# De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

## Part 30

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-leeuw-van-vlaanderen-of-de-slag-der-gulden-sporen-15682/index.md

Onderwijl was Robert d'Artois met enige andere Franse Veldheren tot op een kleine afstand van het Vlaamse leger gekomen, om hetzelve te herkennen. Zijn boogschutters werden terstond tegen de slingerwerpers van Gwyde aangevoerd, en men zag de voorwachten der beide legers zich reeds enige afzonderlijke pijlen of stenen toezenden, terwijl Robert zijn ruiters vooruit deed zakken. Ziende dat Gwyde zich op een enkele rij met zijn volk geschaard had, verdeelde hij zijn leger in drie lichamen[136]; het tweede behield hij onder zijn eigen bevel, en vormde hetzelve uit de beste benden ten getale van vijftienduizend uitgelezen ruiters; het derde, dat de achterwacht hebben moest, en tot de bewaring der legerplaats bestemd was, liet hij onder het bevel van Guy de St.-Pol. Gelijk hij zich bereid maakte om met die verbazende heirkrachten tegen het Vlaamse leger in te lopen, kwam de heer Jean de Barlas, overste der vreemde benden, bij hem, en sprak hem aldus aan: "Om de liefde Gods, Mijnheer d'Artois, laat mij met mijn mannen eerst ten strijde gaan; stel de bloem der Franse ridders niet bloot om door de handen dier bijeengeraapte Vlamingen te sterven, het zijn razende mannen die door de wanhoop uitzinnig geworden zijn. Ik ken hun gewoonte: zij hebben hun voorraad in de stad gelaten. Blijf gij hier in slagorde, en ik met mijn lichte ruiterij zal ze van Kortrijk afsnijden en hen met kleine aanvallen bezig houden. De Vlamingen eten veel en de ganse dag door,--zij hebben veel levensmiddelen nodig; indien wij hun dezelve ontroven, zullen zij weldra van honger moeten vertrekken, en dan kunt gij in een gunstiger plaats op hen vallen. Alzo zoudt gij dit gespuis geheel verdelgen zonder veel edel bloed te vergieten."

De Konstabel De Nesle en meer andere heren keurden die raad goed, maar Robert, door verbolgenheid verblind, wilde er geenszins van horen, en raasde tegen Jean de Barlas dat hij zwijgen zou.

Al die bereidingen hadden de tijd doen voorbijsnellen: het was reeds zeven uur in de morgen, wanneer de Franse ruiters zich tot op twee slingerworpen van de vijand bevonden. Tussen de schutters der Fransen en de steenwerpers der Vlamingen lag de Mosserbeek, in zulker voege dat zij elkander niet naderen konden en er slechts weinig mannen aan beide zijden dood bleven. De Seneschalk d'Artois gaf aan Rodolf de Nesle, Aanleider van het eerste lichaam, het bevel tot de aanval.

De eerste schaar ruiters sprong met onstuimige drift vooruit, en rende tot bij de Mosserbeek, maar hier zonken zij tot aan de zadels in het slijk. Elkander overhoop lopende, vielen de voorsten van hun paarden en werden door de Vlamingen doodgeworpen, of zij versmachtten in de modder. Die er uitgeraken konden, keerden in allernaast terug, en dorsten het niet meer wagen zich nog zo roekeloos bloot te stellen[137]. Onderwijlen stond het Vlaamse leger beweegloos achter de tweede beek, de val der vijanden in de diepste stilzwijgendheid aanziende.

De Konstabel Rodolf, merkende dat de doortocht voor zijn ruiters onmogelijk was, kwam bij Mijnheer d'Artois en riep: "Voorwaar, ik zeg u, Graaf, dat wij onze lieden in groot gevaar stellen met hen alzo in die beek te jagen; geen enkel paard wil, noch kan er over. Laat ons liever onze vijanden uit hun legerplaats lokken; geloof mij, gij waagt ons allen in dit spel."

Maar de Veldheer was al te zeer door spijt en woede ingenomen, om op die wijze raad acht te geven; hij schreeuwde met grammoedigheid: "Bij de duivel, Konstabel! Dit is een Lombardenraad. Zijt gij bang van die hoop wolven, of zoudt gij van hun haar hebben?"

Hierdoor wilde hij te kennen geven dat de Konstabel de Vlamingen beminde en, ter schade van Frankrijk wellicht, begunstigen wilde. Rodolf, door dit verwijt gekwetst, ontstak in een hevige toorn, hij naderde dichter bij de Veldheer, en antwoordde met bitsige nadruk: "Gij twijfelt aan mijn moed? Gij hoont mij? Maar ik vraag u, durft gij mij op staande voet en alleen tussen de vijand volgen? Ik zal u zo ver brengen dat gij nimmer wederkomen zult ..."

Enige andere ridders wierpen zich tussen de twee twistende Veldheren, en deden zoveel door hun woorden dat zij hen tot bedaren brachten; zij vertoonden insgelijks aan de Seneschalk dat de doortocht bij de beek onmogelijk was; maar hij wilde er niet van gesproken hebben, en gebood aan Rodolf dat hij opnieuw zou vooruitgaan[138].

De Konstabel, door spijt vervoerd, rende met zijn scharen onstuimiglijk naar het Vlaams leger; maar bij de beek vielen al de ruiters der eerste gelederen overhoop: de ene verpletterde de andere, en meer dan vijfhonderd versmachtten in die verwarring, terwijl de Vlamingen zo menigvuldige stenen onder hen wierpen dat hun harnassen en helmen op hun leden verpletterd werden.--Mijnheer d'Artois, dit ziende, werd genoodzaakt de benden van Rodolf terug te roepen. Met de grootste moeite kon men dit lichaam weder tot regelmatige scharen vormen, want er was een schriklijke verwarring onder hen gekomen.

Intussentijd had Mijnheer Jean de Barlas een plaats gevonden, waar men door de eerste beek gemakkelijker waden kon, en was met tweeduizend kruisboogschutters er overgetogen. In de weide, waar de Vlaamse slingeraars stonden, geraakt zijnde, schikte hij zijn mannen in een dichtgesloten schaar en begon zoveel ijzeren schichten op de Vlaamse slingeraars te zenden dat de lucht erdoor verduisterd werd[139]. Een groot getal Vlamingen vielen dood of gekwetst op de weide, en de Franse schutters wonnen op hen veel gronds.

Mijnheer Salomon van Zevekote had zelf de slinger van een gesneuvelde ambachtsman opgenomen, en moedigde de zijnen door zijn voorbeeld aan; maar een ijzeren pijl boorde door het voorstuk van zijn helm en wierp hem dood ter aarde. De Vlamingen hun Aanleider nevens zoveel makkers ziende vallen, en geen keien meer hebbende, deinsden zonder wanorde naar hun leger af; een enkele slingeraar van Veurne bleef te midden der weide alleen staan, alsof hij de schichten der Fransen trotsen wilde. Beweegloos stond hij, alhoewel de pijlen boven zijn hoofd en rondom hem fluitende vlogen[140]. Met een langzame beweging plaatste hij een zware kei in zijn slinger, en mikte met stijve aandacht op het doel dat hij treffen wilde. Na de slinger enige malen met kracht rondgedraaid te hebben, liet hij het een einde los, en de kei vloog huilend door de lucht.--Een pijnlijke schreeuw kwam uit de borst van de Franse Aanleider, die zonder leven op de grond stortte; zijn helm was tegen zijn hersens verpletterd, en zo sneuvelden de Aanleiders der twee strijdende benden bij dezelfde aanval.

Op dit gezicht werden de Franse schutters zo verwoed dat zij hun kruisbogen wegwierpen, de degen in de vuist nemende, liepen zij de Vlaamse slingeraars met onstuimigheid op het lijf, en vervolgden dezelve tot bij de tweede beek, welke voor het Vlaams leger vloeide. Mijnheer Valepaiële, die bij Robert d'Artois stond, de voortgang der schutters ziende, riep: "Seneschalk, die slechte voetknechten zullen zoveel doen dat zij alleen de eer des gevechts zullen halen. Indien zij de vijand uiteendrijven, wat komen wij, ridders, hier dan doen?--Dit is schande, wij staan hier alsof wij niet dorsten strijden." "Montjoie St.-Denis!" schreeuwde Robert. "Vooruit Konstabel! Val aan"[141].

Op dit bevel losten al de ridders van het eerste lichaam de teugel, en dreven hun paarden in wanorde voort; ieder wilde de eerste zijn om de eresteek te doen. Met zulke onvoorzichtige dwaasheid liepen zij hun boogschutters overhoop, en boorden door hun eigen volk; honderden voetknechten worstelden met de dood tussen de voeten der paarden, welke hen verpletterden, de overigen vluchtten langs alle zijden van het slagveld. Zo deden de ridders het behaalde voordeel teniet, en gaven aan de Vlaamse slingeraars de tijd om zich weer in gesloten benden te hervormen. Er ontstond uit het gekerm der gevallen ridders een akelig doodsgehuil, dat men van ver wel voor het juichen eens zegepralenden legers zou genomen hebben. De ongelukkige ridders, over wier lichaam een ganse wolk andere ruiters vooruitrende, schreeuwden dat men hen toch niet vertrappen zou; maar er was geen tegenhouden aan[142]. Reeds was de stem dergenen die eerst gevallen waren, in een laatste doodskreet vergaan; zij, die hen omvergelopen hadden, werden nu ook door anderen verpletterd, zodat het gehuil bleef aanhouden. De achterste benden, denkende dat de strijd aangevangen was, joegen hun paarden met de spoor in de huid naar de beek op welkers boorden dit gebeurde, en velen van hen kwamen het getal der slachtoffers van des Veldheers onbezonnenheid vermeerderen. In die verwarring sneuvelden verbazend veel ridders en voetknechten[143].

De Vlamingen hadden zich nog niet verroerd; even beweegloos en even stilzwijgend stonden zij in een lange rij, en bezagen dit schouwspel met verwondering. Met meer kunde en met meer voorzichtigheid gingen de Vlaamse oversten te werk; door alle andere ware dit ogenblik tot een aanval gunstig gekeurd geweest, en hij zou wellicht over de beek gekomen en de Fransen op het lijf gevallen zijn; maar Gwyde, en Jan Borluut, wiens raad hij geloof gaf, ziende dat hun standplaats zo voordelig was, wilden dezelve om een gedeeltelijk voordeel niet verlaten. De grootste stilte bleef in het leger heersen opdat de bevelen van ieder wierden gehoord.

Eindelijk waren de twee beken met lichamen van mensen en paarden opgevuld, en het gelukte Rodolf de Nesle met omtrent duizend ruiters er over te geraken. Dezelve dan in een dikke schaar geschikt hebbende, riep hij: "Frankrijk! Frankrijk! Vooruit! Vooruit!"

Met woede en onversaagdheid viel hij tegen het midden van het leger der Vlamingen in; dezen hadden hun lange Goedendags met het achterste einde in de grond gevestigd en ontvingen de Franse ruiters op de punt van dit verschriklijk wapen. Een grote menigte vijanden viel bij die schok uit de zadel en zij waren weldra doorstoken[144].--Maar Godfried van Brabant, die ook met zijn negenhonderd zware ruiters over de beek geraakt was, kwam met zoveel kracht op de schaar van Willem van Gulik aangelopen, dat hij deze ridder met de drie eerste gelederen te gronde wierp, en in die plaats door de Vlaamse slagorde boorde[145].

Hier begon een vervaarlijk gevecht: de Franse ruiters hadden hun speren neergeworpen, en hakten met hun schriklijke slagzwaarden op de Vlamingen; deze weerden zich dapper met knotsen en helmbijlen en versloegen ook al menige ruiter, doch het voordeel bleef aan Godfried van Brabant; want zijn mannen hadden reeds een hoop lijken rondom zich uitgestrekt,--een wijde gaping was in de Vlaamse slagorde gemaakt. Door die opening kwamen al de Fransen, welke over de beek geraken konden, dit deel des Vlaamsen legers langs achter aanvallen. Deze gesteltenis was voor de Vlamingen verderfelijk; daar de vijand hun van achter en van voren op het lijf was, hadden zij geen wijdte genoeg om de Goedendags te gebruiken; zij werden dan genoodzaakt zich met helmbijlen of knotsen of zwaarden te verdedigen; hetgeen de Franse ruiters zeer voordelig was, aangezien zij hooggezeten zijnde, op de Vlamingen met gemak houwen konden, en bijkans met elke slag één het hoofd kloven of een lid van het lijf hakten[146].

Willem van Gulik vocht als een leeuw: hij stond alleen met zijn vaandrager en met Philips van Hofstade te midden van dertig vijanden die zijn banier wilden ontroven, maar al de armen, welke zich hiertoe uitgereikt hadden, waren onder zijn zwaard gevallen.

Arthur de Mertelet, een Normandisch ridder, sprong op dit ogenblik met een goed getal ruiters over de beek, en kwam met volle draf op Willem van Gulik aanrennen. De komst van die bende moest de toestand der Vlamingen op die plaats nog verergeren, nu toch werd het getal der vijanden te groot, en de aanval onweerstaanbaar. De Normandiër, de vaan van Willem in het oog krijgende, dreef zijn paard als een pijl er naar toe, en velde de speer om de vaandrager te doorboren; maar Philips van Hofstade, dit merkende, sprong door enige Franse voetknechten, en rende De Mertelet tegemoet. De schok der twee ridders was zo geweldig dat beide hun speren door de borst van een vijand drongen,--in het hart van elke ridder had het moorddadig ijzer een scheur gemaakt.--De kampers en hun paarden bleven beweegloos staan, alsof iets bovennatuurlijks hun drift plotseling verkoeld had; men zou geloofd hebben dat zij elkander met aandacht bezagen, en echter lagen zij nog met al het gewicht huns lichaams op de speer drukkende, alsof zij met meer nijdigheid en met een boos vermaak hun vijand pijnigen wilden; maar dit duurde niet lang, weldra deed het paard van De Mertelet een beweging en de twee lijken vielen uit de zadel op de grond.

Mijnheer Jan van Renesse, die aan de rechtervleugel stond, het gevaar van Willem van Gulik merkende, verliet zijn plaats en achter de slagorde lopende, viel hij met Breydel en zijn beenhouwers ter zijde op de Fransen[147]. Niets kon aan zulke mannen, als de Macecliers van Brugge waren, weerstand bieden. Zij wierpen zich met de blote borst tussen allerlei wapenen, en ontvingen de doodsteek of de slag die hen kwam treffen, zonder het hoofd enigszins terug te trekken. Die mannen alleen dorsten waarlijk de dood onder de ogen zien en bespotten; ook viel alles onder hun voeten, zodra zij zich vertoonden. Hun bijlen hakten de benen der paarden af en deden de ridder op de grond rollen; dezelfde bijl kloof zijn hoofd. Een ogenblik nadat zij ter hulp van Willem van Gulik gekomen waren, was de plaats zozeer gezuiverd, dat er slechts een twintigtal Fransen achter de slagorde overbleef. Onder dezen bevond zich Godfried van Brabant, welke voor de vijand zijner taal- en stamgenoten streed.

Mijnheer Van Renesse hem bemerkende, riep hem toe: "Godfried! Godfried! Geef acht, gij gaat sterven."

"Gij hebt het van uw eigen gezegd!" antwoordde Godfried, terwijl hij Mijnheer Jan een geweldige slag op het hoofd gaf; maar deze zijn zwaard met een krachtige wending van onder naar boven zwaaiende, sloeg hij Godfried zo sterk tegen de kin dat hij uit de zadel stortte. Dan vielen twintig beenhouwers hem op het lijf, en hij ontving twintig wonden waarvan de minste tot zijn dood genoegzaam was. Intussen was Jan Breydel met enige zijner mannen dieper in de vijand gedrongen, en had zo lang gevochten dat hij de Standaard van Brabant gewonnen had; met dezelve al strijdende bij de slagorde gekomen zijnde, scheurde hij het doek aan stukken, en wierp de schaft weg, roepende: "Schande, schande aan die verraders!"

De Brabanders die hoon willende wreken, vielen met meer woede op de vijand, en deden ongehoorde pogingen om de banier van Mijnheer Willem in weerwraak ook te scheuren, maar de vaandrager, Jan Ferrand, vocht met een dolle razernij tegen al wat hem naderde. Viermaal werd hij ten gronde geworpen, en viermaal stond hij weder met de standaard op, alhoewel hij met wonden overdekt was[148].

Willem van Gulik had reeds een groot getal Fransen voor zijn voeten uitgestrekt, elke houw van zijn reuzenzwaard gaf een vijand der dood over. Door al te geweldige pogingen afgemat, en overal door slagen gekneusd, sprong het bloed hem langs neus en mond uit, hij verbleekte en voelde dat de kracht hem begaf. Met bittere spijt vervuld, week hij achter de slagorde om zich een weinig te herstellen. Jan de Vlamynck, zijn schildknaap, deed de riemen van zijn harnas los en ontlastte hem van zijn wapenen om hem vrijer te laten ademen[149].

In de afwezendheid van Willem hadden de Fransen weer enige grond gewonnen, en de Vlamingen schenen achteruit te willen wijken. Dit ziende, gaf Willem zijn droefheid door wanhopige klachten te kennen. Jan de Vlamynck bedacht seffens een aardige list, welke van de gewone dapperheid zijns meesters getuigt.--Hij deed al de wapens van Mijnheer Willem aan, en zich te midden der vijanden werpende, riep hij: "Achteruit, de mannen van Frankrijk! Hier is Willem van Gulik weer!"

Terzelfder tijd hakte hij dapper onder de verbaasde vijanden, en wierp er een groot getal op de grond; de anderen deinsden achteruit, en gaven alzo aan de gelederen de tijd om zich weer aan te sluiten[150].

Rodolf de Nesle met de grootste macht zijner ruiters was op de vijfduizend Gentenaars van Mijnheer Borluut gevallen. Vruchteloos had de moedige Fransman gepoogd die schaar te doorboren, reeds driemaal hadden de Gentenaren hem met verlies van veel volks afgedreven zonder hun gelederen te breken. Jan Borluut overwegende dat het zeer schadelijk zou zijn indien hij zijn plaats verliet om de mannen van Rodolf aan te vallen, bedacht een ander middel.--Van zijn achterste gelederen nam hij er drie, en verenigde dezelve spoedig in twee nieuwe scharen, welke hij achter de slagorde schikte, dermate dat het ene einde derzelve tegen de rug des legers en het ander einde dieper in het veld achter de slagorde stond Hij gebood aan de middenbende, welke zich tussen de afstand der twee nieuwe scharen bevond, dat zij, bij de eerste schok der Fransen, achteruitwijken zou.

Rodolf de Nesle, zijn ruiters weder in orde gebracht hebbende, viel opnieuw met volle ren tegen de Gentenaren, terzelfder tijd zakte de middenbende achteruit, en de Fransen denkende dat zij de slagorde gebroken hadden, hieven aan met blijde kreten "Noël! Noël! Zege! Zege!"

Zij drongen zich opeen in de opening, en meenden het leger langs achter neer te hakken, maar dit gelukte hun niet, zij vonden overal een muur van speren en helmbijlen. Jan Borluut, de twee vleugels zijner schaar vooruitzwaaiende, deed zijn vijfduizend Gentenaren in een kring dringen, en sloot alzo het net, waarin hij bij de duizend Fransen had gevangen.--Hier begon hij een akelige slachting, er werd een vierendeel uurs lang gehakt, gekorven, gestoken en gepletterd, zonder dat men zien kon wie er bezweek of wie er zegepraalde. De paarden en de mannen lagen het ondersteboven, schreeuwend, huilend, briesend, men hoorde of zag er niets het was als een schrikkelijke bloedstroom.

Rodolf de Nesle bleef lang, met wonden overdekt en met het bloed der zijnen bespat, boven de lijken vechten, zijn dood was zeker. Jan Borluut, dit ziende, gevoelde een innig medelijden voor de heldhaftige ridder, en riep tot hem "Geef u over, Mijnheer Rodolf, ik zou u niet gaarne zien sterven!"

Rodolf was van wanhoop en razernij zinneloos geworden, hij verstond de woorden van Borluut wel, en wellicht kwam een dankbaar gevoel zijn hart ontroeren, maar het verwijt van verstandhouding met de vijand, hem door de Seneschalk Robert gedaan, had hem met zulke bittere spijt vervuld dat hij niet langer leven wilde. Hij deed met de hand een teken alsof hij Jan Borluut een laatste vaarwel wenste, en sloeg plotseling nog twee Gentenaren dood.--Eindelijk door een knots op het hoofd getroffen, viel hij op het lichaam van zijn reeds gesneuvelde broeder levenloos neer[151]. Vele andere ridders, die van hun paarden gevallen waren, wilden hun wapens afgeven, doch men luisterde er niet naar,--geen enkele Fransman ontkwam uit de kring.

Terwijl de bende van Mijnheer Borluut die slachting uitvoerde, werd er even zo sterk op de gehele lengte der slagorde gevochten Aan de ene kant hoorde men het geschreeuw "Noël! Noël! Montjoie St.-Denis!" Daarbij kon men verstaan dat de Fransen op de plaats waar die kreten aangeheven werden, het voordeel hadden, aan de andere kant weer klom het geroep "Vlaanderen de Leeuw! Wat wals is, vals is! Slaat al dood!" in krachtige galmen hemelwaarts, hetgeen dan ook de ondergang ener Franse bende deed kennen.

De Groeningebeek was met bloed en lijken opgevuld. Het akelig gehuil der stervenden werd door het geratel der wapenen verdoofd, men hoorde een verschriklijk gerucht dat als een rollende donder boven de strijdenden bleef drijven. De speren en knotsen vlogen aan stukken een lange hoop lijken lag als een dijk overal voor de slagorde. De gekwetsten waren der dood zeker, niemand werd opgeraapt, en dus moesten zij in het slijk versmachten, of zij werden onder de paarden vertrappeld[152].

Onderwijl was Hugo van Arkel met zijn achthonderd onverschrokken mannen tot in het midden der Fransen geraakt, zozeer was hij aan alle kanten door de vijand omringd, dat het de Vlamingen onmogelijk ware geweest hem nog te zien. Hier vocht hij zo dapper en met zoveel behendigheid, dat de menigvuldige vijanden, die hem aanvielen, zijn bende, hoe klein ook, niet doorboren konden, rondom hem lag een goed aantal vijanden op de grond, en al wie hem naken dorst bekocht het met zijn leven. Allengskens drong hij meer en meer naar de legerplaats der Fransen op, en scheen dezelve te willen bereiken. Dit was zijn inzicht niet, want te midden der Franse scharen gekomen zijnde, sprong hij terzijde op de Standaard van Navarra, en rukte hem uit de handen van de vaandrager. De Navarse bende viel met woede op hem en hakte vele zijner mannen ter neder, doch hij verdedigde het gewonnen vaandel zo wel, dat de Fransen het niet meer uit zijn handen krijgen konden. Hij was reeds bijkans tot bij het leger der Vlamingen terug, wanneer Louis de Forest hem een zo zware slag op de linkerschouder gaf dat hij hem de arm half afhakte. Men zag het verlamde lid nevens het harnas hangen, het bloed sprong in dikke stralen nevens zijn zijde, en een bleke doodverf verspreidde zich op zijn wangen, toch liet hij de Standaard niet los. Louis de Forest werd door een andere Vlaming doodgeslagen, en Hugo van Arkel kwam bijna zonder leven met het vaandel van Navarra in het midden des legers. De schreeuw "Vlaanderen de Leeuw" poogde hij nog eens te herhalen, maar zijn stem was vergaan, zijn ziel was langs de wonde met het bloed ontvlucht,--hij stortte met de gewonnen Standaard ter aarde[153].

Aan de linkervleugel, voor de schaar van Mijnheer Gwyde, werd er nog heviger gevochten, Jacques de Chatillon was met enige duizenden ruiters tegen het Veurnes-ambacht gevallen, en had reeds bij de honderd mannen neergehouwen. Eustachius Sporkyn lag zwaar gewond achter de slagorde, en schreeuwde tegen zijn bende dat zij niet wijken mocht, maar het geweld, dat dezelve terugdreef was te groot,--zij moest deinzen. Door een groot getal ruiters gevolgd, boorde De Chatillon door de slagorde, en men begon boven het hoofd van de neerliggende Sporkyn te vechten, die dan ook welhaast de geest gaf.

Adolf van Nieuwland was alleen met Gwyde en zijn vaandrager blijven staan, zodat zij van het leger gescheiden waren en een gewisse dood te verwachten hadden. De Chatillon deed alle mogelijke pogingen om het grote vaandel van Vlaanderen te grijpen, doch alhoewel Segher Lonke, die de Standaard droeg reeds menigmaal omvergeworpen was, kon De Chatillon zijn doel niet treffen, hij raasde en schreeuwde met verwoedheid tegen zijn mannen, en hakte als dol op de uitrusting der drie onverwinbare Vlamingen[154]. Voorzeker zouden deze het niet lang uitgehouden hebben, om zich tegen een wolk moedige vijanden te verweren, maar zij hadden er in den eerste zoveel neergehakt dat de lijken, rondom hen door opeenstapeling een tamelijke hoogte verkregen hebbende, de nadering der andere ruiters moeilijk maakten en hun tot borstweer dienden.

Door woede en ongeduld vervoerd, nam De Chatillon een lange speer uit de handen van een zijner ruiters, en kwam ermee tegen Gwyde ingelopen. Hij zou de jonge Graaf onfeilbaar gedood hebben, want deze tegen andere ridders strijdende zag zijn nieuwe vijand niet aankomen. Reeds scheen de speer tussen de helm en het harnas in zijn hals te dringen, wanneer Adolf van Nieuwland zijn slagzwaard als een bliksem opheffende de speer aan twee stukken hakte, en aldus het leven van zijn Veldheer behield.

