De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900
Part 11
De officier bood twintig pond sterling voor iederen Boer, die bij de aanstaande onderneming zou worden gedood of gevangen, en Blijvenstein vroeg veertig pond. De officier deed er nog tien pond bij, maar baas Blijvenstein was erg taai, en de luitenant was al blij, dat hij er ten minste nog vijf pond per stuk afgepingeld kreeg. Zoodoende kwamen de Boeren dus per stuk op vijf en dertig pond te staan.
Blijvenstein ontving vijftig gouden souvereins als handgeld onmiddellijk, en nadat nog eenige noodzakelijke afspraken waren gemaakt, ging ieder zijns weegs.
In het doornboschje begon het opnieuw te kraken; een schaduw kwam er uit te voorschijn.
Zij volgde baas Blijvenstein.
Vertraagde hij zijn schreden, om de vijftig goudstukken, die hij in zijn broekzak had, door de vingers te laten glijden, dan ging ook de schaduw langzaam; begon hij bij de gedachte, dat zijn wegblijven argwaan zou wekken, hard te loopen, dan ging ook de schaduw snel.
Hij was nu in de nabijheid der brandwacht gekomen.
"Moe nie skiet nie, Neef," zeide hij, vlug doorstappend.
"Heb je den klepper nog niet?" vraagde de brandwacht.
"Neen, Neef, nog niet--is dàt zoeken!" zeide baas Blijvenstein, het lager opzoekend.
De jonge jager ontving Barend met groote spanning.
"Is 't waar?"
Barend knikte.
"Is hij zoo gemeen?"
"'t Is een kleinzoon van Beëlzebub."
"Hier heb je tabak, Barend--steek op, en vertel mij alles uitvoerig."
Zoo deed dan Barend zijn verhaal, en hij was ernstiger dan gewoonlijk. Toen hij bij Elandslaagte kwam, sprong de jonge jager plotseling op, om zijn geweer te grijpen. Maar hij zette het weer neer, in den hoek der tent, en zeide bedaard: "Spreek door, Barend--ik luister met groote belangstelling."
HOOFDSTUK XXII.
't Is donker; 't is nacht.
Op een eenzamen, hoogen kliprand, daar staat de jonge jager. Zijn handen rusten op den blanken loop van zijn Mausergeweer.
Er brandt geen lagervuur in zijn nabijheid; zelfs de pijp is weggeborgen. Geen vonk, die hem verraden kan.
Aan zijn voeten, lang uitgestrekt, ligt zijn groote jachthond.
Hij staat onbewegelijk tegen den stam van een eikenboom; hij schijnt één met dien stam.
Het is stil, zeer stil, maar een nachtvogel nadert met langzame vleugelslagen, en strijkt neer in de kroon van den eik, vlak boven den jongen jager.
De hond laat een zacht gebrom hooren.
"Koest, Pluto," zegt de jager, "koest!"
De hond is weer stil.
De nachtwind gaat klagend door het dorre, spichtige gras van den klippenheuvel, en uit de verte komt het geluid van naderend paardegetrappel. Maar het geluid verwijdert zich weer, en sterft weg in de verte.
Hoor, wat is dat?
Dat is het gebrul van een wild dier, dat honger heeft, en Pluto springt overeind. Maar zijn jonge meester tikt hem even op den kop, en hij gaat weer liggen.
Daar weerklinkt een schel, scherp gekrijsch; de hond slaat aan, luid en driftig.
"Koest, Pluto!" zegt de jager; "'t is de nachtvogel maar, daar boven ons."
De roofvogel slaat de zware vleugels uit, en de twijgen brekend, verdwijnt hij in de duisternis.
Stil, onbewegelijk houdt de jonge Wessels stand. Hij is werkelijk een geboren jager, want hij bezit geduld, volharding en kracht. Twee uren lang heeft hij reeds op dezen post gestaan, en hij zou er geduldig twaalf maal twee uren staan, als het noodig was.
Doch plotseling gaat er een eigenaardige rilling door zijn leden. Zijn hooge gestalte wordt nog grooter; zijn neusvleugels bewogen zich; er gaat een bliksemsnelle tinteling door zijn oogen.
De jager heeft het wild geroken.
De hond spitst zijn ooren, en springt overeind.
"Koest Pluto!" zegt zijn meester zacht maar met klem--"lig!" De hond legt zich weer neder, maar zijn staart beweegt zich, en zijn neus snuffelt in de lucht.
Er komt een geluid van krakende wagenassen en stommelende wielen. Langzaam maar gestadig komt dat geluid nader. Nu kan men het getrappel van paarden en het loeien der trekossen hooren.
Honderden soldaten naderen; men kan hun stap reeds onderscheiden.
Zij loopen onregelmatig, in groote groepen; de officieren voorop en ter zijde.
"Wat is dat hier?" vraagt een gedempte stem.
"Een holle weg," antwoordt een tweede.
"'t Is hier een Egyptische duisternis," zegt de eerste.
"Maar de whiskey maakt het licht," zegt de tweede, een flinken slok uit zijn veldflesch nemend.
Nu komen de muilezels; de jonge jager hoort het schuren der lichte bergkanonnen, die langs de zijden der dieren aan stevige riemen zijn vastgesjord.
Hij stoot met den voet tegen den grond--er liggen een aantal groote, losse klipsteenen, en een plotseling plan komt bij hem tot rijpheid. Hij zet het geweer tegen den stam van den eik, en rolt een aantal van die steenen naar den bijna loodrechten wand. Dan legt hij zich plat op den grond, en tracht met de oogen de duisternis te peilen onder hem, maar zelfs zijn valkenoogen kunnen niets anders onderscheiden dan vage omtrekken. Zijn ooren echter zijn wijd open, en hij legt zijn sterke handen op den eersten steen.
Maar hij trekt de handen weer terug--het juiste oogenblik is nog niet gekomen.
't Is een kleine afdeeling cavalerie, die beneden hem voorbij trekt.
Maar nu--hij stoot den eersten steen met kracht naar beneden. De steen ploft in een doornstruik, die langs de steile helling een armoedig bestaan vindt, breekt de takken, en bonst voor de hoeven van een viervoeter tegen den grond.
De drijver grijpt het schichtig wordend muildier nog bijtijds, en houdt het vast aan den teugel. Doch daar komt de tweede klipsteen--de derde--de vierde--; de vijfde valt midden in een ammunitiewagen, en de muildieren-bespanning gaat er van door. De drijvers springen vloekend voor de beesten, om hen te keeren, doch maken door hun dwaas geschreeuw de dieren nog schichtiger. Zij hollen midden onder andere muildierenspannen en planten den schrik en de verwarring voort.
De officieren doen bovenmenschelijke pogingen, om de kanonnen en de ammunitiewagens nog te redden, maar aldoor hagelen de klipsteenen naar beneden, en de razend geworden muildieren, de officieren onder den voet loopend, vluchten links uit.
"Grijpt dan toch die muilezels, stommerikken!" schreeuwen de officieren, maar de drijvers en de soldaten zijn eigenlijk zelven niet op hun gemak, en staren met verschrikte oogen tegen dien donkeren, somberen heuvelrand op, van waar onzichtbare handen de zware klipsteenen naar beneden slingeren.
Met strak gelaat ligt de jonge jager voorover gebogen over den kliprand, maar als de verwarring beneden hem haar toppunt bereikt, en de muildieren met angstige geluiden en razend geworden door het gebons der achter hen aanrammelende ammunitiewagens, in een onweerstaanbare paniek voorthollen, achtervolgd door het machtelooze geschreeuw van opgewonden soldaten, komt er een heldere glimlach op zijn gelaat.
Het is de eerste glimlach na Elandslaagte.
Hij springt op van zijn harde ligplaats, en aan de andere zijde van den kliprand afklouterend, fluit hij zijn klepper.
Geen twintig seconden later zit hij in het zadel; de hengst slaat zijn met ijzer beslagen hoeven uit, dat de vonken opspatten uit de in het veld verspreid liggende klippen, en vertraagt eerst zijn galop, als geheimzinnige seinlichten de nabijheid der Boerenbrandwachten aanduiden.
HOOFDSTUK XXIII.
De jonge jager keek even om.
Hij telde zijn manschappen--honderdtwintig vastberaden jonge mannen.
"Dit is de weg, dien die twee bataljons namen," zeide hij--"voorwaarts!"
Het was een prachtig gezicht. De koppen der paarden raakten elkander; de geweerloopen schitterden in het morgenlicht, en de ruiters stoven voorbij: snel als de wervelwind, die over de Afrikaansche vlakten giert.
Uit de verte hoorde men thans het knallen der geweren, en de jonge jager liet halt houden.
Hij was de aanvoerder dezer dappere schaar, en het volle gewicht zijner verantwoordelijkheid viel op zijn ziel.
Hij sprong uit het zaâl, sloeg den paardeteugel om zijn arm, ontblootte het hoofd en knielde neder.
Allen volgden zijn voorbeeld; er ging een diepe ontroering door de gelederen.
Toen bad hij met luide stem: "Almachtige God, God onzer vaderen! Ons vertrouwen is op U, en op U alleen. Gij zijt ons geweest tot een Toevlucht van geslacht tot geslachte. Leer onze vingeren ten strijde! Gord ons, en wij zullen groote daden doen! Wij roepen niet tot de stomme afgoden, maar tot U, den levenden God. Wees onze zielen genadig, en wees ook de zielen onzer vijanden genadig, en schenk ons op dezen dag de overwinning om Jezus' wil, Amen!"
Daar lag de heuvel Nicholsonsnek.
Hij was bezet door de twee ons bekende bataljons Engelsche infanterie: Gloucesters en Iersche Fusiliers, die van eenige omringende heuvelen, door Vrijstaters en Transvalers bezet, werden beschoten.
Louis liet nu snel afzadelen, de paarden in veiligheid brengen, en zijn manschappen hun stellingen innemen.
Hij strekte de hand uit naar den top van Nicholsonsnek.
"Dat is ons doel," zeide hij bedaard--"neemt hem!"
Voorzichtig maar vastberaden gingen Wessels' manschappen nu voorwaarts, en wonnen langzaam terrein. Zij gaven zich niet noodeloos bloot, maar het waren allen scherpschutters, en zij schoten de Engelschen, die over hun schansen keken, weg als boschduiven.
Louis keek even op zij uit. Zijn beide broeders lagen, gedekt door klippen, in één lijn dicht bij hem.
De strijdlust vlamde uit hun blauwe oogen.
De jonge jager deed thans een grooten sprong voorwaarts, om een anderen klipsteen te bereiken, doch Karel kwam met een waren pantersprong vlak naast hem, achter dezelfde klip.
"Wat is dat?" vraagde Louis bezorgd, toen hij bloed zag op Karel's handen.
"Niets, broertje," zeide Karel, "slechts een schram van de huid," en hij lachte hartelijk.
Doch in groote opwinding kwam Kees thans naderbij.
"Ik heb hem gezien," zeide hij.
"Wien?" vraagde de jonge jager, terwijl zijn hart sneller sloeg.
"Den verrader!"
"Blijvenstein?"
Kees knikte bevestigend; hij was bleek van ontroering, en wees in de richting, waar hij den verrader meende gezien te hebben.
De jonge jager staarde over de klippen heen, maar zijn valkenoogen konden den verrader niet ontdekken.
"Ik zie hem niet," zeide hij.
"Hij heeft zich verscholen achter dien zwaren boomstam daar boven--toe, Louis, ga jij links, en ik zal rechts gaan. Jij beschiet den boom, en de verrader zal, om betere dekking te zoeken, zich een oogenblik moeten bloot geven. Dan leg ik hem neer."
"Jij moet hem verjagen," meende de jonge jager, "en ìk zal hem neerleggen."
"Waarom?" zeide Kees, "vertrouw je mijn schot niet? Heb ik daar straks op vierhonderd pas afstands niet dien onderofficier neergelegd?"
De jonge jager schudde het hoofd.
"Mijn hand zal hem neerleggen, Kees."
"Hij heeft den slag van Elandslaagte op zijn geweten, en daarom ook den dood van vader en broeder--laat het mìj doen, Louis, ik smeek er je om!"
Zijn stem was heesch, schor van hartstocht.
Doch de jonge jager legde de hand op zijn schouder, en men kon weer zien, hoe scherp de Wesselstrek op beider gelaat was afgestempeld.
"Neen, mijn broeder," zeide hij vriendelijk maar beslist; "die taak rust op mij als oudsten zoon. Maar zie--zonder ù kan ik het ook weer niet doen--zoo ga dan, Kees, en verjaag den verrader!"
Zoo ging dan Kees, en beiden zochten nieuwe posities: Kees links en Louis rechts.
Stil lag de jonge jager achter den harden klipsteen, het valkenoog vast op den boom gericht. Zijn gelaat scheen uit erts gegoten; onbewegelijk rustte de geweerloop in zijn linkerhand; langzaam, bijna onmerkbaar ging de vinger der rechterhand naar den trekker.
"Toe Kees," zeide hij als tot zich zelf, "verjaag hem!"
En daar kwam het, in eens--een bliksemsnelle flikkering in die blauwe oogen--! een donkere, dreigende rimpel tusschen de wenkbrauwen--! een korte vuurstraal uit het geweer--!...
Op twee pas afstands van den boom, dien Blijvenstein verliet, om betere dekking te zoeken, legde de kogel van den jongen jager den verrader neer!
De Boeren rukten langzaam voorwaarts; de ring van vuur en staal begon zich te sluiten om Nicholsonsnek.
Nu en dan keek een Engelschman over de verschansing heen, om voor den laatsten keer het Afrikaansche landschap en de Afrikaansche zon te zien. De Engelsche officieren staarden naar den horizon, of generaal White geen hulp zou zenden, maar uit de verte kwam het gejuich der Boeren, die den vijand op andere punten van het slagveld hadden verslagen. Want deze slag, door de Boeren genoemd de slag van Modderspruit, breidde zich mijlenver uit, en was de grootste slag, die nog ooit tusschen de twee blanke rassen in Zuid-Afrika was geleverd.
Van de veertienhonderd soldaten op Nicholsonsnek lagen er reeds meer dan tweehonderd dood of gewond op den heuvel.
Slechts aan éénen kant was nog een opening om te ontvluchten, maar plotseling werd die opening gevuld door Boeren, die uit de diepte oprezen--tien, twintig, zestig man--en een jonge, krachtige man sprong vooruit.
Zijn wangen gloeiden; zijn oogen vlamden. "Voor vrijheid en recht!" riep hij met vèr schallende stem--"voorwaarts!"
Ja, dat was de jager, de groote jager, en wie was tegen dien jager bestand?
De officieren kommandeerden: "Vuur!" doch de soldaten wierpen hun geweren weg, en trachtten te vluchten. Van alle kanten echter waren zij nu ingesloten, en zij zagen, dat zij gevangen waren als het wild in het slagnet.
"De wapens omlaag!" riep de jonge jager, en zij gingen omlaag.
"De handen omhoog!" riep hij nog eens, en zij gingen omhoog.
Op een klipsteen zat een officier.
"Uw degen!" zeide de jonge jager.
De officier staarde zijn overwinnaar een oogenblik in het gelaat, en reikte hem zwijgend den degen over.
Toen herkende Louis den kleinen majoor van Elandslaagte.
"Behoud uw degen," zeide hij vriendelijk,--"kan ik nog iets voor u doen, majoor?"
"Ik heb grooten dorst," klaagde de majoor.
De jonge jager had zelf grooten dorst, daar hij zich nog geen tijd had gegund, om zijn veldflesch te gebruiken. Maar hij bedacht zich geen oogenblik, ja hij dankte God, dat hij dezen uitnemenden man een wederdienst kon bewijzen.
"Hier, majoor," zeide hij, "drink, zooveel als ge lust!"
En de majoor dronk in lange, gulzige teugen de veldflesch leeg.
Nu schreed de jonge jager over het gevechtsveld heen; zijn beide broeders en Barend sloten zich bij hem aan.
Hij zocht den hoogen boom en vond den verrader. De gelaatstrekken waren verwrongen; de hand lag op de rechter borst.
"Daar zit zijn geld," zeide Barend, op die hand wijzend.
Er kwamen eenige mannen voorbij met draagbaren. Zij wilden den doode opnemen, en wegbrengen naar den grooten kuil, die reeds gegraven werd.
Maar de jonge jager schudde het hoofd.
"Laat hem liggen!" zeide hij, "als een afschrikwekkend voorbeeld voor alle verraders!"
Zoo bleef de verrader dan liggen.
HOOFDSTUK XXIV.
In den namiddag van dezen gedenkwaardigen dag, nadat de Engelsche soldaten door de Boerenkommando's zegevierend zijn teruggejaagd in Ladysmith, melden zich drie personen aan bij één der Transvaalsche kommandanten.
Zij zijn alle drie in rouwgewaad.
"Wat wenscht gij te weten?" vraagt de zwaargebaarde bevelhebber vriendelijk.
"Ik en mijn dochter," zegt de oudste, een vrouw van middelbaren leeftijd, "zijn met den trein uit de Transvaal gekomen, want wij hadden het vreeselijk bericht ontvangen, dat mijn man en mijn jongste zoon bij Elandslaagte waren gesneuveld. Nu heb ik nog drie zonen in dezen vreeselijken oorlog, en ge zult kunnen verstaan, dat mijn moederhart geen rust heeft."
"Zijt gij de weduwe van Gijs Wessels?" vraagt de kommandant met hartelijke deelneming.
"Die ben ik," zegt ze.
"Uw man is gevallen voor zijn volk."
"Dat is hij," antwoordt ze.
"Dan is Louis Wessels ook uw zoon?" vraagt hij nu.
"Ja," zegt ze, en het is, alsof zij een steek in haar hart krijgt.
Maar hij glimlacht geruststellend.
"Maak u maar niet ongerust," troost hij; "Louis Wessels is de held van dezen dag--de leeuw van Modderspruit!"
"En mijn beide andere zonen?" vraagt zij vol moederlijke vreeze.
"Zij leven en zijn gezond--ik zal zien, dat ik hen opspoor."
Hij roept een adjudant, en geeft hem de noodige orders.
't Is een vlugge kerel, die adjudant, dat moet gezegd worden.
Binnen veertig minuten is hij terug, en hij komt niet alleen.
Drie jonge Boeren vergezellen hem, springen van hun paarden, en vallen hun moeder om den hals.
Ach, dat is toch een treffend wederzien!
De kommandant keert zich om, en wischt met de ruige hand een paar tranen weg.
Het is een onuitsprekelijk oogenblik.
"Wij hebben het brullen der kanonnen op dezen dag wel gehoord," zegt moeder Wessels, "en wij hebben tot God geroepen, wij alle drie, voor uw dierbaar leven!"
"En zoo is dat gebed verhoord," vervolgt zij, diep bewogen, "de naam des Heeren zij geloofd!"
Op den laten avond van dezen dag zien wij de familiegroep nog eens, nu niet op het slagveld van Modderspruit, maar op het slagveld van Elandslaagte.
Het terrein vertoont nog de veelvuldige sporen en verwoestingen van den slag. In de nabijheid van een gebroken ossenwagen, waarvan het zeil door de kanonskogels tot flarden werd geschoten, en een vernageld kanon, dat omver is gekanteld, ligt de klipheuvel, waaronder Gijs Wessels en zijn zoon Danie slapen den langen slaap des doods.
Dicht bij het graf, op een stil, vredig plekje, daar zetten zij zich neder.
De jonge jager zit vlak naast zijn moeder; tegenover hem zitten Truida en Janske. Truida draagt het stemmig kleed eener liefdezuster bij het Roode Kruis.
Hij houdt de handen zijner moeder vast tusschen zijn sterke handen; Kees en Karel zitten neergehurkt aan haar schoot.
Het zwaar en diep smartelijk verlies, dat hen heeft getroffen, heeft de achterblijvenden nog inniger aan elkander verbonden.
Dat doet de gemeenschappelijke smart; zij bindt sterker dan de vreugde.
En nu vertelt Louis zijn wedervaren. Ook Truida wordt daarbij genoemd--hoe kan het anders?
Moeder Wessels' hand gaat langzaam en liefkozend over Truida's gelaat.
"Ik heb niet aan u getwijfeld, mijn dochterke," zegt ze teeder; "ik wist wel, dat de Heere op Zijn tijd den blinddoek zou scheuren, en u laten zien, aan welke zijde het recht en de waarheid zijn."
In dat antwoord komt de ware Afrikaansche vrouw weer boven, wier hart klopt voor recht, vrijheid en vaderland.
Ook Kees vertelt zijn wedervaren--dat moorddadige gevecht bij Talanaheuvel, waar hij acht uur lang pal stond onder een bommenregen, die de Natalsche heuvels deed beven.
De maan is nu opgegaan aan den lichtenden horizon, en een diepe, wonderbare vrede daalt neder op het landschap. En niets wordt gehoord in den stillen zomeravond dan het gefluister van deze menschen, die elkander zoo innig liefhebben.
"Maar gìj hebt mij nog niets verteld," zegt moeder Wessels tot Karel, die thans haar jongste zoon is.
Hij vleit zich dichter aan het moederhart en zegt: "In den slag van Talanaheuvel zag een onzer burgers een Engelschen huzaar zwaar gewond op het veld liggen. Toen de burger den zwaargewonde voorbij reed, smeekte de huzaar om water, want hij versmachtte van dorst. Zoo reikte de burger--Botha was zijn naam--den gewonde de veldflesch. Maar de man was te zwak om de flesch aan te nemen, en Botha steeg van zijn paard, richtte het hoofd van den stervende op en laafde hem. Hij keek den burger aan met een dankbaren blik, en vraagde naar die twee dappere veldheeren, die daar rechts en links van het Transvaalsche leger op en neer reden, de strijdenden bemoedigende en aanvurende. Zij waren in witte kleeding en zaten op witte paarden, en hadden ieder een vlag in de hand.
"Ik ken die vlag niet," ging de stervende als droomend voort. "Ach, wat hebben wij op hen geschoten, maar het was alles voor niet; onze beste scherpschutters konden hen niet raken."
Doch onze burger schudde het hoofd, want hij kende die generaals niet, en de stervende zeide: "Dan moeten het engelen zijn geweest;" en hij stierf.....
Er begint een zacht windje te luwen; de grashalmen ritselen; de toppen van het geboomte bewegen zich als in een droom.
Het is nu laat geworden.
Uit de verte komt een ossewagen aanhotsen, die door Truida is besteld, en hen naar de woning van Arend Uys zal brengen. Morgen zullen moeder Wessels en Janske weer vertrekken naar Wonderfontein.
Zoo staat moeder Wessels dan op. De maan beschijnt haar edel, door smart gewijd gelaat, doch een wondere veerkracht tintelt uit haar blauwe oogen.
Haar jonge sterke zonen staan vlak voor haar.
"Mijn kinderen," zegt ze, "mijn geliefde kinderen! Wij gaan u nu verlaten, maar God zal u niet verlaten. Uw vader en uw broeder zijn gevallen als helden voor een rechtvaardige zaak, en zij hebben niet voor zichzelven gestreden, maar voor het behoud van het heilig pand, dat de almachtige God aan ons volk heeft toevertrouwd. En zij zullen blinken en schitteren als sterren eeuwiglijk en altoos, omdat zij getrouw zijn geweest tot den dood."
Zij zwijgt een oogenblik.
Hare oogen staren naar de verte als de oogen eener profetes, doch Louis kan zich niet langer bedwingen.
"Mijn moeder, mijn moeder!" barst hij luid en snikkend uit, "nu zijt gij niets dan een arme, zwakke weduwe!"
"Beklaag mij niet, mijn jongen," zegt zij met langzame, plechtige stem, "want ik beklaag immers ook ù niet. Uw vader rust hier onder de harde klippen--nu zal de almachtige God uw Vader zijn; ik ben een weduwe, maar Hij zal mijn Rechter zijn--mijn Rèchter tegenover Engeland!"
"Beklaagt mij niet, mijne kinderen," vervolgt zij teeder en innig, "maar beklaagt die arme, arme koningin van Engeland, wier grijze haren, zoo zij straks in de doodskist zal liggen, bespat zullen zijn met het onschuldig hartebloed van twee kleine volken."
"Zullen wij overwinnen?" vraagt Karel met zachte stem.
"Ja, mijn jongen," zegt ze op vasten toon, "ons volk zal overwinnen."
"Spoedig, moeder?" vraagt hij.
"Mijn kind," zegt ze terechtwijzend, en zij geeft de gedachten van haar gesneuvelden echtgenoot weer, "hoe kunt gij dat vragen! De worsteling van het Afrikaansche volk tegen het machtige Engeland is begonnen met den moord van Slachtersnek, en deze oorlog is slechts een nieuwe, scherpe en bloedige vorm in de lange worsteling. Ons volk heeft nu vijf en tachtig jaar gestreden, en wij weten niet, wanneer de worsteling zal eindigen. Misschien met dezen oorlog--misschien over vijftien jaar--wie zal het zeggen? Ja, ons volk kan tijdelijk ondergaan, en tòch zal de worsteling eindigen in de zegepraal! De groote Smelter heeft zich neergezet, en het goud wordt gelouterd. En als het goud gelouterd is in den gloedoven, dan bluscht Hij het vuur!"
Zij legt de handen op de hoofden van haar zonen.
Zij knielen voor haar neder.
"Mijn gebed, geliefde kinderen," zegt zij langzaam, en er nokken tranen door haar stem, "gaat voor u op dag en nacht! De God uwer vaderen zegene u, en vervulle uwe harten met kracht en heldenmoed!"
Het drietal rijst nu overeind.
Moeder Wessels omhelst hen en kust hen; dan nemen zij afscheid van Janske en Truida.
"God zij met u, Louis," zegt Truida nog.
"God zegene u in het werk der menschenliefde," zegt Louis hartelijk.
Toen scheidden zij.
En Gijs Wessels en zijn zoon Danie zijn eenzaam achtergebleven op het doodenveld van Elandslaagte.
Daar slapen zij, onder de harde klippen van Natal. En misschien zullen zij nog lang moeten slapen, voordat zij ontwaken. Maar ontwaken zullen zij--zij zullen vroolijk ontwaken!
Want de nacht gaat voorbij en de duisternis en het geweld van den onrechtvaardige--en de morgen komt, de blijde morgen, dien onze harten biddend verbeiden!
AANTEEKENING
[1] Gezouten paarden zijn paarden, die de Afrikaansche paardeziekte hebben doorstaan, en daarom groote waarde hebben.
End of Project Gutenberg's De Leeuw van Modderspruit, by Louwrens Penning