Part 98
[2110] Deze woorden zijn hier tot de Joden en Christenen gericht; zij gelden nochtans de laatsten alleen.
[2111] Of zij die een geschil of rechtsgeding begint.
[2112] Sommigen zijn van meening, dat de eerste tien verzen van dit Hoofdstuk te Mekka en de overigen te Medina werden geopenbaard (Al Beid‚wi).
[2113] Dit was Khal¸a, de dochter van Thalaba, de vrouw van A˘s Ebn es-Samat, die door haren man met deze woorden werd verstooten: "Dat uw rug voortaan voor mij zij, zoo als de rug mijner moeder," zijnde de formule, waaruit eene eeuwige scheiding voortvloeide en na het uitspreken van welke men de verstooten vrouw niet meer kon terugnemen. Zij kwam daarop tot Mahomet, en vroeg hem, of het haar niet geoorloofd zou zijn, bij haren man te blijven, die, niettegenstaande hij haar had verstooten, haar echter niet dwong het huis te verlaten. Mahomet antwoordde, dat de bovenvermelde formule eene volkomene scheiding moest ten gevolge hebben, waarop de wanhopige vrouw (want zij bezat eenige jonge kinderen) zich verwijderde, en zich in hare gebeden, bij God over haar lot beklaagde. Mahomet kwam op zijne beslissing terug, en, steunende op de openbaring, in de verzen 1 en 2 vervat, veroorloofde hij de verstooten vrouwen terug te nemen, zelfs na het uitspreken der meergemelde formule, mits een offer brengende of een liefdewerk verrichtende, om voor de schending van den eed te boeten.
[2114] En daarom moet geene vrouw in denzelfden graad van verbod worden geplaatst, behalve diegene, welke door God met hem vereenigd zijn, zooals de zoogster, en de vrouwen van den profeet (Al Beid‚wi, zie Hoofdstuk IV, vers 26 volgg. en Hoofdstuk XXXIII vers 53).
[2115] Welke slaaf, overeenkomstig het meest algemeene gevoelen, een waar geloovige moet zijn, zooals voor de boete wegens manslag is bepaald (zie Hoofdstuk VI, vers 94).
[2116] Het schijnt, dat zij gewoon waren in plaats van: Al sal‚m aleika (vrede zij over u) te zeggen, Al s‚m aleika (ongeluk over u).
[2117] Op deze plaats wordt den Moslems bevolen, in de openbare vergaderingen plaats te maken voor den profeet en de meer aanzienlijken zijner makkers, en niet op hem toe te dringen, zooals zij gewoon waren te doen, om dichter bij hem te zijn, en zijne woorden beter te hooren.
[2118] Volgens sommigen de Joden (zie Hoofdstuk I, vers 6).
[2119] Daar zij huichelaars zijn, en tusschen de twee partijen wankelen.
[2120] Zijnde: Zij hebben den Islam plechtig beleden, dien zij in hunne harten niet geloofden.
[2121] Het oorspronkelijke woord beteekent het verlaten of verhuizen van de geboorteplaats of woning, om elders te gaan wonen, hetzij uit vrijen wil, hetzij door verdrijving.
[2122] Het hier bedoelde volk waren de Joden van den stam van Al Nadir, die te Medina woonden, en die, toen Mahomet van Mekka daarheen vluchtte, hem beloofden onzijdig te blijven, tusschen hem en zijne tegenpartij, waartoe zij een verdrag met hem sloten. Toen hij den slag van Bedr had gewonnen, beleden zij, dat hij de profeet was, in de wet beschreven; maar na zijne nederlaag te Ohod veranderden zij van gevoelen. Caab Ebn al Ashraf vormde een verbond met Aboe Sofian, dat zij beiden bezwoeren. Mahomet rukte daarop in het vierde jaar der hedjira tegen al Nadir op, en belegerde hunne vesting. Na zes dagen capituleerden zij, en werd het hun vergund te vertrekken, op voorwaarde, dat zij de plaats geheel zouden ontruimen. Volgens sommigen, begaven zij zich daarop naar SyriÎ, volgens anderen naar Khaibar en Hira (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Zie Abulf. vit. Moh. cap. 35). Dit was de eerste landverhuizing. De tweede viel eenige jaren later voor, gedurende de regeering van Omar, toen deze khalif degenen verbande, die te Khairbar hadden gewoond, en hen dwong ArabiÎ te verlaten (Idem Interpp.).
[2123] Daar zij zooveel verwoestten als zij konden, om het voordeel der Moslems zooveel mogelijk te verminderen, aan datgene wat zij verplicht waren achter te laten.
[2124] Het is opmerkelijk, dat in deze expeditie de buit niet werd verdeeld, overeenkomstig de daartoe in den Koran gegeven wet, (Hoofdstuk VIII, vers 42) maar aan den profeet werd gegeven, terwijl er bij verklaard werd, dat die geheel te zijner beschikking was. De reden hiervan was, omdat de plaats zonder behulp van paarden werd genomen, hetgeen, van toen af, eene vaste wet bleef (Zie Abulf. vit. Moh. p. 91).
[2125] De woonplaats van al Nadir was namelijk zoo dicht nabij Medina dat de Moslems allen te voet daarheen gingen, de profeet zelf uitgezonderd (Al Beid‚wi).
[2126] Daarom verdeelde Mahomet dezen buit alleen onder de Mohajerin, of zij die van Mekka waren gevlucht. Hij gaf daarvan niets aan de Ansars, of die van Medina, behalve aan drie van hen, welke in behoeftige omstandigheden verkeerden (Al Beid‚wi).
[2127] De bedoelde personen schijnen zij te wezen, die Mekka ontvluchtten, nadat Mahomet in sterkte toegenomen, en zijn godsdienst aanzienlijke vorderingen gemaakt had.
[2128] En het geschiedde dienovereenkomstig: Ebn Obba en zijne bondgenooten schreven namelijk met dat doel aan de Nadirieten; maar zij vervulden nimmer hunne belofte (Al Beid‚wi).
[2129] Dit is: voor het volgende leven, hetgeen morgen kan worden genoemd, zooals het tegenwoordige leven heden.
[2130] Zie Hoofdstuk VII, vers 179 noot.
[2131] Dit Hoofdstuk draagt dezen titel, omdat het bepaalt, dat de vrouwen die wegloopen en van de ongeloovigen tot de Moslems overgaan, onderzocht moeten worden ten aanzien van hare oprechtheid in de belijdenis van haar geloof.
[2132] Dit vers is vooral gericht tegen den Muzelman Hateb Ebn Abi Baltaa, die, wetende, dat er een expeditie tegen Mekka werd gereed gemaakt, de KoreÔshieten daarvan onderrichtte. Mahomet onderschepte zijn brief, en deed hem bittere verwijtingen, waarop Hateb antwoordde dat zijn doel geenszins was, de onderneming te doen mislukken, die overigens, als door God besloten, onfeilbaar moest wezen, maar dat hij van de afgodendienaren eenige verschooning had wenschen te verkrijgen voor zijn gezin, hetwelk hij te Mekka had achtergelaten. Mahomet nam de verontschuldiging van Hateb aan, maar haastte zich de bovenvermelde openbaring mede te deelen.
[2133] Het hier gebruikte werkwoord beteekent ook het tegenovergestelde, en zou dus ook kunnen vertaald worden: en hun in het openbaar vriendschap betoont, enz.
[2134] Omdat zijn vader afgodendienaar was. Zie Hoofdstuk IX, vers 115.
[2135] En dienovereenkomstig geschiedde het bij de inneming van Mekka, toen Aboe Sofian en anderen der KoreÔshieten, die op dat tijdstip hevige vijanden der Moslems waren, hetzelfde geloof omhelsden en hunne vrienden en broeders werden. Sommigen veronderstellen, dat hier het huwelijk van Mahomet met Omm Habiba, de dochter van Aboe Sofian wordt bedoeld, hetwelk een jaar te voren werd voltrokken (Zie Gagnier, not. in Abulf Vit. Moham. p. 91).
[2136] Want overeenkomstig de bepaling van het vredesverdrag van al Hodeibiya, moest elke der partijen teruggeven, wat in hare handen viel, en aan de tegenpartij toebehoorde. Dientengevolge werd op deze plaats, te gelijker tijd, dat den Moslems verboden werd, de gehuwde vrouwen terug te geven, die van de ongeloovigen zouden overloopen, hun ook bevolen, haren bruidschat, bij wijze van schadeloosstelling uit te keeren.
[2137] Want hetgeen aan hare vroegere echtgenooten wordt teruggeven, moet niet als weduwgift beschouwd worden.
[2138] Zie Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
[2139] Dit vers bevat datgene, wat de Mahomedanen "den eed der vrouwen" noemen. De mannen zwoeren vÛÛr de Hedjira (vlucht van Mekka) denzelfden eed, vÛÛr dat Mahomet er de verplichting had bijgevoegd, hem in den oorlog tegen de afgodendienaren bij te staan. Deze eed had, evenals het aangaan van iedere verbintenis, bij de Arabieren plaats, door het geven der hand aan hem, omtrent wien men zich verbond. Na Mahomet werd de khalif op dezelfde wijze door een handslag gehuldigd.
[2140] Of, zooals sommigen eerder denken, te Medina. De uitlegging in de volgende noot bevestigt deze meening.
[2141] De uitleggers veronderstellen algemeen, dat deze woorden tot de Moslems zijn gericht, die, niettegenstaande zij zich plechtig hadden verbonden, hunne bezittingen en hun leven ter verdediging van hun geloof op te offeren, zich bij den slag van Ohod omkeerden (zie Hoofdstuk III, vers 11 en volg). Misschien ook moeten deze woorden op alle huichelaars worden toegepast, wier daden in tegenspraak met hunne woorden zijn.
[2142] Mahomet draagt bij de Muzelmannen verschillende namen, en wel ongeveer honderd, waartoe ook Ahmed behoort, afgeleid van het Grieksche Periclytos, de glorierijke, evenals Mahomet. De Mahomedanen beweren, dat Jezus de komst van Mahomet (Ahmed, Periclytos) heeft voorzegd (zie Johannes XVI : 7), en dat Peracletos, hetgeen op de nederdaling van den Heiligen Geest wordt toegepast, slechts een verbastering is van Periclytos, hetgeen door de Christenen, ter kwader trouw is uitgedacht.
[2143] Zie Hoofdstuk III, vers 45.
[2144] Hetzij door hem te verwerpen, hetzij door hem voor God of voor den zoon van God te houden (Jallalo'ddin).
[2145] Omdat zij de profetiÎn, in de wet bevat en die voor Mahomet getuigen, evenmin begrijpen, als de ezel de boeken, welke hij draagt.
[2146] Zijnde: Smeekt God, dat hij u van deze verdorvene wereld in een staat van ongestoorde zegening overbrenge.
[2147] Zie Hoofdstuk II, vers 89.
[2148] Dat is des vrijdags, die door Mahomet meer bijzonder werd bestemd voor de openbare vereering van God, en daarom Yaum al joma, d.i. de dag der vergadering of bijeenkomst werd genoemd.
[2149] Men verhaalt, dat eens des vrijdags, toen Mahomet predikte, eene karavaan, overeenkomstig de gewoonte, met slaande trom aankwam. Toen de verzamelde menigte dit hoorde, verlieten allen de moskee, om de karavaan op te zoeken, terwijl slechts twaalf hunner achterbleven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2150] Lang en dik, maar zonder kennis of verstand.
[2151] Deze en de voorgaande woorden, werden door Ebn Obba tot een bewoner van Medina gezegd, die, bij zekeren krijgstocht, met een Arabier, in de woestijn, om water twistte, daarbij eene wonde met een stok aan het hoofd ontving en zich daarover bij Mahomet beklaagde (Al Beid‚wi).
[2152] De uitleggers zijn het met elkander niet eens, of dit hoofdstuk te Mekka, dan wel te Medina werd geopenbaard, of gedeeltelijk op de eene plaats en gedeeltelijk op de andere.
[2153] Naardien de zaligen de verdoemden te leur zullen stellen door de plaatsen in te nemen, welke deze in het paradijs zouden gehad hebben, indien zij ware geloovigen zouden zijn geweest, en omgekeerd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).
[2154] Want deze zijn in staat den man van zijnen plicht af te leiden vooral in tijden van tegenspoed (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya), terwijl een gehuwd man voor de dingen dezer wereld zorgt, doet de ongehuwde dit voor de dingen, die den Heer toebehooren (zie Cor. VII : 25, enz.).
[2155] Overwegende, dat de hinderpalen, die zij u in den weg leggen uit hare liefde tot u voortvloeien, enz.
[2156] Dat is: als zij, na den tijd harer echtscheiding hare regels driemaal gehad zullen hebben, indien zij niet bewijzen, zwanger te zijn, of, indien zij dit laatste bewijzen, als zij verlost zullen zijn (zie Hoofdstuk II, vers 228). Al Beid‚wi veronderstelt, dat den echtgenooten hier wordt bevolen, van hunne vrouwen te scheiden, terwijl zij rein zijn, en zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegen Ebn Omar, die zich van zijne vrouw liet scheiden, toen zij hare regels had, waardoor hij verplicht werd, haar weder terug te nemen. Volgens Savary heeft een Muzelman, zoodra hij den eed heeft gedaan dat hij van zijne vrouw wil scheiden, geene gemeenschap meer met haar. Bij het hooren van dien eed, omsluiert zij zich het hoofd, zondert zich in haar vertrek af en laat haren man niet meer toe. Zijn de vier maanden, als verzoeningstermijn gesteld, verloopen, dan zijn de huwelijksbanden verbroken, en de vrouw herkrijgt hare vrijheid. Bij haar vertrek ontvangt zij dan den bruidschat of de weduwgift in het huwelijkscontract bepaald. De dochters blijven bij de moeder, de zonen bij den vader.
[2157] Zie Hoofdstuk II, vers 232.
[2158] Dat minstens toereikend moet zijn, om haar gedurende den zoogtijd te kleeden en te onderhouden (zie Hoofdstuk II, vers 233).
[2159] En doordringt en bezielt hen allen met onbeperkte kracht.
[2160] Het eerste vers van dit Hoofdstuk werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Gelijk men weet, had Mahomet onderscheidene vrouwen te gelijk, bij welke hij beurtelings den nacht doorbracht. Eens bracht hij een nacht, die aan Hafsa toekwam, met Maria de Copte door, die hem door Mokawkas, gouverneur van Egypte, was gezonden. Dit gedrag belgde Hafsa zeer, die hem daarover zulke scherpe verwijtingen deed, dat de profeet, om haar tot bedaren te brengen, beloofde, geheel en al met Maria te breken. De openbaring in dit vers bevat, heeft ten doel, Mahomet van zijnen eed te ontheffen, dien hij onbedacht had gedaan; vooral nadat God door de voorafgaande openbaringen, den mannen eene groote speelruimte in hunne betrekkingen met hunne vrouwen had gelaten. Sale waarschuwt vooral tegen de verkeerde vertaling van deze plaats door Dr. Prideaux.
[2161] Hafsa verhaalde de gebeurtenis aan AÔsha, eene andere vrouw van Mahomet, met welke zij in eene zeer vriendschappelijke betrekking stond. Mahomet verweet Hafsa, het geheim niet bewaard te hebben, nopens hetgeen er gebeurd was, en het aan AÔsha verhaald te hebben. Hafsa was verwonderd te hooren, dat zij verraden was, en vroeg den profeet, wie hem daarvan had onderricht, waarop Mahomet antwoordde, dat dit God zelf was. Hij had het door het gedrag van AÔsha omtrent hem gemerkt.
[2162] Deze plaats is tegen Hafsa en AÔsha gericht.
[2163] Zie Hoofdstuk LXXIV, vers 30.
[2164] Deze woorden zullen op den jongsten dag tot de ongeloovigen worden gesproken.
[2165] Zie Hoofdstuk XXIV, vers 35, en LVII, vers 5, 7, 12 en 18.
[2166] Deze waren namelijk beide ongeloovige vrouwen, hare mannen door hare huichelarij bedrogen. De vrouw van Noach trachtte het volk te overtuigen, dat haar man bezeten was, en de vrouw van Lot spande samen met de mannen van Sodom, en had de gewoonte hun er bericht van te geven, als er vreemdelingen bij Lot den nacht kwamen doorbrengen. Daartoe gaf zij een teeken: des daags door rook, en des nachts door vuur (Jallalo'ddin, al Zamakhshari).
[2167] Want zij vonden beide een ongelukkig einde in deze wereld en zullen in de toekomende tot eeuwige ellende gedoemd zijn. Op dezelfde wijze zouden de ongeloovigen uit den tijd van Mahomet, geene verzachting van straf kunnen verwachten, op grond van de verwantschap, waarin zij tot hem, en tot de overige ware geloovigen stonden.
[2168] Zie Hoofdstuk XIX, vers 17, enz.
[2169] Bij gelegenheid der eervolle melding, die hier van deze twee vrouwen wordt gemaakt, verhalen de uitleggers een gezegde van hunnen profeet: dat onder de mannen velen zijn geweest, die volmaakt waren, maar dat niet meer dan vier van de andere sekse, de volmaaktheid hadden bereikt, te weten: Asia, de vrouw van Pharao, Maria, de dochter van Imram, Khaddah, de dochter van Khowaileid (de eerste vrouw van den profeet) en Fatima, de dochter van Mahomet.
[2170] Dit Hoofdstuk wordt door sommigen ook de Redding of de Bevrijding genoemd, aangezien het, volgens hun zeggen, hem die het leest, van de marteling des grafs redt.
[2171] Zie Hoofdstuk XV, vers 17.
[2172] Zie Hoofdstuk LVI, (vers 140 en de volg.).
[2173] De uitleggers passen deze vergelijking op den ongeloovige en den waren geloovige toe.
[2174] Deze letter wordt door sommigen tot titel van dit hoofdstuk gekozen, maar de beteekenis is vrij onzeker. Zij die veronderstellen, dat die letter het woord Noen beduidt, zijn het niet eens, omtrent hare beteekenis op deze plaats, aangezien dit woord niet alleen de naam is van de letter N in het Arabisch, maar ook van een inktkoker en een visch, terwijl verder van schrijven, eene pen, en een visch wordt gesproken. Anderen weder hebben er iets anders op gevonden en zijn van meening, dat deze letter hier staat voor de tafel van Gods besluiten of voor de rivieren in het paradijs, enz. (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Yahya).
[2175] Dit hebt gij getoond door het geduld en de onderwerping, waarmede gij de slechtheden en beleedigingen van uw volk hebt verdragen, welke grooter waren dan die, aan een der profeten vÛÛr u aangedaan (Al Beid‚wi).
[2176] Zijnde: Indien gij hen ongehinderd wilt laten in hunne afgodendienarij en andere zondige handelingen, zullen zij ophouden met u te vernederen en te vervolgen.
[2177] Door hen met een vreeselijken hongersnood te teisteren, zie Hoofdstuk XXIII, vers 79.
[2178] Een vroom man bezat een tuin met palmboomen beplant. Hij had de gewoonte de armen van zijne plaats te onderrichten van den dag, waarop hij de dadels zou afsnijden. Al de vruchten, die niet op het kleed vielen, dat onder den boom was uitgespreid, en ook de dadels, die door den wind werden afgeworpen, of door het mes werden verschoond, waren voor de armen. Na zijn dood beslisten zijne zonen, die minder weldadig dan hun vader waren, op zekeren dag, de armen niet meer van den dadeloogst te onderrichten, en de vruchten vroeg in den ochtend af te snijden. Maar des nachts verwoestte een onweder den tuin, en er bleef geen spoor meer van over (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[2179] Dezelfde uitdrukking wordt in Hoofdstuk LVI, vers 66 gebruikt.
[2180] Deze uitdrukking wordt in het Arabisch gebruikt, om eene strenge en vreeselijke ramp aan te duiden. Zoo zegt men: de oorlog heeft het been ontbloot, als men de woede van den slag wil te kennen geven.
[2181] Daar de tijd der aanneming zal verstreken wezen.
[2182] Zie Hoofdstuk IV, vers 38.
[2183] Dat is: wees niet ongeduldig en eigenzinnig, zooals Jonas was. Zie Hoofdstuk XXI, vers 87.
[2184] Het oorspronkelijke woord al Hakkat, is een der namen van den dag des oordeels.
[2185] In het Arabisch al K‚rir‡t of de treffende, mede een der namen van den jongsten dag.
[2186] Zie Hoofdstuk LIV, vers 20.
[2187] Zijnde Sodom en Gomorrah. Zie Hoofdstuk IX, vers 71 noot.
[2188] Deze woorden schijnen op den dood der engelen te doelen. Bij de verwoesting van hunne woning, zullende zij dan als doode lichamen naast de bouwvallen daarvan liggen.
[2189] Zijnde: Vervoer er hem mede, opdat hij niet in staat zij oproer te verwekken.
[2190] Ik wil niet zweren. Zie Hoofdstuk LVI, vers 74.
[2191] Langs welke de gebeden en de rechtvaardige daden ten hemel opstijgen; of waar langs de engelen opstijgen, om de goddelijke bevelen te ontvangen, of langs welke de geloovigen tot het paradijs opstijgen. Sommigen zien hierin de verschillende rangen van engelen, of van de hemelen, die trapsgewijze boven elkander verrijzen.
[2192] De plaats is hier woordelijk vertaald. Sale voegt er "ook de geest van GabriÎl" tusschen, en meent tevens, ten einde deze plaats met Hoofdstuk XXXII, vers 4 te verbinden, dat daar de opstijging van de aarde bedoeld wordt, terwijl hier van eene opstijging van den laagsten graad der schepping zou worden gesproken. Kasimirski bestrijdt deze meening, welke hij geheel willekeurig noemt, en die slechts moet strekken, om deze beide plaatsen, waarvan eene van vijftig duizend jaren, en de andere van duizend jaren spreekt, niet met elkander in tegenspraak te doen zijn. Overigens zijn de uitleggers het volstrekt niet eens of hier door Mahomet op den dag des oordeels, wordt gedoeld, of wel op de dagen gedurende welke de zielen zullen moeten wachten, wat volgens eenigen niet meer dan een halve dag is.
[2193] Zie Hoofdstuk XVII, vers 12.
[2194] Zijnde van morsig zaad, dat in geene betrekking staat tot, of geene gelijkenis met heilige wezens heeft; daarom is het noodig voor hem, die hoopt een bewoner van het paradijs te worden, zich zelven in het geloof en de geestelijke deugden te volmaken, om zich voor die plaats geschikt te maken (Al Bed‚wi).
[2195] Of "Ik zweer niet." Savary geeft aan deze lezing de voorkeur en ook Kasimirski (Zie Hoofdstuk LVI, vers 74). De oorspronkelijke woorden staan in het meervoud, en beteekenen de verschillende punten van den gezichteinder, waar de zon in den loop des jaars op- en ondergaat (Zie Hoofdstuk XXXVII, vers 5 noot).
[2196] Zijnde uwe zonden in het verledene, die uitgewischt zijn, door de belijdenis van het ware geloof.
[2197] Er wordt gezegd, dat Noach, gedurende langen tijd, te vergeefs voor hen had gepredikt, en dat God daarna den hemel gedurende veertig jaren dichtsloot en hunne vrouwen onvruchtbaar maakte (Al Zamakshari).
[2198] Dat is volgens de meening der uitleggers: door verschillende graden of veranderingen, van den oorspronkelijken vorm, tot gij volmaakte menschen werdt (zie Hoofdstuk XXII, vers 5, en Hoofdstuk XXIII, vers 12 en volg).
[2199] Dit waren vijf godvruchtige mannen, die vÛÛr Noach hadden geleefd. De eerbied, welke men voor hunne nagedachtenis had, ontaardde later bij de Ante-Diluvianen, en vervolgens bij de Arabieren in afgoderij.
[2200] Sommige uitleggers zeggen, dat Noach dit gebed niet uitsprak, dan nadat hij zijn volk gedurende 950 jaren beproefd, en toen bevonden had, dat zij onverbeterlijk waren.
[2201] Zijn vader Lamech en zijne moeder Shemka, de dochter van Enoch, die ware geloovigen waren.
[2202] De uitleggers komen niet overeen omtrent hetgeen deze plaats betreft: sommigen zeggen dat hier het woonhuis van Noach bedoeld wordt, anderen de tempel, dien hij voor de vereering van God gebouwd had, of wel de ark.
[2203] Zie Hoofdstuk XLVI, vers 28 noot. Wij hebben reeds gezegd, dat, volgens het geloof der Arabieren, de geniussen eene soort van middenras vormden tusschen de menschen en de engelen. Op het gezag dezer plaats, en steunende op de omstandigheid, dat Mahomet deze geniussen niet had gezien, maar dat hunne aanwezigheid hem door God werd geopenbaard, gelooven de uitleggers dat de geniussen de zielen der menschen zijn, waardoor het woord geniussen synoniem met geesten zou zijn. Deze uitlegging komt echter kwalijk overeen met de andere plaatsen van den Koran, en met de meening, dat de geniussen op dezelfde wijze als de andere schepselen worden voortgebracht.
[2204] Zijnde Eblis, of de weerspannige geniussen.
[2205] Zie Hoofdstuk XV, vers 16 en volg.
[2206] Zijnde: Wij zullen hun een overvloed van goede dingen schenken.
[2207] Zijnde: Mahomet.
[2208] Men wil met deze woorden Mahomet bedoeld hebben, hetgeen in tegenspraak zou wezen met verschillende plaatsen van den Koran, waar de Arabische profeet nederig erkent, dat hij onbekend is met de verborgene dingen. De beste verklaring, welke men van de verzen 27 en 28 geeft, is, dat God zijne geheimen aan niemand mededeelt, en als hij, dengene zijner gezanten (hetzij engel of profeet) welke het hem heeft behaagd uit te kiezen, zijne bevelen geeft, hij dien overal volgt, om te zien of hij zich daarvan kwijt.
[2209] Sommigen willen dat het laatste vers te Medina geopenbaard zij.
[2210] Toen deze openbaring aan Mahomet werd gebracht, was hij in zijne kleederen gewikkeld, naardien hij verschrikt was door de verschijning van GabriÎl, of zooals sommigen zeggen, lag hij gerust te slapen, of volgens anderen, had hij zich in een gedeelte van een wijden mantel gewikkeld, of een dekkleed, met welk ander deel AÔsha zich had bedekt om te slapen (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi).
[2211] Want de nacht is het best geschikt voor overpeinzing en gebed, alsmede om Gods woord duidelijk en met aandacht te lezen, door het afwezig zijn van alle gedruisch en ieder voorwerp, dat de aandacht zou kunnen afleiden.
[2212] Zooals: doornen en distels, de vrucht van den helschen boom, al Zakkoem, en het bedorven vocht, dat uit de lichamen der verdoemden vloeit.
[2213] Zijnde: Het goede, dat gij gedurende uwen leeftijd zult doen, zal verdienstelijker wezen in de oogen van God, dan hetgeen gij tot den dood uitstellen, en bij uitersten wil bevelen zult (Al Beid‚wi).