Op jammerenden toon vervolgt Zijne Heilige Majesteit tot koning Philippus: Gij weet mijn zoon, dat ik te uwen voordeele afstand doe, aan de wereld een grootsch schouwspel ga geven, en voor eene groote menigte spreken zal, hikkend en hoestend,--want wederom heb ik te veel gegeten, mijn zoon,--en gij zoudt een steenen hert moeten hebben, zoo gij, na mij aanhoord te hebben, niet eenige tranen wildet storten.

--Ik zal weenen, vader, antwoord koning Philippus.

Vervolgens spreekt Zijne Heilige Majesteit tot zijn dienstknecht Dubois.

--Dubois, zegt hij, geef mij een stukje suiker met Madeira: ik heb den hik. Als mij dat maar niet overkomt terwijl ik het woord voer. Zal die gans van gisteren dan nooit zakken? Als ik een beker wijn van Orléans dronk? Neen, die is te hard. Als ik eenige ansjovisjes at? Ze zijn zoo vettig. Dubois, geef mij een glas Romagne-wijn.

Dubois geeft aan Zijne Heilige Majesteit wat hij vraagt; vervolgens doet men hem een karmozijnpannen kleed en een gouden mantel aan; men gordt een zweerd om zijne lenden; in zijne handen steekt men den schepter en den wereldbol, op zijn hoofd zet men de krone.

Zijne Heilige Majesteit treedt uit het huis der Waranda, gezeten op een muilezel en gevolgd door koning Philippus en hooge personages. Zij gaan naar een groot gebouw, dat zij het Paleis heeten, en vinden daar in een kamer een rijkgekleeden, grooten mageren man, dien zij Oranje noemen.

Zijne heilige Majesteit spreekt dien man aan en zegt:

--Zie ik er goed uit, neef Willem?

--Maar de man geeft geen antwoord.

Daarop zegt Zijne Heilige Majesteit--half lachend, half grammoedig:

--Neef, zult gij dan altijd zwijgen, zelfs om aan een oude pruik de waarheid te zeggen? Moet ik nog regeeren of moet ik afstand doen, Zwijger?