De Leeuw van Modderspruit Een verhaal uit den Engelsch-Zuid-Afrikaanschen Oorlog 1899-1900

Part 10

Chapter 103,987 wordsPublic domain

"O Truida!" roept hij uit, "nu verstaan wij elkander. Gij behoort tot die kleine schaar der onzen, bij wie de liefde tot ons volk uitslaat als een vlam. God heeft zelf dat vuur ontstoken in uw hart--gij zult er al de zoetheid maar ook al de smart van proeven."

"En mijne liefde behoudt gij," zegt zij teeder, "en mijne liefde gaat met u mede naar de loeiende slagvelden."

"O Louis," zegt ze in uitbarstende aandoening, "mijn held en mijn ridder! Ach, kon ik met u meegaan in den strijd, om uw wonden te verbinden, en u bij te staan, als de kogel uw borst doorboort!"

"Niet zoo angstvallig, Truida," troost hij. "Zie ik er uit, alsof ik reeds door den dood ben geteekend?"

Hij rekt zijn krachtige spieren--een beeld van jonge, mannelijke kracht.

Maar uit de verte komt thans de donder van het kanon, dat om voedsel brult, en het geknetter van het geweervuur.

HOOFDSTUK XIX.

Een groep Boeren zat om het wachtvuur.

Zij behoorden tot de voorhoede der kommando's van Lukas Meyer en Erasmus, die na de inneming van Dundee op Zondag 22 October de afgebeulde bataljons van generaal Yule voor zich uitjoegen.

"En vertel ons nu eens, Barend," zeide een jonge Boer, "hoe jij aan die Rooinekken zijt ontsnapt."

Barend stopte zijn pijp, stak bedaard aan en begon.

"Ik heb je al gezegd, dat ik voorleden Zaterdag wat eigenzinnig was. Het ging me toch aan mijn hart, dat we zouden verslagen worden, en dat kon ik maar niet verkroppen. Ik nam me voor, tenminste twaalf van die Rooiës neer te leggen. Goed, ik had er tien, Kees, toen je broer Louis mij op den schouder klopte, en mij waarschuwde, dat het tijd werd. Ik zeg: "Ik moet er nog twee hebben, dan ga ik." Enfin, één kreeg ik er nog, al was het maar een magere, maar ik begreep toch, dat ik den twaalfde voorloopig te goed moest houden, want mijn laatste patroon was verschoten, en de Rooiës kwamen als paddestoelen uit den grond opzetten. Ik zag ze overal: van voren, van achteren, terzijde, en toen smeerde ik 'm. Ik zocht natuurlijk mijn hit te bereiken, zoo'n echt koppig beest, maar wat blief je? Een bom vloog vlak voor zijn neus in den grond, en ik zag den hit in mijn verbeelding al in de lucht vliegen. Maar mis, hoor! De bom deed niks, en de hit was waarschijnlijk in de meening, dat dit een nieuwe manier was van paarden afvoeren. Tenminste hij kraste met zijn gele, lange tanden tegen de bom, en wou ze waarschijnlijk voor roggebrood opeten. Ik zeg: "Kom beestje, dat is geen vreten voor jou," maar op hetzelfde oogenblik kwam er een tweede bom, een echte leelijkert, die mij tegen den grond slingerde, en toen ik weer overeind was, had ik de teugels van den voorhit om zoo te zeggen in mijn handen, maar de achterhit was geblazen! Ik maakte echter, dat ik hier vandaan kwam, want zooveel verstand had ik wel, dat ik begreep, dat het hier niet erg gezond was.

"Ik liep zoo hard als ik kon, maar de cavalerie zat mij op de hielen, en kwam al nader. Nu, dat is zoo glad als een klontje, tegen zoo'n knol kun je 't niet uithouden. Maar ik had toch nog geen zin, om mij over te geven, en toen de huzaar schreeuwde: "Sta, vlegel, of ik schiet," toen werd ik heelemaal dwars. Daar nam hij echter zijn kogelspuit, en een kogel floot mij dicht bij mijn ooren voorbij. Toen bleef ik dan maar in vredesnaam staan, en stak mijn tien geboden omhoog.

"Hij was gauw bij mij, en ik keek hem verbaasd in 't gelaat, want ik meende, dat mottige gezicht wel meer gezien te hebben.

"Geef op je wapens," schreeuwde hij met vervaarlijke stem, en toen ik die stem hoorde, was al mijn twijfel verdwenen, want het was de mottige Janus zoo zeker als een huis; de mottige Janus, weet je, met wien ik volle tien maanden bij een paardekooper in Pieter-Maritsburg had gediend.

"Ik zeg: "Janus, geef me de hand, kerel--hoe maak je 't?"

De jonge Boeren hadden wonder veel schik, en proestten het uit van den lach, terwijl Barend een stuk droog hout wierp op het vuur, zoodat de vlammen hoog uitsloegen.

"Janus' gezicht was onbetaalbaar; hij had nooit tot de vlugsten behoord, en keek mij aan, alsof hij het te Keulen hoorde donderen. En een oogenblik kwam bij mij de gedachte op, om bij hem in 't zaâl te springen, en den mottigen Janus met zijn mageren bok over te transporteeren naar de zijde, waar recht en vrijheid zijn te vinden. Maar ik durfde het toch niet aan, want het zwermde overal van die moordlustige lanciers en dragonders, en ik gaf hem het geweer over. "Janus, ken je me nu nòg niet?" vraagde ik, en jawel--nu kende hij mij dan toch. "Jij bent Barend Blikoortje," zeide hij lachend. "En waarom heb je mij zoo buiten adem gejaagd, Janus?" vraagde ik; "ik zal 't aan je moeder zeggen bij gelegenheid, maat!" "Kan ik dat helpen?" zeide hij ietwat driftig; "'t is oorlog, man!" "Maar die heele oorlog is toch maar apekool," zeide ik, "en wij verdienden eigenlijk allemaal in een krankzinnigengesticht te worden opgesloten, Janus, omdat wij elkander zoo maar goedsmoeds gaan doodschieten--waarom heb jij op mij geschoten, Janus?"

"Hij haalde de schouders op. "Dat deed ik zoo maar eens voor de variatie, Barend!" "Maar jij hadt mij licht kunnen doodschieten, Janus!" "Toch niet, Barend--ik schoot den anderen kant uit; ik wou je niet raken."

"Maar dat loog hij. "Zoo moet jij niet praten, Janus," zeide ik met nadruk; "ik heb gezien, hoe jij met je kogelspuit op mij miktet, en dat is dan de dank voor al de lekkere kopjes koffie met suiker, die jij bij mijn moeder hebt opgelept--het menschdom wordt tegenwoordig slecht, Janus, echt miserabel slecht."

"Hij kwam heelemaal onder den indruk, en ik had al de stille hoop, dat de mottige Janus mij uit oude vriendschap zou laten loopen, toen daar net om den hoek van een heuvel een patrouille infanterie kwam aanzetten. Enfin, toen werd het gekker. Zij namen mij mee, bonden mij, toen ik eenige verdachte pogingen maakte, om weg te komen, stevig vast, en gooiden mij in een ossewagen.

"Nadat wij een eind waren gereden, en mijn leden waren geradbraakt door het hotsen van dien ellendigen wagen, werd halt gehouden, en ik werd in een kleine tent gebracht: in het aangename gezelschap van een korporaal, twee Hooglanders en een emmertje whiskey. 't Was nu nacht, en de eene Hooglander zeide: "Ik heb pijn in mijn lijf--ik moet een pierenverschrikkertje hebben," en hij nam een slok. De andere zeide: "Is dat hier een klimaat--ik ga dood, als ik ook niet een slokje krijg!" en hij deed van 't zelfde. Zoo dronken zij dan tegen elkander op--neen, laat me de waarheid zeggen, 't was zùipen, en zij rolden om, zoo dronken als een kanon.

"Ik dacht: Barend, als het geluk je nu dienen wil, dan begint de korporaal ook te drinken, maar dat liep mis. 't Was er een van de blauwe knoop, weet je. Enfin, 't was tamelijk donker in de tent; we hadden niets dan het licht van een gloeiënden spijker in een gedeukte lantaarn. Ik ontdekte echter een scherpe, ijzeren pin, die in den grond was bevestigd, en veilde daarop de kluisters van mijn handen langzaam door.

"Wat krast daar toch allemaal?" vraagde de korporaal, die afschuwelijk wantrouwend was.

"Dat zijn de muizen, die het tentlinnen ruiken," antwoordde ik bedaard.

"Muizen," zeide hij op verachtelijken. maar eenigszins stotterenden toon, want hij kon niet vlug spreken--"muizen! maak dat aan je grootje wijs!"

"Daar begint het al weer," zeide hij na een pauze, maar ik had den laatsten draad nu af geveild, en sprong op als een razende. "Ha!" schreeuwde ik met een vervaarlijke stem, en de kerel werd zoo wit als een lijk. Hij dacht zeker, dat ik aan vlagen van tijdelijke verstandsverbijstering onderhevig was, maar toen ik hem een stevigen prop in den mond had gestopt, den revolver had weggepakt, waarnaar hij greep, en zijn handen stevig had gebonden, zal hij denkelijk wel betere gedachten van mij hebben gekregen."

"Dat zal waar zijn," grinnikten de toehoorders.

"Maar de mooiste grap komt nog," ging Barend voort. "Ik had mijn handen nu vrij, trok den korporaal de sabel uit de scheede, en sneed het dikke kabeltouw door, waarmee mijn voeten waren gekluisterd. Ik had nu wel heen kunnen gaan, maar het was toch gevaarlijk in mijn Boerenbaaijtje, en ik dacht: zoo'n korporaalsjas zal je ook wel staan."

"Louis is er voorleden Zaterdag op dezelfde manier doorgekomen," zeide Karel Wessels.

"Ik zeg dus," ging Barend voort, "tot het korporaaltje: ik heb je jas noodig, vrindschap, en als ik je later ook een genoegen kan doen, dan vraag je maar naar Barend Blikoortje."

"Hij vond het zeker erg plezierig, dat gij hem den jas uittrokt?" vraagden de jonge Boeren met een schaterlach.

"Dat kan ik juist niet zeggen," meende de leuke verteller; "zijn oogen rolden als van een wild geworden stier. Dat speet mij echter, want ik was aangenaam gestemd, en hem op den schouder tikkend, zeide ik heel vriendelijk: "Niet kwaad worden, maat--je weet ook wel, ik ben eenigszins gepresseerd."

"Maar dat vriendschappelijk woord had mij bijna in de klem gebracht, want ik was de tent nog niet uit, of een officier trad binnen. "Waar is de gevangene?" riep hij op barschen toon. "Dáár," zeide ik doodbedaard--"ik heb hem een stevigen prop in den mond moeten steken, luitenant, want hij zou al de kleine kinderen wakker schreeuwen."

"Goed zoo--dat tuig!" zeide de luitenant, "maar ik durfde van de goedheid van den officier niet te veel te vergen, sprong de tent uit, en tuimelde bijna tegen het officierspaard aan."

"Jouw tegenwoordige klepper?" vraagde een Boer.

Barend knikte bevestigend en ging voort: "De verzoeking was mij te machtig, jongens; ik sprong er op. Het was een fijn paard--enfin, ge hebt het gezien--zuiver ras, volbloed, en ik voelde me in mijn korporaalsjas en op dien mooien schimmel den koning te rijk. Ik had dien luitenant en dien korporaal allebei wel om den hals willen vallen; zoo'n plezier had ik. Enfin, ik reed naar den achterkant der tent, want ik was toch nieuwsgierig, hoe dat zou afloopen, en ik had in mijn ziel te doen met dien ongelukkigen ridder van de blauwe knoop."

"Ja, dat gelooven we," lachten de Boeren.

"Ik hoorde in het eerst niets dan een vreeselijk lawaai van den officier. Toen werd het stil. Ik dacht: Nu haalt hij dien ongelukkigen korporaal de prop uit den mond. Dat klopte, want even later hoorde ik de stem van den laatste. Hij scheen erg opgewonden, en stotterde natuurlijk vreeselijk. Het was hem onmogelijk om te zeggen, wat er gebeurd was. "Zing het dan maar," brulde de luitenant, "zing het dan toch, stomme ezel!" Toen begon de korporaal zijn laatste ondervindingen te zingen."

De Boeren schaterden van plezier. "Hier Barend, steek een sigaar op," zeide de zoon van een landdrost, "een fijne--Havannadekblad, hoor!" Barend beet er de punt af, en stak ze als een geboren heer tusschen zijn sterke tanden.

"Ja, 't was een miserabel gezang," lachte Barend, "en de luitenant en ik hadden er gauw genoeg van. Hij vloog de tent uit, om misschien tusschen vier oogen nog een hartelijk woordje met mij te spreken, maar ik gaf mijn schimmel de sporen. Enfin, 't werd een heele herrie. De officier maakte een buitensporige drukte, en de Roodbaatjes kwamen aanzetten als een opgeschrikte bijenzwerm.

"Daar gaat hij!" schreeuwde de officier, "daar!" "Waar dan toch--waar?" schreeuwden de Roodbaatjes. "Daar--wel daar!" bulderde de luitenant, maar hij wist het zelf niet meer, want de duisternis en de motregen hadden mij en mijn schimmel snel aan zijn oogen onttrokken.

Op dit oogenblik naderde de jonge jager de groep.

"Barend," zeide hij, "sta op--ik moet je spreken!"

HOOFDSTUK XX.

De jonge jager was 's morgens vroeg opgestaan, en met een verkenningstroep van minstens honderd manschappen--hij was met eenparigen wensch tot adsistent-veldkornet bevorderd--het veld ingereden.

Onderweg naderde hem een man, gekleed in de Natalsche arbeidersdracht, die den jongen jager klaarblijkelijk alleen wilde spreken.

Zoo ging hij dan met den onbekende achter een doornboschje.

"Kent gij mij niet meer?" vraagde de Nataller.

De jonge jager schudde het hoofd.

"U bent mijnheer Wessels, mijnheer Louis Wessels."

De jonge jager verwonderde zich. "Hoe ken je mij, en wie ben jij?"

"Ik ben Bob," zeide de Nataller--"Bob!"

Nu herkende Louis hem toch, maar zijn gelaat betrok, want zijn geheele ziel was met den oorlog vervuld, en nu kwam deze man, om met een mooi praatje een fooi los te maken.

Hij voelde in zijn zakken, doch de Nataller raadde zijn gedachten, en zeide bedaard: "Ik kom niet bedelen, mijnheer; God heeft mij gezegend, mijn vrouw is hersteld, en ik verdien voor mij en mijn gezin tegenwoordig rijk mijn brood."

Louis voelde zich eenigszins beschaamd, maar was tevens aangenaam verrast.

"Ik ben er recht blijde om, Bob," zeide hij vriendelijk.

"En nu wil ik u mijn dankbaarheid toonen," zeide de Nataller, "door u te waarschuwen, want er schuilt verraad onder uw kommando's."

"Verraad?" zeide de jonge jager ongeloovig; "ge vergist je, Bob!"

"Uw vijand werkt met staal en goud," meende Bob, "maar zijn goud is gevaarlijker dan zijn staal."

"Noem mij de verraders," zeide Louis met eenig ongeduld.

"Eén weet ik er," zeide de Nataller.

"Noem hem dan, Bob!" zeide Wessels iets vriendelijker.

"Ik ben den naam vergeten, mijnheer Wessels!"

De jonge jager lachte.

"'t Begint kinderwerk te worden, Bobbie!"

"Als ik den naam hoor, dan weet ik hem."

De jonge jager noemde wel vijftien namen, maar telkens schudde de Nataller met het hoofd.

"Kent gij hem, Bob?"

"Ja--ik heb hem gezien."

"Kijk dan, of hij onder mijn manschappen schuilt."

De Nataller ging met den jongen jager mee.

De oudere Boeren zaten in kleine groepen te rooken, en druk over de oorlogskansen te spreken; de jongeren gooiden elkander met aardkluiten, en hadden veel plezier.

De Nataller schudde het hoofd.

"Ik zie hem niet," zeide hij.

De jonge jager begon driftig te worden--was deze Nataller gekomen, om een loopje met hem te nemen?

Hij keek hem aan met een langen, vorschenden blik.

Maar de Nataller doorstond den speurenden jagersblik. Zijn vereelte handen rustten bedaard op den langen herderstaf, dien hij bij zich had, en op dat breed maar door vroegere zorgen te snel gerimpeld gelaat lag eerlijkheid en goede, blanke trouw.

"Heet de verrader soms Blijvenstein?" vraagde Louis plotseling.

"Dat is hij," antwoordde de Nataller; "ja, dat is hij--Blijvenstein!" en er kwam een trek van voldoening op zijn breed gelaat.

De jonge jager lachte weer ongeloovig.

"Blijvenstein--hij is veel te bang voor zijn corpus, Bob."

"Toch is het waar, mijnheer. Hij staat in verbinding met een Kaffer uit deze streken, die geregeld de boodschappen overbrengt, welke gewisseld worden tusschen Blijvenstein en een Engelschen officier."

"Wat is de verrader van plan, Bob?"

"Dat weet ik niet, mijnheer! Ik wilde u slechts waarschuwen."

"Ik dank je, Bob--wij moeten nu weg--komt gij soms nog bij baas Arend Uys van de week?"

"Morgen, denk ik."

"Doe de familie de groete, en zeg, dat ik nog goed gezond ben."

Zoo scheidden zij.

De Boeren hadden weer opgezadeld, en reden nu snel door. Het doel was het onderscheppen van een Engelsch convooi, en bij de kromming van den hollen weg liet de jonge jager halt houden.

Hij beklom een hoogen heuvel, en nam den verrekijker.

Hoog in de lucht zwierf een troep aasvogels voorbij. Zij kwamen op den reuk aan van het bloed, dat opdampte van de heuvelen van Rietfontein. En toen die vlucht aasvogels verdween in de heldere, ijle lucht, was het weer stil--maar daar--wijd in de verte--werd een klein stofwolkje zichtbaar.

De jonge jager richtte al zijn aandacht op dat wolkje. Het werd grooter--men kon het reeds zien met het bloote oog.

"Het convooi!" riep hij met een triumfeerenden klank in zijn. stem, snelde naar beneden, en gaf met de vaardigheid van een grijs geworden aanvoerder zijn bevelen.

De ossen sleepten het convooi langzaam voort over den zanderigen, hollen weg; de bedekking bestond uit een veertigtal Natalsche vrijwilligers, die als een bijenzwerm om het convooi heenzwierven. Zij hadden nu den vijand ontdekt, die hen wilde òmtrekken, sprongen van hun paarden, en opklauterend tegen de heuvelen, die den hollen weg insloten, openden zij het vuur.

"Als ik den bevelhebber maar had!" dacht Louis, en hij lag, uitstekend gedekt door een zwaren klipsteen, op de loer als de jager op het wild. Hij was de beste scherpschutter van het geheele kommando; zelfs Barend, die op honderd meter afstands met bijna onfeilbare zekerheid het wit raakte in de roos, kon niet tegen Louis Wessels op.

Daar rees langzaam een hoed op achter een klipje; een struisvogelveer, er boven op bevestigd, wapperde in den wind.

"Dat zal hij zijn," dacht de jonge jager, en de rimpel werd diep en dreigend op zijn voorhoofd.

"Kom dan op," mompelde hij--"kom dan toch op!"

En langzaam rees de hoed op, en nu waren de oogen--nu was het gelaat zichtbaar--vuur!

Neen, de jager vuurde niet. Het was de eerste keer in zijn leven, dat de prooi hem ontsnapte. Hij liet het geweer vallen, en de laatste bloeddrup week uit zijn gelaat.

Hij sprong op, zwaaide met den hoed als een razende, om het gevecht te staken, en snelde ongewapend den vijand te gemoet.

"John," riep hij, den Natalschen bevelhebber de hand reikend--"John Walker, vriend, broeder! dat heeft God niet willen gedoogen, dat ik u zou doodschieten!"

"Louis," zeide John--"'t is de oorlog, mijn vriend!"

"Ja, de ware burgeroorlog," steunde Louis.

"Hoe is het met uw vader?" vraagde John vriendelijk.

"Dood!" zeide Louis.

"En Danie, dat teêre ventje?"

"Dood!" zeide Louis.

"Dood!" herhaalde de Natalsche Vrijwilliger.

Zijn oogen werden vochtig, en er ging een groote droefheid door zijn ziel.

"Dat gij tegen ons kunt vechten!" klaagde Louis, en er lag een ernstig verwijt in zijn stem.

"Ik heb het u vooraf gezegd, Louis, dat ik deze kolonie zou verdedigen, als gijlieden een inval deedt. Als de kommando's teruggetrokken zijn uit Natal, hang ik het geweer aan den wand."

"Wij konden niet anders, John!"

"En ik kon ook niet anders, Louis--bedenk, dat ik uit Engelsche ouders ben geboren. Ik kan mijn bloed niet verloochenen, en ik sta op dit standpunt, dat gij Boeren niet hadt moeten beginnen met den oorlog."

"Ik zal mijn manschappen laten terugtrekken," zeide Louis; "ik meende dit convooi te onderscheppen, maar ik kan het dezen keer niet doen--ga in vrede!"

Er ging een aarzeling over het gelaat van den Natalschen bevelhebber, maar die aarzeling verdween, en terwijl hij de linkerhand legde op den schouder van zijn vriend, wees hij met de rechterhand naar den horizon.

"Ik mag het niet zeggen, Louis, maar om al de liefde, die ik op Wonderfontein heb genoten, kan ik het niet zwijgen--ginds is generaal French met 3000 man cavalerie."

De jonge jager keek hem aan met groote, verbaasde oogen.

"Binnen een uur zijt gij met uw manschappen gedood of gevangen, als ge niet onmiddellijk terugtrekt."

In de schrandere oogen van den Transvaler werd een lichtstraal zichtbaar.

"Is dat convooi maar een lokaas?" vraagde hij.

"Vraag mij niets!" zeide John langzaam; "jullie Transvalers en Vrijstaters zult nog veel, heel veel moeten leeren--wacht je voor de verraders!"

Hij boog zich dicht voor de ooren van den jongen jager:--"Wacht je voor dien Blijvenstein!"

Louis antwoordde niets. Hij drukte de hand van zijn vriend tot afscheid, en hij drukte ze innig.

Dan gaf hij bevel om op te zadelen.

HOOFDSTUK XXI.

Dat is vandaag gebeurd, en nu roept Louis den jongen Barend.

"Ik heb een gewichtige boodschap voor je, Barend--durf je?"

"Ik ben voor niets of niemand bang, veldkornet."

"'t Is een ernstige zaak, Barend," zegt de jonge jager met nadruk; hij vreest, dat Barend zijn taak te luchthartig zal opnemen.

"Waarover gaat het?" vraagt Barend.

"Wij hebben een verrader in ons midden," fluistert Louis.

"Ik wed, dat ik hem ken!"

"Raad dan eens, Barend!"

"Baas Blijvenstein."

De jonge jager kijkt verrast op.

"Hoe weet je dat, Barend?"

"Wel, dat kun je toch wel zien aan die geniepige, gluiperige tronie."

De jonge jager verwondert zich nog meer; in dezen grappenmaker zit een menschenkenner.

"Ge moet zijn gangen bespieden, Barend. Hij is me van avond zoo onrustig--hij voert zeker iets in het schild."

"Was dat bericht van het convooi ook van hem?"

De jonge jager knikte.

"Ja, ja," mompelde Barend, "ik dacht het wel; hij heeft zijn ziel verkocht aan god Mammon."

Geen half uur later verliet baas Blijvenstein het lager. "Mijn paard is weggeloopen," zeide hij tot de brandwacht; "'t zal een heele toer zijn, om het stomme beest weer te vinden."

Hij had een heelen loop, voordat hij den zwaren lindeboom had bereikt, die bij een kruispunt van den transportweg naast eenig struikgewas stond.

Hij bleef nu staan en bootste den schorren schreeuw van den Makauwvogel na, terwijl de kreet uit het dicht gebladerte van den boom op dezelfde wijs werd beantwoord.

Drie keeren stootte hij den kreet uit, en drie keeren werd hij beantwoord.

Toen gleed een menschelijke gedaante uit den boom.

Het was een man in burgerkleeding, maar de houding, de toon, het optreden verraadden den militair, den Engelschen officier.

"Gij hebt mij afschuwelijk lang laten wachten," zeide de Engelschman op norschen toon.

"Ik kon niet eerder, luitenant."

"Vijf kwartier heb ik in dien verwenschten boom gezeten; de vliegen waren razend, en hebben mij bijna al het bloed uit het lijf gezogen."

"Ik kon werkelijk niet eerder weg, luitenant--Wessels scheen erg wantrouwend vanavond."

"We hadden hem van daag moeten hebben--'t is al erbarmelijk afgeloopen met dat convooi."

Baas Blijvenstein haalde de schouders op.

"'t Is mìjn schuld niet, luitenant!"

"Wiens schuld dan? De mijne misschien?"

"Ik zal 't u uitleggen, luitenant, hoe het gegaan moet zijn."

"Neen, leg mij als je blieft maar niets uit--ge zult je over die zaak hebben te verantwoorden voor den generaal."

"Ik ben een fatsoenlijk man, luitenant, en ik wil niet gewantrouwd worden."

De luitenant barstte in een schaterlach uit, terwijl hij een sigaar aanstak.

"Je bent bepaald grappig vanavond, baas Blijvenstein--welke voorstellen heb je nu?"

"De kommando's der Boeren bewegen zich in een halven cirkel ten noorden van Ladysmith heen, luitenant."

"Dat is oud nieuws, Blijvenstein."

"Zoo--van wien weet u 't?"

"Ik heb zelf in een luchtballon de stellingen der Boeren opgenomen."

Blijvenstein keek behoedzaam achterom, en zeide dan op gedempten toon: "Geef mij tweeduizend soldaten, en ik zal hen op de rechterflank van den vijand brengen, in een prachtige stelling, waar zij een geheel kommando kunnen wegkapen."

"En misschien is er weer geen vijand te bekennen, net als vandaag bij dat convooi."

"Ik ben een fatsoenlijk man, luitenant."

"Natuurlijk, dat ben je."

"Zijn mijn informaties omtrent het leger van Jan Kock niet uitgekomen? Aan wien anders dan aan mìj hebt gij de overwinning van Elandslaagte te danken? Ik ben een fatsoenlijk man, luitenant!"

"Wat gij van Elandslaagte zegt, is waar--zijt gij met den omtrek goed bekend?"

"Ik heb hier tien jaar gewoond, en voor de zekerheid zal ik ook nog een paar Kaffergidsen meebrengen. Ik zal de soldaten langs een absoluut veiligen weg op hun bestemming brengen, en als er geen Boerenkommando te knippen is, dan--maar wat kraakt daar toch in dien doornstruik?"

"'t Is niets, Blijvenstein--spreek door!"

"Als er geen Boerenkommando te knippen is, dan moogt ge me gerust ophangen, luitenant!"

"Wanneer wil je 't doen?"

"'t Moet natuurlijk in den nacht gebeuren--zeg morgenavond--maar wat kràakt daar toch in dat doornboschje, luitenant?"

De officier had het nu ook gehoord.

"Misschien een veldkat," zeide hij, een steen in de richting van den doornstruik werpend.

Het klagend geschrei van een veldkat werd nu gehoord.

"Zie je wel?" zeide de luitenant geruststellend; "het was maar een veldkat."

Nu kwam de finantiëele, voor baas Blijvenstein zeker de gewichtigste zijde van de zaak.