Part 99
[2214] Het woord, dat als titel voor dit hoofdstuk dient, beteekent bijna hetzelfde als datgene, wat voor den titel van het voorgaande is gebruikt. Deze twee hoofdstukken worden als de eerste der openbaring beschouwd. Volgens de overlevering zou Mahomet het volgende hebben verhaald: "Eens op een dag bevond ik mij te Hera, waar ik een stem hoorde, die mij riep. Ik keek rechts en links, maar ik zag niemand: ik wendde mijne oogen omhoog en zag den engel GabriÎl, op den troon tusschen hemel en aarde. Ik werd bang, trad bij Khadidja, mijne vrouw, binnen, en zeide tot haar: Omhul mij met mijnen mantel. Daarop daalde de engel op nieuw neder en riep mij toe: 'O gij, die met uwen mantel zijt omwikkeld.'"
[2215] Men gelooft algemeen, dat de hier bedoelde persoon Al Walid Ebn al Mogheira was (Al Zamakshshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin), een voornaam man onder de KoreÔshieten.
[2216] Door zijne komst tot macht en waardigheid te vergemakkelijken, die zoo aanzienlijk waren, dat hij Rih‚na Konreisch werd bijgenaamd, zijnde "de liefelijke geur der KoreÔshieten" en al Walid, zijnde "de eenige of onvergelijkelijke" (Al Beid‚wi).
[2217] Dit is: Al zijne schepsels: en bijzonder het aantal en de kracht der helwachters.
[2218] Zie Hoofdstuk LII, vers 21.
[2219] Woordelijk: Datgene wat zeker is.
[2220] Of: ik zal niet zweren (Zie Hoofdstuk LVI, vers 74).
[2221] Of het goede dat hij heeft verricht, en datgene wat hij ongedaan, heeft gelaten, enz.
[2222] Zijnde: En als hij zijne beenen te zamen zal uitstrekken, zooals bij lijden het geval is. De woorden kunnen ook worden vertaald: En als eene bedroeving met eene andere bedroeving zal worden vereenigd.
[2223] Sommigen veronderstellen, dat hier bijzonder Aboe Jahl en anderen zekere Adi Ebn Rabia wordt bedoeld.
[2224] Het is eenigszins twijfelachtig of dit Hoofdstuk te Mekka, dan wel te Medina werd geopenbaard.
[2225] Opdat hij in staat zou wezen, de wetten en leidingen te ontvangen, die hem door God tot gids zijn gegeven (Al Beid‚wi) en de belooning of de straf te verdienen, door die wetten enz. na te komen of te verwaarloozen.
[2226] Dit is de naam van een fontein in het paradijs, aldus genaamd door zijne overeenkomst in geur en witheid met kamfer (hetgeen dat woord mede beteekent). Sommigen vatten het woord anders op, en gelooven dat de wijn van het paradijs met kamfer zal vermengd worden, wegens zijne aangename koelheid en geur (Al Beid‚wi).
[2227] Volgens de uitleggers hebben de verzen 7 en 8 betrekking op Ali en zijne familie. Hassan en Hossein, zoons van Ali, waren ziek geworden, waarop Ali en Fatima, zijne vrouw, de gelofte deden, gedurende drie dagen te zullen vasten, indien de kinderen genazen. Maar Ali had reeds sedert den eersten dag niets om er brood van te maken, daar de Muzelmannen op een vastendag, evenals bij de IsraÎlieten, eerst na zonsondergang voedsel genieten. Hij leende daarop meel bij een Jood en Fatima bakte er vijf brooden van. Hierop komt een arme die iets te eten vraagt: men geeft hem de vijf brooden, en het gezin brengt den nacht door zonder iets te nuttigen. Den volgenden dag wordt het op nieuw bereide brood aan een wees, en den derden dag aan een balling gegeven. De engel GabriÎl komt nu aan Mahomet op deze plaats geluk wenschen, met de goede daad door zijne familie verricht.
[2228] Daar zij beider licht niet noodig hebben (zie Openb. XXI, 23). Het woord Zamharir hier met "maan" vertaald, beteekent eigenlijk eene groote koude. Sommigen meenen daardoor, dat de beteekenis dezer plaats is, dat in het paradijs geene groote koude of hitte zal worden gevoeld.
[2229] Het woord beteekent gember, hetwelk de Arabieren gaarne met het water mengen dat zij drinken. Het water van deze fontein wordt dientengevolge verondersteld, den smaak van die specerij te hebben (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2230] Zijnde de dag des oordeels.
[2231] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15, en XXXI, vers 9.
[2232] Dit is de engel des doods en zijne helpers, die de zielen der zondaren op ruwe en vreeselijke wijze uit de binnenste deelen huns lichaams zullen nemen, zooals een mensch een voorwerp van den bodem der zee opvischt. De zielen der rechtvaardigen zullen zij echter op voorzichtige en zachte wijze van hunne lippen afnemen, zooals een mensch met ÈÈn haal een emmer water put (Al Beid‚wi).
[2233] Zie Hoofdstuk XX, vers 12.
[2234] Eens was Mahomet in gesprek met eenige voorname KoreÔshieten welke hij wilde bekeeren, toen een blinde, Abdallah Ebn Omm Mactum genaamd, tot hem kwam, en hem over een godsdienstig punt wilde ondervragen. Mahomet, teleurgesteld door deze stoornis, fronste de wenkbrauwen en wendde hem den rug toe. Hierover wordt hij in dit Hoofdstuk gelaakt. Sedert dien tijd betoonde Mahomet altijd veel eerbied voor Ebn Omm Mactum en zeide: de man is mij welkom, om wien ik door mijn Heer gegispt werd. Twee malen benoemde hij hem tot bestuurder van Medina (Zamakhshari).
[2235] Zijnde overgeschreven van de welbewaarde tafel, die alleen door de engelen wordt aangeraakt. Sommigen verstaan daardoor de boeken der profeten, waarmede de Koran in de hoofdzaak zou overeenkomen (Zamakhsari).
[2236] Ditzelfde woord wordt in het Arabisch gebruikt als men van den tulband spreekt. Men moet zich dus de zon als een kegel voorstellen, van eene buigbare stof gemaakt. Hetzelfde woord beteekent ook het loshaken en nederwerpen van een voorwerp; deze beteekenis zou misschien natuurlijker wezen.
[2237] De afgodendienende Arabieren beschouwen namelijk de geboorte der dochters als een ongeluk, en ontdeden zich dikwijls van deze, door haar levend te verbranden. Zie Hoofdstuk XVI, vers 61.
[2238] Of afgestroopt van hunne plaats, zooals de huid van een kameel. Mabracci is van meening, dat deze plaats betrekking heeft op diegene der psalmen (Psalm CIV, 2), waar, overeenkomstig de lezingen der Septuaginta en Vulgata, gezegd wordt, dat God den hemel als eene huid heeft uitgestrekt.
[2239] Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.
[2240] Zijnde GabriÎl.
[2241] Zie Hoofdstuk LIII, vers 7.
[2242] Die de gesprekken der engelen heeft afgeluisterd. Dit vers is een antwoord op eene lastering der ongeloovigen, die zeiden, dat de Koran slechts een tooverstuk was. De Arabieren veronderstellen namelijk dat de waarzegger of toovenaar zijne denkbeelden ontvangt van de booze geesten, die steeds zooveel mogelijk van de bewoners des hemels trachten te vernemen.
[2243] Zie Hoofdstuk L, vers 16.
[2244] SidjÓn is een boek, waarin de daden der menschen zijn opgeschreven. SidjÓn of Sedjin is ook een mesthoop onder de zevende aarde het verblijf van Eblis, waar het boek bewaard wordt.
[2245] Dit is het meervoud van het voorgaande woord, dat behalve de reeds gegevene beteekenis, volgens sommigen ook nog eene verheven plaats nabij Gods troon zou beteekenen, voor het verblijf der gelukzaligen bestemd.
[2246] Tasnim is de naam van eene fontein in het Paradijs, aldus genaamd, als zijnde in de hoogste afdeelingen geplaatst.
[2247] Zijnde: Het is den geloovigen door God niet bevolen, den ongeloovigen rekenschap te vragen, of hunne daden te beoordeelen.
[2248] Sommigen zijn van meening dat deze soera te Medina werd geopenbaard.
[2249] Zooals de schatten, die in hare ingewanden zijn verborgen, en de lijken, die in de graven liggen.
[2250] Dit is: in zijne linkerhand; want bij de zondaars zal die hand achter op den rug gebonden zijn, en hunne rechterhand aan hunnen nek.
[2251] Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.
[2252] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk torens, waardoor sommigen veronderstellen, dat het werkelijk torens zijn (Yahya), waarin de engelen verondersteld worden wacht te houden (zie Hoofdstuk XV, vers 16 en Hoofdstuk LXXII, vers 8), terwijl anderen het voor de sterren der eerste grootte houden. Het meerendeel der uitleggers ziet echter in deze uitdrukkingen de twaalf teekens van den dierenriem, (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya).
[2253] Men verschilt omtrent de beteekenis dezer woorden: sommigen meenen, dat met den getuige Mahomet, en met de getuigenis of veeleer, volgens de taalkundige beteekenis van het woord, de zaak waaromtrent men getuigenis aflegt, het geloof wordt bedoeld. Anderen passen deze woorden op zekere wachten toe, die getuigen zijn van de daden der menschen.
[2254] Dit waren de uitvoerders van de vervolging der inwoners van Najr‚n door Dhoe Norvas, koning van Yemen, die den Joodschen godsdienst beleed. Deze hadden namelijk het Christendom omhelsd, waarop de tyran bevel gaf, dat allen die geen afstand van hun geloof wilden doen, in een put zouden geworpen worden, die met vuur gevuld was, en waardoor zij tot asch werden verteerd (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya. Zie Poc. Spec. p. 62. Ecchellens, Hist. Arab. part. I c. 10; en Prid. Life of Mohammed p. 61). Anderen verhalen het echter op andere wijze. (Zie d'Herbelot, Bibl. Orient. Art. Abou Navas).
[2255] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 en volg.
[2256] Zie Hoofdstuk VII, vers 71 en volg.
[2257] Zijnde uit de lendenen van den man en de borstbeenderen der vrouw (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2258] Door hunne verschillende soorten, eigenschappen, levensloop, enz. te bepalen (Al Beid‚wi).
[2259] Niet alleen het redelijk schepsel, door de rede en door de openbaring te leiden, maar ook de redelooze wezens door instinct, enz. (Al Beid‚wi).
[2260] Zie Hoofdstuk LXXV, vers 16.
[2261] Zijnde: behalve de openbaringen, waarvan God de afschaffing en het uitwisschen uit het geheugen noodig acht. Zie Hoofdstuk II, vers 100 en Hoofdstuk LXXV, vers 17.
[2262] Om de openbaring te onthouden, u door GabriÎl medegedeeld.
[2263] Dit is een der namen van den jongsten dag.
[2264] Sommigen zijn van meening, dat dit hoofdstuk te Medina werd geopenbaard.
[2265] Zijnde: de tien heilige nachten der maand Dhoelhajja.
[2266] Deze woorden worden op verschillende wijzen uitgelegd. Sommigen verstaan daardoor alle dingen, anderen alle wezens (die gezegd worden bij paren geschapen te zijn. Zie Hoofdstuk LI, vers 49) en den schepper die eenig is, enz. (Al Zamakhshari).
[2267] Een der koningen van dit volk, Sheddad, een der zonen van Ad, had van het paradijs en zijne genietingen gehoord. Hij kwam daardoor op het denkbeeld, paleizen in zijn land te bouwen, en tuinen aan te leggen, die door hunne pracht en hunne schoonheid een denkbeeld van het paradijs zouden geven. De Oostersche schrijvers en dichters vergelijken schoone plaatsen en fraaie paleizen, dikwijls met de tuinen van Irem. Men zegt dat deze tuinen en gebouwen verwoest werden door een kreet uit den hemel, wegens de misdaden van de volkeren van dat land.
[2268] Zie Hoofdstuk XXXVIII, vers 11.
[2269] Want wereldsche voor- of tegenspoed is geen zeker kenteeken van de gunst of ontevredenheid van God.
[2270] Door niet toe te staan, dat vrouwen of jonge kinderen eenig deel hebben aan de erfenis van hunne echtgenooten of hunne ouders. (Zie Hoofdstuk IV, vers 12 en volg.).
[2271] Niemand zal in staat zijn zoo te straffen en te binden, gelijk als God de zondaren zal straffen en binden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2272] Het heilige grondgebied.
[2273] Sommigen vatten deze woorden in den algemeenen zin op, anderen van Adam, Abraham of hunne nakomelingschap, en van Mahomet in het bijzonder (Al Beid‚wi).
[2274] Sommigen meenen, dat hier op Walid Ebn El Mogheira gezinspeeld wordt, die een der grootste tegenstanders van Mahomet was: anderen gelooven, dat hier sprake is van zekeren Aboel Ashadd Ebn El Calda, die eene herculische kracht bezat.
[2275] Zie Hoofdstuk LVI, vers 8.
[2276] Kedar Ebn Salef. (Zie Hoofdstuk VII, vers 75 en Hoofdstuk IV, vers 27).
[2277] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk het meest verlichte deel van den dag, als de zon het sterkste schijnt; drie of vier uren nadat zij is opgegaan, en ook den dag in het algemeen.
[2278] Men zegt, dat dit vers aan Mahomet werd geopenbaard, toen hij zich bij God beklaagde, wegens het lange uitblijven der hemelsche openbaring, terwijl de afgodendienaars hem met vragen overstelpten, en zijn stilzwijgen te zijnen nadeele uitlegden.
[2279] Door die geschikt en wijder te maken om de waarheid, wijsheid en profetie te ontvangen, of, door u voor onheil en onwetendheid te bewaren? Deze plaats wordt geacht, betrekking te hebben op het openen van Mahomets hart in zijne kindsheid, of toen hij naar den hemel reisde. Bij eene dier beide gelegenheden zou namelijk de engel GabriÎl, den zwarten droppel of het zaad der erfzonde er uitgenomen, en het gewasschen en gezuiverd hebben, waarna hij het met wijsheid en geloof vulde (Al Beid‚wi, Yahya. Zie Abulf, vit. Moh. p. 9. en 33; Prid. Life of Moh. p. 105, enz.).
[2280] Zijnde: van uwe zonden vÛÛr uwe zending bedreven, of van uwe onwetendheid en de ongerustheid van uw gemoed.
[2281] De uitleggers zeggen, dat God bij deze twee vruchten zweert, om haar uitgebreid gebruik en uitnemende hoedanigheden. Sommigen veronderstelden echter, dat hier niet deze vruchten worden bedoeld, maar twee bergen in het Heilige Land, waarop zij in overvloed groeien, of wel de tempels van Damascus en Jeruzalem (Al Zamakhshari, Yahya, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2282] Het grondgebied van Mekka.
[2283] Zijnde: Wij schiepen den mensch naar eene volmaakte evenredigheid van lichaam, en groote volmaaktheid des geestes; nochtans hebben wij hem gedoemd, om, in geval van ongehoorzaamheid, een bewoner der hel te zijn.
[2284] Deze eerste vijf verzen van dit hoofdstuk worden algemeen voor de eerste plaats gehouden, welke van den Koran werd geopenbaard, terwijl Mahomet eenzaam en in gepeins verzonken op den berg Harra was. Sommigen echter zeggen dit van Soera LXXIV.
[2285] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.
[2286] De uitleggers komen daarin overeen, dat het overige gedeelte van dit hoofdstuk tegen Aboe Jahl, Mahomets grootsten tegenstander, werd geopenbaard.
[2287] Aboe Jahl dreigde namelijk, dat indien hij Mahomet gedurende het gebed mocht betrappen, hij zijn voet op diens nek zou plaatsen. Toen hij echter kwam en hem in die houding zag, wendde hij zich plotseling verschrikt af. Men vroeg hem wat daarvan de reden was, en hij antwoordde, dat er een kuil met vuur tusschen en Mahomet geplaatst was, en eene vreeselijke verzameling van manschappen, om dezen te verdedigen (Al Beid‚wi.)
[2288] Zie Hoofdstuk XI, vers 59 noot.
[2289] Zijnde de raad of vergadering der voornaamste bewoners van Mekka, waarvan verreweg het grootste gedeelte partijgangers van Aboe Jahl waren.
[2290] Kadr beteekent macht en eer of waardigheid, en ook de goddelijke of onverwrikbare besluiten. Men zou deze plaats met Hoofdstuk XLIV vers 2 en 3 kunnen vergelijken. Het is in den nacht van al Kadr, welken men gelooft, die van den 23sten of 24sten van de maand Ramadhan te zijn, dat de Koran in zijn geheel aan Mahomet werd geopenbaard. In dien nacht worden de aangelegenheden des heelals vastgesteld, en voor het geheele jaar besloten.
[2291] Zie Hoofdstuk XLIV vers 3.
[2292] Zie hoofdstuk IX, vers 73, noot.
[2293] Deze aardbeving zal bij den eersten of, zooals anderen zeggen, bij den tweeden klank der trompet plaats hebben (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).
[2294] Zijnde: zij zal alle schepselen omtrent de oorzaak harer schudding onderrichten, en hare schatten en hare dooden uitwerpen.
[2295] Zie hoofdstuk IV, vers 44, noot.
[2296] Sommigen willen, dat dit geen paarden zijn, maar de kameelen, die in den slag van Bedr werden gebruikt (Yahya, ex trad. Ali Ebn Abi Taleb).
[2297] Dit is een der namen van den jongsten dag.
[2298] Het oorspronkelijke woord el‚wiyet, is de naam van de onderste afdeeling der hel, en beteekent waarschijnlijk een diepe put of wel een afgrond.
[2299] Of den tijd waarop de zon zijn ondergang nadert, zijnde een der vijf voor het gebed bepaalde tijdstippen. Het oorspronkelijke woord beteekent ook de eeuw of den tijd in het algemeen.
[2300] Deze plaats wordt gezegd tegen Al Akhnas Ebn Shoreik of al Walid Ebn al Mogheira, of wel tegen Ommeyya Ebn Khalf geopenbaard te zijn, die allen van lastering, vooral opzichtens den profeet, beschuldigd werden (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2301] Al-Hotama is een der namen van de hel of van eene harer afdeelingen, aldus genaamd, omdat zij alles in stukken breekt, wat daarin geworpen wordt.
[2302] Dit hoofdstuk heeft betrekking op de volgende omstandigheid: Abraha Ebn al Sarah, bijgenaamd al Ashram (met den gespleten neus), koning of onderkoning van Yemen, een EthiopiÎr van den Christelijken Godsdienst, had te Sanaa een prachtige kerk gebouwd, en dwong de Arabieren daarheen in bedevaart te gaan, in plaats van naar den Caaba-tempel. De KoreÔshieten zonden daarop een man van den stam van Kenanah des nachts naar de kerk welke hij op schandelijke wijze ontheiligde. Abraha ondernam daarop een expeditie naar den Caaba-tempel, ten einde die te verwoesten. Volgens de overlevering verloor Abraha zijn geheel leger, dat door de vogels (ababils) werd aangevallen, die doodelijke pijlen op hen schoten. Toen men Mekka in het gezicht had, knielde de witte olifant, waarop Abraha reed, neder, als een teeken van vereering. Abraha ontving den naam van den meester, of van den man met den olifant; zijn leger, dat van de mannen van den olifant, terwijl het jaar der expeditie, dat van den olifant werd genoemd. C. Sprengel (Gesch. der Medizin) is van meening, dat de genoemde vogels, niet anders waren dan pestbuilen en pokken. Von Hammer (Gem‰ldesaal I. 24), beroept zich op eene der levensbeschrijvingen van Mahomet, volgens welke de pokken zich juist in het jaar van den olifant in ArabiÎ voor het eerst zouden hebben vertoond.
[2303] Sommigen brengen deze woorden met de volgende in verband, en veronderstellen dat het aldus moet luiden: Laat hen den Heer van dit huis dienen, voor de vereeniging, enz. Anderen brengen de woorden met het voorafgaande hoofdstuk in verband, en leiden daaruit af, dat God het leger van Abraha aldus verdelgde, ter vereeniging der KoreÔshieten, enz.
[2304] Door hen van Abraha en zijn leger te verlossen, of door het grondgebied van Mekka tot eene plaats van zekerheid te maken.
[2305] Volgens sommigen is de hier bedoelde persoon Aboe Jahl, die een wees verstootte, wiens beschermer hij was, en die naakt tot hem kwam, om hem eenigen bijstand van zijn eigen geld te verzoeken. Anderen zeggen, dat Aboe Sofian of Walid Ebn al Mogheira was.
[2306] Sommigen denken echter, dat het te Medina werd geopenbaard.
[2307] Dit is de naam van eene rivier in het paradijs.
[2308] Die bij den pelgrimstocht in de vallei van al Mina moeten geslacht worden.
[2309] Deze woorden werden geopenbaard tegen As Ebn Wayel, die bij den dood van den zoon van Mahomet, al Kasem, den profeet Abtar (kinderloos) noemde (Jallalo'ddin).
[2310] Men zegt, dat sommigen der KoreÔshieten eens aan Mahomet voorstelden, dat, indien hij hunne goden gedurende een jaar zou willen aanbidden, zij zijnen God gedurende dezelfde tijdruimte zouden vereeren, waarop dit hoofdstuk werd geopenbaard (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[2311] Zijnde: als God u over uwe vijanden zal doen heerschen en gij de stad Mekka zult innemen.
[2312] Hetgeen in het negende jaar der Hedjira voorviel, toen Mahomet, nadat hij zich van Mekka had meester gemaakt, de KoreÔshieten dwong, zich aan hem te onderwerpen, waarop de overige Arabieren in grooten getale tot hem kwamen, en den Islam beleden.
[2313] Aboe Lahab was de oom van Mahomet en tegelijkertijd een zijner onverzoenlijkste vijanden. Sommige uitleggers doen opmerken, dat de handen, de fortuin of de bezittingen beteekenen.
[2314] Voor het vuur der hel. Omm Djemil, de vrouw van Aboe Lahab stookte namelijk den haat aan, dien haar echtgenoot Mahomet toedroeg. Men zegt zelfs dat zij des nachts doornen en distels op den weg van den profeet strooide (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2315] Dit hoofdstuk wordt door de Arabieren bijzonder vereerd. Volgens eene overlevering zou Mahomet gezegd hebben, dat het met een derde gedeelte van den geheelen Koran gelijk stond.
[2316] Dit Hoofdstuk en het volgende, worden elmoeawidhetani genoemd of de twee beveiligende hoofdstukken, omdat zij met de woorden ik zoek mijne toevlucht beginnen. Zij worden daarom als amuletten gedragen. Dit Hoofdstuk beveiligt tegen de ongelukken des lichaams, en het andere voor de gevaren der ziel.
[2317] Sommige uitleggers gelooven, dat men onder dezen naam de vrouwen in het algemeen moet verstaan, die door hare listen de plannen en besluiten der mannen verwarren. Anderen gelooven, dat hier de Joodsche toovenaressen worden bedoeld, die knoopen maakten en daarop bliezen, om iemand te betooveren. Men zegt dat Mahomet door een Jood werd betooverd, die elf knoopen in een koord had gemaakt, welke hij in een put ophing. De engel GabriÎl openbaarde daarop niet alleen het geheim der betoovering, maar ook de beide hoofdstukken. Elken keer dat hij deze hoofdstukken las, ging een der knoopen uit elkander, en Mahomet genas.
[2318] Zijnde de duivel, die zich terugtrekt als een mensch God noemt, of toevlucht tot zijne bescherming neemt.
[2319] Dit overzicht is een omwerking van het voor den tweeden druk van deze Nederlandsche uitgave van den koran bewerkte overzicht door Mr. F. A. de Graaff, oud-leeraar in de geschiedenis aan de H.B. School te Haarlem. Het is samengesteld, niet naar de bronnen zelf, maar met gebruikmaking der belangrijkste algemeene werken over de Turksche geschiedenis. Daaronder zijn vooral te noemen:
J. von Hammer, Geschichte des Osmanischen Reiches (Pest, 1827-1835, 10 deelen).
J. W. Zinkeisen, Geschichte des Osmanischen Reiches in Europa, (in de Geschichte der europ‰ischen Staaten, herausgegeben von A. H. L. Heeren und F. A. Ukert, Hamburg, Perthes 1840-1863, 7 deelen).
N. Jorga, Geschichte des osmanischen Reiches (Gotha, Perthes, 1911; 4 deelen).
Voor een beknopt overzicht zijn aan te bevelen:
H. de la JonquiËre, Histoire de l'Empire ottoman (collection Duruy), 1881.
Stanley Lane-Poole, Turkey (in: the Story of the Nations, T. Fisher Unwin, London, G. P. Putnam's sons, New-York, 1888).
Voor de 16e en 17e eeuw is van groot belang:
Leopold von Ranke, die Osmanen und die Spanische monarchie im 16 und 17 Jahrhundert (in: s‰mmtliche Werke, band 35 en 36, Leipzig, 1877).
[2320] Aldus genoemd naar een vroegeren aanvoerder Seldsjoek; zij woonden in de buurt van Bokhara.
[2321] Op kaart no. 1, Zuid-Oost-Europa in ± 1350, vindt men dit rijk aangegeven. Men lette er op, dat dit kaartje den toestand geeft in ± 1350; in het jaar 1350 zelf was de toestand op papier anders, omdat toen juist een vrede gesloten werd, waarbij Doughan een groot deel van zijne veroveringen aan den keizer moest afstaan, maar die vrede is door Doughan niet erkend en niet ten uitvoer gelegd.
[2322] Sedert heet die plaats Sirf-Sindughi, d.i. nederlaag der ServiÎrs.
[2323] In West-Europeesche talen verbasterd tot Tamerlan, van het Perzische Timoer-Lenk, d.i. de hinkende Timoer; hij hinkte vanwege een wonde, die hij in zijn jeugd door een pijl gekregen had.
[2324] De opsluiting in een ijzeren kooi en dergelijke verhalen zijn legenden.
[2325] Op kaart n∞. 2, de uitbreiding van het Turksche rijk (1353-1671), is het verschil tusschen vÛÛr en na 1402 duidelijk gemaakt.
[2326] De verschillende phasen van den strijd tusschen Turkije en VenetiÎ zijn om het overzicht van het geheel niet te belemmeren op kaart no. 2 niet aangegeven, voorzoover de kust van DalmatiÎ en AlbaniÎ betreft.
[2327] Het woord beteekent: slaven; het zijn menschen uit den Kaukasus afkomstig.
[2328] In hetzelfde jaar erkende de republiek Ragusa de souvereiniteit van den Turkschen sultan.
[2329] In dit jaar stierf het oude Moldavische vorstenhuis uit. Sedert dien deed zich de invloed van Turkije er op dezelfde wijze gelden als in Walachije: de boÔaren kozen telkens een nieuwen vorst (hospodar), dien de sultan bevestigde. Schatplichtig was MoldaviÎ reeds sedert 1513 en in 1538 had SuleÔman in het kustgebied een Turksche provincie gesticht.
[2330] Tunis is in 1569 door de Turken op de Spanjaarden heroverd; het kasteel bij Tunis eerst in 1573.