De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900
Part 8
Het was een frissche, krachtige, moedige stem, die goed deed in dit oogenblik.
"De kanonnenkoorts, maar 't zal wel beteren, hoor!"
"Louis," zeide Danie omkijkend; "ik ben blij, dat je bij ons komt!"
Ook de oude Wessels keek om, en den jongen jager in het gelaat starend, kwam er een mengeling van liefde en vadertrots in die grijze oogen. Zeker, andere Afrikaansche vaders mochten ook wel dappere jongens hebben, maar zooals Louis waren er toch maar weinigen.
Hij had dien leeuwenaard van Louis reeds opgemerkt bij Krugersdorp, nu bijna vier jaar geleden, toen dwars door den vijandelijken kogelregen een rapport moest worden overgebracht. Niemand, die het aandurfde--behalve Louis. En het hart van zijn vader had gebeefd, toen de jonge jager den gevaarlijken rit ondernam.
Een buurman had hem, den vader, op den arm getikt en gezegd:
"Is dat joùw jongen, neef Gijs? Gij moogt trotsch zijn op dien jongen, maar het zal al mooi zijn, als gij hem met een paar afgeschoten beenen terug krijgt."
Louis was kalm te paard gesprongen, alsof het een hertenjacht gold, en toen hij met een kogel door den hoed, maar ongekwetst, terugkeerde, waren de burgers losgebarsten in een luid hoerah. Doch de jonge jager had verwonderd het hoofd geschud en gezegd: "Ik begrijp dat niet--heb ik dan iets bijzonders gedaan?"
"Gij blijft nu bij ons," zeide Gijs Wessels.
"Natuurlijk," meende Louis: "we kunnen hier goed Roodbaatjes schieten," en hij vleide zich aan den anderen kant, den linkerkant, van zijn vader neer.
Baas Wessels moest hem toch weer aankijken. Louis was in geen weken zoo opgeruimd geweest. Het scheen, dat de naderende strijd voor hem een ontspanning was.
"Hebt gij ook gebeden, Louis?" maande zijn vader met ernstige stem.
De jonge jager knikte bevestigend.
"En wat hebt gij gebeden, Louis?"
"Dat wij den vijand verpletteren mogen, vader!"
"Maar hebt gij ook aan uw eigen ziel gedacht?" vraagde baas Wessels.
"Ik heb in mijn gebed meer aan de Roodbaatjes dan aan mijzelf gedacht," antwoordde Louis met groote oprechtheid.
Hij rees even op uit zijn liggende stelling, en zijn gelaat betrok.
"Wat is dat?" riep hij, toornig met den voet stampend: "gaan er Boeren op den loop? Ha, die baas Blijvenstein, die lafaard, hij loopt nog harder dan de anderen! Gaan dan al de Johannesburgers aan den haal? Kunnen zij hun stellingen niet houden?"
Hij liet den verrekijker, dien hij in zijn handen had, plotseling zakken. "Daar komen de Rooinekken," riep hij met luide stem,--"staat, jongens! Dáár--daar!"--hij rende naar een andere klip, om den vijand beter onder schot te krijgen.
Daar begon het te knetteren achter de kopjes--de Engelschen waren in de vuurlinie der Boeren gekomen.
Baas Wessels keek nog even naar Danie. Hij had de kanonnenkoorts overwonnen. Zijn gelaat gloeide, zijn oogen schitterden, en het Mausergeweer lag vast en onbewegelijk in zijn handen. Het zachte, het bijna-vrouwelijke in zijn gelaat was plotseling verdwenen, en hij geleek op dit oogenblik sprekend op den jongen jager. De knaap was in den vuurgloed van den slag snel tot man gerijpt, en er speelde een vastberaden trek om zijn lippen.
"Ge moet raak schieten, Danie--niet te schielijk," zeide zijn vader; "haal er de hoogen uit!"
"Ziet ge dien langen officier daar, met de uitgetrokken sabel in zijn vuist?" vraagde Danie.
Baas Wessels knikte.
"Dat is de mijne!" zeide Danie, terwijl hij den haan overhaalde.
De lange officier tuimelde werkelijk tegen den grond, terwijl zijn sabel nog een halven cirkel beschreef.
De Boeren gaven een ontzettend moorddadig vuur, maar zij konden dien vreeselijken vijandelijken muur niet keeren, die met de onweerstaanbaarheid van een springvloed langzaam naderde.
"'t Geeft allemaal niets," zeide een stem in Danie's nabijheid.
"Ben jij dat, Barend?" vraagde Danie.
"Ja, dat ben ik," antwoordde Barend tamelijk wrevelig, terwijl hij een nieuw pak van vijf patronen in het slot van zijn Mauser schoof, "'t Geeft allemaal niets," zeide hij nog eens; "als je één van die Rooïes neerlegt, dan komen er tien op de begrafenis."
De Engelsche infanterie spreidde zich nu wijd uit, om aan het doodelijk geweervuur der Boeren te ontkomen, en nam een heuvelrug. Snel daalde zij van de kopjes neer, om een volgende stelling te nemen, de leliën vertrappend, die vriendelijk blonken tusschen het frissche groen van het veld.
Op de flanken zwermde intusschen de Engelsche ruiterij, om de stellingen der Boeren om te trekken, en van de Biggarsbergen dreven de zware wolken nader, den somberen achtergrond vormend, waartegen het matte licht der berstende granaten onheilspellend uitkwam.
De slag bereikte nu zijn hoogtepunt, en het scheen, dat de hemel de woede en de razernij der menschenkinderen wilde blusschen in een stroom van regen. De wolken openden haar sluizen, en het stortregende. Maar die woede, die razernij waren niet te blusschen, en onweerstaanbaar drongen de Engelschen voorwaarts--heuvel op, heuvel af, tweemaal wankelend onder de hageljacht van Mauserkogels vóór den laatsten stormloop.
Gijs Wessels keek naar zijn zoon, naar Danie.
"Hoe gaat het, mijn jongen?"
"Goed," zeide Danie, "goed!"
De strakke spanning in zijn gelaatstrekken was verflauwd; het was weer dat zachte, vriendelijke kindergelaat. Doch van angst of vrees was er geen spoor te ontdekken.
"Niet bang, Danie?"
"De Heere is bij mij--voor wien zou ik vreezen?"
Het was het laatste woord, dat Danie op aarde heeft gesproken.
Gijs Wessels hoorde een zucht--het was dat zuchtend, fluitend geluid, dat de Lee-Metfordkogels maken, en die zucht sneed den levensdraad van zijn jongen af.
De kogel had het jonge, vriendelijke hart doorboord, en de dood trad onmiddellijk in.
Op dit oogenblik kwam Louis aanrennen.
"De slag is verloren," zeide hij, "we moeten terug; we worden omsingeld!"
Doch hij bleef als aan den grond genageld staan.
"Danie is thuis," zeide Gijs Wessels met diep bewogen stem.
Louis bukte zich.
Danie was blootshoofds. De hoed lag naast hem. De zwarte hanenveer, die Janske hem bij het afscheid op den hoed had gestoken, was rood geworden. Bloed kleurt rood.
Met vaardige hand maakte Louis het van bloed doordrenkte buis los, en ontblootte de borst.
Hij legde zijn oor op Danie's hart.
"Dood!" riep hij, "dood!"
Er lag een onbeschrijfelijke klacht in dat ééne woord: dood...
Vluchtende Boeren kwamen voorbij, struikelden over de klippen, en tuimelden naar beneden.
Het was een ontzettende toestand.
"Vlucht!" zeide Louis tot zijn vader; "ik zal zien, Danie te vervoeren."
"Neen," antwoordde de oude Wessels; "gij moet vluchten; ik zal voor Danie zorgen."
Hij zeide het op dien eigenaardig vriendelijken, maar beslisten toon, die gehoorzaamheid eischte, doch Louis kon het niet over zijn hart verkrijgen, om zijn vader alleen te laten.
"Zij zullen u gevangen nemen, Vader!"
"Ze zullen mij niet gevangen nemen; God zal voor mij zorgen--ga nu!"
Toen wierp de jonge jager het geweer over den schouder en ging. Hij bleef echter opnieuw aarzelend staan, totdat zijn vader dringende gebaren maakte om door te gaan. Toen haastte hij zich van den heuvel af.
Onderweg ontdekte hij Barend, die in de zucht, om de beste schietstelling te vinden, zich een eind naar links had opgesteld.
Louis tikte hem op den schouder; Barend keek even op.
"'t Wordt tijd!" zeide de jonge jager.
"Ik moet er nog twee neerleggen, dan is het dozijn vol," antwoordde Barend bedaard.
"Ze zullen je gevangen nemen--kom mee!"
"Nog twee--nu nog één!" zeide Barend, terwijl hij afdrukte, en op een afstand van vijftig meter een Engelschen onderofficier een kogel door het hoofd joeg.
"Ge moet het zelf weten," meende Louis, ging in groote sprongen den heuvel af, zocht zijn voshengst, die gelukkig ongekwetst was gebleven en sprong in het zadel. Hij wierp het paard de teugels los over den nek, en bestuurde het door den druk van zijn knieën, terwijl Pluto, die gedurende het heele gevecht zijn meester niet verlaten had, met schuwe oogen vooruitrende.
De schemering begon nu snel te vallen. De zware stortbui had opgehouden, doch er viel een fijne motregen, en de vos, die onder het ongewoon en vreeselijk artillerievuur wild was geworden, vloog over de golvende vlakte voort.
De jonge jager keek nu even om.
De Engelsche hoorns bliezen tot den laatsten stormloop, en de ééne hoornblazer nam het sein van den andere over, Louis zag in het schemerlicht de opgestoken bajonetten blinken; het signaal tot den aanval klonk nòg eens en nòg eens, en de Engelsche springvloed rees op tegen de harde kliprotsen der Boeren--hooger en hooger--! en sloeg er over heen met onweerstaanbare kracht--!
De jonge jager hoorde het gejuich der Schotsche Hooglanders en het gespeel hunner pijpers. Hij legde de hand op zijn hart--het was hem, alsof hij er een stoot voelde met een vlijmscherp mes.
Van den rechterkant naderde thans een groote, donkere schaduw, en de grond scheen plotseling te beven van het getrappel veler paarden.
"De lanciers!" steunde hij, "de lanciers!"
Zij stootten op de rechterflank der vluchtende Boeren, die hij op zijn vluggen klepper was voorbijgejaagd. Hij hoorde een angstig roepen en smeeken om pardon, en daartusschen het bevel: "Roeit het ongedierte uit!"
Vier keeren joegen de moordenaars door de arme Boeren heen, en de lansen deden hun vreeselijk werk. De vluchtelingen werden neergestooten; de gewonden vermoord.
Louis was, zoo hij doorreed, in veiligheid, doch die afschuwelijke tooneelen daar achter hem en de zorg over het lot van zijn vader pakten hem.
Hij haalde links uit, het veld in, en in een grooten boog naderde hij stapvoets het zoo even verlaten slagveld.
De lanciers hadden zich in kleine groepen verdeeld, en zwermden, vluchtende Boeren zoekend, met ingelegde lansen over het wijde veld.
Twee keeren was zoo'n kleine patrouille, misleid door de duisternis en den fijnen motregen, op geen twintig pas afstands den jongen jager voorbij gegalloppeerd, doch den derden keer werd hij door een nieuwe patrouille, vier man sterk en geleid door een Kaffergids, opgemerkt.
Zij hielden recht op hem aan, maar hij haastte zich niet om te ontsnappen.
Waarom ook?
Het gevaar zou er slechts te grooter door worden, daar de vervolgers andere patrouilles te hulp zouden roepen.
Hij nam het geweer van den schouder; de patrouille was nu vlak bij.
"Halt!" riep de korporaal, "geef op je geweer!"
De jonge jager zeide geen woord, maar joeg den korporaal op vijf pas afstands een kogel door het hoofd.
Op hetzelfde oogenblik echter drongen de drie andere lanciers op hem in, en zouden hem zeker aan de lans hebben geregen, indien hij niet door een snellen sprong, dien hij zijn hengst liet maken, aan het doodelijk gevaar was ontsnapt.
Hij legde opnieuw aan, en de tweede lancier stortte stervend uit het zadel.
Toen hadden er de twee overige lanciers genoeg van, gaven hun paarden de sporen, en verdwenen onder vreeselijke bedreigingen met den Kaffer in de duisternis.
De jonge jager sprong nu van zijn paard.
De korporaal was reeds dood; het lichaam hing nog in het zadel, met het hoofd naar beneden. Het paard trok den dooden ruiter langzaam voort, want het had honger, en zocht de groene grasscheutjes op.
Het andere paard was met zijn lancier op hol geslagen, en slierde zijn ruiter mee, het hoofd vermorzelend tegen de harde, scherpkantige klippen.
Louis maakte de handen van den korporaal los uit de teugels, en hij bevrijdde de voeten van de stijgbeugels.
Toen bekeek hij de lans; de spits met het kleine vlaggetje was gekleurd door versch bloed.
"Dat bloed is ten minste gewroken," mompelde hij tusschen de sterke tanden door.
Hij nam den doode, en trok hem den lanciersrok uit.
"Dien zal ik aantrekken," dacht hij; "dan ben ik veilig op het slagveld."
Doch een onbeschrijfelijke weerzin greep hem aan, en hij slingerde den rok van zich af.
Op dit oogenblik echter naderde een nieuwe patrouille; zij was zeker tien man sterk.
Wat zou hij doen? Er was geen tijd van beraad, en de zucht, om zijn vader bij te staan, overwon zijn weerzin tegen dien moordenaarsrok.
Snel beraden trok hij hem aan, en zich dekkend met den helm, wierp hij zijn jas over het lijk, en sprong in het zaâl.
De patrouille was nu in de nabijheid, maar de officier, die haar aanvoerde, scheen eenigszins verbluft, toen hij den lancier ontdekte.
"Wat doe jij hier?" vraagde hij wantrouwend.
"Ik ben bezig, het ongedierte uit te roeien," antwoordde de jonge jager op kalmen toon, met den voet naar het lijk wijzend.
"Dat jij er zoo alleen op uitgaat, kameraad?"
"Och, 't is maar ongedierte, luitenant; ik neem er vier voor mijn rekening."
De officier was tevreden en keek vooruit, of hij geen vluchtende Boeren zag. Plotseling echter wendde hij den blik naar den voshengst, dien Louis bereed, en zag aan het tuig, dat het geen Engelsch cavaleriepaard was.
Zijn wantrouwen werd opnieuw gewekt.
"Waarom berijdt jij een Boerenpaard, kerel?"
"Omdat dit Boerenpaard vrij wat beter in zijn vleesch zit dan de magere knol, die daar staat, luitenant!"
De luitenant staarde weer naar de verte, en meende een paar vluchtige schaduwen te zien.
Hij wees met de sabel in de richting van die voortjagende schaduwen, en gaf zijn paard de sporen.
De lanciers volgden hem.
"Moet ik het lijk niet begraven?" riep de jonge jager hem nog achterna.
"Begraven?" lachte de officier, zich even omdraaiend in het zadel; "'t is maar ongedierte, en de aasvogels moeten toch ook wat hebben."
"Ik ben van dezelfde meening," meende de jonge jager met hartgrondigen nadruk, en het lijk achterlatend op het open veld, en zijn eigen jas en hoed oprollend en vastbindend aan zijn paardezadel, reed hij weg in de richting van het slagveld.... Ach, welke verschrikkingen biedt een slagveld aan!
Toen Louis op bevel van zijn vader het slagveld had verlaten, kwamen de Engelschen snel naderbij, en baas Wessels vleide Danie neer op een beschut plekje.
Hij greep opnieuw zijn geweer, want hij verstond zijn plicht. Er waren geen dertig burgers meer in de stelling, doch deze kleine Gideonsbende hield de eer op van het geheele Afrikaansche volk, en streed met den heldenmoed der oude Spartanen.
De dood hield een rijken oogst.
Hier tastte een soldaat met de handen boven zijn hoofd, of hij een onzichtbaren steun zocht, om zich vast te houden; elders sloeg een ander, als door den bliksem getroffen, achterover, met zijn bloed de harde klippen kleurend; ginds steigerde een reusachtige Schotsche Hooglander omhoog als een wild geworden paard, sloeg zijwaarts uit, en greep zich vast aan de graszoden. Met zijn stervende handen wilde hij zich vasthouden aan deze aarde, die hem ontzonk.
Maar wat er ook bezwijken mocht, de Engelsche moed stormde voorwaarts, en terwijl de bajonetten op de geweren werden gestoken, vlogen de Engelschen tegen de stellingen der Boeren op. De vijandelijke kogels gierden over het kopje heen--Gijs Wessels voelde naar zijn hoofd--hij zag een bloedvlek op zijn hand--het bloed stroomde langs zijn wangen.
Hij hield zich aan een klipsteen vast, om niet om te vallen, maar het begon te schemeren voor zijn oogen--de bajonetspitsen dansten voor zijn oogen op en neer als dwaallichten--hij zette zich neder, en zijn laatste blik viel op zijn dood kind.
Toen hij uit zijn bewusteloosheid ontwaakte, begreep hij, dat het snel zou afloopen.
Het was al tamelijk donker, want het motregende, en de avond was gevallen.
Hij riep een voorbijganger aan.
"Wat wilt ge?" vraagde deze, een Engelsch officier met streng gelaat en kort van gestalte.
"Ach, mijn gesneuveld kind--breng het mij!" smeekte hij met brekende stem; en met de laatste inspanning zijner verdwijnende levenskracht strekte hij de hand naar rechts, waar hij Danie vermoedde.
De officier was niet zoo hard, als zijn streng gelaat zou doen vermoeden. Hij zocht met ijver, haalde Danie onder een stapel lijken weg, en legde hem behoedzaam in den arm van zijn vader.
Vàst drukte Gijs Wessels zijn lieveling aan zijn hart, en een blik van groote dankbaarheid trof den Engelschen officier.
Toen sloten zich zijn oogen....
En zoo is hij zacht ingeslapen, de baas van Wonderfontein, met zijn slapend kind in zijn arm....
HOOFDSTUK XV.
De kleine majoor stond peinzend bij de twee dooden, toen hij de hooge gestalte van een slank en krachtig gebouwden lancier zag naderen.
De lancier liep langzaam; hij scheen iets te zoeken.
Telkens riep hij met gedempte stem: "Zoek, Pluto, zoek!" en in de nabijheid van den officier gekomen, liet het trouwe dier een lang, klagend gehuil hooren.
In twee, drie sprongen was de lancier bij zijn hond--hij stond bij de twee dooden.
Maar hij keek om, want er legde zich een hand op zijn schouder.
"Louis Wessels!" zeide een stem, en er vloog een trek van groote onrust over het gelaat van den jongen jager, toen hij staarde in de strenge oogen van den kleinen majoor.
Hij had dezen officier meer gezien--maar waar dan toch? Hij kon het zich niet meer herinneren--ja toch, nu wist hij 't, in de woning van Arend Uys op dien noodlottigen namiddag.
"Laat ik eerst van mijn vader en van mijn broeder afscheid nemen," zeide hij bedaard.
De majoor antwoordde niets; hij scheen even met het hoofd te knikken.
Doch voor den jongen jager bestond, toen hij zich nederbukte naar de dooden, geen majoor, die hem gevangen kon nemen, en geen gevaar, dat hem kon deeren.
Hij vleide zich neder aan de zijde van zijn vader en zijn broeder, en staarde hen aan, lang en innig, met oogen, verduisterd door tranen.
Het was een aangrijpend beeld des vredes, daar voor hem.
Ach, zij sliepen. Geen bitterheid des doods lag op hun gelaat; stille, zachte vrede zweefde over hun trekken.
Er was immers ook niets verwonderlijks in. Gijs Wessels had het immers zoo dikwijls gezegd: "De Heere geeft het Zijn beminden als in den slaap," en nu hadden zij het ontvangen als in den slaap. En die stille vrede, als een liefelijke glimlach zich uitbreidend over hun gelaat--wat kon het anders zijn dan de afstraling van die eeuwige en onnaspeurbare zaligheid, die hun zielen indronken bij het overschrijden van den gouden drempel der eeuwigheid!
Het begon weer sterker, te regenen, en in de verte joegen de moordenaren, die tot het vijfde regiment lanciers behoorden, voorbij.
De jonge jager nam een doek, en breidde hem uit boven de hoofden van Gijs Wessels en zijn zoon Danie. Hij deed het behoedzaam en voorzichtig, alsof hij bang was, dat zij wakker zouden worden, en levendig trad het tooneel weer voor zijn oogen, nog kort geleden, toen hij eveneens een doek over hen had heengespreid. Toen was het de zon geweest, die hen had kunnen hinderen in hun slaap, maar hij had den doek niet voorzichtig genoeg uitgelegd, want zij waren wakker geworden. Thans echter was het geen zon, die hem hinderde, maar de koude, fijne motregen, die hen in 't gezicht sloeg.
Zoo legde de jonge jager dan met de teedere bezorgdheid der liefde een doek over hun gelaat.
Op eenigen afstand lag nog Danie's hoed. Louis nam er de hanenveer af, de mooie zwarte hanenveer, die rood was gekleurd van het bloed.
Hij was diep, diep bedroefd, de jonge jager, maar toch verwonderlijk kalm. Hij had andere lijken gezien op het slagveld: vuisten, die saamgenepen waren in den laatsten doodstrijd; gelaatstrekken, die vertrokken en verwrongen waren van duldelooze, namelooze pijn; oogen, die in den dood wijd opgesperd waren, alsof zij iets onnoembaar ontzettends zagen....
En hier--bij zijn vader en zijn broeder--was van dit alles geen spoor te ontdekken; de dood had hier zijn verschrikkingen verloren; zij sliepen.
Ach, het was voor den jongen jager toch een zoete troost.
Hij rees nu overeind, en keek in het streng gelaat van den kleinen, zwijgenden majoor.
"Ik gis, dat een vriendelijke hand mijn broeder in de armen van zijn vader heeft gelegd," zeide hij.
"Ik deed het," zeide de majoor; "het was het laatste verzoek, dat uw vader deed--het was immers uw vader?"
Louis knikte; hij greep de hand van den zonderlingen man.
"Ik ben u recht hartelijk dankbaar, Majoor!"
Er lagen een paar spaden in de nabijheid, en eenige Kaffers, van lantaarnen voorzien, doorkruisten het slagveld.
"Mag ik hen roepen, Majoor? Ik zou aan mijn vader en mijn broeder zoo gaarne een eerlijke begrafenis geven."
De majoor zelf riep de Kaffers, en Louis staarde zwijgend op hun handen, die snel het graf dolven.
En in die stille rustplaats werden zij nu voorzichtig neergelegd: vader en zoon; Danie in de armen van den baas van Wonderfontein.
De jonge jager stapelde er de harde klipsteenen boven.
Nu waren de beminden veilig voor de gieren, die op de lijken azen, en voor het wild gedierte, dat de slagvelden schoffeert.
Louis keek om.
De kleine majoor was verdwenen; niemand, die hem nu herkende.
Zoo was hij dan vrij, en sloeg, van zijn hond vergezeld, de richting naar het oosten in.
Een krakende ossenwagen kwam hem voorbij, vol soldaten en gevangenen. De soldaten joelden en zongen, maar de gevangenen keken somber.
Vóór op den ossenwagen, op een stroozak, met de handen en de voeten gekluisterd, zat Barend.
De jonge jager herkende hem.
"Ik heb hem nog gewaarschuwd," zeide hij treurig, "en nu is het te laat."
Aan een wilgenboom had hij zijn paard vastgebonden; hij sprong in 't zaâl, en gaf zijn hengst de sporen.
Het rumoer van den strijd verstomde; slechts hier en daar werd nog een geweerschot gehoord.
Plotseling schrikte de hengst, en de hond sloeg luid en driftig aan. De jonge jager greep in de teugels en hield halt.
Aan zijn rechterzijde, bij een droogen sloot, zat een gewonde, die zijn handen smeekend omhoog strekte en riep: "Spaar mijn leven! Ik heb een vrouw met zeven kleine kinderen!"
Toen sprong de jonge jager uit het zadel, en een vlammend rood bedekte zijn wangen. "Ik kàn dat moordenaarspak niet langer dragen," steunde hij, en het uittrekkend, wierp hij den lanciersrok met den helm weg, zooals men den rok van een pestlijder zou wegwerpen.
"Jij hebt geen nood," zeide hij vol barmhartigheid tot den gewonde; "zie, ik ben je broeder."
Hij knielde bij hem neder, gaf hem eenige teugen uit de veldflesch, en verbond zijn wonden.
De arme huisvader echter vouwde zijn handen, ontblootte zijn hoofd en stamelde een vurig dankgebed tot Hem, Die hem had gered uit den ruischenden kuil.
"Waar komt gij vandaan?" vraagde de jonge jager.
"Uit den Vrijstaat, Neef. Wij waren met tachtig man bij uw kommando's, doch ik ben het spoor van mijn maats kwijt geraakt."
"Zoudt gij zonder hulp op een paard kunnen rijden?"
"Als ik er maar een had, Neef!"
"Er zal er wel één zijn op te pikken," meende Louis, en werkelijk was hij zoo gelukkig, een ronddwalend paard op te vangen.
De wonden van onzen Vrijstater waren slechts vleeschwonden, en in matigen draf reed hij, door Louis in het zadel geholpen, naast dezen in noordoostelijke richting voort.
Het was laat, toen zij midden in het veld een Kafferhut ontdekten, en hun paarden afzadelend, stapten zij de hut binnen.
Er was geen sterveling te ontdekken, doch in een hoek der armoedige woning lagen eenige bossen stroo, die de jonge jager uitspreidde voor den doodvermoeiden kameraad, die spoedig in een rustigen, verkwikkenden slaap viel.
Doch Louis kon niet slapen. De bloedige tooneelen van den verschrikkelijken dag, die achter hem lag, rezen op als vizioenen voor zijn overspannen geest; bloedige gestalten met handenwringende gebaren stonden vóór hem, en de stervenskreet der vluchtelingen ging onder in het gebrul van gelanste en gespoorde moordenaren.
Doch allengs verbleekten die afschuwelijke gestalten; het gebrul verstomde, en liefelijke tafereelen doemden op.
Hij stond weer bij de twee dooden. Zij rustten in elkanders armen en twee engelen stonden bij hen: de één aan het hoofdeinde, en de andere bij de voeten. En zij hadden hun vleugelen uitgespreid over deze dooden, opdat niemand hun ruste zou storen. Zij waren immers ook niet gestorven--neen, zij sliepen.....
Maar ook dit vizioen verflauwde--de jonge jager zag niets meer--hij hoorde niets meer--hij viel in een diepen slaap, zonder droomen.