De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900

Part 2

Chapter 23,929 wordsPublic domain

De vijftienjarige Janske zit tegenover haar moeder stil maar ijverig kousen te breien; Kees, die negentien jaar, en Karel, die achttien jaar is, zitten naast hun broeders Louis en Danie aan den haard. Dan zitten nog twee mannen bij den haard doch in de diepe schaduw, en slechts als het houtvuur hoog opflikkert, is hun gelaat duidelijk zichtbaar.

Het avondeten is nu afgeloopen, en baas Wessels vraagt naar zijn vee: naar die witte pink, die voorleden week den poot had bezeerd; naar zijn mooien bruinen klepper, die de paardeziekte dreigde te krijgen, en naar de wolopbrengst van zijn drieduizend schapen, die zijn Kaffers bezig waren om te scheren. Als een zorgzaam huisvader informeert hij naar de geheele boerderij, en nu dat achter den rug is, stopt hij zijn houten pijp, en steekt ze aan met een langen, brandenden spaander.

Er heerscht nu eenige oogenblikken stilte. Pluto heeft zich lang uitgestrekt op de ijzeren plaat, vlak voor de voeten van den jongen jager, en het trillend geluid der krekels, achter den haard, is duidelijk hoorbaar.

Een der mannen in de schaduw verbreekt het eerst de stilte.

"En hoe staat het, Neef, met de Rooineks?"

"Ik voorzie, dat wij er last van krijgen, Albert!"

"Als zij te parmantig worden, dan voorzie ik, dat zij meer last van òns zullen krijgen dan wìj van hen."

"Gij onderschat de macht van Engeland," zegt Gijs Wessels bedaard.

Albert rukt een verdord blad af van een tak, dien hij in het vuur werpt. "Zóó zullen wij met hen doen," zegt hij, en hij wrijft het verdorde blad fijn tusschen zijn grove knuisten.

De drie oudste zonen van Gijs Wessels schieten in een luiden lach; zij vertegenwoordigen het jonge, moedige Transvaal, dat de kracht van zijn jeugdige spieren probeeren wil op dat onrechtvaardige Engeland. Maar Danie met zijn zachte, weemoedige oogen lacht niet, en de oude Wessels nog minder. Hij ziet verder dan zijn dappere zonen.

"Gij onderschat de macht van Engeland," herhaalt hij ernstig. "Ik ben eens in het groote Londen geweest, en ik heb gestaan op een van zijn hoogste torens. Er lag een zee van huizen aan mijn voeten: een groote, onmetelijke zee van huizen. En staande op dien toren, werd voor mijn oog een tip opgelicht van den sluiër, en mijn hart beefde er van, toen ik staarde op Engelands macht en rijkdom. Die ééne stad Londen alleen telt meer weerbare mannen dan ons Transvaalsche volk zielen telt: mannen, vrouwen en kinderen, met den pasgeboren zuigeling er bij geteld."

"Gij vergeet den Vrijstaat," zegt de man in de schaduw; "als de nood aan den man komt, springt de Vrijstaat ons bij."

"Tel den Vrijstaat er bij," meent Wessels; "ook dan nog telt Londen alleen meer weerbare mannen dan wij zielen."

"'t Zijn me ook mannen," zegt de man in de schaduw: "klerken, kelners en kleermakers. Als ze komen, dan jagen wij ze met de sjambok, met de zweep naar huis toe."

"Engeland behoeft niet eens zijn burgers op te roepen," zegt Wessels; "het heeft een gedrild leger, dat in de vier windstreken heeft gevochten."

"Huurlingen--niets dan huurlingen," zegt de man in de schaduw; "ik neem vijf van die kereltjes voor mijn rekening," en hij spuwt met diepe minachting in het vuur.

"En ik neem er zes," meent Kees, en hij rekt zijn jonge, sterke spieren.

Maar de oude Wessels schudt waarschuwend het grijzende hoofd. "Ik houd niet van dien overmoed," zegt hij; "'t is bij een oorlog een dòm begin, den vijand te minachten."

"Hebben wij dan niet het recht aan onze zijde? God en het recht?" roept de man in de schaduw, maar thans wijkt de schaduw, want de vlam, die nieuw voedsel heeft gekregen, flikkert hoog op, en het zwartgebaarde gezicht en de vastberaden gelaatstrekken van den spreker worden nu duidelijk zichtbaar.

"Wij hebben God en het recht, het heilig recht aan onze zijde," herhaalt hij nog eens, "voor wien zouden wij dan vreezen? Als er oorlog komt met Engeland, zullen wij overwinnen. Zoo zeker als er een almachtig en rechtvaardig God regeert, zullen wij overwinnen."

De diep in den boezem van den Afrikaanschen Boer sluimerende hartstochtelijkheid komt met kracht naar boven; het innerlijk vuur, dat in zijn ziel brandt, vlamt hoog op, en in zijn eerlijke, bruine oogen weerspiegelt zich de gloed van het haardvuur en de gloed van dat innerlijk vuur.

Doch Gijs Wessels is niet voldaan. "Gij spreekt mij te vermetel," zegt hij, "al kan ik het verstaan."

"En gìj spreekt mij te angstig en te weifelend," zegt de man in de schaduw, "en dat kan ik niet verstaan, baas Wessels."

Doch het ware beter geweest, dat hij dit had ingehouden.

"Wat praat gij van angst en weifeling?" antwoordt Wessels. "Toen gij nog een knaap waart, en zorgeloos speeldet aan den schoot uwer moeder, heb ik reeds den Amajuba bestormd."

Hij zegt dit met klem en nadruk, en in zijn toon ligt verontwaardiging. De zwartgebaarde voelt die verontwaardiging, en bij heeft spijt van zijn woorden. Hij reikt den ouden Wessels de hand:

"Het doet mij leed, zoo ik een der dappere Amajubabestormers heb gekwetst--wie heeft ooit aan uw dapperheid getwijfeld?"

De harmonie is door dit gulle woord hersteld.

"Maar twijfelt gij dan aan de overwinning, zoo het oorlog mocht worden?" vorscht de man in de schaduw.

"Ik zal u eens wat zeggen," herneemt de heer des huizes, en zijn stem wordt langzaam en bedachtzaam. "Onze worsteling met Engeland dateert niet van heden, maar van 1815, toen de galg van Slachtersnek voor vijf Afrikaansche Boeren werd opgericht. Die worsteling heeft nu reeds meer dan vier en tachtig jaren geduurd, en God alleen weet, wanneer haar einde zal zijn. 't Is mogelijk dat de oorlog, dien we thans duchten, de laatste schakel vormt in die lange en bittere keten, doch wij hebben niet in Gods raad gezien, en wij weten het niet. Maar--aan de eindelijke zegepraal van ons goed recht vertwijfel ik nièt, en vertwijfel ik nòoit. En al zou de Britsche vlag van het gouvernementsgebouw te Pretoria wapperen, en al zou onze Republiek door het Engelsche geweld worden neergeworpen, het zou toch maar tijdelijk zijn, en de neergetrapte veer van ons nationaal bestaan zal op 's Heeren tijd toch met onweerstaanbare kracht naar boven dringen."

Hij is warm geworden, terwijl hij dit zegt. Zijn diepste gedachten legt hij bloot.

't Is een der Amajuba-helden, die hier spreekt.

In de diepste schaduw, geheel in den hoek van den haard, zit de andere man, een vreemdeling.

Niemand kent hem. Daar straks kwam hij voorbij met een transportwagen, en de transportrijder had voor dezen nacht de gastvrijheid ingeroepen voor den vreemdeling, want deze kon het schokken niet verdragen van den zwaren, krakenden ossen wagen.

"Een teer ventje, -- zoo'n soort kantoorklerk!" meende de voerman, en moeder Wessels had hem, den vreemdeling, met die gulle en hartelijke gastvrijheid opgenomen, die een karaktertrek vormt van de echte, onverbasterde Boerin der wildernis.

Zoo zit hij dan bij den haard, tuurt peinzend in de grillige vlammen en luistert naar het gesprek. Doch zelf zegt hij niets; slechts hoort men nu en dan zijn schorren, drogen kuch.

"En wat zegt gij er van, Neef?" vraagt moeder Wessels, wie het hindert, dat de vreemdeling buiten de gesprekken blijft.

Er volgt een oogenblik pauze. Aller oogen wenden zich in de richting der diepe schaduw; de jonge Wessels kunnen nauwlijks hun nieuwsgierigheid en ongeduld bedwingen.

"Mij den kop af, als het geen Rooinek is," nijpt Karel zijn broeder Kees in de ooren.

"Zwijg," zegt Kees, die bang is, dat hem een woord zal ontgaan, "en luister."

"Ik ben het eens met baas Wessels," zegt de vreemdeling zacht; "wij weten niet, hoe laat het is op Gods wereldklok. Ik twijfel er niet aan, dat het oorlog wordt."

"God beware ons voor de verschrikkingen van den oorlog!" roept moeder Wessels, doch haar man troost haar door te zeggen:

"Paul Kruger staat aan het roer, en hij wil voor den vrede een hoogen prijs betalen."

"Maar de onafhankelijkheid der Republiek zal hij er toch niet voor offeren?" meent de vreemdeling met zijn zachte stem.

"Wie denkt daaraan?" antwoordt de huisheer met klem; "hij gaat liever op het schavot."

"Daarom komt er oorlog," zegt de vreemdeling bedaard, "en spoedig ook. En God zal Engeland gebruiken als een tuchtroede, waarmede Hij de Boeren kastijdt!"

Het geheele gezelschap kijkt verwonderd op, doch de oude Wessels knikt bevestigend met het grijzende hoofd.

"Er zijn groote nationale zonden, en het goud heeft het volk geen goed gedaan. Het is afgeweken van de goede, oude paden," gaat de vreemdeling voort.

Er ligt een diep en ernstig verwijt in die woorden, doch niemand kan den vreemdeling toornen. De zachtheid en de vriendelijkheid van zijn toon ontwapenen hen. De jonge Karel echter schuift onrustig op zijn stoel heen en weer, vaster dan ooit overtuigd, dat hij hier met een verkapten Rooinek te doen heeft. Immers dat is de leer der Engelschen, dat God hen gebruikt als instrumenten, om de volken te tuchtigen, en Hij ontneemt aan die goddelooze volken hun goud en hun diamanten, en geeft het aan die brave Engelschen.

"Mij den kop af, als het geen Rooinek is," zegt hij zacht maar met nadruk tot Kees, die geen antwoord geeft.

De vreemdeling hoest; 't is weer die schorre, droge hoest van zooeven, en gaat voort: "Dan wensch ik nog op iets anders te wijzen; op de verhouding tusschen den Boer en den inboorling, den Kaffer. Ik mag mij in die zaak geen beslist oordeel aanmatigen, maar ik wil toch vragen: Is de Afrikaansche Boer in zijn christelijke roeping tegenover den Kaffer niet te kort geschoten?"

Allen, zelfs baas Wessels, kijken verbaasd op, en staren naar de diepe schaduw, waarin slechts de vage omtrekken van den vreemden man zijn te onderscheiden. Maar Karel trekt zijn ouderen broeder met een zeker triomfantelijk gevoel aan zijn mouw, en fluistert hem toe: "Wat zeg je er nu van, Kees? Ik heb het wel gezegd: Mij den kop af, als dat geen Rooinek is!"

En Karel staat dezen keer niet alleen. Ook de anderen zijn ontstemd, ja verontwaardigd, en zelfs de zachte, vriendelijke stem van den vreemdeling is niet meer in staat, om dien toorn te ontwapenen.

"Hoe lang woont gij onder dit volk?" vraagt de oude Wessels--"nog geen jaar, zegt gij? En uit welke bronnen hebt gij de Kafferkwestie beoordeeld? Uit de rapporten van Engelsche zendelingen?"

"Livingstone, Philips en Moffat zijn mijn bronnen," antwoordt de vreemdeling.

"Ik dacht het wel," zucht de oude Wessels; "die zendelingen hebben ons geen goed gedaan met hun rapporten. Zij moesten verstaan, dat wij de Kaffers niet als onze gelijken kùnnen behandelen."

"Niet als gelijken, maar als kinderen," meent de vreemdeling, "dat is Gods eisch."

"Dat doen wij ook," zegt de oude Wessels.

"Gij laat hen toch niet toe in uw bedehuizen," meent de vreemdeling.

"Dat kùnnen wij niet doen," zegt Wessels, "want zij zouden den afstand vergeten, die tusschen hen en ons bestaat, en die aan deze zijde van het graf nooit overbrugd kan worden."

"Waarom niet overbrugd?" vorscht de vreemdeling.

"Omdat die afstand zijn diepste oorzaak niet vindt in de verschillende kleur der huid, maar in den volstrekt afwijkenden verstandelijken en geestelijken aanleg. Die Kafferkwestie is een hoogst teedere en moeilijke kwestie, waarover de meeste menschen, die uit Europa komen, slechts een zeer onbevoegd oordeel kunnen uitspreken. Wij Afrikaansche Boeren zijn hier geplant in dit land, om als de overheid onder deze blinde heidenen de weegschalen hoog te houden van het heilig recht. Dat is onze eerste roeping."

"En hun het evangelie te brengen," meent de vreemdeling.

"Natuurlijk!" zegt de oude Wessels.

"En vervult uw volk die roeping?" vraagt de vreemdeling met zijn zachte stem.

Het is, alsof hij met zijn handen rondtast, om op de tekortkomingen, de gebreken en de zonden van het Afrikaansche volk den vinger te leggen, en den man, die naast hem zit, brandt het scherpe antwoord reeds op de tong. Maar de vlam slaat nu hoog uit in het haardvuur, en het heldere licht, van die vlam uitstralende, verdrijft de diepe schaduw. De vreemdeling is nu goed zichtbaar; hij is in het volle licht. Waarschijnlijk is hij bij zijn laatste woorden opgerezen van den stoel, want hij staat nu overeind, en zijn zachte Johannesblik glijdt langzaam van den een op den ander. Het scherpe woord besterft Albert op de lippen, en de jonge Karel begint te twijfelen, of de jonge man wel een Rooinek is.

Het is een smal, bleek, baardeloos gelaat, dat men ziet. De oogen liggen diep in hun kassen; op beide wangen teekent zich een kleine, verraderlijke blos.

"Door den dood geteekend!" zucht moeder Wessels, en vol medelijden rust haar blik op den vreemdeling, doch deze, daar de anderen zwijgen, gaat voort: "Ik heb dit volk lief, en mijn dagen zijn geteld--wat kan ik dan anders doen dan wijzen op breuken, die kunnen bestaan?"

"Gij schijnt een ware Israëliet, in wien geen bedrog woont," meent de oude Wessels met een warmen klank in zijn stem, "en als liefde tot mijn volk u drijft tot spreken en waarschuwen, dan spreek altijd maar vrij uit!"

Danie echter is opgestaan, kijkt den teringlijder aan met zijn weemoedige oogen, en vraagt met zijn innemende stem: "Hebt gij Jezus lief?"

"Ja," zegt de vreemdeling, "ik heb Hem zeer lief. Allen, die Hem kennen, hebben Hem lief."

"Hebt gij familie in dit land?"

"Ik heb broeders noch zusters; slechts een moeder heb ik, doch die woont ver van hier--in Europa."

"En waarom zijt gij niet bij uw moeder gebleven?" vraagt Danie met een stil verwijt in zijn stem.

"Mijn longen zijn aangedaan, en de dokter raadde mij een verblijf aan in Zuid-Afrika. Ik dacht de kosten goed te kunnen maken met het geven van onderwijs, en ik ging."

Hij wordt bedroefd, terwijl hij dit zegt, want hij denkt aan zijn moeder, die hij nooit zal weerzien. Ook Danie wordt bedroefd, en beiden zwijgen.

De vlam in het haardvuur vermindert nu sterk, en in den hoek van den haard, waar de vreemdeling zit, heerscht weer diepe duisternis.

Danie gaat naar zijn moeder en fluistert: "Die vreemdeling blijft toch hier vannacht?"

"Natuurlijk, mijn jongen," antwoordt de moeder.

"Hoe lang mag hij hier blijven, Moeke?"

"Zoolang als gij het wenscht, Danie!"

"O," zegt de jongen, "dan zal hij hier lang blijven," en hij kust zijn moeder.

Maar tante Sannie denkt: "Het zal geen vijf weken meer duren," en tante Sannie heeft juist gedacht.

HOOFDSTUK III.

De dauw lag nog op de velden, toen een ruiter den volgenden morgen Wonderfontein verliet.

Het was Louis, de jonge jager.

Hij klopte zijn voshengst, die hem droeg, op den blinkenden hals, en reed in een flinken draf de laan af en den breeden heirweg op. Pluto rende hem vooruit in groote, vroolijke sprongen.

Hij was gisteravond de gevoerde gesprekken over den waarschijnlijken oorlog met groote aandacht gevolgd, maar zij hadden hem toch geen oogenblik van zijn slaap geroofd. En op dezen stillen, liefelijken morgen voelde hij zich als een jong, dartel veulen, dat de weide is ingejaagd, en als de arend, die daar boven zijn hoofd opsteeg naar den blauwen, wolkeloozen hemel, om zich te koesteren en te wiegelen in de eerste stralen der morgenzon. Met welgevallen rustte zijn oog op het golvende landschap; hij begroette de jonge veldbloemen, schitterend tusschen het groene gras, en hij zong een lustig jagerslied, dat luid weerkaatst werd door de omringende heuvelen.

Geen wonder, dat hij zoo opgewekt was! Hij was heden op reis naar zijn aanstaande vrouw, en over zes weken zou het bruiloft zijn. De hoeve, die het jonge paar zou bewonen, was reeds gereed, en het nieuwe huis was al zoo goed als afgetimmerd. De toekomst breidde zich voor den jongen jager uit als een lachend Eden, en wolk noch schaduw onderschepte den zonneglans, die op zijn levenspad viel. Zijn hart was vol hoop en vol idealen, en staande op dezen bergtop van zijn leven, voelde hij zich licht en vaardig als het vlugge hert, dat daar drie honderd pas voor hem over de vlakte rende.

Onwillekeurig nam hij toch het geweer van den schouder; het jagersinstinct kwam bij hem boven. Doch hij legde het geweer niet aan. Hij kon er heden morgen niet toe komen, om het edele dier te dooden.

"Het wil leven en genieten--is zijn leven niet kort genoeg?" dacht hij, en hij hing het geweer opnieuw over den schouder. Een haas sprong rakelings op voor de hoeven van zijn gelen hengst--Pluto zette het verschrikte dier reeds na in groote sprongen--maar de jonge jager riep den hond terug.

Met groote oogen keek de schrandere hond zijn meester aan, want dit begreep hij niet; maar deze zeide eenvoudig: "Koest, Pluto, koest!"

Na een rit van vier uren werd de rivier bereikt; zij vormde hier een drift, dat is een doorwaadbare plaats, doch een zwaar onweer met veel regen had de rivier plotseling doen rijzen, zoodat de drift niet te passeeren was. Doch wat hinderde dat? De jonge jager ontkleedde zich, bond zijn kleeren op het zadel van zijn paard, en leidde het de rivier in. Zwemmende moest het den overkant bereiken. Terwijl greep hij met de linkerhand den staart vast, en met de rechterhand hield hij zijn wapen, een kostbaar Henri-Martini-geweer, boven zijn hoofd, opdat het niet door den bruischenden stroom nat zou worden.

Aan den overkant, niet ver van de drift, stond in het eenzame veld het logement, tevens herberg en winkel, van baas Blijvenstein. Er hing een verweerd blikken schild uit, waarop niet vuurroode kleuren een onmogelijke slang met groote vleugels was geschilderd, terwijl er onder stond te lezen: "In de vliegende Ratelslang."

Het huis stond natuurlijk aan den heirweg, en daar de transportrijders op hun lange tochten gewoon waren, hier uit te spannen en hun proviand en benoodigdheden aan te vullen, had baas Blijvenstein een goeïe zaak. Hij verkocht trouwens van alles: schoenen en slaolie; zadels en stokvisch; gedroogde abrikozen en vleesch in blikken.

Louis Wessels schreed over het groote erf heen, waar een struisvogel met lange, bedachtzame passen heen en weer stapte, wierp de teugels van zijn klepper toe aan een jongen Kaffer, die in het zand lag te luieren, en trad de gelagkamer binnen.

Het was een groot, hol, ongezellig vertrek. Er stonden een paar groote, smerige tafels, en eenige ongeverfde houten banken. Bij een raam, dat uitzicht gaf op het erf en den heirweg, zat de kastelein, baas Blijvenstein.

De man maakte reeds op het eerste gezicht een onaangenamen indruk; zijn kleine, grauwe oogen hadden iets listigs en gluiperigs. Zij zwierven onophoudelijk van het eene punt op het andere; nòoit hadden zij rust. Hij had een tamelijk groot hoofd, en terwijl zijn lange romp op een rietmatten stoel rustte, had hij de korte beenen op een der lange banken gelegd. Een nek had hij niet, en had hij trouwens nooit gehad, en zijn naaste erfgenamen hadden zich reeds met het denkbeeld verzoend, dat oom Jaap Blijvenstein nog eens door een plotselinge beroerte het tijdelijke met het eeuwige zoude verwisselen.

Men zeide, dat hij veel, heel veel geld moest hebben, doch niemand, die er het rechte van wist. Dat hij aan de reizigers en transportrijders goed verdiende, was waar; dat hij de wicht en de maat niet gaf, was ook waar; en dat hij de kleurlingen altijd bedroog, en de blanken, als hij er de kans voor kreeg, was niet minder waar.

Er lag een wrevelige trek op het listige gelaat van den kastelein, toen de jonge jager binnentrad. Gister was er zijn knecht vandoor gegaan, de jonge, vijftienjarige Barend Klaassens, gewoonlijk genoemd Barend Blikoortje, omdat hij een poos in den Vrijstaat had gewoond.

Blijvenstein trapte met de korte beenen grimmig tegen de leuning van de houten bank, terwijl hij nadacht over die geschiedenis van gister.

Nu, 't wàs ook een leelijke geschiedenis. Barend Blikoortje was eigenlijk onmisbaar geworden voor baas Blijvenstein. Hij vermaakte de reizigers in de gelagkamer door zijn grappen, en de transportrijders, die den gierigen kastelein niet konden zetten, kochten nog iets meer dan zij van plan waren, als die oolijke Barend maar in den winkel was. Hij kon eigenlijk van alles: hij kon een opengescheurd zadel repareeren, en in den winkel de klanten bedienen; hij wist er een kunstje op, om den verstuikten poot van een trekos te genezen, en beweerde, een radikaal middel tegen alle kiespijn te bezitten. Daarbij was hij eerlijk. Baas Blijvenstein had elken nacht, als de jongen lag te slapen, diens zakken onderzocht, en er nooit iets anders in gevonden dan een paar ouwe knoopen.

Maar gister was Barend plotseling vertrokken. Ja, dat was een nare geschiedenis.

Wat was er dan toch gebeurd?

Baas Blijvenstein, die zonder vrouw en kinderen was, had langen tijd een oude Kafferin gehad, die voor het eten zorgde, en het huishouden waarnam. Maar hij had ze eergister weggejaagd, omdat zij te veel at naar zijn zin, en Barend zou gister als kok optreden. Dat gebeurde ook. Barend slachtte een paar haantjes, braadde ze, dischte ze op naar den eisch, en baas Blijvenstein smulde er aan. Barend mocht natuurlijk toekijken.

Een paar uur later, na het middagdutje, wandelde baas Blijvenstein over het erf. Hij zocht zijn knecht, en loerde om den hoek van den achtergevel. Dat was de gewone manier, waarop hij zocht; het spioneeren was vleesch en bloed geworden bij dezen gierigen man. Achter het huis, bij de veekraal, die thans leeg was, ontdekte hij zijn jongen knecht. Barend zat met den rug tegen den lagen, steenen kraalmuur, in de schaduw. Hij zat, met een groot bord tusschen zijn bruine handen, dapper te eten, en de kastelein had er, zoo hij een nek had gehad, dien nek onder willen verwedden, dat Barend een paar jonge gebraden haantjes op zijn bord had. Maar hij zeide niets, en holde op zijn korte beenen terug naar het kippenhok, om zijn jonge haantjes te tellen. Hij stond echter verbouwereerd te kijken, toen hij er slechts twee minder telde dan gister. Gister waren er veertien, en nu twaalf. De ontbrekende twee had hij, de baas, opgegeten--doch waar had die kwâjongen dan zìjn haantjes vandaan gehaald?

Hij neep de handen samen, en die kleine, grauwe, listige oogen zwierven zoekend en speurend rond. Den jongen zelf wilde hij geen verantwoording vragen, daar hij vreesde, belogen te worden, en zijn groot hoofd stond hier voor een even belangwekkend als moeilijk vraagstuk. Maar bij den mestput lag de oplossing van dit vraagstuk, en de groote handen van Jaap Blijvenstein beefden, toen zij een versche kattenhuid opraapten.

Blauw van woede stoof hij op zijn jongen knecht af.

"Barend," bulderde hij, "ken jij die kattenhuid?"

"Wat is dat toch verschrikken, baas," zeide Barend, terwijl hij de laatste, malsche beentjes af kloof.

"Ik vraag jou nog eens: heb jij kennis aan die kattenhuid?"

"Laat ze mij eens zien, baas," zeide de knecht

Zijn baas reikte ze hem over, terwijl hij inwendig kookte.

De jongen bekeek de huid met aandacht, van binnen en van buiten, lekte zijn dikke vingers af, en zeide met groote stelligheid: "Dat is de huid van onzen kater Saremie."

"En jìj hebt die kat geslacht en opgegeten," brulde de kastelein van de vliegende Ratelslang; "ik dacht, dat het haantjes waren op je bord, maar 't is mijn kat, mijn katerke--jij vlegel!"

"Ik heb den kater nièt opgegeten," verzekerde de jongen, voor de voorzichtigheid opstaande.

"Wie heeft het dàn gedaan?" raasde de oude.

Welke boosaardige en weerbarstige geest op dit oogenblik over den jongen Barend vaardig werd, is moeilijk uit te maken, maar toch sprak hij de waarheid, toen hij zeide: "Jij, baas Blijvenstein, jìj hebt den kater opgegeten. Ik lust geen katers; ik eet haantjes, als ik ze krijgen kan."