# De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

## Part 36

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-leeuw-van-vlaanderen-of-de-slag-der-gulden-sporen-15682/index.md

[Noot 54: "Dye Grave Guy ende die syne dus in vanghenesse blyvende, die coninc Phelips occupeirde en hilt Vlaenderen te synen behoeve, ende hi in persoone metter coninghinne vysenteirde Vlaenderen, te wetene Ghendt, Brugge en Ypere met haerlieder Casselryen."

_Die excellente Cronike_]

[Noot 55: "Philippus syne intrede te Brugghe gedaen hebbende, was hy verwonderd dat de inwooners hem met geene genoegsame teekenen van blydschap ontvangen hadden."

_Jaerboeken van Brugge_]

[Noot 56: "Die coninginne hadts groten spyt dat die vrauwen te Ghendt, te Brugghe en t'Ypre, die welcke ter weerdigheit van der coninginne al hadden aen haerlieder beste cleederen ende waren ten suverliesten ghepareirt. Doen seide die coninginne; ick waende alleene coninginne te sine in Vranckerycke maer mi dunckt dat die van Vlaenderen die in onze vangenessen syn in Vranckerycke, syn alle princhen want die wyfs syn al ghecleed gelyc coninginnen en princerssen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 57: "Philippe le Bel was zeer zorgvuldig tot het doen handhaven der rechtvaardigheid, hij toonde kunde in de staatszaken, was dapper, edel- en grootmoedig, dorstig naar glorie, doch geldverspillend. Stervende beval hij aan zijn zoon Lodewyk de schattingen te verminderen en het volk te ontlasten."

Anquetil, _Histoire de France._]

[Noot 58: Een afbeelding van dit gebouw bevindt zich in Sanderus, _Flandria illustrata_. De plaats waarop hetzelve gestaan heeft, is heden gedeeltelijk met andere gebouwen bedekt.]

[Noot 59: "De Koning heeft tot Gouverneur-generael van Vlaenderen aengestelt Jacques de Chatillon, broeder van Gui de St-Pol, dewelcke waren ooms van de Koninginne."

_Jaerboeken van Brugge._]

8

[Noot 60: Was de plaats bij het stadhuis of vierschaar vanwaar men tot het volk sprak (_rostra_).]

[Noot 61: "Een pond Vlaams gold twintig schellingen, de schelling zes stuivers (55 centiemen) en een Groot twee oortjes of 5 centiemen."

Octave Delepierre, _Annales de Bruges._]

[Noot 62: "Maer de Koning was naeuwlyks vertrokken of daer ontstond eenen grooten oproer binnen Brugge ter oorzake dat het Magistraet de groote onkosten, welke voor de intrede van den Koning gedaen waren door het inkomen van eenige nieuwe imposten wilde voldoen."

Meyerus.]

[Noot 63: "Een opleyder van desen oproer was Pieter Deconinck, Deken van de wollewevers, eenen man van omtrent dertig jaeren, hebbende maer eene ooge; doch seer welsprekende en vol verstand. Maar den Bailliu en de Weth dit vernomen hebbende deden hem aenstonds ...gevangen nemen."

_Cronycke van Despars._]

[Noot 64: "Maer nauwelycks was den Graef wederom vertrocken (1282) of zy maekten eene nieuwe bende de welke genaemd wierd den grooten Moerlemacy. Sy liepen in de wapenen en vermoorden Dieryck Franckesone, den wekken sy seyden de oorzaeke te syn van de gramschap van den Grave."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 65: "Deconinck en bleef daer (in den kerker) niet lange want het gemeente nog ten selven dagen byeen gerot synde, wierd hy gewapenderhand daer uytgehaeld en in vrydom gestelt."

_Jaerboeken van Brugge._]

10

[Noot 66: Men begon inderdaad een kasteel te houwen, bij de plaats waar nu het waterwerktuig of watermolen staat, doch hetzelve werd niet voltrokken.]

[Noot 67: Een gehucht buiten Brugge.]

11

[Noot 68: "15 ougst 1280 verbrandde tot Brugge de Halle, als oock de torre dewelcke alleenlyk van hout gemaeckt was en waerin alle de stadsprivilegien berustende door de vlammen verteert wierden."

_Jaerboeken van Brugge._]

12

[Noot 69: "Ende bi desen die cooplieden worden Vlaenderen scuwende, dye ambochtslieden waren neiringloos, ende en costent niet ghemaken dat si den cost ghecregen. Hi (De Chatillon) ordonneirde settinghen, poinctingen, gabellen, daer tvolc onredelic mede verlast ende verschat was, en dit al by den insteken van synder nichte, die coninginne, omme Vlaenderen plats scalck te maken, en contrarie haren wetten en privilegiën."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 70: Het slot te Male bestaat nog. Toen ik die plaats ging bezoeken, om ze met kennis te kunnen beschrijven, vond ik mij terdege in mijn verwachting bedrogen. Niets kan aan het oog des reizigers zijner oudheid getuigen, mits het, nu herbouwd, eer naar een groot en grof pakhuis dan naar een heerlijk goed gelijkt; slechts enige overblijfsels der aloude vestingsmuur kon men met veel moeite tussen de zode nog ontdekken, de arduinen Kaak staat te midden van het dorp. Voor enige jaren waren er nog grote bossen in de omstreken, doch derzelver grond is nu meestal door de landbouw ingenomen.]

[Noot 71: Dit lied is door mijn kunstvriend J.A. de Laet opgesteld.]

[Noot 72: In al de tochten welke door de christenen aangenomen werden, om Jeruzalem te winnen en het graf des Heilands van de ongelovigen te verlossen, namen de Belgen het grootste deel. Reeds ten jare 1095 drong Godfried van Bouillon, geboren in het slot Baisy op vier mijl van Brussel, aan het hoofd van driehonderdduizend man in Palestina, en Jeruzalem werd door hem in 1099 gewonnen. In het jaar 1204 vertrok Boudewyn, Graaf van Vlaanderen, met enige Franse ridders en met Dandolo, Doge van Venetië, naar het Oosten, en verwon de Turken in menig gevecht. Hij werd om zijn dapperheid door al de bondgenoten tot Keizer van Constantinopel verheven.]

[Noot 73: In die tijden bestonden er zekere overeenkomstige wetten, welke men zonder schande in een gevecht niet mocht verbreken; volgens dezelve moest de Fransman hier zonder wapens strijden, aangezien hij met een burger te doen had. Ook mochten de bijzijnde soldeniers in gener wijze tussen de strijdenden komen, dan slechts voor zoveel er door de ene of de andere verraderlijke middelen gebruikt werden.]

[Noot 74: "Op den eerste Meye daer naer is Jan Breydel gaen drincken op het casteel van Maele, alwaer hij woorden krijgende met eenen knecht van den Casteleyn die hem verweet dat de Bruggelingen muitmaekers waeren, den selven ter plaetse heeft doodgeslagen."

_Jaerboeken van Brugge_]

[Noot 75: "De Casteleyn met de syne wilde dit vreken: maer Breydel wederstond hem kloeckelyck."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 76: "Hij (De Chatillon) overlastichde den gemeenen volcke, want hi ordonneirde dat alle dye ambochtslieden moesten gheven den vierden penninc van haerlieder dachueren en van allet tghene dat se wonnen, alsoo wel in coopmanscepen als andersins van ghelyke."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 77: "Breydel kwam naer Brugge, hetselve aen de beenhouwers en andere syne vrienden vertellende. Dese ten getalle van seven hondert kloeckelyck gewapent trocken naer Maele, alwaer sy den Casteleyn met veel van de syne doodgeslagen hebben."

_Jaerboeken van Brugge._]

13

[Noot 78: "Anno 1296 naer St-Jansdach midsomere soo kwam Philips, den coninc Vlaenderen waerts wel met 20,000 mannen, en leedt Duway, en voer beleggen Ryssel... Daer was seere ghevochten en daer bleef doot die grave van Bloys en alle die van Guyse die in die eerste bataelge stonden, van die Franschen bleven 4,000 Walen... heel West-Vlaenderen was verloren. De Franschen roofden Ryssel, Ypre, Cortryk en Roeselaere en verbrande kerken, cloosters, dorpen, stedekins en hospitalen, men vercrachte die vrouwen ghehuwet en onghehuwet, maegden, nonnen en religieusen, en diet niet ghedooghen en wilde men slouch se doot."

_Die excellente Cronike._]

14

[Noot 79: "Jan van Namen en Guido synen broeder, beyde sonen van den gevangen Grave, met Guiliame van Juliers hunnen neve, dewelcke zig tot nog toe tot Namen hadden onthouden... kwamen bedecktelyk naer Vlaenderen om met Pieter Deconinck te beraemen wat hun te doen stond."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 80: "Ende het gheviel dat in deser tyt die sarasynen hadden inghenomen en ghewonnen met groter cracht, twee kerstene conincrycken, te wetene tconinckrycke van Mayoorcke ende Melyden. Ende die voors: twee coningen waren ghecomen te Parys aen den coninc, om raet ende bystandicheyt, en die paeus screef aen den coninc van Vranckerycke, als die principaelste kersten coninc, dat hy die kerstene princhen vergaderen wilde om dat lant van Mayoorcke ende van Melyde weder te conquesteirene."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 81: "Hieromme waren die coninc en coninginne so fellycken gram, dat si deden vergeven Philippa met venyne. Ende die coninc beval dat men de XXX camerieren allen worghen soude en in de Cheyne worpen, en die XXX rudders die met haer ghecomen waren te hanghen aen een galge."

_Die excellente Cronike._]

15

[Noot 82: "Ende die niet en conste betalen sine pointynghe, hi deidste steken in die vanghenesse en dier yegen knoterden oft murmureirden, die dede hi hanghen ofte onthoofden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 83: "Men hielt te Brugge alle daghen mesdach want nement en wilde wercken, noch temmeren, noch metsen, noch varwen, noch weven, wullen noch lynen, ende dye dienaers van St.-Pol men en wilde hen lieden spyse noch drank vercoopen ende se quamen int eynde van der weke in den huyzen van den ambochtslieden omme te hebbene den vierden penninc van den wercke. Men vant er geene mans thuys dan vrouwen en kinderen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 84: "Ende soo wie dagelix te wercke ghinc die moeste geven eenen witten penninc. Die van Brugge en wildet niet geven, die van Ghendt dit hoorende si en wildet ook niet betalen ende alzoo ooc in dierghelycke alle die smalle steden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 85: "Dit aenhoorende Guy de St-Pol, dye doe te Cortrycke was, dat die van Brugge deden contrarie syncler ordonnancien, als van hem den vierden penninc te geven endat si niet wercken en wilden, hi sandt te Bruggewaert tonnen met reepen ende coorden, meenende alle dye principaelste van alle den ambochten te doen hanghen voor hen lieder solderveynsteren."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 86: "Selfs en waeren de soldaeten soo haest niet binnen gekomen oft sy hadden verscheyde huyse van de vluchtelingen opengebroken, alles roovende en doodslaende, het geene hun tegenstond."

_Cronycke van Despars._]

16

[Noot 87: "Alle dye ambochtslieden waren meestendeel ghevloden som te Damme som ter Sluys en t' Ardenburch, die welcke alle vergaderden bi Pieter die Coninc ende Jan Breydel."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 88: "Dit verwonderde Pieter die Coninc een wevere, een harde vroet en subtyl man, ende werd daerna rudder om syne vromicheyt, hi vloodt huut Brugge ende ghinc t'Ardenburch met eene menichte van Ambachtslieden wel gewapend ende voorzien. Ende ooc diergelycke Jan Breydel een vleeshouwere, die ghinc ten Damme en by wylent ter Sluys ende te Ardenburch, en hi hadde bi hem alle maniere van Ambachtslieden."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 89: "En si droughen overeen dat si des anderendaegs tsmorgens, int beginsel van den dage, voor trysen van der soone, vergaderen souden bi Sinte Kruis kercke, bi Brugge, ende alle welgewapent en voorsien."

_Die excellente Cronike._]

17

[Noot 90: "En Jan Breydel ginc metter ander schare lancx die Speypoorte aen die Snaggaertsbrugge, want daer omtrent waren ghelogiert Guy de Saint-Pols lieden van wapenen, ende sine dienlinghen bet dan tot IIII^{m} mannen, en men hietse die snackers."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 91: "En Pieter dye coninc soude comen metter eender schare ter cruyspoorte inne, ende alsoo totter maret ende van danen totter vrydaechs marct."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 92: "En roepen schilt en vriend, wat walsch es valsch eest, slaet al doot, ende die dat niet en conste segghen die soude men doodslaen sonder verdrach."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 93: "En Jan Breydel ontrent den drien hueren smorgens soo quam hi met den sinen in de herberghen van den walen roupende Vlaender dye leeu, alle die goede Vlamingen syn die volghen mi nae, dat walsch is dats valsch, slaet al doot. Eeneghe van dien lagen nog op haer bedde en sliepen, andere stonden oppe en waren nog in hunne wambaysen en men slouch se dood gelyc kyeckenen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 94: "Den heere van Chatillon hadde hem meenen in defensie te stellen, maer syn peerd onder hem gedood synde, hadde hy alle moeite om in het huys van eenen vriend te vluchten."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 95: "Ende Pieter die Coninc ghinc met sinen volcke in de Steenstrate ende bi Sinte Salvators, in alle die herberghen daer die walen ghelogiert waren, ende men slouchse allegader doot, men vincker nyement."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 96: "Langs de straten gaende riepen zij geduerig: Vlaenderen den Leeuw... Het woord van degone die de poorten en andere posten bewaerden was schild en vriend: het welcke sy buyten andere verkoren hadden om dieswille dat de Franschen deze woorden niet wel en prononceren en konden: soo dat alle degone die dat niet recht en seyden, dootgesmeten werden."

_Jaerboeken van Brugge._]

[Noot 97: "Op dye vrydach waren bedt van V^m walen binnen Brugge verslegen ende des anderdaechs waren te Gendt ooc bedt dan II^m walen doorghesleghen, dit gheschiede int jaer ons Heren XIII^C ende twee."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 98: "En ontrent half voor noene Guy de St-Pol [De Chatillon] nam syn cappellaens cleederen en deedtse aen, ende reedt also achter Sinte Claren naer de veste en quam also lancx der veste tot by der Smedepoorte daer hi met sinen peerde vloodt en swam duer die veste in groter vreesen van verdrincken, want zyn principael lyfcnape bleef daer in de veste en verdranc."

_Die excellente Cronike._]

18

[Noot 99: "Op den eersten van junius sag men Guido van Namen, sone van den gevangen Graef Guido, binnen Brugge onthaelt worden met eene ongemeyne vreugt, om dat hij met een duitsch legerken hun ter hulpe kwam."

_Chronycke van Vlaenderen._]

[Noot 100: "Hy dede vooreerst het vier smijten in het huis en Casteel van Sysseele, wiens bezitter eenen was der fransche bende ende synen Grootvader veel nadeel gedaen hadde in den lesten oorlogh."

_Chronyke van Vlaenderen._]

[Noot 101: "Jacques de Chatillon vertrouwde de verdediging van het kasteel van Kortrijk aan de Kastelein van Lens, dewelke hij dertig ridders met hun schildknapen en een genoegzaam getal schutters liet, hij gaf vervolgens het bevel der stad en van het kasteel van Rijsel aan Pierre Flotte, en vertrok zelf naar Parijs."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 102: "De Graaf d'Artois, die voor een der dapperste en behendigste krijgers zijns tijds doorging, was de onverzoenlijke vijand der Vlamingen, aan dewelke hij de dood van zijn zoon, in het gevecht te Veurne gesneuveld, niet kon vergeven."

Voisin, _Notice sur la Bataille de Courtrai._]

[Noot 103: "Ende si beval heuren ooms dar men alle de sueghen van Vlaenderen hare borsten afsnyden en al huere verckenen met sweerden duerspeten soude, dat waren die vrauwen en kinderen, ende die mans alle dootslaen, dewelcke si hiet die honden van Vlaenderen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 104: "De Bruggelingen maakten de andere Vlamingen op om in menigte tegen de Fransen en Fransgezinden op te staan; ook werd er een groot getal derzelve te Oudenaarde en in de Kastelenij van Kortrijk vermoord."

Voisin]

[Noot 105:

"Si Scoten ut ende maecten brant Ende verberde met ere acort 'T scoenste ende 't beste van der Port Ane die marct een groet vlac, Se scoten vier, dat gerne ontstac Met vlieken die gesplinter waren. Die clincten alse gespannen snaren, Daer si an de wande vlogen."

Van Velthem, _Spiegel Historiael._]

[Noot 106: Er waren vier edele stammen in Vlaanderen, waarvan de hoofden de naam van Beers droegen; wanneer de graaflijke stam uitstierf werd de nieuwe Vorst uit deze Beers gekozen.]

[Noot 107: De geschiedschrijvers verschillen aangaande de macht der Franse benden; wij hebben tussen de onderscheiden opgaven een middelbaar getal verkozen.]

[Noot 108: "Zodra Gwyde van Namen de aankomst der Fransen in Vlaanderen vernam, gaf hij door het ganse Land het bevel om te wapen te lopen en bij hem te komen. Reeds sedert de 16^e juni was Arnold, zoon van de heer van Oudenaarde, die met de Graaf in Frankrijk gevangen zat, in de vlakte van Groeninge (bij Kortrijk) komen legeren... Hij (Gwyde) zond insgelijks een schildknaap tot zijn neef Willem van Gulik, dewelke, na de Fransen uit West-Vlaanderen verjaagd te hebben, het kasteel van Kassel belegerde; hij deed hem de stand der zaken kennen en aanzocht hem het beleg dier plaats te lichten en te Kortrijk te komen om de gemene vijand te bestrijden."

Voisin.]

20

[Noot 109: Dit waren zekere zware werprustingen, in het beleg der steden en kastelen gebruikt.]

[Noot 110: "Si gingen al in eenen bilck, aen die zuitsyde en aen die noortsyde wel begracht ende bevest."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 111: "Alhoewel meer dan vijftig Vlaamse Edelen in de kastelen van Frankrijk gevangen zaten, en dat anderen, tot de gezindheid der Leliaards behorende, in het Frans leger gegaan waren om de wapens schandelijk tegen hun Vaderland te voeren, vochten er nochtans menigvuldige Edellieden onder de standaard van Vlaanderen en namen een eerlijk deel in de vrijmaking des Lands."

Voisin.]

[Noot 112: "Die van Veurne en van Veurnes-ambacht, alsook die van de ganse kust, waren in tamelijk getal onder het geleide van Eustachius Sporkyn gekomen."

Voisin.]

[Noot 113: "De inwoners van Ieper, alhoewel gedwongen hun eigen stad te bewaken, hadden ook vijfhonderd mannen, in het rood gekleed, en zevenhonderd schutters gezonden."

Voisin.]

[Noot 114: "Guilliellemus van Juliers dit verstaen hebbende is terstont, weynige van syn volck gelaeten hebbende voor het Casteel van Cassel, met syne troupen naer synen oom Guido gekomen, om met gevoegde magt de Franschen af te wagten."

_Chronyke van Vlaenderen._]

[Noot 115:

"Binnen desen dat dit gesciede, soo sende Her Jan van Namen liede, sine broeders te hulpen dan, Met platen wel VI hondert man."

_Spiegel Historiael._]

21

[Noot 116:

"Het 's Myn Her Jan van Rinesse; In die werelt en ess 'er niet sesse, Omgaens wyt ende breet, Die het van orloge weet."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 117: "Eindelijk zag men komen toegelopen, met vijfduizend Gentenaars, onder dewelke zevenhonderd zijner magen en vrienden waren, een der helden van de beruchte slag te Woeringen, de ridder Jan Borluut, dewelke zich een grote faam van onversaagdheid en kunde had gemaakt."

Voisin.]

[Noot 118: In een oud handschrift, op perkament volgens oorspronkelijke stukken, in 1482 door Lodewyk van Houtte van Deinze geschreven, hetwelk de heer Voisin in zijn werk over de slag der gulden sporen aanhaalt, worden vermeld als hebbende de slag te Kortrijk bijgewoond:--Salomon heer van Zevekote, die er dood bleef; Arend Drubbel, baljuw van Deinze; de heer van Zomergem en zijn twee zonen; Jan van Waasberge; de heer Van Maldegem en zijn zonen; Jan van Deinze, heer van Leerne; de heer Simon Bette van Gent; de heer Van Severen en zijn zoon die er dood bleef; Jan heer van Aishove; Jan de Vos, van Gent; Jan heer van Aarsele; Willem van Daknam en zijn broeder Pieter; Boudewyn Braem, van Gent; de heer van Landegem; de zoon van de heer van Vinkt; Thomas van Torre, heer van Vorselaar; Hans van Kortrijk; Philippe Baelde van Ieper; Pieter van Brugge, die er dood bleef; Walter heer van Merendree; Jacob van Ieper, schildknaap van de Graaf van Namen; Simon, zoon van de heer van Kaster; Jan heer van Machelen, die er gevaarlijk gewond werd; Pauwel heer van Knesselare; de heer Frans van Meulebeke; Amman van Brugge, Pieter Nieuwerkerken, heer van Markegem; Jan heer van Ingooigem; Pieter Belle van Ieper; Willem en Robrecht Wennemaar, van Gent; Walter Ryckam van Kortrijk; Jan de Stuuwere en Pieter de Drivere, van Harelbeke; Jan en Pieter van der Pille en Jan die Bleckere, van Oudenaarde; Pieter van der Haghen, van Brugge; Jan Willebaert, van Torhout; Willem de Visschere, van Kortrijk; de heer Lodewyk van der Moere; de heer van Anzegem; de heer van Nokkere en zijn broeder, de baljuw van Nevele en Pieter de Schrivere van Tielt.]

[Noot 119: "Guido van Vlaenderen dede alsdan Pieter Deconinck en Jan Breydel aen het hoofd van 't leger komen, alwaer hy deselve, ten aensien van een ieder, Ridders geslagen heeft."

_Jaerboeken van Brugge._]

22

[Noot 120: "Ende si lieden te Ryssele comende, so sprak Robrecht van Artois tot de twee coningen van Mayoorcke en van Melyde: ik duchte dat de Vlaminghen, die argher syn dan Sarasynen, want si syn vernoyeirde Kerstenen; eest so dat si ons eenighen oploop doen willen en dat wi se doen te niete, wi sullen der Gode also lief mede doen ende het wordt ons soo goede een vaerdt oft wi al Barbaryen metten sweerde wonnen."

_Die excellente Cronike._]

[Noot 121: "Het Franse leger beliep tot boven de vijftigduizend man; het was nog sterker geworden en had onder zijn gelederen een groot getal Brabanders ontvangen, te midden derwelke Godfried, oom van de Hertog van Brabant, zich deed bemerken."

Voisin.]

[Noot 122: Men zie hierna de lijst der ridders welke onder het Franse vaandel dood bleven, vele dier Leliaards zijn er in vermeld.]

[Noot 123:

"Mijn Her Raneel, die Vlaminc Wilde oec dienen den Coninc Hi wilde prys bejagen na der macht Ende hilt onder Simpoels cracht."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 124: Adela, dochter van Raoul de Nesle, was gehuwlijkt met Willem van Dendermonde, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen.]

[Noot 125: De Vlaamssprekende volken noemde men in het algemeen Dietse, hetwelk nu door het woord Nederduits vervangen is.]

[Noot 126: "Men bemerkte er nog de ridder Hugo van Arkel, bijgenaamd Butterman: met een reusachtige gestalte, was hij begaafd met een verwonderlijke lichaamskracht. Hij gebood over een bende moedige wapenlieden en had in den eerste zijn dienst de Koning van Frankrijk aangeboden, maar alzo hij te hoge betaling eiste, nam men zijn aanbieding niet aan, en Butterman in een onstuimige spijt, ging over tot de zijde der Vlamingen alwaar hij met grote vreugde werd ontvangen."

Voisin.]

[Noot 127: "Niettegenstaande kon de hardnekkige tegenweer het kasteel van Kortrijk niet redden, te meer daar zij gebrek aan levensmiddelen hadden; waarom de kastelein, het middel gevonden hebbende om een bode naar de Graaf d'Artois te sturen, hem dringend verzocht zonder uitstel ter zijner hulp te komen."

Voisin.]

[Noot 128: De verdeling van het Frans leger in tien benden, onder het bevel der ridders welke als Aanleiders zijn vermeld, komt overeen met de historische beschrijving welke de heer Voisin ervan geeft.]

[Noot 129: Ziehier hoe de Chronyke van Vlaanderen, te Brugge bij Andreas Wydts, omtrent het jaar 1725 gedrukt, zich in krachtige stijl over de wreedheden der Fransen uitdrukt: "Het fransche volk, hetwelk met ongehoorde razerny gheel het Zuit-Vlaenderen soo doorliepen dat er van Douai tot Ryssel toe nogte Huis, nogte Casteel, nogte Kerk, nogte boom te vinden en was. Hetgene de hartneckigste Ketters tot nog toe noyt en hadden bestaen, scheen hier onder de Fransche toegelaten. Sy en spaerden nog man, nog vrouw, nog kinderen. De beelden selfs, dewelcke sy in Gods kerken vonden, en die de gedagtenis der Heiligen van Vlaenderen voorstelden, hebben sy heyligschendelijk doorsteken. De kloosters wierden verbrandt, de moningen vermoort, de maegden onteert, geschonden en mishandelt. Nogte men konde geen verschil maeken tusschen dese hunne vervloekte ongebondentheyt en de vervolginge van het helsch gespuis."]

[Noot 130: De Graef d'Artois kwam met het dikke van zyn leger en ging zich neerslagen, op eene halve myl van Kortryk, op den Berg van Weelde, heden genaemd de Pottelberg, tusschen de Leye en de straet naer Sweveghem.

Voisin.]

23

[Noot 131:

"Die van Ypre een groet deel Lagen binnen ende hoeden den Casteel Tot XII hondert, wel te gereken Met swerten rocken gelike peke."

_Spiegel Historiael._]

[Noot 132: De Groeningebeek, welke in die tijd volgens de kronieken dertien voet breed was, is heden slechts een geringe waterloop, die, evenals de Gaverse beek, uit de moerige weiden der pachthoeve _Vierschare ten ackere_ voortspruit.]

