De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900
Part 5
Bob en Jim keken elkander toch vreemd aan bij deze vertrouwelijke mededeeling, en Jim oordeelde het hoog tijd, dat Bob den kalmen reiziger met zijn ijzeren knots de hersens insloeg. Maar Bob scheen niet op zijn gemak te zijn, en Jim begreep, dat hij het zelf zou moeten doen.
Hij nam de zware knots vaster in zijn gespierde vuist, maar de wonderlijke vreemdeling zeide kalm: "Gooi dien knuppel weg, man, of ik zal mijn revolver moeten gebruiken!"
"Bob," drong Jim,--"Bob!"
"Bob doet niets," zeide de vreemdeling; "Bob, geef op je knuppel!"
Er scheen een magische kracht te schuilen in dezen vreemdeling; werktuigelijk reikte Bob de knots over.
"Denk aan mijn arme vrouw en kinderen," zeide hij smeekend.
"Ben je nou heelemaal gek geworden?" knarssetandde Jim; "schapekop--schurftige schapekop!" en hij haalde uit tot den slag. Doch met een vaardigen sprong ontweek de jonge Wessels den slag, om op zijn beurt den roover met één vuistslag tegen den grond te slaan. Jim had natuurlijk groote haast, om weer overeind te komen, maar Louis zeide bedaard:
"Blijf liggen, man; blijf liggen!"
Zoo bleef Jim dan liggen, want hij zag den revolver, en hij hoorde het knakken van den haan.
Een wonderlijke gedachte schoot Louis door het hoofd. Hij was in een stemming, waarin een afleiding, een gevaarlijk avontuur, hem behoefte was, en zich tot Bob wendend, zeide hij: "Waar woon je, man?"
"Hier een half uur vandaan--midden in het veld."
"Ben je getrouwd?"
"Ik heb een zieke vrouw en zes kinderen, die gebrek lijden, Mijnheer!"
"Ik wil het onderzoeken--ga mee."
Bob verschrok van dit voorstel, en hij wierp een schichtigen, wantrouwenden blik op den vreemdeling. Hij vermoedde, dat hij hier met een geheimen politie-man te maken had, en zijn hart sloeg hem. Hij keek rechts en links naar een doornboschje om er in te ontsnappen, maar de jonge jager zeide; "Ge moet geen domme streken uithalen, Bob;--weet je, hoeveel kogels ik op mijn revolver heb?"
"Zes kogels, mijnheer!"
"'t Zijn er vijftien, Bob!"
"Vijftien kogels," zeide Bob met bevende stem, en hij rilde.
"Ja, vijftien, man," zeide Louis, "--loop nu wat harder door!" Zoo bereikten zij dan de woning van Bob--een oude, planken hut, door eenige graszoden ommuurd.
"Ga mij voor," gebood de jonge Boer, en Bob stootte de ongesloten deur open.
Het was er pikdonker.
"Maak vuur aan," beval Louis; "dan krijgen we licht en warmte."
Bob gehoorzaamde; hij gehoorzaamde werktuigelijk, en sprokkelde wat hout bij elkander, dat hij in den haard wierp. Vervolgens tastte hij naar de tafel, om de lucifers te zoeken, doch Wessels was hem reeds voor.
"Hier is een vuurhoutje," zeide hij, aan Bob een brandende lucifer reikend, en het vuur in den haard brandde nu spoedig lustig op, zijn schijnsel werpend in het zindelijke maar zeer armoedige vertrek.
Bob sloeg nu een steelsgewijzen blik op den vreemdeling. Hij had hem meer gezien, maar wanneer? Ja, nu wist hij 't; voorleden jaar, toen hij voor baas Arend Uys twintig groote manden abrikozen moest wegbrengen naar Ladysmith.
Uit een aan het vertrek belendende bedstee riep een klagende stem: "Bob, man--zijt ge weer terug?"
Hij spoedde zich naar de bedstee.
"Hier ben ik," zeide hij vriendelijk.
"Dat is geen struikrooversfamilie," dacht de jonge jager, terwijl bij voor zich keek in het vuur.
"Hebt gij iets gevangen, man?"
"Het wild wordt schaarsch, vrouw--ik heb niets gevangen."
"Tòch een struikrooversfamilie," dacht Louis, en het deed hem pijn.
"Wie is daar bij u, man? Jim toch niet?"
Bob schudde het hoofd.
"Wacht je voor Jim--hij brengt je op gevaarlijke, slechte paden; zijn gezicht staat me niet aan; hij is tot roof en diefstal in staat."
Er heerschte een oogenblik stilte.
Het gelaat van den jongen Boer was weer opgehelderd, want hij had bij de laatste woorden zijn vergissing ontdekt. Hij zette zich neder op een soort houten kruk, en Pluto schudde zich het water uit de lange, natte haren.
"Wien hebt ge daar toch bij je?" vraagde de zieke huisvrouw opnieuw op zachten toon.
Bob trok de schouders op.
"Ik weet het niet," antwoordde hij op denzelfden toon.
"Wat komt hij hier toch doen zoo midden in den nacht?"
"Hij komt zich warmen," zeide Bob; "hij is doornat geregend."
"Ik had gehoopt, dat ge iets hadt gevangen," klaagde de zieke vrouw; "dan hadden wij onze arme bloeden van kinderen morgen eens kunnen trakteeren op vleesch."
"Waar zijn je kinderen?" vraagde de vreemdeling deelnemend.
"Dáár," zeide Bob, met den vinger naar den tegenovergestelden hoek van het vertrek wijzende.
Ja, daar lagen ze--op den grond; onder een hoop oude balen en versleten kleeren, en bij het flikkerende schijnsel van het vuur kon de jonge Boer de bleeke gelaatstrekken onderscheiden van de kinderen, die thans rustig sliepen.
Hij kon echter geen ellende zien.
"Bob," zeide hij warm, "kom hier bij mij zitten, bij 't vuur, en vertel mij, waar ge vandaan komt."
"Ik ben in Engeland geboren, Mijnheer," zeide Bob, "heb gewerkt in de goudmijnen van den Witwaterrand, ben daar ziek geworden, en kwam ten slotte hier terecht."
Wessels had wel gevreesd, dat Bob bij de Rooinekken thuis behoorde, en het speet hem, doch wat was er aan te doen? Kon Bob het helpen?
"Ik ben koud geworden--zet mij een kop koffie, Bobbie!"
"Ik heb nog voor éénen keer, Mijnheer--voor mijn vrouw morgen vroeg, en dan is 't op."
Het deed den jongen Wessels goed, dat Bob zooveel hart toonde voor zijn zieke vrouw, en hij keek hem aan met een vriendelijken blik. De vrouw echter riep uit de schamele bedstede: "Geef het dien armen vreemdeling, man, want hij zal doornat zijn van den regen, en het zal hem verkwikken."
"Gij hebt een goeie vrouw, Bob," meende Louis, terwijl Bob zich gereed maakte, om koffie te zetten.
"Och Mijnheer, zij is alles voor mij," zeide Bob op denzelfden toon en met grooten angst, dat Louis zijn wedervaren zou openbaren.
Dat deed zijn kwaad geweten; een kwaad geweten maakt onrustig.
De koffie was nu gezet, en Bob haalde uit een houten kast een ouderwetsch kopje met een verbleekt gouden opschrift.
"Nòg een kopje," zeide Louis.
"Voor wien?" vraagde Bob.
"Voor wien? voor jòu natuurlijk, Bob."
"Er zal geen koffie genoeg zijn, Mijnheer!"
"Er mòet genoeg zijn, Bob, we zullen samen deelen."
Zoo nam Bob nog een kopje uit de houten kast. Het had een barst, maar zag er zindelijk uit, even als het eerste kopje. Trouwens het geheele vertrek verraadde in spijt der armoede, die er heerschte, orde, zindelijkheid en regelmaat.
Louis bekeek het kopje bij het schijnsel, dat het vuur afwierp; hij las het opschrift: "Uit liefde."
"'t Is een mooi opschrift, Bob."
"'t Is zoo wat het eenige, wat uit ons huwelijk is overgeschoten, Mijnheer!"
"Hebt gij dan nooit twist gehad in uw huwelijk, Bob?"
"Twist, Mijnheer? Wij zwoegen van den morgen tot den avond, om brood te hebben voor onze halzen van kinderen, en mijn vrouw doet alles wat ze kan, om mijn last wat lichter te maken--hoe zou er dan tijd overschieten om te twisten? Wij kunnen ons die weelde niet veroorlooven."
"Arme menschen hebben veel voor," meende de jonge Boer; "zij blijven voor veel ellende bewaard."
Bob keek den jongen Wessels toch verbaasd aan bij deze woorden, en een oogenblik kwam de gedachte bij hem op, dat de vreemdeling niet goed bij zijn verstand was. Maar hij zag er niet uit als een krankzinnige, en Bob liet die gedachte weer varen.
Hij mam het koperen koffieketeltje, en schonk nu in, terwijl Louis de heete koffie dronk. De bruine drank deed hem goed; hij werd warm, terwijl de gloed van het haardvuur zijn natte kleeren deed dampen.
Hij stond nu op, en drukte Bob een goudstuk in de hand.
Het schitterde en fonkelde in het schijnsel van het vuur.
"Een souverein!" riep Bob met een soort blijde verrukking, "een souverein!"
Hij draaide het goudstuk om en nog eens om, doch toen kreeg hij plotseling een gevoel, alsof het begon te branden en te gloeiën in zijn hand, en hij legde het op de ongeverfde tafel neer.
"Steek het in je zak, Bob!"
"O heer," zeide Bob, "het is me te machtig!"
Hij ging naar buiten, en Louis volgde hem, want hij wist wat er woelde in het hart van dezen man.
"O heer," zeide Bob, buiten gekomen, "het was heden nacht de eerste keer, dat ik uitging om te rooven. Ge behoeft het niet te gelooven, maar God weet, dat het waar is. Ik kon den jammer in mijn huis niet langer aanzien. En de man, dien ik aanrandde, geeft mij uit vrije beweging een souverein--dat snijdt me door de ziel. Het is mij te machtig! Het is mij te machtig!"
"Stil maar," zeide de jonge Boer, "ik heb het je al vergeven, Bob. Laten wij naar binnen gaan, want anders wordt je vrouw ongerust."
Zoo gingen zij de woning weer binnen.
"Wat is er toch gebeurd?" vraagde de zieke verschrikt.
"O vrouw," riep Bob, terwijl heldere vreugde straalde van zijn breed gelaat, "wij hebben van dezen mijnheer een souverein gekregen--een echten, gouden souverein!''
"Een souverein," herhaalde zij, "een souverein! Nu kunnen we brood koopen voor onze kinderen, en een stuk kleeding en vleesch--o Bob, nu zijn wij den koning te rijk. Ik dacht, dat het een arme vreemdeling was, maar hij is een afgezant van mijn hemelschen Vader, Die altijd uitredt, als de nood op het hoogste is."
Zij vouwde hare magere handen, en hare lippen fluisterden: "Loof den Heere, mijne ziel, en vergeet geene van zijne weldaden!"
Ook Bob vouwde zijn handen, en zeide eerbiedig: "Amen!"
Louis stond nu gereed om te vertrekken, maar de zieke vraagde: "Hebt gij dien vreemdeling al bedankt, man?"
"Ik zal Mijnheer wegbrengen naar het station," meende Bob, "en dan in het dorp tegelijk inkoopen doen."
"Blijf maar hier," zeide Louis; "Pluto zal mij den weg wel wijzen." Maar Bob was vast besloten mee te gaan. Trouwens hij was bevreesd, dat Jim nog een aanslag zou kunnen doen.
Het weer was nu eenigszins bedaard; toch woei er nog een sterke wind, en toen de eerste lichtstrepen van den dageraad zichtbaar werden, hadden Wessels en zijn nieuwe vriend het spoorstation bereikt.
HOOFDSTUK VIII.
Bob had den jongen Wessels nu verlaten, en zich neerzettend op een harde bank in de wachtkamer, dacht Louis nog eens na over het zonderling avontuur, dat hij in dezen nacht had beleefd. Hij had goede hoop, dat Bob nooit tot het vak zou terugkeeren, dat hij dezen nacht voor den eersten keer had uitgeoefend, doch met Jim stond het anders. Waarschijnlijk zou hij, zoo er niets buitengewoons tusschenbeide kwam, wel struikroover blijven. Het was dezen nacht niet de eerste keer, dat hij zijn slag wilde slaan, en zelf vroeger verleid, was hij tegenover Bob reeds als verleider opgetreden. Zoo was er dan weinig hoop voor hem, en op een goeien keer zou hij worden opgepakt, en zijn tien- of twintigjarige eenzame opsluiting met dwangarbeid wel niet ontgaan. Natuurlijk--dan kreeg hij zijn verdiende loon; er was niets op tegen. Voor de struikroovers de kerker, en worden zij moordenaars, het schavot! Doch welke straf behoorden dan die groote struikroovers en moordenaren niet te ontvangen, die er in hun onleschbaren gouddorst niet voor terug deinsden, om een geheel volk uit te roeien?
"Jingo's," zeide de jonge Boer tusschen zijn tanden door--"o Jingo's!" En de oude wond scheurde weer open met nieuwe pijn. Maar hij had er geen berouw van, dat hij met Truida Uys had gebroken, want hij kon den sterken en vrijen nek niet buigen onder het Engelsche juk--hij wilde waarlijk liever sterven!
De naderende trein stoorde hem in zijn gedachten, en hij kreeg in den hoek van de gevulde coupé een bescheiden plaatsje.
De trein was nu op het punt van te vertrekken. De magere spoorklerk stootte nog even zijn chef aan, zeggend: "Heeft u dien Transvaalschen boer wel gezien? Hij is met de kous op den kop naar huis gestuurd--mij den deze af, als 't niet waar is!" en hij greep naar zijn nek, die nog dunner en magerder scheen dan gister.
Doch de chef had nu geen tijd, om naar de praat te luisteren van zijn ondergeschikte; hij gaf het sein tot het vertrek, de bel luidde af, de stoomfluit antwoordde, en de trein zette zich in beweging.
Louis Wessels staarde weemoedig het raam uit naar het heuvelachtig terrein, dat zich langs de spoorbaan uitstrekte, terwijl de gesprekken der medereizigers om zijn ooren gonsden. Naast hem zat een grof gebouwde koopvrouw met een mandje snuisterijen op haar schoot, terwijl haar vierjarig dochterke naast haar zat. De vrouw, die tegenover de koopvrouw zat, openbaarde zich als eene baker, die de koopvrouw overstelpte door een buitensporigen voorraad bakerverhalen. Maar de breedgeschouderde koopvrouw scheen zich alles toch maar niet zoo te willen laten aanleunen, en het kwam werkelijk tot een ernstig dispuut, toen de baker per se wilde volhouden, dat de eksteroogen op den linkervoet een beteren barometer afgeven dan de eksteroogen op den rechtervoet. Er werden scheidsrechters te hulp geroepen, die de netelige kwestie moesten uitmaken, doch een zeeman op de aangrenzende bank spuwde tegen den vloer, en zeide op verachtelijken toon: "Wat een vervelend geklets!" waarop de vrouwen eenige oogenblikken hun onderhoud staakten.
Nu echter hield het vierjarig dochterke den tijd rijp, om ook eens een woordje te zeggen, trok haar moeder aan de mouw, en uit het raam op een grooten vogel wijzend, die met langzame, groote stappen een heuvel afklom, vraagde zij: "Wat is dat voor een vogel, Moeke?"
"Een struisvogel," zeide de koopvrouw, die haar snuisterijen rangschikte.
"Waarom vliegt hij niet, Moeke?"
"Zijn vleugels zijn te kort om te vliegen, kind!"
"Wat doet een struisvogel toch eigenlijk, Moeke?"
"Hij loert altijd op de ondeugende kindjes."
"Ik ben toch niet ondeugend, Moeke?"
"Neen, gij zijt een zoet kind, maar ge moet me niet suf maken met je vragen."
"Heeft een struisvogel ook kindjes, Moeke?"
"Natuurlijk."
"Zijn die kindjes ook door een ooievaar gebracht, Moeke?"
"Neen," zeide de moeder, die driftig begon te worden, "door een nijlpaard."
"Wat doet een nijlpaard, Moeke?"
"Die kruipt in 't water," zeide de moeder met een krachtige poging om niet onvriendelijk te zijn.
"Verschoont hij zich dan?"
"Ja, dan verschoont hij zich."
"Is hij erg dik?"
"Ja, hij is erg dik."
"Hoe dik is hij, Moeke?"
"Zoo dik als een toren, en als ge nu je snater niet houdt, zal ik je een draai om de ooren geven, dat je tegen de wereld vliegt."
Het gevolg was natuurlijk, dat de kleine op een vreeselijke manier begon te huilen, wat de baker aanleiding gaf tot de stekelige opmerking: "U heeft zeker nog niet veel met kinderen omgegaan" waarop de koopvrouw op hoogen toon antwoordde: "Ik heb er dertien in alle eer en deugd mogen groot brengen--nu gegroet, menschen! Kom Betje, kom lieveling we moeten er uit aan dit station! En er is er gelukkig geen een bij met een te lange tong, baker! Nu adjuudjes hoor!"
De coupé werd nu wat ruimer, doch Louis Wessels zag tot zijn ergernis weer die onvermijdelijke Engelsche uniform binnenkomen. Het waren een korporaal, reeds een bejaard man, en drie minderen: jonge recruten. Alle vier behoorden bij de infanterie; zij kwamen naast den jongen jager te zitten.
Er viel op hun houding niets aan te merken. Zij gedroegen zich kalm en waardig, en hadden vriendelijke, goedhartige gezichten. Een der recruten haalde een brief uit zijn borstzak, een tweede zat met groote aandacht in een Nieuw Testament te lezen, terwijl de korporaal en de derde recruut met elkander over den waarschijnlijken oorlog spraken op een toon, die voor den jongen Wessels niets kwetsends kon hebben. Zij namen natuurlijk het Engelsche standpunt in, en betreurden de strakheid en eigenzinnigheid der Boeren, doch overigens spraken zij meer op een toon van deernis en medelijden dan van haat en hartstocht.
"Maar zij hèbben de Boeren nog niet," meende Louis, zich in hun gesprek mengend.
"Bènt u een Transvaalsche Boer?" vraagde de korporaal.
"Ik denk het wel," meende Louis.
"Als u invloed hebt op uwe regeering, maan haar dan aan tot inschikkelijkheid, want ònze regeering gaat niet meer terug."
"En de Transvaalsche regeering evenmin," zeide Louis.
"Arme Boeren!" meende de korporaal; "zij zullen hun bloed storten, en er niets mee winnen!"
"Wij hebben God en het recht aan onze zijde," zeide Louis bedaard.
"Ja, dat beweert ge," zeide de korporaal, "maar wij beweren het ook."
"Wij zullen onze vijanden verslaan," zeide Louis.
"Ach, dat meent ge, maar ge hebt geen begrip van Engelands macht. Ge zult duizend Engelschen gevangen nemen, en er zullen er tien duizend voor in de plaats komen; ge zult vijf duizend Engelschen doodschieten, en vijftig duizend zullen hun ledige plaatsen innemen."
"Als God ons sterkt, om de Engelsche keurtroepen te verslaan, dan zijn we klaar. De rest is maar prulgoed."
"Gij kent de macht van Engeland niet," zeide de korporaal op warmer toon. "Het zal uw kommando's door het overstelpende aantal van zijn soldaten eenvoudig dooddrukken."
"Wij zijn voor 80000 man Engelsche troepen niet bang."
"Welnu, dan zal Engeland er tweemaal en driemaal zooveel sturen."
De jonge Boer haalde zijn schouders op.
"Ik zou niet weten, waar Engeland ze vandaan moet halen."
"Dat zal je tot je schrik gewaar worden, man; Engeland heeft een grooten buil en een onbeperkt crediet."
"Natuurlijk, Engeland zal wel zoo'n zoodje bij malkaar trommelen," spotte Louis--"allemaal huurlingen, die voor hun dapperheid per schoft worden uitbetaald."
Doch het speet Louis, dat hij van huurlingen had gesproken; de korporaal scheen beleedigd, en wilde blijkbaar het gesprek niet verder voortzetten. Hij zweeg bot stil.
Op dit oogenblik sloeg een rukwind den tegenover den jongen Boer zittenden recruut de veldmuts van het hoofd, en in de haast, ze nog op te vangen, zou hij door het slechts aangeleunde portier uit den in vollen gang zijnden trein zijn gestort, indien Louis hem niet had vast gegrepen.
Het geheele geval had slechts een paar seconden geduurd, en was door de meeste reizigers niet eens opgemerkt. Doch de geredde soldaat wilde zijn dankbaarheid toonen, en bood den jongen Boer de laatste sigaar aan, die hij had. Louis echter weigerde, daar het de laatste was, en nam ze eerst aan, toen hij begreep, er den recruut een plezier mee te doen.
Maar hij stak ze niet aan.
Zijn hart, reeds zoo diep gewond door hetgeen er nog geen dag geleden was gebeurd, was vol droefheid, en weemoedig staarde hij het portierraam uit naar buiten.
"Steek dan toch aan," zeide de jonge soldaat, de derde lucifer aanschrappend; "ik denk, dat gij erger geschrokken zijt dan ik."
Nu stak de jonge jager dan toch aan.
"Weet gij, waaraan ik zooeven dacht?" zeide hij, en zijn stem werd warm en innig; "daaraan, dat wij elkander, zoo wij elkander ontmoeten op het oorlogsveld, zullen vermoorden als wilde beesten! Is het niet ontzettend en vreeselijk? En ware het voor den misdadiger, die dezen verschrikkelijken oorlog op zijn geweten heeft, niet beter geweest, zoo er een molensteen om zijn hals ware gebonden, en hij in de zee geworpen, waar zij het diepste is?"
De jonge soldaat knikte bevestigend.
"'t Is maar de vraag, wìe de misdadiger is," zeide hij.
"Die vraag is reeds beantwoord," zeide Louis.
"Door wien?"
"Door de volksconscientie van de geheele wereld," zeide Louis met nadruk.
De soldaat, die in het Nieuwe Testament had zitten lezen, sloeg nu zijn bijbeltje dicht.
"'t Is mogelijk, dat het recht aan de zijde der Boeren is," zeide hij ernstig, "ik weet het niet."
"En durft gij bij die mogelijkheid toch nog tegen ons vechten?" vraagde de jonge Wessels met smartelijke verwondering.
"Ik ben aan mijn officieren blinde gehoorzaamheid schuldig," antwoordde de soldaat; "ik zwoer trouw aan de vlag, en mag geen meineedige worden."
Wessels wilde nog iets antwoorden, maar hij bedacht zich --wat hielp het?
Het volgende station was nu bereikt. De trein stopte, en de vier soldaten stapten uit. Zij reikten den jongen Boer tot afscheid de hand, die hij hartelijk drukte. En morgen of overmorgen zouden zij tegenover elkander staan als grimmige vijanden, en als de Boer geen kans kreeg, om hun een doodelijken kogel door het hoofd te jagen, dan beliep hij de kans, aan de vlijmendscherpe bajonet geregen te worden.
De jonge jager schudde zich alsof hij de koorts had, en staarde zwijgend naar het heuvelachtige landschap, dat zich rustig en vredig uitstrekte voor zijn blik.
HOOFDSTUK IX.
Moeder Wessels verschrok, toen zij opkijkend door de kleine ruiten van het kookhuis, dat vlak bij het woonhuis stond, den hoogen voshengst van Louis zag aankomen. Zij begreep onmiddellijk dat er iets ernstigs was voorgevallen, doch voor den jongen man was het een groote verkwikking, dat hij zijn leed en zijn gewonde ziel, door niemand bespied, aan het trouwe moederhart kon uitstorten.
Hij zette zich bij haar neder in het kleine kookhuis, legde den arm op de breede vensterbank, en deelde de treurige ontknooping van zijn verloving mede.
Moeder Wessels luisterde met groote aandacht, schudde nu en dan met het vriendelijke, verstandige gelaat, doch zeide niets. En eerst toen haar zoon was uitgesproken, kwam er een stille glimlach om haar lippen, terwijl zij zeide: "Ge hebt allebei als een paar domme kinderen gehandeld."
"Moeder," zeide Louis ten hoogste verbaasd, "ik kon niet anders."
"Ge zijt allebei een paar onnoozele, domme kinderen," zeide tante Sannie bedaard, "en ik geloof, dat gìj nog de domste van de beide zijt. Maar ga nu naar binnen--John is er; John Walker."
John was een van Louis beste vrienden, en had vele jaren als een kind des huizes verkeerd onder het gastvrije dak van Wonderfontein.
John's ouders waren Engelschen; zij waren in armoede gestorven, doch aan haar sterfbed had de Afrikaansche Samaritaan aan de moeder, eene besliste Christin, beloofd, dat hij voor haar eenig kind trouw zou zorgen. Die belofte had haar sterven lichter gemaakt, en Gijs Wessels had zijn belofte gestand gedaan. Zoo was de jonge John als klein kind op Wonderfontein gekomen, had een klap om zijn ooren gehad, als hij het verdiende, en had zich zeer voorspoedig ontwikkeld. Ook had hij een vriendelijke inborst, voelde zich door banden van dankbaarheid en eerbied aan zijn pleegouders verbonden en bewees door zijn gedrag, dat hij hun met hartelijke toegenegenheid was toegedaan. Hij was van geen Transvaler te onderscheiden, was een flink scherpschutter, al stond hij daarin bij Louis Wessels ten achter--maar wie kon ook tegen dezen jongen jager in het schieten op? en vond genade in de oogen der Boeren.
Maar het bleef toch jammer, dat hij geen geboren Afrikaander was, en al had hij meer dan eens tot den ouden Wessels gezegd: "Uw God is mijn God," dat andere woord, dat Wessels toch ook zoo gaarne gehoord had: "Uw volk is mijn volk!" kwam niet over zijn lippen. De geheimzinnige stem van het bloed dreef hem naar de zijde van Engeland, en hoe ouder hij werd, hoe luider dat bloed begon te spreken. Misschien was dit dan ook wel een der redenen, waarom hij, toen hij zijn eigen brood kon verdienen, niet in de Transvaal wilde blijven, maar een betrekking zocht in Natal. Die betrekking had hij dan ook gemakkelijk gevonden, want hij was vlug, gevat en schrander. De band, die hem aan Wonderfontein bond, was daarom echter niet verbroken, neen, hij zou nooit verbroken worden, en John had er in het verborgen tranen om geschreid, dat hij zijn pleegouders had moeten bedroeven, toen hij aan den Engelschen kant was gaan staan.
Elk jaar bracht John Walker, als een gaarne geziene gast, verscheidene dagen op Wonderfontein door, en het was altijd zijn stille hoop geweest, dat Engelschman en Afrikaander elkander nog eens als oprechte vrienden mochten ontmoeten. Maar zijn hoop scheen niet vervuld te worden, en toen vier jaar geleden zware wolken den staatkundigen hemel van Zuid-Afrika begonnen te verduisteren, was Jameson's rooftocht als de bliksemstraal geweest, die den donkeren nacht verlichtte.