De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900

Part 7

Chapter 73,905 wordsPublic domain

Maar het was nu reeds lang avond.

De kampvuren der Boeren strekten zich uit als een mijlenlange, vlammende lichtketen; het zevengesternte schitterde, en de almachtige Schepper schreef Zijn glorie en eere in de tienduizenden blinkende en fonkelende diamanten van den Melkweg, die zich in stille majesteit uitbreidde boven het lager der Boeren.

En daar--van den anderen kant--wijd uit de verte--kwamen de statige tonen van een psalmlied. En de tonen zetten zich uit, en zwollen aan als een stroom, die buiten zijn oevers treedt. En de jonge Boeren stonden op van hun lagervuur, en ontblootten eerbiedig hun hoofden, en hun jonge, frissche stemmen vereenigden zich met de stemmen van duizenden in den oorlogspsalm der Boeren:

"De Heer zal opstaan tot den strijd, Hij zal zijn haters, wijd en zijd, Verjaagd, verstrooid doen zuchten. Hoe trotsch zijn vijand wezen moog, Hij zal, voor zijn ontzaglijk oog, Al sidderende vluchten. Gij zult hen, daar G'in glans verschijnt, Als rook en damp, die ras verdwijnt, Verdrijven en doen dolen. 't Godlooze volk wordt haast tot asch; 't Zal voor uw oog vergaan als was, Dat smelt voor gloênde kolen!

En toen de laatste psalmtonen waren weggestorven langs de heuvels van Natal en de oevers der Buffelrivier, werd alles weer stil.

De Boeren wikkelden zich in hun kombaarzen, en legden zich neder onder de ossenwagens, in de tenten of onder den blooten tintelenden sterrenhemel.

En alles ging ter ruste.

Het gehinnik der paarden verstomde; de loeiende ossen legden zich slaperig neder aan de lange lijnen, waaraan zij waren vastgebonden. Slechts de vlugge stap werd gehoord van het wild, dat naar water zocht voor zijn dorst, en de vleugelslag van den nachtvogel, hoog in de lucht. En nu en dan werden geheimzinnige teekens gezien op de omringende heuvelen; het waren de lichtseinen van Boerenschildwachten, die op een half uur afstands van het kamp geplaatst, elkander door lantaarnen teekens gaven.

HOOFDSTUK XII.

Het gerucht ging, dat de kommando's van Pretoria, Vrijheid en Utrecht onmiddellijk zouden oprukken naar Dundee, om generaal Symons, die zich ginds had verschanst, te verdrijven of in te sluiten, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich de familie Wessels bevond, rechts zou aanhouden, om de spoorlijn tusschen Ladysmith en Glencoe op te breken, en een sterke stelling in te nemen in de passen van den Waschbankberg.

Kees en Karel vlasten geweldig op een spoedige ontmoeting met den vijand, en verzochten hun vader, bij een dier naar Dundee oprukkende kommando's, bij welke zich trouwens heel wat familieleden en kennissen der Wessels' bevonden, te worden overgeplaatst. Na eenige aarzeling gaf de oude Wessels zijn toestemming, en daar ook de bevelvoerende veldkornet, die hierover te beslissen had, zijn bewilliging gaf, trokken Kees en Karel met het Vrijheid-kommando op naar Dundee, terwijl het leger van generaal Jan Kock, waarbij zich o. a. Gijs Wessels met zijn beide zonen Louis en Danie bevonden, midden in den nacht oprukte naar Elandslaagte.

Het was koud dien nacht, en er veegde een ijzige wind over het gebergte. Danie reed naast zijn vader; hij was in een langen regenjas gedoken, en bibberde van de koude. Midden in den tocht werd de weg versperd door een ammunitiewagen, waarvan een achterwiel was vastgeloopen, en eerst toen het gebrek was verholpen, kon de tocht worden voortgezet. Toen de zon opging, werd halt gehouden, en de kommandant gaf bevel, om af te zadelen. De paarden werden gekniehalsterd, schildwachten uitgezet, en de moede ruiters vleiden zich, in hun kombaarzen gehuld, lang uit op den grond.

Danie was spoedig in diepen slaap, doch de oude Wessels voelde geen behoefte om te rusten, en zette zich op een klipsteen naast zijn zoon. Hij had er op dit oogenblik toch weer spijt van, dat hij zijn jongen had meegenomen, want hij was niet sterk, en zijn bleek gelaat verried reeds de ongewone vermoeienissen van den veldtocht. Hij had het hoofd gelegd op een zadel, maar de bezorgde vader vond het zadel te hard, trok zijn overjas uit, en schoof dien opgerold in de plaats van het zadel.

De zon rees nu op boven de heuvelen, en viel warm en koesterend op het slapende kommando.

Die warmte en de rust deden Danie goed; er kwam weer wat kleur op zijn bleek gelaat. Doch nu klonk de korte, doordringende stoot van een hoorn: het sein, om op te zadelen, en de marsch werd hervat, totdat de koppen der Biggarsbergen zichtbaar werden.

Generaal Kock zond eenige patrouilles uit, om die passen te verkennen, doch er werd geen vijand ontdekt, en men passeerde onbelemmerd de enge, gevaarlijke passen. Er werd niet dan de noodzakelijkste rust genomen, en de tocht werd voortgezet, totdat de avond viel, en regen en duisternis tot stilstand dwongen.

Het was een treurige nacht. Er kon geen vuur worden aangelegd, daar er aan geen brandhout was te komen, en tenten waren er niet, daar de ossenwagens, die den legertros vormden, onmogelijk het kommando konden bijhouden. De paarden hadden het slecht, want de velden waren dor en kaal, maar de manschappen hadden het nog slechter, en wierpen zich in den kouden, stroomenden regen zwijgend neder op den doorweekten grond.

Danie leed veel in dezen nacht, maar hij hield zich dapper, en elken keer, dat de medelijdende blik van zijn vader op hem rustte, kwam er een kleine glimlach op zijn gelaat, alsof hij wilde zeggen: "Stil maar, 't zal wel gaan."

Louis kon er uitstekend tegen; hij had een ijzersterk gestel, rolde zich in zijn regenmantel, en sliep als een os. Doch de meeste Boeren konden niet slapen; zij stonden op uit hun modderbedden, en drentelden mismoedig op en neer om warm te worden. Barend volgde hun voorbeeld, rekte de stramme leden en schreeuwde met een gebiedende stem: "Aannemen--een grokje, maar een beetje straf als je blieft," waarop zijn makkers in spijt van hun treurigen toestand toch in een luiden schaterlach uitbarstten.

Het was nog nacht, toen in alle stilte werd opgezadeld, en in den voormiddag werd de omtrek van Elandslaagte bereikt.

De voorhoede van Kock's leger had reeds den dag te voren Elandslaagte bereikt, de spoorlijn op verscheiden plaatsen opgebroken, en een Engelschen proviandtrein bemachtigd.

Het werd een heerlijke dag; de zon straalde aan den wolkeloozen hemel; onze verkleumde Boeren konden hun hart ophalen aan spijs en drank, en uitrusten van de ontberingen.

Zoo gaat het immers in den oorlog. Hij is vol buitensporigheden, wisselvalligheden en tegenstrijdigheden. Men zal vier en twintig uur onafgebroken in het zadel moeten zitten, om dan weer zestien uur aan één stuk te kunnen uitslapen; men zal vandaag al zijn bezittingen willen geven voor één dronk water, en morgen een vijandelijk convooi machtig worden, en de champagne, bestemd voor de Engelsche officieren, drinken als water; den eenen dag zal men met de honden vechten om een afgekloven been, om den volgenden dag de fijne blikjes ingemaakte zalm op te peuzelen, te Dundee buitgemaakt. Gebrek en overdaad, armoede en rijkdom, ontbering en genot--nooit en nergens wisselen zij elkander veelvuldiger en plotselinger af dan op het oorlogsveld.

Voor onzen Barend vooral leek nu alles weer enkel voorspoed en zonneschijn.

Hij had een geduchten honger meegebracht naar Elandslaagte, en hij had den neus in den wind gestoken als een jagershond, die het wild ruikt. En hij had een fijne neus, die Barend, dat Blikoortje! De jacht had nog geen twintig minuten geduurd, of hij zat reeds bij eenige gulhartige Hollanders aan het maal, kloof de gebraden schapenribbetjes, dronk het schuimende gerstebier, en vermaakte het geheele gezelschap door zijn koddige, wonderlijke invallen.

Toen zijn maag goed gevuld was, verliet hij zijn vriendelijke gastheeren, om zijn maats, de familie Wessels, te zoeken. Hij stak de handen in zijn zak, floot een vroolijk deuntje, zat een kat na, die hem nooit kwaad had gedaan, en ontmoette de vrienden aan den voet van een hoogen heuvel.

Zij hadden een vuur aangelegd, een keteltje opgehangen en koffie gezet, terwijl op den grond, dicht bij het vuur, een zakje lag met biltong en harde beschuit, door tante Sannie gebakken.

Baas Wessels was in opgeruimde stemming; Danie at met smaak de harde beschuit, en Louis, die reeds gegeten had, lag lang uitgestrekt te slapen, terwijl Pluto hem tot kussen diende.

"Zoo Barend--hoe heb je 't gehad?" vraagde baas Wessels; "we hebben nog wat over in den knapzak voor jou, vent!"

"Dank je wel," antwoordde Barend met waardigheid; "ik ben aan de gebraden schapeboutjes geweest."

"Dan heb je 't nog beter dan wij," lachte Danie, "kun je ons ook niet aan zoo'n schapeboutje helpen?"

"Aan een schapeboutje niet, maar aan een gebraden haantje--ja, dat zou gaan," meende Barend.

"Toon je kunsten dan maar eens," zeide Danie.

"Goed," antwoordde Barend, en den hoogen heuvel beklimmend, aan welks voet de familie gekampeerd was, plaatste hij de holle hand voor den mond, en begon het kikeriki van den haan met werkelijk meesterlijke kunstvaardigheid na te bootsen.

Maar er volgde geen antwoord.

Toen draaide hij zich om, en kraaide in de tegenovergestelde richting.

"Hoe staat het er bij?" riep Danie van beneden.

"'t Is klaar, kerel!" riep Barend triomfantelijk terug; "ik hoor hem al."

Inderdaad hoorde men uit de verte het kraaien van een haan, en Danie snelde met Barend in die richting weg.

"Daar is het!" zeide Barend, toen zij, na verscheiden heuvelruggen te zijn overgeklouterd, dicht bij een kleine beek een oude boerenwoning ontdekten.

Het hek stond open; zij liepen het erf op naar de huisdeur.

Het geheel maakte een verlaten en diep treurigen indruk. Bij het hondehok lag een ketting met een halsband, doch de hond was weg; achter het huis stond een kar met een gebroken as, en op den nok van het rieten dak zaten een paar eenzame duiven nieuwsgierig te kijken.

Barend opende de huisdeur; zij was ongegrendeld. Beiden stapten het voorhuis in.

De sintels glommen nog in den haard: een bewijs, dat de bewoners zoo pas waren gevlucht, doch dat het een overhaaste vlucht was geweest, kon men aan alles merken. De vloer was bedekt met oude vodden, afgedragen schoenen en weggeworpen papieren. Een oude stoel met ingetrapte zitting en gebroken sporten stond in een hoek, en tusschen het verstrooide bedstroo lagen scherven aardewerk.

De spiegel lag weggeworpen bij den haard; het glas was gebroken. Bij het afnemen van den muur was dit ongeluk waarschijnlijk gebeurd, en het loonde nu de moeite niet meer, om den spiegel mee te nemen. Zoo was hij dan maar achtergebleven.

Een kat sloop het voorhuis door, keek de vreemdelingen aan met schuwen, angstigen blik, en vluchtte naar buiten. Barend echter dacht er dezen keer niet aan, om het arme dier na te jagen; hij haastte zich met Danie weer naar buiten, om aan dit tooneel van wanorde, verwoesting en verlatenheid den rug te kunnen keeren.

Beiden begaven zich naar het kippenhok, dat tegen een lagen zijmuur van het huis was gebouwd, doch het hok was leeg. Slechts stond er een gebarsten aarden pan in met eenig drabbig water, terwijl op den grond eenige handvollen gerstekorrels lagen rondgestrooid.

Barend keek nu achter het huis, waar hij den gezochten haan met langzame schreden over den mesthoop zag loopen.

"Nu zal ik een meesterschot doen," zeide Barend, nam het geweer van den schouder, en joeg den haan een kogel door den kop. Het dier buitelde nog eenige keeren om, sloeg de vleugels wijd uit en bleef met strakke pooten liggen.

Gijs Wessels keek toch verwonderd op, toen hij Barend met den buit in de hand zag naderen. De haan werd snel geplukt, geslacht, en aan het spit boven het vuur gebraden.

Dat was nog eens een maaltijd!

Danie had in geen veertien dagen zoo lekker gesmuld!

HOOFDSTUK XIII.

Zoo brak dan de morgen aan van Zaterdag 21 October.

De Boerenlagers, die ten oosten der spoorbaan waren opgeslagen, werden voor de veiligheid verder teruggebracht, doch Elandslaagte met haar blauwzinken daken bleef duidelijk zichtbaar, en tusschen het groen gebladerte van boomen en struiken schemerde het spoorwegstation door.

Het veld had nog weinig gras, en de Hollandsche Vrijwilligers zouden paardevoer gaan halen: havergarven uit den buitgemaakten trein. Zes sterke ossen werden voor den fouragewagen gespannen, en men vermoedde geen vijand, totdat een verdachte rookpluim, oprijzend langs de spoorbaan, de nadering verried van een gepantserden Engelschen trein.

De trein telde drie wagens, door leikleurige staalplaten goed verzekerd tegen vijandelijk geweervuur. Tusschen den voorsten en den middelsten wagen, en door deze beschermd, bevond zich de locomotief; de achterste wagen, een open wagen, droeg een Maximkanon.

Aan den linkerkant van den trein, aan de westelijke zijde der spoorbaan, bewogen zich op den transportweg van Ladysmith naar Elandslaagte, een afstand van bijna zes uur gaans, colonnen cavalerie en artillerie onder den cavalerie-generaal French. Hij maakte een krachtige verkenning, om de stelling en de sterkte van den vijand vast te stellen, en op 1000 meter afstands van het station genaderd, liet hij halt houden en de kanonnen afhaken.

Het was half acht in den morgen, toen het eerste Engelsche kanonschot over de velden dreunde. Het boorde door de goederenloods heen, en kwam in den ambulancewagen der Boeren terecht. Het tweede schot werd gericht naar het open veld, in de richting van het Hollandsche kamp, waar de tent van kommandant Jan Lombaard, aanvoerder der Hollandsche Vrijwilligers, de aandacht trok. De granaat sloeg 25 meter vóór de tent in den grond, zonder te ontploffen, terwijl de volgende bom, op eenigen afstand achter Lombaard's tent terecht gekomen, wel ontplofte doch niemand kwetste.

De Hollanders lieten hun havergarven in den steek, en dat was verstandig, maar de twee kanonnen, die de Boeren hadden meegebracht, wierpen hun bommen met groote nauwkeurigheid in de Engelsche batterij, en dat was niet minder verstandig. Generaal French voelde zich met zijn zevenponders tegen dat vuur niet opgewassen; hij gaf bevel tot den terugtocht, en trok met zijn volk en zijn gepantserden trein een uur gaans terug, halt houdend bij het station Modderspruit.

Jan Kock gaf nu orders, om voeling te zoeken met den vijand, en de Boeren zwermden op hun taaie paardjes in kleine, vèr verspreide groepen over de heuvels.

Hun paarden klommen als klipgeiten tegen de verschillende kopjes op, en men bereikte ten slotte een hoogen bergrand, die een uitstekend gezicht verleende op de vijandelijke stellingen. Op de spoorbaan ontdekten de Boeren door hunne verrekijkers drie militaire treinen; naast de spoorbaan ontplooiden zich de infanteriebataljons.

Er werden voorposten uitgezet, en de Boeren keerden om 12 uur in een korten galop terug naar hun kamp. Zij werden er aangenaam verrast door de komst der transportwagens, die van Volksrust de onmisbare kampbenoodigdheden hadden medegebracht: levensmiddelen, tenten, ververschingen, en een grooten postzak brieven en couranten.

Ach, dat was een aangename verrassing voor Gijs Wessels, toen hij, het adres van een aan hem gerichten brief bekijkend, de eenvoudige, ietwat stijve hand van zijn vrouw herkende. Hij vleide zich met Danie--Louis en Barend hadden zich bij de voorposten gevoegd--neder achter een klip, die hen beschutte voor den wind, en las met aandoening den brief.

Hij luidde als volgt:

"Geliefde Man en Kinderen!

Het is toch maar een treurige dag geweest, toen gijlieden vertrokt. Janske, dat lieve kind, hield zich voor mij zoo goed, als ze maar kon, doch ik zag wel, dat zij zeer bedroefd was. Ik kreeg echter rust in het Godsbestuur, en de Heere bepaalde mij recht levendig bij deze woorden: "Wat ik doe, weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan." Ik werd wonderlijk getroost, omdat deze dierbare waarheid innig aan mijn hart werd toegepast, dat alle raadselen eens zullen worden opgelost. En zoo kon ik dan alles recht kinderlijk aan den Heere, Die alles regeert, overgeven. Het is toch zoo, geliefde Man, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde, die in Christus Jezus is. Juist in deze bange en benauwde tijden worden wij zoo recht gewaar, dat wij aan onzen God een wonderbaren steun hebben, en Hij is ons geweest een toevlucht van geslacht tot geslachte! Hij zal het met ons volk ook goed maken. Ik geloof zeker, dat ons volk op Gods tijd nog eens geheel van Engeland zal vrij worden. Het beliefde den Heere, om mij dezen morgen door Zijnen Heiligen Geest in te leiden in den zesden psalm, en bij het slot moest ik uitroepen: "Arm Engeland!" Want het vergrijpt zich aan Gods kinderen, en het vergiet het bloed van Gods uitverkorenen. Maar ik ben ook dikwijls bedroefd, geliefde Man en Kinderen, als ik aan jullie denk. Nu voelen wij toch eerst, hoe innig wij aan elkander hangen. Ik kan dien grooten, ledigen leuningstoel niet zien, of ik word zeer bedroefd, en bij oogenblikken kan mij een onweerstaanbare angst aangrijpen. Is het een voorgevoel, dat er iets verschrikkelijks zal gebeuren? Maar het kunnen ook wel mijn geschokte zenuwen zijn. Ik heb wel meer zoo'n angst gehad, en dat het toch niets was, en dat gij mij later nog hartelijk hebt uitgelachen. Nu, wij willen hopen, dat wij elkander nog eens in goeden welstand zullen ontmoeten. Het is een rechtvaardige zaak, geliefde Man en Kinderen, waarvoor gij strijdt. Zoo vecht dan dapper voor uw land en volk, want dat is de wil des Heeren!

Wij kunnen elkander nu niet zien, maar dat wij elkander maar veel mogen ontmoeten voor den troon der genade, dat is mijn wensch. Zoo blijf ik met de hartelijkste groeten

Uw zeer liefhebbende vrouw en moeder,

S. Wessels, geboren Potgieter.

Nog iets. Lieve Danie, neem je maar goed in acht, jongen, want je bent niet al te sterk. Vermoei je maar niet al te hard. Als er een zwaar stuk werk is, dan zullen uw andere broeders u wel helpen. Nu dag Danie, dag Louis, Kees, Karel, geliefde Man--weest allen den Heere bevolen. Janske groet u recht hartelijk; zij hoopt u overmorgen te schrijven. Maakt u maar niet over ons ongerust. De Kaffers zijn zeer onderdanig, en met de boerderij gaat het heel goed.

Dezelfde.

De brief was toch een liefelijke verkwikking.

Danie zat vlak naast zijn vader, en leunde met den linkerarm op diens schouder, om toch alles goed te kunnen lezen. Ook schemerden er een paar tranen in zijn oogen, want hij had zijn moeder lief. Hij zag er weer wat bleek uit; zijn moeder had gelijk: hij was niet al te sterk.

"Ik had je thuis moeten laten, mijn jongen," zeide de oude Wessels; "ik vrees, dat je niet tegen den veldtocht kunt."

Danie ging met de hand liefkozend over het bezorgd gelaat van zijn vader.

"Wees maar niet ongerust," zeide hij met moedige stem; "ik voel me zoo sterk als een jong paard."

Hij glimlachte, terwijl hij dit zeide, en hij keek opgeruimd, om de wolken te verjagen, die over het breede voorhoofd van zijn vader gingen.

Doch de liefde van een vader ziet scherp, en laat zich niet misleiden. Gijs Wessels schudde het hoofd en zuchtte.

Wijd uit de verte dreunde thans de zware slag van het kanon. Gijs Wessels stond op, beklom een hoogte, en staarde naar den horizon.

Langzaam keerde hij terug. Zijn gelaat stond nog ernstiger dan zoo even.

"Wij zullen vandaag nog vechten, Danie," zeide hij zacht.

De jongen sprong op.

"Zijt gij niet bang, mijn jongen?"

"Wij zijn in 's Heeren hand."

"Het kan uw jonge leven kosten, Danie!"

"Ik geef mijn leven gaarne voor de vrijheid van mijn volk."

Zijn oogen begonnen te schitteren, terwijl hij dit zeide; het bloed kleurde zijn bleeke wangen.

"Dùrft gij te sterven, Danie?"

Hij had reeds een dergelijke vraag gedaan in dien laatsten nacht vóór het vertrek van Wonderfontein, doch in het gezicht van dood en eeuwigheid wilde hij dat punt nog eens aanroeren.

De oude Wessels vraagde het dus met nadruk, en zijn oogen rustten, terwijl hij het vraagde, met zekere angstige spanning op zijn kind.

Doch Danie sloeg de blauwe oogen blijmoedig op tot zijn vader en zeide bedaard: "Ik ben niet bang voor den dood."

"Waarom niet, Danie?"

"Ik ben het eigendom van Jezus mijn Heiland, Die mij gekocht heeft door Zijn dierbaar bloed."

Hij zeide dit zoo eenvoudig, zoo ongekunsteld. Maar juist in dien eenvoud openbaarde zich de onmetelijke kracht van zijn geloof.

Gijs Wessels was evenwel nog niet voldaan.

"Gij zijt nog zoo jong, Danie, en gij spreekt zoo beslist. Ik ben al lang op den weg, en mijn ziel wordt toch nog dikwijls geslingerd door twijfelingen en vreeze."

Danie echter antwoordde op bedaarden toon: "Ik heb van wege mijn zonden en overtredingen den eeuwigen dood verdiend, doch Jezus is met Zijn plaatsvervangend lijden voor mij in de plaats getreden. Ik weet het vast en zeker."

De oude Wessels voelde: dat was geen napraterij, maar welde op diep uit het hart.

Nu was hij ook tevreden, drukte zijn jongen de hand, en sprak met hem over geestelijke en hemelsche zaken als een vriend met zijn vriend.

Doch uit de verte dreunde opnieuw de slag van het kanon, sterker dan zoo even: zwaar en dreigend als de donderslag van een snel naderend onweer, en over de heuvels zwermden in snellen galop de verkenners der Boeren als stormvogels, die het noodweer aankondigen.

"Weet gij niet, waar Louis is?" vraagde de oude Boer.

"Hij was daar straks bij de voorposten," meende Danie.

"Ik had hem gaarne hier gehad," zuchtte Gijs Wessels.

Hij keek rond, of hij den jongen jager niet kon ontdekken, maar hij zag hem niet.

Hij was zeer ernstig geworden. Hij nam Danie bij de hand, en bracht hem in de nabijheid van een grooten doornstruik.

"Hier zullen wij knielen, Danie, en onze zielen Gode bevelen."

Zoo knielden zij dan neder: vader en zoon.

De doornstruik strekte zijn takken boven hen uit. Zijn gele bloesems geurden, en uit zijn twijgen vloog een zangvogel op, sloeg de vleugels wijd uit en zong zijn lied.

Het was het lààtste lied, dat op dien dag boven Elandslaagte werd gezongen.

Zij rezen nu op van hun knieën. Baas Wessels' oogen waren vochtig.

Hij kuste zijn jongen op die lieve, blauwe oogen. Danie zag, dat zijn vader zeer bewogen was.

"Gij moet niet bedroefd zijn, vaderke," zeide hij troostend; "zie toch--ik ben goedsmoeds."

Hij glimlachte weer, terwijl hij dit zeide, maar zijn lippen beefden.

"Gij zijt nog zoo bitter jong," steunde zijn vader--"maar kom, Danie, 't wordt tijd!"

HOOFDSTUK XIV.

't Was tijd.

De kommandanten namen door hun verrekijkers bedaard en zonder overhaasting de posities op, en zagen de Engelsche infanterie in drie grijs-bruine linies naderen.

De hoorns gaven de seinen, en de burgers sprongen in 't zaâl.

Zij brachten hun paarden achter de kopjes, gaven ze over aan de hoede van kafferbedienden, en klommen tegen de heuvels op.

Er werd weinig gesproken. De ernst van den toestand en het onzekere der naaste toekomst deed de harten sneller kloppen.

Intusschen joegen de vijandelijke batterijen over het veld, haakten af en openden het vuur. Achttien Engelsche kanonnen wierpen hun granaten en kartetsen tegen de Boerenstellingen, en beukten de klippen, waarachter de Boeren verscholen lagen.

Gijs Wessels had den loop van zijn Mausergeweer in een opening tusschen twee klippen geschoven; het rustte daar als een kanon op zijn affuit.

Danie lag dicht bij hem.

De oude Wessels speurde over de klippen heen naar de langzaam over het golvende terrein naderende grijs-bruine strepen, nu en dan een aanmoedigenden blik werpend op zijn zoon.

De jongen hield zich werkelijk kordaat. Hij had de lippen op elkander geperst bij die ontzettende helsche oorlogsmuziek, en hij trachtte het beven te beheerschen, dat bij oogenblikken als een onweerstaanbare koortsvlaag over zijn leden vloog.

"Jij hebt de kanonnenkoorts, ventje," riep een stem achter hem, terwijl een hand op zijn schouder werd gelegd.