# De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen

## Part 3

Book page: https://www.cyberlibrary.org/nl/books/de-leeuw-van-vlaanderen-of-de-slag-der-gulden-sporen-15682/index.md

De laatste was Adolf van Nieuwland[14], een jonge ridder uit een der edelste stammen der rijke stad Brugge. Zijn aanzicht bekoorde niet door verwijfde schoonheid, hij was niet van die mannen met rozen-kleurige wang en lachende mond, wien niets behoeft dan een samaar om zich tot vrouw te herscheppen, en die wel als een speeltuig der vrouwen geliefkoosd, maar nimmer als heer en meester geëerbiedigd worden.--Neen, de natuur had in hem zo niet gedwaald. De zon had zijn wangen een weinig gezengd en met een ernstige toon geverfd, zijn voorhoofd droeg reeds die twee rimpels welke het denkvermogen vroegtijdig aankondigen. Zijn aanzicht was treffend en manlijk--en de hoekige lijnen die hetzelve aftekenden, gaven hem het voorkomen van een Grieks gebeiteld beeld. Zijn ogen die half onder de wenkbrauwen gedoken waren, droegen het kenmerk ener warme en eenzame ziel. Alhoewel hij in doorluchtigheid voor de andere ridders niet wijken moest, bleef hij nochtans achteruit en liet zijn minderen voorgaan. Meermalen had men de plaats geruimd om hem door te laten, doch hij gaf geen acht op deze beleefdheid en draaide gedurig het hoofd naar de vrouwenstoet om. Zeker was er onder haar een lief beeld dat zijn hart aan een leiband hield en tot zich trok, want men zag op zijn gelaat een zuivere glimlach verschijnen, zodra hij het hoofd tot de vrouwen gewend had.

Bij het eerste gezicht zou men deze Adolf voor een zoon van Robrecht van Bethune kunnen aanzien hebben, want uitgenomen de ouderdom die zeer verschillend was, geleek hij verwonderlijk aan Robrecht:--dezelfde gestalte, dezelfde houding, dezelfde trekken in het gelaat. De kleding verschilde ook in kleur en het wapen dat op de borst van Adolf gewrocht stond, was drie maagden met gulden haar op een rood veld. Boven het schild las men deze kenspreuk: _Pulchrum pro patria mori._[15]

Kort na hem volgden de vrouwen, zo prachtig dat de ogen op het goud en zilver harer kleding schemerden en verdwaalden. Allen waren zij op lichte hakkenijen[16] gezeten, een lang rijkleed viel over haar voeten langs de zijde der hakkenij, tot bij de aarde. Keurslijven van gouden laken drukten haar de borst en hoge kappen met paarlen versierd, lieten zwierige linten van haar hoofd dalen. De meesten hadden een roofvogel op de hand.

Tussen al deze Edelvrouwen was er één die door pracht en schoonheid de anderen verduisterde. Haar naam was Machteld, en Robrecht noemde haar zijn jongere dochter.

Onmogelijk is het de lieflijkheden dezer jonge maagd te beschrijven. Haar wangen waren zo zachtjes door ontellijke purperen adertjes gekleurd, dat het fijnste rozenblad op haar aanzicht een vale vlek ware geworden; de ogen zo blauw als de hemel en de lippen zo rood als twee boordjes van scharlaken fluweel. Wanneer haar glimlach, zo zoet en zo zalig als de hoop der mensen, haar engellijke mond bewegen deed, kwamen sneeuwwitte tanden tussen haar lippen heen glinsteren, en twee kleine putjes vormden op haar wangen de kelken der rozen die er op blonken.

Er zijn vrouwen wier gelaat het hart der mannen als een toonkundig snarenspel vervoert en betovert: wier gelaat zoveel zoete vrede en onbegrijpelijke schoonheid verenigt, dat men hetzelve lang in stille verrukking beziet, zonder dat een enkel gedacht onze bespiegeling komt storen.--Want de ziel zit gans in de ogen, wanneer wij alzo met jagend hart op het bekoorlijkste werk des Scheppers staren en rusten mogen.--Zo was Machteld. Wanneer een ridder haar blik ontvangen had, en haar engelenwezen eenmaal had mogen aanschouwen, scheen het hem dat meer geluk hem toekwam. Dan voelde hij de zalige streling die zijn hart met een onbekend gevoel kwam vervullen. Nochtans boezemde Machteld geen liefde in; alhoewel zij als een kind mocht aanzien worden, hadden haar wezenstrekken die statigheid in zich, welke de eerbied der mannen dwingend afeist en nimmer toelaat dat een vermetele liefde zich in hun boezem wortele.

De jonge maagd hing lieflijk als een droom, met haar tenger lichaam nevens de zijde harer hakkenij en hief het hoofd statig in de hoogte. Terwijl haar linkerhand de teugel met losse zwier vasthield, rustte een havik met rode kap en gulden belletjes op haar rechterhand. Bij pozen veranderde het purper harer wangen in brandend rood, en dan liep een gelijke kleur over gans haar aanzicht, alsof zij om iets beschaamd werd. Nochtans was het door dit gevoelen niet dat de maagd bloosde; want het was merkbaar dat het rood op haar wangen niet kwam dan op het ogenblik dat Adolf van Nieuwland, met zijn liefdevolle blikken, haar zijn aanbidding smekend toedroeg.

Onmiddellijk na deze heerlijke Landvrouwen kwamen menigvuldige schild- en hofknapen allen halflijfs in zijde van verschillende kleuren gekleed. De knechten die tot het Huis van Graaf Gwyde behoorden, kon men gemakkelijk uit de anderen kennen, want hun rechterzijde was gewaterd zwart en hun linkerzijde goudgeel. Enigen waren purper en groen, anderen rood en blauw, volgens de wapenkleuren hunner meesters.

Eindelijk volgden de jagers en valkeniers. Voor de eersten liep een vijftigtal honden aan lederen leibanden; er waren winden, brakken en rekels van alle slag.

Verwonderlijk was de drift dezer ongeduldige dieren; zij trokken zodanig op de leibanden dat de jagers zich achterover aan dezelve moesten laten hangen.

De valkeniers droegen op dwarsstokken allerlei valken en jachtvogels, als haviken, steenvalken, gieren, sperwers. Deze vogels hadden allen rode kappen met belletjes op het hoofd en een zachtlederen broek aan de benen. Dan nog droegen de valkeniers valse lokvogels van scharlaken met vleugels, om de valken tijdens de jacht terug te roepen.

Zodra de stoet op een zekere afstand der brug en in een bredere baan was, mengden zich de heren zonder onderscheid van staat onder elkander. Ieder zocht een vriend of een makker om de reis door samenspraak en boerterij te verkorten; zelfs waren veel vrouwen tot bij de ridders genaderd.

Niettegenstaande was Gwyde van Vlaanderen met Charles de Valois nog vooraan, want niemand zou onbeleefd genoeg zijn om hen voorbij te rennen. Robrecht van Bethune en Willem, zijn broeder, hadden hun dravers bij de zijde huns vaders gebracht; Raoul de Nesle en De Chatillon waren insgelijks nevens Charles de Valois, hun Veldheer, genaderd. Deze sloeg de ogen met medelijden op de witte haren van Gwyde en op het neerslachtig gelaat van zijn zoon Willem,--en sprak:

"Ik bid u, edele Graaf, geloof dat uw smartlijk lot mij pijnt. Ik gevoel uw droefheid alsof uw rampen mij getroffen hadden. Alle hoop is niet verloren; mijn koninklijke broeder zal, op mijn bede, het verleden vergeven en vergeten."

"Mijnheer De Valois," antwoordde Gwyde, "gij bedriegt u. Uw Vorst heeft getoond dat Vlaanderens ondergang zijn hoogste wens is. Heeft hij mijn onderdanen niet tegen mij opgestookt?--Heeft hij mijn dochter Philippa niet onmenselijk van mij gerukt en in een kerker gezet?--En wat wilt gij dan, dat hij het gebouw, hetwelk hij ten koste van zoveel bloeds omvergeworpen heeft, weder opbouwe? Voorwaar gij bedriegt u; Philippe le Bel, uw broeder en Koning, zal mij het land, dat hij mij ontnomen heeft, nooit wedergeven. Uw edelmoedigheid, Mijnheer, zal tot het einde mijns levens in mijn boezem geschreven blijven; maar ik ben te oud om mij nog met een bedriegelijke hoop te strelen.--Mijn rijk is uit--zo wil het God!"

"Gij kent mijn koninklijke broeder Philippe niet," hernam De Valois. "Het is waar, zijn daden getuigen tegen hem; maar ik verzeker u dat zijn hart zo edelmoedig is als dat van de beste ridder."

Robrecht van Bethune viel De Valois in zijn rede, en riep met ongeduld: "Wat zegt gij--edelmoedig als de beste ridder! Breekt een ridder ooit zijn gegeven woord--zijn trouw? Wanneer wij met onze armzalige Philippa zonder argwaan te Corbeil kwamen, heeft uw Koning de gastvrijheid geschonden en ons allen gekerkerd[17]. Betaamde deze verraderlijke daad een rechtzinnige ridder--zeg?"

"Mijnheer Van Bethune," antwoordde De Valois met spijt, "uw woorden zijn zeer driftig. Ik denk niet dat gij het inzicht hebt mij te honen of te bedroeven?"

"Ho neen, op mijn eer!" sprak Robrecht. "Uw grootmoedigheid heeft mij uw vriend gemaakt; maar gij kunt immers toch niet met overtuiging zeggen, dat uw koning een trouwe ridder is?"

"Luister," hernam De Valois, "ik zeg u dat Philippe le Bel de beste inborst der wereld heeft; maar laffe vleiers omringen en raden hem. Enguerrand de Marigny[18] is een gevleesde duivel die hem tot kwaad drijft, en een ander persoon doet hem alle ongehoorde euveldaden bedrijven. De eerbied belet mij u dezelve te noemen, zij alleen is de schuld uwer rampen."

"Wie is dit toch?" vroeg De Chatillon met inzicht.

"Gij vraagt naar een bekende zaak, Mijnheer De Chatillon!" riep Robrecht van Bethune. "Let op mijn woorden, ik ga het u zeggen.--Uw nicht Johanna van Navarra[19] is het, die mijn ongelukkige zuster gevangen houdt: uw nicht Johanna is het, die de ondergang van Vlaanderen gezworen heeft!..."

De Chatillon werd rood van toorn, hij bracht zijn paard driftiglijk voor Robrecht, en schreeuwde hem in het aangezicht:

"Gij liegt valselijk!"

Door die hoon in zijn eer geraakt, deed Robrecht met haast zijn paard achteruitgaan en toog zijn gebogen slagzwaard uit de schede. Op het ogenblik dat hij tegen De Chatillon meende in te lopen, bemerkte hij dat zijn vijand geen wapens had. Hij stak met een merkbaar ongenoegen zijn zwaard weder in, kwam terug bij De Chatillon en sprak met verdoofde stem: "Ik denk het niet nodig, Mijnheer, u mijn handschoen toe te werpen[20]. Gij weet dat uw beloochening mij een vlek is, die door bloed alleen kan herkocht worden. Ik zal u vóór het dalen der zon rekenschap uwer lastering vragen."

"Het zij zo," antwoordde De Chatillon; "ik ben bereid de eer mijner koninklijke nicht tegen al de ridders der wereld te verdedigen."

Hierop zwegen zij en hernamen hun vorige plaatsen. Gedurende die korte twist hadden de andere ridders met verschillende gevoelens op de stoute woorden van Robrecht geluisterd; velen der Fransen werden gram om des Vlamings woorden, doch de wetten der eer beletten hun zich met de twee vijanden te bemoeien. Charles de Valois schudde het hoofd met ongeduld en deed op zijn gelaatstrekken lezen dat deze twist hem grotelijks mishaagde. Een blijde glimlach zweefde op het aanzicht van Graaf Gwyde;--hij sprak zachtjes tot De Valois: "Mijn zoon Robrecht is een moedig ridder. Dit heeft uw Koning Philippe ondervonden toen hij Rijsel belegerde, want dan is menig dapper Fransman voor het zwaard van Robrecht gevallen. De Bruggelingen die hem meer dan mij beminnen, heten hem de Leeuw van Vlaanderen,--en die eernaam heeft hij in de slag van Benevent[21] tegen Manfried wel verdiend."

"Ik ken Meneer Robrecht overlang," was het antwoord. "Weet iedereen niet met welke onversaagdheid hij dit damaszwaard uit de handen van de dwingeland Manfried rukte? Zijn wapenfeiten worden onder de ridders mijns lands hoog geroemd. De Leeuw van Vlaanderen staat bij ons als onverwinbaar te boek--en dit verdient hij."

De oude vader glimlachte eerst van genoegen, maar eensklaps verduisterde zijn gelaat; zijn hoofd zonk neer en hij zuchtte weemoediglijk: "Mijnheer De Valois, is het niet ongelukkig dat ik zulke zoon geen erfdeel mag nalaten? Hij die het Huis van Vlaanderen zoveel roem en luister moest bijbrengen. Ho! Dit en de gevangenis van mijn ongelukkig kind Philippa zijn de twee spoken die mij ten grave stoten."

Charles de Valois antwoordde niet op Gwydes klachten. Lange tijd bleef hij in diepe nadenking verzonken en liet de toom van zijn draver op de kop van zijn zadel hangen. Gwyde bezag hem in deze houding en verwonderde zich over de edele moed van De Valois, want hij bemerkte dat de rampen die het Huis van Vlaanderen getroffen hadden, de goede Fransman bedroefden.

Opeens rees Charles de Valois met een blij gelaat recht in de zadel, legde zijn hand op de hand van Gwyde, en sprak: "Een ingeving des Heren!"

Gwyde bezag hem met nieuwgierigheid.

"Ja," hernam De Valois, "ik wil dat mijn koninklijke broeder u weder op de troon uwer vaderen plaatse!"

"En welk middel dunkt u krachtig genoeg om dit wonderwerk te wrochten, daar hij u mijn land gegeven heeft?"

"Luister, edele Graaf, uw dochter zit troosteloos in de kerkers van het Louvre[22]--uw erfdeel is verbeurd en uw kinderen hebben geen lenen[23] meer. Ik weet een middel om uw dochter te verlossen en uw graafschap weder te krijgen."

"Ja," riep Gwyde met twijfel, "ik geloof het niet, Mijnheer De Valois, tenzij uw Koningin, Johanna van Navarra, overleden ware."

"Neen, dit niet. Onze Koning, Philippe le Bel, houdt open Hof te Compiègne. Mijn schoonzuster Johanna is te Parijs en Enguerrand de Marigny met haar. Kom te Compiègne met mij, doe u door de beste Edelen uws lands vergezellen en val voor de voeten van mijn broeder om hem als een boetvaardige leenheer hulde te doen."

"En dan?" vroeg Gwyde met verwondering.

"Hij zal u genadiglijk ontvangen en het land van Vlaanderen en uw dochter doen verlossen, wees zeker van mijn woorden, want mijn broeder is in de afwezenheid der Koningin de grootmoedigste Vorst."

"Gedankt zij uw goede Engel om die gelukkige ingeving; en gij, Meneer De Valois, om uw edele moed!" sprak Gwyde met blijdschap. "God, mocht ik door dit middel, de tranen van mijn armzalig kind zien opdrogen. Maar wie weet of de banden des kerkers mij ook niet wachten in dit gevaarlijke Frankrijk!"

"Vrees niet, Graaf, vrees niet," hernam De Valois, "ikzelf zal u verdedigen en bijstaan. Een vrijgeleide met mijn zegel en op mijn eer bekrachtigd zal u te Rupelmonde terugbrengen, indien onze pogingen vruchteloos waren[24]."

Gwyde liet de toom van zijn draver los, vatte de hand van de Franse ridder en drukte dezelve met diepe dankbaarheid.

"Gij zijt een edele vijand," zuchtte hij.

Terwijl zij in hun samenspraak voortgingen, kwam de ganse stoet in een vlakte van wonderbare grootte, door dewelke de Krekelbeek kronkelend stroomde. Ieder maakte zich op de jacht veerdig. Elke Vlaamse ridder kreeg zijn valk op de vuist[25]. De honden werden in verscheidene hopen verdeeld en de leibandjes van de valken losgemaakt.

De vrouwen waren nu tussen de ridders gekomen en het geviel dat Charles de Valois zich nevens de schone Machteld bevond.

"Ik geloof, behaaglijke Edelvrouw," sprak hij, "dat de prijs der jacht voor u zijn zal; want nooit zag ik schoner vogel dan deze. Zo gelijkelijk gevederd, zo sterke zwing,--zo geel geschubde klauw! Weegt hij ook zwaar op de vuist?"

"Ho ja!--Zeer zwaar, Mijnheer," antwoordde Machteld, "en alhoewel hij alleenlijk tot de lage vlucht is afgericht zou hij ook wel reigers en kranen in de lucht najagen."

"Het schijnt mij," bemerkte De Valois, "dat uw Edelheid hem te veel in vlees laat groeien. Het ware beter zijn eten wat te laten wijken."

"Neen, neen. Verschoon mij, Heer De Valois," riep het meisje met hoogmoed, "maar gij bedriegt u grotelijks: mijn valk is juist goed. Ik ben in de valkerij niet onkundig. Zelf heb ik deze fraaie havik opgevoed, tot de jacht afgericht, en des nachts bij kaarslicht bewaakt... Uit de weg, heer De Valois, uit de weg!--Want boven gindse beek vliegt een snep!"

Terwijl De Valois de ogen naar de aangewezen plaats wendde, trok Machteld de kap van het hoofd des haviks, en wierp hem uit.

De vogel deed vier of vijf vleugelstreken en dreef kunstiglijk voor zijn meesteres op de lucht.

"Ga dan, mijn lieve havik!" riep Machteld.

Op dit bevel steeg de vogel als een pijl hemelwaarts; het gezicht kon hem niet volgen. Enige tijd bleef hij als beweegloos op zijn vlerken hangen en zocht met zijn doordringende ogen naar het bedoelde wild. Weldra zag hij de snep in de verte vliegen. Sneller dan een steen die valt, daalde de valk op de arme vogel en neep hem in zijn scherpe klauwen te pletter.

"Ziet gij, Mijnheer De Valois?" riep Machteld met vreugde. "Ziet gij dat de hand ener vrouw ook wel valken kan africhten?--Daar komt mijn trouwe vogel zo lieflijk met zijn vangst terug!"

Deze woorden waren haar mond nog niet gans ontgaan of de havik viel reeds met de snep op haar hand.

Adolf van Nieuwland bevond zich sedert weinig ogenblikken in de nabijheid der schone Machteld. Zijn blikken stuurde hij met bange liefde op haar; niet in haar aanzicht, maar op haar klederen, op haar hakkenij--op al wat haar omringde. In de ogen dorst hij ze niet bezien. Andere ridders spraken en lachten vrijelijk met haar; de verliefde Adolf alleen was voor haar zo bevreesd dat hij zelden een woord in haar tegenwoordigheid dorst wagen. Terwijl zij de snep aan haar havik ontnam, naderde Adolf haastiglijk voor haar, en vroeg met smekend gelaat om het wild uit haar aangebeden handen te mogen ontvangen. Zodra de ogen van Machteld op Adolfs aanzicht vielen, werden haar wangen met schaamrood gekleurd.

"Mijnheer Van Nieuwland," sprak zij stamelend, "ik acht Uw Edelheid te hoog en mag zulke dienaar niet hebben..." En hiermee gaf zij de snep aan een schildknaap.

Aan deze woorden had zij een zonderlinge nadruk gegeven, alsof de bede van Adolf lastig en vervelend voor haar geweest ware. De Jonker wendde zijn paard langzaam om en rende ver van de stoet. Wie hem nu gevolgd had, zou bemerkt hebben dat hij twee minnetranen van zijn wangen vaagde, en dat de twee rimpels op zijn voorhoofd dieper werden.

"Gauw, Mijnheer Van Bethune!" riep de Hoofdvalkenier. "Maak de kap van uw giervalk los, en werp hem uit! Want ginds loopt een haas."

Een ogenblik hierna zweefde de vogel reeds boven de wolken en viel loodrecht op het vluchtende dier. Zonderling was dit om zien; want daar de valk zijn klauwen in de rug van de lopende haas geslagen had, bleef hij erop staan en zij dreven tegelijk als de wind voort. Nochtans duurde deze vaart niet lang want zodra zij voorbij een boompje vluchtten, sloeg de valk zijn ene klauw eraan en hield met de andere het wild zo vast, dat het ondanks het spartelen en wringen niet meer voort kon. Hierop werden er enige honden van de leiband gelaten. Deze liepen recht op de haas en ontvingen hem van de valk. De moedige vogel dreef zegepralend boven de honden en verzelde hen tot bij de jachtknechten; dan vloog hij hoog in de lucht en gaf door zeldzame wendingen zijn blijdschap te kennen.

"Mijnheer Van Bethune," riep De Valois, "dit is een vogel die zijn zaken dapper aflegt: het is een schone giervalk."

"Ja, heer, en een allerschoonste," antwoordde Robrecht, "ik zal u zijn arendsklauwen aanstonds laten bewonderen."

Bij deze woorden hief hij de lokvogel in de hoogte. De valk dit ziende daalde onmiddellijk op de vuist van zijn meester terug.

"Ziet gij?" hernam Robrecht terwijl hij de vogel aan De Valois toonde. "Ziet gij wat schone blonde vederen, wat zuivere witte borst en wat hoge blauwvervige poten?"

"Ja, heer Robrecht," antwoordde De Valois, "het is inderdaad een vogel die voor een adelaar niet wijken moet; maar het schijnt mij dat er bloed op zijn bil druipt."

Robrecht de benen van de giervalk bezien hebbende riep met ongeduld: "Komt gauw hier, valkeniers! Mijn vogel heeft zijn broek gescheurd en is deerlijk gekwetst. Och God, het arme dier heeft te veel geweld met zijn klauwen gedaan! Dat men hem wel bezorge. Gij, mijn africhter Steven, genees hem; want zijn dood zou mij zeer spijten."

Hij gaf de gekwetste valk aan Steven die schier om het voorval weende; want daar zijn ambt het onderwijzen en africhten der valken was, lagen deze dieren hem als kinderen aan het hart.

Zodra de voornaamste heren hun valken uitgeworpen hadden, begon de jacht in het algemeen. Men ving nog gedurende twee uren allerlei wild van hoge vlucht, als eenden, wouwen, reigers, kranen, en ook veel wild van lage vlucht, waaronder patrijzen, lijsters en wulpen waren. De zon op haar hoogste zijnde, galmden de jachthorens met heldere tonen door de vlakte. De ganse stoet kwam bijeen, en men spoedde zich op een matige tred naar Wijnendale terug.

Onderweg hernam Charles de Valois zijn gesprek met de oude Gwyde. Alhoewel de Graaf van Vlaanderen niet zonder mistrouwen aan zijn reis naar Frankrijk dacht, wilde hij echter uit liefde tot zijn kinderen die gevaarlijke tocht aannemen. Hij besloot op het aandringen van de Franse Veldheer zich met al de Edelen die hem bijgebleven waren, voor de voeten van Philippe le Bel te gaan werpen, en hem door deze ootmoedige hulde tot medelijden te brengen. De afwezendheid der Koningin Johanna streelde hem met de blijde hoop dat Philippe le Bel niet overbiddelijk zijn zou.

Robrecht van Bethune en De Chatillon kwamen niet meer bij elkander; zij ontweken alle wegen die hen mochten verenigen en geen van beiden sprak nog een woord. Adolf van Nieuwland rende vooraan met gebogen hoofd; droefheid en smart verbleekten zijn wangen en zwarte dromen vervulden zijn gemoed.--Machteld had hem verstoten! Machteld minde hem niet--en hij, wiens ziel geen ander gevoel dan liefde tot haar voeden kon, hij mocht niet spreken...

"Ja," morde hij in zichzelf, "ten tijde dat Gwyde nog Graaf van Vlaanderen was, had ik het wel durven wagen haar mijn liefde te betonen, alhoewel ik haar onwaardig ben. Maar nu--nu haar Vader geen kroon meer draagt, zou die uitdrukking haar als een kleinachting voorkomen. Wist zij nochtans wat eerbied, wat aanbidding voor haar in mijn boezem woont! Maar wat helpt dit! Ziet zij in mijn ziel?--O valse dromen, streelt mij niet meer met leugenachtige schimmen; nooit zal de Leeuw van Vlaanderen op het schild van Nieuwland blinken ..."

En dan glinsterde een droeve traan onder de oogleden van de edele jongeling. Hij bleef zo lang in bedenking verzonken totdat de voeten der paarden op de brug van Wijnendale galmende, hem uit zijn mijmering deden opstaan.

De ganse stoet ging in het slot. Men haalde de brug achter hen niet omhoog en de egge viel ook niet neer. Enige ogenblikken later kwamen de Franse heren met hun wapens aangetogen uit het kasteel. Over de brug rijdende sprak De Chatillon tot zijn Broeder: "Gij weet dat ik de eer onzer nicht deze avond te verdedigen heb; ik maak staat op u om mijn wapenmakker te zijn."

"Tegen die barse Robrecht van Bethune?", vroeg De St.-Pol. "Ik weet niet; maar mij dunkt dat gij er slecht zult van afkomen;--want de Leeuw van Vlaanderen is geen kat, die men zonder handschoen mag aanpakken. Dit weet gij ook wel."

"Wat doet dit?" viel De Chatillon spijtig uit. "Een ridder betrouwt zich op behendigheid en moed, en niet op zijn lichaam."

"Gij hebt gelijk, mijn broeder: een ridder mag voor niemand wijken; maar het is beter zich niet onbezonnen bloot te stellen. Ik zou in uw plaats de grammoedige Robrecht hebben laten zeggen. Wat geven zijn woorden, nu hij zonder leen en onze gevangene is?"

"Zwijg, De St.-Pol, gij spreekt onbetamelijk. Feilt het u aan moed?"

Terwijl hij deze woorden eindigde, verdwenen zij met de andere ridders achter de bomen.

De wapenknechten meenden de valbrug op te halen, maar zij bemerkten dat er nog iemand uit wilde.

Daar kwam Adolf van Nieuwland alleen en geheel mistroostig aangestapt. Het scheen dat zijn draver in zijn smart deelde; want het dier liet onachtzaam het hoofd hangen.

Ongetwijfeld hebt gij in de vurigste jaren uws levens een vrouw bemind,--uw ogen hebben op het wezen van een schoon beeld gerust, en uw hart heeft aan het gevoel der min meer kracht ontleend om sneller te jagen en inniger te aanbidden. Lang hebt gij een geheime vlam gekoesterd--lang hebt gij gezucht en gebeden; uw ziel was in een begeerte ontstoken die met één oogopslag kon voldaan worden: een woord kon u op aarde zalig maken.--Wanneer gij, na lange pijnen dit woord, ik min u--uit de mond der engelin hoorde, en dan uw lippen op haar brandend voorhoofd een bron van nog onbekende zielsvreugde mochten vinden--dan hebt gij geweten wat geluk en zaligheid in de wereld is...

