De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900

Part 3

Chapter 33,966 wordsPublic domain

De kastelein was vast overtuigd, dat die ellendeling de waarheid sprak, en zelf de malsche haantjes oppeuzelend, hem, den baas, den kater had opgedischt. Hij had zich immers al verwonderd over dat vreemde beenderenstel van die haantjes!--Hij hijgde naar adem. Door zijn opgezet gezicht liepen blauwe vlammen van woede, en hij strekte zijn grove handen uit, om den deugniet te grijpen. Maar hij struikelde met zijn korte beenen over de ladder, die voor zijn voeten lag, en viel languit voorover. Van dit oogenblik maakte Barend gebruik, om het huis binnen te stormen, zijn kleeren in te pakken en er met zijn eigendom van door te gaan. Hij ontsnapte door de achterdeur, toen de baas de voordeur binnenkwam.

Doch de drift van den baas was nu aanmerkelijk bekoeld, en hij begreep, dat hij thans, in dezen drukken tijd, den jongen knecht slechter kon missen dan ooit.

Daarom liep hij, nu hij den jongen in huis niet meer kon vinden, weer naar buiten en riep: "Barend, Barendje!"

"Wat is 't?" zeide Barend, die zich sterk voelde, nu hij zijn eigendommen onder den arm had.

"Ik zal 't jou vergeven," grinnikte de oude, "ga weer aan je werk, Barendje!"

"Wat vergeven--dat ik even als die oude negerin zoo dikwijls honger heb geleden bij jou?"

Het bloed steeg den kastelein toch weer naar het hoofd.

"Jij bent een brutale vlegel," barstte hij los.

"En jij bent een leelijke, gierige dikkop," tartte de jonge Barend, draaide zich om en verdween.

Hij wàs gierig, baas Blijvenstein; dat was zeker waar. Als hij 's nachts niet slapen kon, sprong hij het bed uit, stak een vetkaars aan, en telde zijn schatten. Het was het grootste genot, dat hij kende.

Hoe kletterden die zilveren schijven op elkander! Hoe fonkelde dat goud! Denzelfden zak telde hij vier, vijf keeren na, en hij werd nooit moede van dat tellen, want in dat tellen lag voor hem een zonderlinge, huiveringwekkende betoovering. Hij had wel altijd door willen tellen: dag en nacht; werkdag en Zondag; zomer en winter; altijd maar door .... Ja, met de doodkist zou hij zich ten slotte nog hebben kunnen verzoenen, indien hij er maar ruimte had gehad om te tellen ....

Doch de doodkist is eng, en biedt weinig ruimte. Dat wist baas Blijvenstein ook, en daarom was hij bang voor den dood. Een lichte ongesteldheid maakte hem reeds ziek, en hij had een beslisten afkeer van menschen, die over dood en eeuwigheid spraken.

HOOFDSTUK IV.

De zon staat op haar middaghoogte, en het is drukkend heet. Vooral wordt men 't hier gewaar, op dit vlakke plein, waar boom noch struik hun schaduw geven.

Het is een stationsplein; het behoort bij een der stations van de Noord-Natalsche spoorlijn, die Natal met de Transvaal verbindt.

't Is stil en doodsch op het plein; dat doet de gloeïende hitte.

Een Kaffer kruit een koffer weg, en een paar ganzen steken het vierkante plein over, om een moddersloot op te zoeken. Dat is al.

Maar van den veldweg nadert thans een meisje het plein. Zij zit te paard; een breedgerande zomerhoed bedekt haar vol, kastanje-bruin haar; zij is zeker niet ouder dan negentien jaar. Een Kaffer, eveneens te paard, volgt haar op een afstand. Zij berijdt een schimmel-poney; de Kaffer heeft een hoogen zwarten hengst.

Op het plein gekomen, springt zij uit het zadel, terwijl de Kaffer, een jonge, slanke Zoeloe met zwarte, schrandere oogen haar voorbeeld volgt. Zij kijkt op haar horloge en staart vervolgens de spoorlijn uit naar het noorden, of zij den ontsnappenden stoom van een naderenden trein nog niet kan ontdekken. Doch zij ziet niets, en neemt eenigszins teleurgesteld de teugels en de rijzweep in haar linkerhand, terwijl zij met de rechter de vliegen verjaagt, die den schimmel om den kop gonzen. Telkens kijkt zij daarbij ter zijde uit, naar het noorden, doch wat zij wacht, schijnt maar niet te komen.

"Waar mag je aanstaande baas toch blijven?" fluistert zij haar klepper in 't oor, maar hij schudt den ruigen kop, alsof hij zeggen wil: "Hoe kan ik dat weten!"

Zij trippelt ongeduldig op haar kleine voeten, en nadat zij tien minuten heeft gewacht, roept zij: "Christiaan!"

Met Christiaan bedoelt zij den jongen, slanken Zoeloe, die den zwarten hengst vasthoudt.

Zij geeft hem de teugels van haar poney over, en gaat het station binnen, het perron op. Een wisselwachter loopt langs de lijn, om de wissels na te zien; op het perron staan de chef en een spoorklerk met elkander te praten.

"Wanneer komt de Transvaalsche trein toch?" vraagt het meisje.

"Hij is op komst, juffrouw!" antwoordt de chef, het meisje groetend, dat hij kent.

"'t Is al een kwartier over tijd, chef,"--en zij wijst met haar rijzweep op de stationsklok, die op één uur staat.

"Toch niet--slechts zeven minuten," lacht de chef; "u bent vandaag al bijzonder ongeduldig, juffrouw Uys."

"De liefde maakt ongeduldig," meent de magere spoorklerk, terwijl hij den hals draait, die lang en dor is als een boonenstaak.

De electrische schel gaat nu over, en in de verte wordt de rookpluim zichtbaar van den naderenden trein.

"Er komt tegenwoordig niet veel goeds uit de Transvaal," schertst de chef.

"Maar voor mij iets heel goeds," meent het meisje met een vrijmoedigen opslag van hare helderblauwe oogen.

"Pas maar op, dat gij een trouwe onderdane blijft van onze koningin," lacht de chef, en hij heft den vinger waarschuwend omhoog.

Doch zij hoort die laatste woorden niet meer, want al haar aandacht is gevestigd op den trein, die thans binnenstoomt, en terwijl de portieren worden opengeworpen, dringt een stroom van reizigers naar buiten.

Het is allerhande slag van volk: oude heeren met gouden brillen op den neus en half naakte zwarten; naast een cavalerieofficier met een langen sabel een bedelaar met een houten been. En zij schijnen bijna allen haast te hebben--och, de meeste menschen hebben haast. Zij hollen van huis naar de spoor, en de spoor loopt nog veel te langzaam, en zij hollen van de spoor weer naar huis, altijd maar door, vice versa, totdat zij tusschen huis en spoor in een graf tuimelen, en stil liggen blijven.....

Maar het jonge meisje heeft geen tijd, om over die toestanden na te denken, want haar oogen zoeken onder die zoo druk door elkander woelende en dwarrelende menschen haren aanstaanden bruidegom. Zij behoeft ook niet lang te zoeken. Dat immers is hij--die daar met dat zonnig gelaat!

Waarom komt hij nu niet wat vlugger aanloopen? Och, nu begrijpt zij 't. Hij helpt een vrouw, een van ouderdom verschrompeld schepseltje, met haar bagage.

Ja, zoo is hij nu eenmaal: altijd hulpvaardig--mag zij daarom ontstemd zijn?

De kleine wolk verdwijnt van haar blank voorhoofd. Hij is beter dan ik, denkt ze.

Maar de oude vrouw staat nu op den vasten grond, en de jonge man begint thans toch ook haast te krijgen.

"Truida!" zegt hij.--"Louis!" zegt zij. "Louis, wèlkom hier!"--

Ik geloof inderdaad, dat bij hun ontmoeting dit de eerste en bijna de eenige woorden waren, die zij bezigden, maar het laatste wolkje is werkelijk verdwenen van Truida's voorhoofd, en in den tòon, waarop zij elkander bij hun voornamen noemen, drukt zich al de oprechtheid, teederheid en innigheid hunner liefde uit.

Er ligt zoo niets gemaakts, gekunstelds of overspannens in hun begroeting.

Waarom ook? De ware liefde maakt eenvoudig.

Zij loopen vlug het station door.

Christiaan heeft de paarden reeds voorgebracht bij de blauwzerken stoep. Truida neemt den poney; de zwarte hengst is voor den jongen jager bestemd.

De paarden zijn reeds ongeduldig geworden, en zij schuren met hun slanke voorpooten het harde plaveisel. De beide jonge menschen springen nu vlug in het zaâl, en zij geven hun paarden den teugel.

De stationschef en de magere spoorklerk kijken hen na.

"Een knap paar," meent de chef.

"Hij ziet er brutaal genoeg uit," zegt de kleine, magere klerk.

"Ze zullen jòu niet op de bruiloft noodigen," meent de chef.

"'t Zal ook geen bruiloft worden," zegt de kleine, magere.

"Over zes weken, man!"

"Toch niet; zij krijgen ruzie. Hij is een brutale Transvaalsche Boer, en zij is op een Engelsche kostschool geweest. Meer zal ik maar niet zeggen."

"En als 't afraakt, trouw jìj met de rijke Trui Uys," plaagt de chef.

"Ze kon wel slechter," meent de magere klerk, en hij geeft den dunnen, dorren hals zoo'n bedenkelijken draai, dat hij onheilspellend begint te kraken.

Het jonge paar heeft een langen rit voor de borst, maar het is een prachtige zonnige dag, en zij haasten zich niet. Zij zijn immers bij elkander. Slechts hindert het Louis Wessels, dat zij herhaalde keeren Engelsche cavalerie ontmoeten.

"Ik geloof, dat gij ze liever niet zaagt, Louis."

"Ik sta werkelijk verwonderd, Truida; het krioelt hier van de Rooineks."

"Vroeger waren zij er toch ook," lacht zij.

"Maar niet zooveel. Ik heb ze overal gezien: bij den Langnek, bij New-Castle, bij Glencoe--letterlijk overal."

"Jullie zijt in den regel wat parmantig," schertst Truida, "en daarom nemen wij voorzorgsmaatregelen."

Op dit oogenblik komt om den hoek van den weg een volledige veldbatterij aangallopeeren, en de beide jonge menschen moeten snel uithalen, om niet overreden te worden. De blanke, metalen loopen blinken, en de uitgetrokken sabels der bedieningsmanschappen schitteren in het zonlicht.

Er komt een rimpel tusschen de oogen van den jongen Boer, en met een strak gelaat staroogt hij op die prachtige kanonnen. Hij staart hen na, totdat zij in een stofwolk zijn verdwenen, en het schijnt, alsof een vizioen zijn geest voorbijtrekt.

"Kom dan toch," maant het meisje, aan Wessels' paard een slag gevend met de rijzweep, zoodat het een sprong vooruit doet.

Nu rijden zij weer door, doch Louis spreekt niet. Het schijnt, dat die kanonnen het hem hebben aangedaan.

"Maar gij hebt toch wel meer Engelsche artillerie gezien?" vraagt Truida, nu toch een beetje ontstemd.

"Natuurlijk," zegt hij--"bij Krugersdorp bijvoorbeeld."

Bij Krugersdorp--zij vindt het niet hartelijk, dat hij haar aan Krugersdorp herinnert, aan dat Krugersdorp, waar de ongelukkige Jameson zijn kanonnen, zijn manschappen en zijn eer verspeelde. Zij is niet Transvaalsch gezind, dat is waar--maar mag Louis haar dat euvel duiden? Zij is geboren in een Engelsche kolonie, uit ouders, die onderdanen waren van koningin Victoria, en zij heeft--die magere spoorklerk had daarin toch wel gelijk--op de kostschool te Pietermaritzburg geleerd, dat de bloei van geheel Zuid-Afrika slechts denkbaar is bij een enge en innige aansluiting aan het Engelsche wereldrijk.

"Ik vind het niet aardig, Louis, dat gij van Krugersdorp spreekt," zegt ze, "want Krugersdorp was een kwajongensstreek, en Engeland is er onschuldig aan."

"Onschuldig," roept hij op bitteren toon, "onschuldig!" en hij geeft zijn paard een ruk in de teugels, dat het wild opsteigert.

Zij heeft hem nog nooit zoo opgewonden gezien, en zij staart hem aan met klimmende verbazing.

"Krugersdorp is een misverstand geweest, een vreeselijk misverstand," zegt zij.

"Dat maken de Engelsche Jingobladen je wijs," zegt hij toornig, "maar het is een leugen, want het was inderdaad een goed overlegd, duivelsch plan, om Naboth's wijngaard in te palmen. Maar de Afrikaansche Naboth was om nieuwjaar 1896 gelukkiger dan de Naboth van 1 Koningen 21, en was Cronjé er niet zoo vlug bij geweest, dan had Engeland geheel Transvaal ingepalmd--natuurlijk uit pure vergissing."

Hij lacht, terwijl hij dit zegt, maar 't is niet de oude, gulle lach. Truida echter kijkt hem oplettend aan, en zij gist, dat er iets bijzonders moet gebeurd zijn.

"Is de toestand gespannen geworden?" vraagt zij.

"'t Wordt oorlog," zegt hij, "mijn laatste twijfel verdwijnt. De conferentie te Bloemfontein is mislukt, en Engeland hoopt zijn krijgsvolk hier in Natal op--zou dat geen oorlog beteekenen?"

"Ik heb niets van een mislukte conferentie gehoord."

"Ik heb de krant in mijn zak, waarin ge 't straks kunt lezen," antwoordt hij.

"Maar het behoeft toch geen oorlog te worden," roept zij verschrikt.

"Als Engeland bij zijn eischen volhardt, dan wordt het oorlog, Truida."

"'t Is dan toch de schuld der Boeren?"

"Hoe zoo?" vraagt hij verbaasd.

"Als zij toegeven, is toch alles in orde."

"Wel zeker; als zij voor Engeland kruipen, dan mogen zij blijven leven."

"Het gaat maar om de rechten der Uitlanders, Louis."

"Het gaat om ons volksbestaan, Truida--dat gij dàt niet begrijpt!"

Neen, dat begrijpt ze niet; dat heeft ze nóoit begrepen. Maar ze is ter goeder trouw in haar meening, dat de Boeren in een bekrompen en enghartig conservatisme aan den Uitlander weigeren, wat hem van rechtswegen toekomt, en de jonge Wessels is te diep verbitterd, om met kalmte en bezadigdheid voor haar de waarheid uit den leugen te ontwarren.

Pluto schiet vooruit, en blijft blaffende staan voor een kleinen Kafferhond, die zich op den weg heeft neergelegd met een stuk malsch vleesch tusschen de korte voorpooten, en daar Pluto honger heeft, maakt hij aanstalten, om dat begeerlijke stuk vleesch machtig te worden. Hij werpt zich plat op den buik, snuift met zijn speurneus de lekkere vleeschlucht in, springt weer op en begint te blaffen als een razende.

"Pluto--hier!" roept Truida.

"Waarom roep je mijn hond terug?" vraagt Louis.

"Zie je dan niet, dat hij dat stuk vleesch dien kleinen hond wil afnemen?" vraagt zij verwonderd.

"Nu, wat zou dat, Truida?"

"Wat dat zou? Dat is diefstal, neen, erger nog, brutale roof."

"En dat Engeland de goudmijnen wil hebben--wat is dat?" vraagt hij op scherpen toon.

"Dat is een ander geval," zegt zij.

"Een ander geval," spot hij minachtend--"kom, wij zullen er maar niet meer over spreken."

Truida voelt zich nu werkelijk gekrenkt. Zij antwoordt niet, en beiden rijden zwijgend voort. Maar het blauw zinken dak van Truida's woning schemert reeds tusschen het geboomte door, en het doel van den tocht is spoedig bereikt.

HOOFDSTUK V.

Truida verbleekte, toen zij het erf opreden; en de rimpel op Louis' voorhoofd werd dieper.

"Van wien zijn die paarden?" vraagde hij op korten toon aan eenige Kaffers, die een groep cavaleriepaarden bij den toom vasthielden.

Hij behoefde het niet te vragen; hij kon het aan de zadels en tuigen wel zien. "Ik dacht het wel," mompelde hij, toen de oudste Kaffer hem zeide: "Van Engelsche officieren."

Maar Truida, met haar vrouwelijk gevoel, vreesde een ongeluk, en fluisterde: "Wacht even, Louis--zij zullen wel aanstonds vertrekken."

Zij bedoelde het werkelijk goed, maar Louis was in een zeer geprikkelde stemming, en hij had heden namiddag de ongelukkige neiging, om alles in een ongunstigen zin uit te leggen.

"Dus gij stelt mij voor, om buiten te blijven, zoolang die heeren Engelsche officieren binnen zijn?" vraagde hij. "Ik denk er niet aan, Truida," liet hij er kort aangebonden op volgen, terwijl hij reeds naar de voordeur schreed.

Zij kon niet anders doen dan hem volgen, maar haar hart bonsde. Samen stapten zij de woonkamer binnen.

Er zaten een zevental officieren--van de dragonders en lanciers--met de gevulde wijnglazen voor zich aan de tafel, terwijl de gastheer, Arend Uys, Truida's vader, in den hoek van den haard zat.

Hij stond bij de nadering van het jonge paar op, verwelkomde den jongen Wessels hartelijk, vraagde hem naar den welstand zijner familie, en vertelde aan de officieren, dat deze jonge man zijn aanstaande schoonzoon was.

Baas Uys was met dezen schoonzoon dan ook ter dege in zijn nopjes. Hij was een oude, praktische boer en meende: "Met hem kan Trui de wereld doorkomen."

Truida was zijn eenig kind, en de geboorte van haar eerste kind had aan de moeder het leven gekost. Een reeds bejaarde vrouw, nog een ver familielid, had na den dood der huisvrouw de huishouding waargenomen, zoodat het geheele huisgezin slechts uit drie personen bestond.

De ontmoeting viel Truida veel mee, en zij haalde ruimer adem. Men kon niet zeggen, dat de houding van Louis tegenover de officieren hartelijk was, maar onbeleefd was zij evenmin, ja toen Pluto den officieren door zijn onophoudelijk snuffelen lastig scheen te worden, was hij zoo welwillend, zijn hond naar buiten te brengen.

Baas Uys was vandaag al bijzonder goed geluimd; hij had voor de wol van zijn schapen een extra hoogen prijs gemaakt, en de officieren, die vlijtig inschonken, vleiden hem ook een beetje, toen zij verklaarden, dat geen mensch beteren wijn in den kelder had dan baas Uys. Maar er was ook wat van aan. Hij had den besten wijn, de beste paarden en de beste schapen in den omtrek van twintig mijlen, en men zou het dezen eenvoudigen boer met dien halfsleetschen hoed, dat pilowsche buis en dat korte steenen pijpstompje niet aanzeggen, dat hij een rijke landeigenaar was.

Over de politiek sprak hij nooit, en niemand wist, tot welke partij hij behoorde. Eens had Louis er hem over gesproken, toen zij samen in den prachtigen boomgaard wandelden, achter het huis. "'t Is nu de tijd voor een vrij, vereenigd Zuid-Afrika," had Louis gezegd, maar baas Uys had hem bij den arm genomen, en op een perzikenboom gewezen, dicht in de nabijheid. "Pluk een perzik!" had de oude boer gezegd, "'t Zou zonde zijn," had Louis geantwoord. "Waarom zonde, Louis?"--"Omdat de perzik nog niet rijp is, Oom!"--"Juist," had baas Uys gezegd; "er is voor alles een tijd hier op aarde, voor het zetten der vrucht, voor het rijpen der vrucht en voor het plukken der vrucht." En toen was hij doorgeloopen, de oude boer, en had een struisvogel weggejaagd, die uit zijn hok was ontsnapt.

Kort geleden had een heftige Jingo hem over de politiek gesproken, en over de noodzakelijkheid, om de Transvaal, dat een dreigend gevaar bleef voor het Engelsche oppergezag, in te lijven. Maar baas Uys had een zijner oudste Kaffers geroepen en gevraagd: "Manasse, vertel eens, waarom hebt gij mij nu veertig jaar lang trouw gediend?"--"O baas," zeide Manasse, "toen ik met mijn jong kind bij u kwam: ziek, hulpeloos en verlaten, hebt gij mij niet door uw honden van het erf laten jagen, zooals uw buurman deed, maar gij zijt voor mij en mijn kind geweest als een engel Gods. Gij veroverdet het hart van Manasse, en daarom dient Manasse u."

"Verover dan het hart der Boeren," meende baas Uys tot den Jingo, "en alles is in orde."

Maar de Jingo had bij deze woorden de schouders in onbeschrijfelijke minachting opgetrokken--wat raakte hem dat hart der Boeren? Hun goud moest hij hebben--hun gòud.....

Truida had zich verwijderd, om voor het avondeten te zorgen, en Christiaan had den ouden baas geroepen, om naar een zieken os te kijken. Zoo bleven de Engelsche officieren dan alleen achter met den jongen Boer. Zij hadden den lekkeren wijn van baas Uys geducht aangesproken, en praatten druk en woelig met elkander. Hoogstens twee officieren waren nuchter gebleven. Een officier met een reusachtige zwarte snor stond nu op, schonk de glazen nog eens vol, en riep met krachtige stem: "Op den goeden afloop, vrienden! Binnen zes weken te Pretoria!"

De glazen rinkelden tegen elkander aan--slechts één glas werd niet aangeraakt.

"Toe, mijnheer Wessels, stoot aan," zeide de man met de zwarte snor.

"Waarop moet ik drinken?"

"Op den gunstigen afloop--binnen zes weken te Pretoria!"

"Ik kan er mij mee vereenigen," zeide Louis doodbedaard, "als gij met dien gunstigen afloop bedoelt, dat gij binnen zes weken als krijgsgevangenen te Pretoria zit."

Doch dit eenvoudige woord had al een bijzonder verrassende uitwerking, en was er op dit oogenblik een bom in de kamer neergeploft, dan hadden de Engelschen niet verbaasder kunnen opkijken. Die verbazing duurde echter slechts eenige seconden, en maakte plaats voor een groote en grenzenlooze minachting.

"Ge zijt zeker een betaalde spion van Paul Kruger?" meende de snor op brutalen toon.

Als eenig antwoord stond Louis op, draaide aan het gezelschap den rug toe, en keek door het raam.

Hij had kunnen heengaan, maar vond dit beneden zijn waardigheid.

"Hoeveel trek je?" vraagde een robuste kerel, die gewoonlijk "de dolle" werd genoemd.

Louis keerde zich toch even om, kruiste de armen, en zeide met bittere verachting: "Dat heeten nu Engelsche officieren!"

Er heerschte een oogenblik stilte, en een der twee nog nuchtere officieren, een jonge man met een nobel gezicht, meende, dat het tijd werd, om heen te gaan.

"Maar ik wou toch eerst nog gaarne weten, hoeveel spionnengeld hij trekt," zeide de dolle, met den vinger op den jongen Boer wijzende, die met den rug naar hem toegekeerd, weer naar buiten staarde,

"Hé jonkman," riep hij, "hoeveel trek je van den deze?" een ondubbelzinnig gebaar met duim en wijsvinger makend.

Louis echter verroerde zich niet. Eerst toen de zwarte snor met zijn snorkende stem zeide: "Hij is van 't zelfde hout als zijn baas Paul, die een gekke aap is," keerde hij zich opnieuw om. Het had hem een reusachtige inspanning gekost, om zich zelf meester te blijven, en schijnbaar bleef hij nòg bedaard, maar hij was toch zoo wit geworden als de witgekalkte muur achter hem.

Hij ging snel op de tafel toe, waar de officieren zaten te drinken, sloeg met de harde Boerenvuist op de tafel, dat de wijnglazen rinkelden, en de rimpel tusschen zijn oogen was diep en groot geworden als een dreigende donderwolk.

"Wie durft Paul Kruger een gekken aap te noemen?" riep hij met een schorre, heesche stem.

"Ik!" galmde de zwarte snor.

"En ik--en ik--en ik!" schreeuwden nog drie andere officieren.

"En hoe zou het den heeren bevallen, indien ik koningin Victoria een gekke apin noemde?" vraagde hij.

"Wij zouden zoo'n onbeschaamdheid natuurlijk met de karwats verrekenen," meende de snor.

"Met de karwats!" herhaalde de dolle, die met alle geweld ruzie zocht.

"Met de karwats?" vraagde de jonge jager.

Zijn oog ging zoekend rond in de kamer; in den hoek zag hij de sterke rijzweep staan, door Truida er neergezet.

Hij nam ze; hij omklemde ze met zijn gespierde hand. En tweemaal suisde ze met onbarmhartige kracht door de lucht, den officier met de zwarte snor vlak in het gezicht, zoodat de elkander kruisende striemen blauw opliepen.

Al de officieren sprongen op, alsof zij door de tarentula waren gestoken.

"Ja, ja, zoo zijn ze," hoonde de jonge jager; "zeven officieren tegen éénen Boer--dan durven ze wel!"

Het was voor hem een verademing, dat het onweer was losgebarsten, en zijn armspieren werden als hard staal. Hij plaatste zich in een hoek van het vertrek, schoof een klein tafeltje als een soort borstwering voor zich, en nam in elke hand een stoel.

De officieren hadden intusschen hun sabels getrokken.

"Wij zullen den vlegel aframmelen," meende een jonge officier, maar hij ontving zoo'n geweldigen stoot met den poot van den stoel tegen zijn borst, dat hij tegen den grond sloeg. Drie officieren rukten aan den stoel, dien Louis in de linkerhand hield, en hij hield niets dan een stuk leuning over, dien hij op de hoofden van zijn tegenstanders stuk sloeg.

"Artillerievuur!" riep de dolle, en de anderen volgden hem, om de leege wijnflesschen van de tafel te nemen, en er den jongen jager mede te bombardeeren. En juist wilde de snor, gewapend met twee leege flesschen, het bombardement beginnen, toen hij ter zijde naar de kamerdeur keek, en beschaamd de flesschen liet vallen. Zijn naaste kameraad, die zijn sabel had afgehaakt, en hem den jongen Boer naar het hoofd had geslingerd, verbleekte.

Want .... in de kamerdeur stond de majoor!

Hoe lang had hij daar gestaan? Wie kon het zeggen?

Misschien had hij er al een kwartier gestaan, en alles gezien en gehoord.

Hij stond daar, kalm en koel, de hand op het gevest van zijn sabel, onbewegelijk als een standbeeld.

O, zij kenden hem; hij was strak en onverbiddelijk. Hij had de promotie van zijn eigen zoon, een jongen luitenant, gekeerd, daar hij meende, dat zijn zoon die promotie niet had verdiend.

Zoo stond hij dan daar, in den ingang van die deur, als een uit erts gegoten wet, en onder dien kouden, strengen blik werden de kemphanen wonderlijk gauw nuchter.

Louis begreep, dat hij ontzet was, en schoof het tafeltje langzaam op zij. Verwonderd staarde hij op dien kleinen majoor met dat grijze haar, niet weinig nieuwsgierig, hoe dit tooneel zou eindigen.