De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900
Part 9
HOOFDSTUK XVI.
Louis Wessels voelt zich wonderlijk verkwikt. Hij rekt de gespierde leden, gaat in de vermolmde deur der Kafferhut staan, en ademt de frissche morgenlucht met volle teugen in.
De Vrijstater slaapt nog; Louis spreidt een schapenvacht, die opgerold in een hoek der woning lag, over hem heen.
Hij gaat nu naar buiten, zoekt een spruit op, die in de nabijheid tusschen steile oevers voorbijstroomt, drinkt het koele water en verfrischt zich.
Hij kijkt nu rond. De morgenzon schittert aan den blauwen hemel, en kust de kelken der kleine, lieve veldbloemen. In de verte hoedt een Kaffer zijn schapen, en uit de bergkloven stijgen de witte dampen omhoog.
Daar--in het zuidwesten--moet Elandslaagte zijn. Er schijnt een eeuwigheid te liggen tusschen den slag van Elandslaagte en dezen morgen, en toch liggen er maar enkele uren tusschen. De buitengewone, geweldige gebeurtenissen hebben aan de minuten de beteekenis van jaren gegeven, en het dunkt Louis, dat hij in éénen nacht tien jaar ouder is geworden.
Hij moet zich bedenken, welke dag het heden eigenlijk is--ach, het is Zondag! Anders las zijn vader op dezen dag een stichtelijke preek, en Danie speelde op het mooie harmoniumorgel, en het psalmgezang rees op boven Wonderfontein.
Hij kijkt opnieuw in 't rond, en verwondert zich. Het schijnt hem toe, dat hij hier meer is geweest. Werkelijk--dáár slingert zich de breede, stoffige transportweg heen met zijn diepe kuilen en steile hoogten; de transportweg, die de spoorlijn met de woning van Arend Uys verbindt.
Links van den weg ziet hij een klein huisje staan; daar is hij eens geweest met Truida Uys. Neen, dit huisje is het toch niet, want hij had uit den tuin vóór het huisje een bloem geplukt en aan Truida gegeven, en vóór dit huisje is geen tuin.
Hij neemt den verrekijker; werkelijk--nu ontdekt hij het huisje, dat hij bedoelde. Het staat vlak bij een hoogen heuvel, en de bloemen bloeien weer in den tuin, vóór het huisje.
Een half uur verder rijst het zwaar geboomte op, waartusschen de woning van Arend Uys verscholen ligt, en tusschen die woning van Arend Uys en het kleine huisje staat de nieuwe woning, gebouwd voor het jonge paar....
De jonge jager laat den verrekijker schielijk zakken, en kijkt den anderen kant uit.
De Vrijstater staat nu naast hem.
"Hoe gaat het vanmorgen?" vraagt Louis met vriendelijke belangstelling.
"Het zal wel gaan, Neef," meent de Vrijstater trouwhartig; "ik heb maar twee dumdumkogeltjes gehad: één in mijn rechterschouder, en één in mijn linkerarm. 't Zal wel gaan, Neef--maar ik zou graag een kop koffie lusten, Neef!"
Louis is gaarne bereid om zijn kameraad te helpen.
"Wij zijn een eindje van den weg afgedwaald, Neef?"
"Wij zitten hier midden in het veld," antwoordt Louis; "ginds is de transportweg."
Zij keeren nu terug naar de hut, maar plotseling blijft de jonge jager even staan.
"Hebt gij menschen gezien in de buurt?" vraagt hij, maar de Vrijstater schudt het hoofd.
"Ik meende, dat daar net iemand achter de hut verdween."
"'t Zijn onze paarden geweest, Neef,--die grazen achter de hut," antwoordt de Vrijstater geruststellend.
Beiden treden nu de hut binnen. Het zadel ligt dicht bij den haard; aan een leeren riem is het koffieketeltje en een leeren buidel met gemalen koffie bevestigd. De jonge jager legt snel vuur aan, vult het keteltje met water, en de koffie is gauw gezet. Een blikken bekertje doet als kopje dienst, en bij beurte nemen de Boeren een slok van de zwarte, heete koffie. Broederlijk deelt Louis eveneens het harde brood met zijn nieuwen vriend, en onze Vrijstater voelt zich "banjer lekker."
Doch thans wil hij weg, en de jonge jager helpt hem met het zadelen, terwijl de Vrijstater hartelijk dankzegt voor de genoten hulp.
"Houd altijd noordwaarts aan," waarschuwt Louis, "opdat gij den Rooinek niet in handen valt."
Hij zadelt eveneens zijn paard, fluit zijn hond en wendt zich naar de Waschbank.
Van uit het kreupelbosch, dicht bij de hut, komt thans een zes man sterke lancierspatrouille te voorschijn. Een Zoeloe-Kaffer vergezelt hen.
"Daar gaat hij--de vogel is gevlogen!" schreeuwt een lancier.
"Wees maar gerust," zegt de wachtmeester; "ik wou, dat ik zoo zeker was van het Victoriakruis als van dezen Boer."
"Hij is het toch?" vraagt hij aan den zwarten Zoeloe, die naast hem rijdt.
"Hij is het, baas," zegt de Kaffer op beslisten toon. "Ik ben hem gisteravond nageslopen in de duisternis, en heb hem bespied in zijn slaap. Ik was zóó dicht bij hem, dat ik zijn adem voelde, en ik kwam in verzoeking, om hem den deze"--hij wijst in de richting van het groote, breede mes, dat hij in een lederen scheede in zijn broekzak draagt--"tusschen de ribben te stooten."
"Dan hadt ge de beloofde premie niet gehad," zegt de wachtmeester kalmpjes, "want wij moeten hem levend hebben--vooruit, jongens!"
De jonge jager heeft zijn vervolgers nu ook in het oog gekregen. Hij maakt er zich niet bijzonder ongerust over, en laat zijn voshengst even de sporen voelen, terwijl de afstand, die hem van de vijanden scheidt, merkelijk grooter wordt.
"Hij zal ons ontsnappen," roepen de lanciers, hun paarden tot de uiterste krachtsinspanning aansporend. Maar de vos van den jongen jager is een harddraver; hij werpt den prachtigen nek hoog op, en laat de vervolgers ver achter zich.
Van de rechterzijde echter nadert thans een nieuwe patrouille, die den jager tracht om te trekken. Nu begint het meenens te worden, en Louis drukt zijn paard de sporen diep in de flanken. Het vliegt over de vlakte; zijn vlugge hoeven schijnen den grond nauwlijks te raken.
"Hij zal nòg ontsnappen," zegt een lancier.
"Toch niet," meent een tweede, op een bult gekomen, "tegen die breede kloof ginds rent hij vast."
"Ik wed, dat hij den sprong over de klove waagt," zegt de eerste lancier.
"Hij breekt den nek, als hij 't doet," zegt de tweede, terwijl hij een stuk pruimtabak tusschen zijn bruine tanden schuift.
"Hij breekt liever den nek dan in jouw lieve handjes te vallen," herneemt de eerste, doch de wachtmeester zegt bedaard: "Hij zal ons niet ontsnappen, kindertjes; de val staat gereed."
De jonge jager heeft de vervolgers thans aan zijn rechterkant en achter zich. Hij heeft de kloof reeds lang gezien, en wendt zich links, waar de kloof smaller is.
De eerste patrouille zet hem dwars door het veld na, en daar hij een omweg moet maken, om het punt te bereiken, waar de kloof op haar smalst is, krimpt de afstand tusschen hem en de eerste patrouille merkbaar in.
Doch thans heeft hij het gewenschte punt bereikt, dringt den hengst achterwaarts, geeft hem een ruk in de teugels, en in een majestueuzen, koninklijken sprong gaat het edele dier over de klove heen.
"Daar gaat hij," schreeuwen de lanciers met een Engelschen vloek--"tòch nog ontsnapt!"
"Gered," roept de jonge jager--"gered!"
Doch het woord besterft op zijn lippen, want twintig gespierde Kafferhanden grijpen hem, en sleuren hem van zijn paard.
"Wat zeg jullui nou, kindertjes?" vraagt de wachtmeester lachend.
"Jij bent een drommelsche kerel," lachen de lanciers en wrijven zich vergenoegd de handen.
De wachtmeester weet nu zeker, dat hij den rechte heeft; een lancier bevestigt de bewering van den Zoeloe-Kaffer, dat deze Boer een sluipmoord heeft gepleegd op twee Engelsche soldaten: een korporaal en een gewoon lancier. Dat hij daarvoor den kogel heeft verdiend, is duidelijk genoeg, doch voordat dit vonnis wordt voltrokken, moet men toch vooraf zijn plezier hebben met den gevangene. De lanciers hebben zich immers buitensporige moeite getroost, om dezen gevaarlijken en geslepen Boer, die een lanciersrok had aangetrokken, om de Engelsche waakzaamheid te verschalken, in handen te krijgen, en zij mogen er wel iets voor hebben. Zoo oordeelt de wachtmeester, en de wachtmeester weet het wel.
Hij neemt den gevangene van zijn zwarte bondgenooten over, en laat hem vervoeren naar den omtrek van een bosch, waar hij met de voeten stevig aan een zwaren boom wordt vastgebonden.
Zijn geweer laat de wachtmeester met berekenende wreedheid bij hem neerleggen, op geen vijf pas afstands.
"Wat heb je met mij voor?" vraagt de jonge jager.
"Dat zullen we je straks wel vertellen," lacht de wachtmeester; "komt, kindertjes, wij zullen eerst wat naar binnen werken."
Er wordt een soort ontbijt gereed gemaakt, en in plaats van koffie wordt whiskey gedronken. De lanciers zijn recht in hun nopjes, en bij elken slok, dien zij doen uit de veldvlesch, verzuimen zij niet, de Boeren te verwenschen.
De jonge jager kijkt naar zijn geweer.
Daar ligt het--op vier pas afstands, en dat geweer beteekent voor hem leven, vrijheid en kracht.
Er komt een soort razende woede over hem--op vier pas afstands ligt de redding. Er zijn nog vijf scherpe patronen in het slot van het geweer--zij zijn voldoende om vijf man neer te leggen. En den zesde, den laatste--hij zal hem met de kolf de hersens inslaan!
Hij buigt zijn lichaam voorwaarts en strekt de handen uit --hij maakt een wanhopige maar machtelooze poging om zijn voeten vrij te krijgen, en onder den luiden schaterlach van zijn vijanden staakt hij de vruchtelooze poging.
En nu, terwijl de razende woede hem verlaat, wordt zijn ziel aangegrepen door een groote, diepe droefheid, en hij beseft het groote ongeluk, dat over het bloeiend huisgezin van Wonderfontein zoo plotseling is gekomen. Zijn vader en zijn broeder rusten in het koele graf, en hij, de oudste zoon van het geslacht, is een weerloos mikpunt geworden van spot en hoon. Hij zet zich neder bij den boom, aan welks stam zijn voeten zijn vastgekluisterd, en bedekt het gelaat.
"Laat je tronie eens zien!" roept een lancier.
"Hij begint te huilen," spot de Kaffer.
"Stil, hij bidt, kindertjes!" hoont de wachtmeester.
De Kaffer spreekt de waarheid--Louis weent, en de wachtmeester spreekt ook de waarheid, als hij zegt: "Stil, hij bidt!"
De lanciers zijn nu opgerezen van den grond.
"In 't zaâl, kindertjes," kommandeert de wachtmeester, "we gaan nu schijfschieten."
Hij wendt zich tot den gevangene.
"Sta op, Boer, en maak je testament maar!"
Louis verroert zich niet; hij houdt de handen voor het gezicht. Hij kan aan zijn vijanden den triumf niet gunnen van een diep bewogen hart.
De wachtmeester doet geen verdere moeite, om hem overeind te krijgen. Hij maakt met zijn zakmes een kerf in den boom, vijf duim boven het hoofd van den gevangene.
"Dat is nu je mikpunt, kindertjes--die kerf in den boom. Voorzichtig, en raakt den Boer niet--'t zou zonde zijn, als hij stierf vóór zijn tijd."
De lanciers nemen hun revolvers, maar de boom wordt niet eens geraakt.
"Ge schiet toch erbarmelijk slecht vandaag, kindertjes!"
"Met de lans zou 't beter gaan, wachtmeester!"
"Natuurlijk, zooals gister avond--een paardelengte vooruit!"
De patrouille kort den afstand tot den gevangene een paardelengte in.
"Nu zal ik het je voordoen, kindertjes, hoe je schieten moet--geeft acht! Charles, geef acht, zeg ik je!"
"Wachtmeester," zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het belendende bosch, "daar--daar--."
"Nu, wat zou dat?" zegt de wachtmeester bedaard--"geef acht, zeg ik je!"
HOOFDSTUK XVII.
Truida Uys had den ganschen nacht niet geslapen; zij was zelfs niet naar bed geweest.
Zij had gister, Zaterdag, het eerst in de meening verkeerd, dat er een onweer woedde in het westen, doch zij had later van voorbijgaande Kaffers vernomen, dat er zwaar gevochten werd bij Elandslaagte. Toen had zij Christiaan, haar jongen, schranderen Zoeloeknecht, op kondschap uitgezonden, en hij had het snelste paard van den stal moeten nemen.
Midden in den nacht was hij teruggekomen, en had in zijn eenvoudige, beeldrijke taal een aangrijpend tooneel geschilderd van de verschrikkingen van het gevecht. Hij had, om goed op de hoogte te komen, na den slag zijn diensten aangeboden als drager, en had, zooals hij aan Truida mededeelde, van een anderen Kaffer gehoord, hoe een Boer met een langen, grijzen baard en zijn zoon in hetzelfde graf waren neergelegd.
"Zij lagen bij elkander als het lam bij het schaap," zeide de Zoeloe.
"Weet ge niet, hoe hij heette, Christiaan?"
De Kaffer keek zijn gebiedster met droevige oogen aan en zeide: "Hij heette Wessels."
"Wessels," zeide ze, "het is toch Gijs Wessels niet?"
Hij aarzelde om te antwoorden.
"En zijn zoon--was het zijn oudste zoon, Christiaan?"
"Neen," antwoordde hij beslist, "die was het niet."
"Hoe weet gij dat?" vraagde zij snel.
"Ik heb hem zelf mee begraven, Miss--den ouden baas en den kleinen baas Danie."
"En zooeven zeidet gij, dat ge 't van andere Kaffers wist?" vorschte Truida.
"Ik wilde u sparen," zeide de Zoeloe, "maar ik kan niets voor u verborgen houden, want uw oogen zijn als de zonnestralen, die de duisternis licht maken."
"En hebt gij u niet vergist?" vraagde Truida; "'t was toch donker, en het motregende, zooals gij zeidet."
"Zóó donker was het toch niet, Miss, of ik kon hun gelaatstrekken onderscheiden--Danie lag dood in den arm van zijn vader."
"Dood!" steunde Truida--"dood!"
Maar zij beheerschte zich door haar ijzeren wil.
"Waren er nog bekenden bij?"
"Niemand dan majoor Courtney en een groote, rijzige lancier."
"Majoor Courtney, die zoo dikwijls hier komt?"
"Dezelfde, Miss--hij keek even strak als altijd."
"Wat deed die lancier er bij, Christiaan?"
"Hij nam een hanenveer van den hoed van den kleinen baas, en stak hem bij zich."
"Stil nu even," zeide ze; "dat begrijp ik niet."
Zij wreef zich nadenkend over het voorhoofd.
"Hebt gij hem niet gezien?" vraagde zij--"hèm?"
De Zoeloe keek haar aan met zijn zwarte, schrandere oogen.
"Miss, bedoelt den jongen baas Louis Wessels?"
"Ja, dien bedoel ik," zeide ze langzaam.
"Ik heb hem niet gezien," antwoordde Christiaan.
"Dan kunt ge gaan," zeide ze met matte stem; "ge hebt je goed van je taak gekweten, Christiaan."
Zoo bleef zij dan alleen zitten, het moede hoofd door de hand gestut.
Zij peinsde en peinsde, en duizend gissingen martelden haar arm brein.
De haan kondigde met luide keel den morgen aan, doch zij verroerde zich niet; de Kaffers liepen over het erf heen, om de beesten uit de kralen te jagen, maar zij hoorde het niet eens.
Zij wierp de blinden open--de zon stond reeds hoog aan den hemel. Zij blies de lamp uit, en sloot voor een oogenblik haar oogen, want zij deden pijn.
De oude huishoudster naderde met haar sleependen gang, stak haar gezicht door de kamerdeur, en vraagde, of nicht Truida niet kwam ontbijten.
Het jonge meisje schudde het hoofd.
"Ik ben ziek," zeide ze, "ik bid je, laat mij met rust!"
Om tien uur verscheen de huishoudster nog eens, maar de groote jachthond van Louis Wessels stormde haar voorbij, en vloog in groote, wilde sprongen recht op Truida aan.
"Dáár--ik weet geen raad met dat leelijke mormel," riep de huishoudster uit; "hij is dol, nicht, stapeldol, vliegt met de vieze, smerige pooten tegen al de deuren op--nou, kijk me maar niet zoo vreemd aan--ik geloof, dat we hier nog allemaal gek zullen worden."
Maar Truida kon het niet langer uithouden.
Zij nam de huishoudster bij de hand, en wees haar de deur.
"Ik geloof, dat een van ons beiden het reeds is," zeide de huishoudster, haar nicht met groote oogen aankijkend.
"Gij zijt nog nooit goed geweest," antwoordde Truida met ongewone scherpte--"ga nu!"
En daar zat zij nu, terwijl Pluto zijn voorpooten op haar schoot, legde, en haar aankeek met een blik, die een steen zou roeren.
De hond wist, waar Louis Wessels was. Leefde hij nog? Of lag hij reeds onder de harde klippen?
Ach, zoo die hond maar spreken kon!
Truida hield haar kloppende slapen vast tusschen haar handen, want zij vreesde werkelijk, krankzinnig te worden.
Zij had veel geleden de laatste weken, hedenmorgen niet het minst, en de mededeeling van den jongen Zoeloe-Kaffer, dat de lanciers weerlooze gewonden in koelen bloede hadden vermoord, hadden haar jonge ziel vervuld met onbeschrijfelijken afschuw. Maar reeds lang geleden, kort na den noodlottigen dag, waarop Louis haar in toorn den rug had gekeerd, had zij leeren verstaan de huichelarij en de God tergende laagheid der Chamberlainsche staatkunde, en had er zich met afgrijzen van afgewend.
Hoe kon het ook anders!
De dag moest toch eenmaal aanbreken, waarop de blinddoek zou scheuren voor de oogen van deze ware dochter der oude Voortrekkers, en die dag was gekomen!
't Is waar: Louis had verkeerd gedaan, door zijn liefde tot haar vast te snoeren aan zijn liefde tot het vaderland, en zoo hij milder en zachter was opgetreden, zou de breuke waarschijnlijk nooit gekomen zijn. Maar verweet zij hem dat? Toornde zij daarom op hem?
Ach, hoe zou zij op hem kunnen toornen....
En dáár stond zijn hond; hij sloeg met de slanke pooten tegen haar knieën aan.
En plotseling, als bij ingeving, stond zij op, en staarde hem in de groote, bruine oogen.
"Waar is je baas, Pluto?" vraagde zij met luide, dringende stem; "je baas, Pluto? Spreek dan toch!"
Hij sprak werkelijk. Niet in de geluiden der menschelijke taal, doch in duidelijke en begrijpelijke gebaren.
Hij nam de plooien van haar zomerkleed in zijn breeden muil, en trok haar mee met zacht geweld naar de kamerdeur--de gang door--naar buiten.
De oude Manasse kwam juist de staldeur uit.
"Zadel mijn Basutoponey, Manasse," beval zij--"onmiddellijk!"
Zij snelde terug naar binnen; haar geheele optreden verraadde moed, vastberadenheid en nieuwe hoop. Boven de kamerdeur hing haar geweer: een fijne, prachtige karabijn. Zij nam hem en onderzocht het slot--het gepolijste staal van den loop flikkerde in de zonnestralen.
In de gang kwam de huishoudster haar tegen. Zij viel het oude mensch met onstuimigheid om den hals, en kuste haar.
"Vergeef het mij, dat ik zoo onvriendelijk ben geweest," zeide Truida.
Het oude mensch begreep er niets van, en raakte geheel van stuur.
"Gaat ge uit, Truida? Eet dan toch eerst wat, Nicht Truida--uw ontbijt staat er nog!"
Eten--eten? Wie kon thans aan eten denken! Met de vlugheid der gazelle liep het jonge meisje de gang door, wierp den karabijn over den schouder en sprong in 't zaâl.
Pluto keek haar aan met zijn verstandige oogen.
"Nu Pluto," zeide ze, "wijs mij den weg! Op, naar je baas! En ik zal je volgen door vuur en door water!"
Zij was reeds uit het gezicht verdwenen, toen de oude baas Uys, die van een Kafferkraal kwam, het huis binnentrad.
"O Neef," barstte de huishoudster uit, "welke vreeselijke tijden beleven wij toch! Ik heb Truida nog nooit zoo gezien! Zij is als een razende weggereden--en dat op Zondag--ik begrijp het niet meer!"
"Stil maar, Nicht!" zeide Arend Uys, "stil maar--alles zal recht komen," en hij nam den ouden Statenbijbel.
HOOFDSTUK XVIII.
"Wachtmeester," zegt Charles, en hij strekt zijn hand uit naar het belendende bosch, "daar--daar--"
"Nu, wat zou dat?" zegt de wachtmeester bedaard--"geef acht, zeg ik je!"
De wachtmeester richt den revolver en drukt af.
't Is werkelijk geen slecht schot; drie duim beneden de ingesneden kerf, rakelings over het hoofd van den jongen jager, dringt de kogel in den stam.
"'t Schot had nog beter kunnen zijn, kindertjes, maar de knol is wat lastig van de vliegen vandaag, en wil niet stil staan --hallo, wat beteekent dàt daar?"
Ja, wat beteekent dàt daar? In het belendende bosch rechts begint het te kraken in de takken, alsof er een hert doorheen breekt met machtige sprongen, en in het volgende oogenblik komt er een groote jachthond uitzetten, onmiddellijk gevolgd door een rijdster te paard.
Zij moet hard hebben gereden; den hond hangt de tong uit den breeden muil, en de poney staat daar met rillende flanken.
Met één blik heeft Truida Uys den toestand overzien en begrepen.
"Op, Louis!" roept ze, "op!" en een mes nemend, snijdt zij de touwen door, die zijn voeten kluisteren.
In het volgende oogenblik drukt zij hem zijn geweer in de hand, maar de wachtmeester richt den revolver snel en dreigend op het moedige meisje.
"Ik waarschuw je," roept hij.
Als eenig antwoord richt zij zelf den karabijn.
Hij drukt af, en zijn kogel schramt haar oor.
Doch thans is het haàr beurt, en zij aarzelt niet.
Hoe zou zij ook kunnen aarzelen, deze ware dochter der oude Voortrekkers!
Een korte vuurstraal glipt uit den blanken loop van haar karabijn, en de wachtmeester zou uit het zaâl zijn getuimeld, indien twee lanciers hem niet hadden opgevangen.
Dit alles is in weinige seconden afgespeeld, en door het hart van den jongen jager gaat een wondere, diepe tinteling van moed en kracht, nu hij het Mausergeweer omklemt met zijn sterke handen.
Maar zijn eerste blik geldt niet den vijand, maar de heldendochter van Arend Uys.
Zij staat hoog opgericht, de rookende karabijn in haar hand, de wangen bleek, en de flikkerende oogen naar den vijand gekeerd, haar leven wagend en voor niets tellend, om het dierbaarste te redden, wat zij op deze aarde kent.
De voorste lancier grijpt naar de scherpe lans.
"Weg met de lans," roept ze, terwijl zij opnieuw den karabijn richt.
Ook de jonge jager legt aan.
Langzaam daalt de lans....
"Gaat heen!" zegt Louis, "en uw leven is verzekerd--maar gauw, gauw!"
De lanciers leggen den dooden wachtmeester op den grond; de Kaffer zal hem begraven. Dan wenden zij hun paarden, en rijden weg, eerst stapvoets, nu en dan vol wantrouwen omkijkend, maar later in snellen, vollen galop.
"Wat zeg je er van?" vraagt de eerste lancier.
"We komen van een koude kermis thuis," zegt de tweede.
"Die meid is door den duivel bezeten," meent de derde.
"Onze wachtmeester kon zijn lot niet ontloopen," troost de vierde. "Ik heb er zelf bijgestaan, dat te Durban een kaartlegster uit zijn hand heeft gelezen, en zij zeide, dat een meid zijn ongeluk zou worden."
"Wijvengeleuter," zegt Charles, "niets dan wijvengeleuter. Ik heb den wachtmeester nog gewaarschuwd, maar hij werd opgevreten door zijn eigenzinnigheid--enfin, nu heeft hij er het hachje bij ingeschoten!"
"Ik wou, dat mijn moeder in Engeland haar veelbelovend jongste zoontje maar thuis had," meent de eerste lancier--"is me dat hier een land! 't Is een varken van een meid--vooruit dan, knol, of ik steek je dood!"
De Kaffer heeft het lijk op het paard gelegd, en zal het ginds begraven, achter dien heuvel, en Louis en Truida zijn nu alleen.
Zij spreken niet over de breuke, die tusschen hen was ontstaan.
Het was immers ook geen breuke, maar slechts een treurig misverstand.
Truida zet zich neder op den afgeknotten stam van een wilgenboom; Louis vleit zich neder op den harden grond; Pluto ligt hijgend in hun nabijheid, kijkt nu den een en dan de andere aan met zijn verstandige oogen, en hapt naar de vliegen, die hem plagen.
De zon gloeit aan den blauwen hemel, maar zij hindert niet, want het jonge paar is in de schaduw van het geboomte, en een kleine, grijze wolk drijft langzaam voorbij.
Het is toch een weemoedig wederzien.
"Weet gij 't, Truida?" vraagt hij, "van mijn vader en Danie?"
"Ik weet het," zegt zij; "zij rusten in het zelfde graf."
"Waart gij de lancier, die bij hun groeve stond?" vraagt zij plotseling.
Hij knikt met het hoofd.
"Arme jongen," zegt zij, en een overstroomend gevoel van medelijden gaat door haar ziel.
Zij buigt zich over hem heen, neemt zijn gelaat tusschen haar handen, en zegt met omfloerste stem: "Gij hebt veel geleden. Arme jongen--zoek uw troost bij God!"
"Doet gij dat ook?" vraagt hij zacht.
"Als ik dat niet had gedaan, Louis, dan was ik reeds lang bezweken onder den last!"
Om den hoek van het bosch nadert thans het getrappel van vele paarden, en een afdeeling Boeren van een der zuidelijke kommando's galoppeert voorbij.
De veldkornet heeft de jonge menschen snel ontdekt; ook kent hij hen. Hij zwaait den breed geranden hoed, en roept met luide stem: "Dat geeft dit jaar nog een vroolijk bruiloftsfeest--hoerah!"
Maar Truida Uys schudt het hoofd, en een edele, hooge geestdrift teekent haar wonderschoon gelaat.
"Een bruiloftsfeest?" zegt zij, "een bruiloftsfeest? Louis Wessels noch ik begeeren een bruiloftsfeest, zoolang het arme Afrikaansche volk uit duizend wonden bloedt!"
"Amen!" zegt de jonge jager.