De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 94

Chapter 943,899 wordsPublic domain

[1694] Door hem zijne vrijheid te schenken en hem voor uwen zoon aan te nemen, enz. ZeÔd was van den stam van Calb, een tak der KhodaÔeten afstammende van Hamyar, den zoon van Saba. Hij werd in zijne kindsheid door eene bende vrijbuiters geroofd en door Mahomet gekocht, of, zooals anderen zeggen, door zijne vrouw Khadidjah, voor zij hem huwde. Toen Haretha eenige jaren later hoorde waar zijn zoon was, ondernam hij eene reis naar Mekka, en bood een aanzienlijken prijs als losgeld, waarop Mahomet zeide: Laat ZeÔd hier komen, en indien hij verkiest met u te gaan, kunt gij hem zonder losgeld nemen; maar indien hij bij mij wil blijven, waarom zou ik hem dan niet behouden? ZeÔd kwam en verklaarde, dat hij bij zijn meester wilde blijven, die hem als zijn eenigen zoon behandelde. Nauwelijks had Mahomet dit gehoord, of hij nam ZeÔd bij de hand en leidde hem naar den zwarten steen van den Caaba, waar hij hem in het openbaar als zijn zoon aannam, en hem tot zijn erfgenaam maakte, waarin de vader toestemde en zeer voldaan naar huis terugkeerde. Van dien tijd werd ZeÔd de zoon van Mahomet genoemd, tot de openbaring van den Islam, (Al Jannabi zie Gagnier Vie de Moh. liv. V. 4, c, 3.). Later deed Mahomet hem eene vrouw huwen ZeÔneb (of Zenobia) genaamd. Eenige jaren daarna ging Mahomet tot ZeÔd. Hij vond hem niet en zag alleen zijne vrouw, wier schoonheid hem zoozeer trof, dat hij uitriep: Geloofd zij God, die de harten der menschen naar zijn welbehagen keert! Toen ZeÔd weder te huis kwam berichtte zijne vrouw hem het bezoek van Mahomet, zonder de zeer beteekenisvolle kreet van den profeet te vergeten. ZeÔd begreep dat hij zijne vrouw aan zijn weldoener moest opofferen, en haastte zich diententengevolge haar te verstooten. Mahomet trachtte echter, hetzij oprecht, hetzij slechts schijnbaar en uit vrees voor schandaal, ZeÔd van dit voornemen af te brengen. Daarop verscheen vers 37, dat den hartstocht van den profeet wettigt, en hetgeen hem en de geloovigen veroorlooft, de vrouwen te huwen, welke door hunne aangenomene zonen zijn verstooten. Hij huwde haar in het laatste gedeelte van het 5e jaar der hedjira (Al Beid‚wi, Al Jannabi enz.) De muzelmannen doen opmerken, dat ZeÔd de enige der tijdgenooten van Mahomet is, die in den Koran wordt genoemd. Men dient echter Aboe Lahab niet te vergeten, die in Hoofdstuk CXI wordt genoemd.

[1695] Daar deze gewaande betrekking, zooals reeds werd opgemaakt bij de oude Arabieren een hinderpaal opleverde voor het huwelijk binnen de verboden graden van bloedverwantschap gelijk wij reeds in de noot van vers 37 hierboven hebben doen opmerken op dezelfde wijze, alsof die bloedverwantschap werkelijk bestond. Daardoor veroorzaakte het huwelijk van Mahomet en ZeÔneb, de vrouw van zijn aangenomen zoon, een groot schandaal onder zijne volgelingen, dat nog vermeerderd werd door de ijveraars en ook door de Joden, die van zulke huwelijken afschuw hadden; maar de gewoonte wordt hier onredelijk verklaard en voor het vervolg afgeschaft.

[1696] De Mahomedanen beschouwen Mahomet als het zegel der profeten. Khatem Elnabiin. Zij zeggen, dat hij kwam om de zending te bevestigen van hen, die hem waren voorafgegaan, en dat hij geen opvolger heeft gehad (Savary).

[1697] Dat is: gij zijt niet verplicht haar eenigen tijd te behouden voor gij haar ontslaat, zooals het geval is met haar met welke het huwelijk is voltrokken. (Zie Hoofdstuk II, vers 231).

[1698] Zijnde: Indien haar geen bruidschat (of weduwgeld) is toegezegd; want indien haar een bruidschat is toegezegd, is de man, overeenkomstig de Sonna, verplicht, de vrouw de helft van den toegezegden bruidschat en een geschenk daarenboven te geven (Al Beid‚wi, Al Jannabi, enz.). Dit wordt thans nog opgevat als van zulke vrouwen, met welke het huwelijk niet is voltrokken.

[1699] Het wordt daarom gezegd, dat de vrouwelijke slaven die hij mocht koopen, niet in deze vergunning zijn begrepen.

[1700] Zonder een bruidschat te vragen. Overeenkomstig eene overlevering van Ebn Abbas, huwde de profeet echter geene vrouw zonder haar een bruidschat toe te kennen. De uitleggers zijn het niet eens omtrent de vrouw, welke in het bijzonder op deze plaats wordt bedoeld.

[1701] Want geen Moslem kan wettelijk meer dan vier vrouwen huwen, hetzij het vrije vrouwen of slavinnen mochten wezen, terwijl Mahomet, door de voorafgaande woorden, vrijheid verkreeg, zooveel te nemen als hij verkoos, doch met sommige beperkingen.

[1702] Door deze plaats werden nog eenige andere voorrechten aan Mahomet toegekend; want andere mannen zijn verplicht zich gelijkelijk omtrent hunne vrouwen te gedragen (Zie Hoofdstuk IV, vers 3 enz.) voor het geval dat zij meer dan eene bezitten, vooral wat de plichten van het huwelijksbed betreft, waartoe ieder op hare beurt werd geroepen en welk recht reeds in de vroegste eeuwen werd erkend (zie Gen. XXX : 14 enz.). Ook konden zij eene vrouw, welke zij ten derden male van zich had laten scheiden niet weder terug nemen, dan nadat zij weder met een ander getrouwd en van dezen gescheiden was (zie Hoofdstuk II, vers 230). Daarentegen was den profeet volkomen vrijheid gelaten, zoowel in dit als in andere opzichten, met haar te handelen als hij geschikt mocht oordeelen.

[1703] De uitleggers verschillen nopens de juiste meening dezer woorden. Sommigen gelooven, dat het daardoor aan Mahomet werd verboden, meer vrouwen dan negen te nemen, welk getal hij toen bezat, en hetgeen verondersteld wordt zijne grens te zijn geweest, daar anderen er slechts vier bezaten. Sommigen zeggen, dat hij na dit verbod, geene vrouwen in de plaats mocht nemen van haar, welke hij door den dood of door echtscheiding verloor. Anderen weder zijn van meening, dat het hem van dien tijd alleen werd verbonden een andere vrouw te huwen, dan eene der vier soorten in de voorafgaande plaats (v. 49). vermeld. Nog anderen (gelijk Abu'l Kasem Hebatallah enz.) gelooven, dat dit vers is afgeschaft door de twee voorafgaande verzen of een daarvan, als voor deze geopenbaard, doch eerst na deze voorgelezen (Al Zamakshari, Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz.).

[1704] Dat is: laat er eene gordijn tusschen u opgehangen zijn, of laat haar gesluierd wezen, terwijl gij met haar spreekt. Het doel van het eerste voorschrift was, om zich te vrijwaren van de onbeschaamdheid van lastige bezoekers; het doel van het tweede was, om eene te gemeenzame betrekking of vertrouwelijkheid tusschen zijne vrouwen en zijne volgelingen te voorkomen, werd, naar men zegt, in het leven geroepen, door dat de hand van een zijner volgelingen bij toeval die van AÔsha aanraakte, hetgeen den profeet eenigszins verstoorde (Al Beid‚wi).

[1705] Zijnde Ûf haar, van welke hij zich gedurende zijn leven zal laten scheiden, Ûf na zijn dood zijne weduwen. Dit is een ander voorrecht den profeeet bijzonder eigen.

[1706] Zie Hoofdstuk XXIV, vers 31.

[1707] Deze woorden zijn tot de vrouwen van den profeet gericht.

[1708] Vanhier vermelden de Mahomedanen zelden zijn naam, zonder er bij te voegen: Op wien Gods zegen zij en vrede, of dergelijke woorden.

[1709] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk groote doeken, gewoonlijk van wit linnen, waarmede de vrouwen in het Oosten, als zij uitgaan, zich van het hoofd tot de voeten bedekken.

[1710] De uitleggers komen niet overeen welke deze lastering geweest zij. Sommigen zeggen, dat Mozes gewoon was zich afzonderlijk te wasschen, weshalve eenige slechtgezinden uitstrooiden, dat hij eene breuk had (of, zeggen anderen, dat hij melaatsch of een hermaphrodiet was), en daarom het schuwde, zich met hen te wasschen. Maar God zuiverde hem van deze lastering, door den steen, waarop hij zijne kleederen had nedergelegd, met dezen naar het kamp te doen loopen, waar Mozes die naakt volgde. Op deze wijze zagen de IsraÎlieten de volkomen valschheid van het gerucht. Anderen veronderstellen, dat hier de beschuldiging van Karoen tegen Mozes wordt bedoeld. (Hoofdstuk XXVIII, vers 76), of wel de verdenking van A‰rons moord, die op Mozes werd geworpen, omdat hij bij hem was toen hij op den berg Hor stierf. Hij werd echter omtrent dit laatste gerechtvaardigd, doordat de engelen het lijk brachten en het openbaar tentoonstelden, of, zooals sommigen zeggen, door de verklaring van A‰ron zelven, die tot dat doel ten leven werd opgewekt (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[1711] Sommige afschriften hebben abda in plaats van inda, tengevolge waarvan deze woorden zouden moeten vertolkt worden: En hij was een doorluchtig dienaar van God.

[1712] Door geloof wordt hier verstaan; geheele gehoorzaamheid aan Gods wet, die voorgesteld wordt als van zooveel belang (want eeuwige gelukzaligheid of ellende hangt geheel van hare nakoming of verwaarloozing af), en als zoo moeielijk in hare nakoming, dat, indien God hetzelfde op die voorwaarden aan de grootere deelen van de schepping zou voorstellen en zij verstand genoeg bezaten om het symbool te begrijpen, zij het zouden weigeren en geen plicht op zich zouden durven nemen, waarvan het niet vervullen door een zoo verschrikkelijken uitslag wordt gevolgd. Er wordt gezegd, dat de mensch het toch ondernam, niettegenstaande zijne zwakheid, en de gebreken hem van nature eigen. Sommigen beweren, dat dit voorstel niet hypothetisch is, maar werkelijk aan de hemelen, de aarde en de bergen werd gedaan, welke bij hunne eerste schepping met rede waren begaafd, en dat God hun zeide, dat hij eene wet had gemaakt en het paradijs had geschapen ter belooning van hen, die daaraan gehoorzaamden, en de hel tot straf van den ongehoorzame, waarop zij antwoordden, dat zij er mede tevreden waren, genoodzaakt te worden, de diensten te vervullen, waarvoor zij werden geschapen, maar dat zij niet zouden willen ondernemen de goddelijke wet op die voorwaarden te vervullen, en dus noch belooning noch straf verlangden. De verhalers van deze vertelling voegen er bij, dat, toen Adam werd geschapen, hem hetzelfde aanbod werd gedaan en hij het aannam (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). De uitleggers geven echter andere uitleggingen van deze plaats.

[1713] Onrechtvaardig omtrent zich zelven, door het niet vervullen zijner verbintenissen en het gehoorzamen der wet, welke hij had aangenomen; en dwaas, daar het gevolg zijner ongehoorzaamheid en achteloosheid niet te overwegen is.

[1714] Van het volk van Saba wordt melding gemaakt in het 14e vers.

[1715] Zooals: de regen, verborgen schatten, dooden, enz.

[1716] Zooals: dieren, planten, metalen, bronwater, enz.

[1717] Zooals: de engelen, de schriften, Gods besluiten, regen, bliksem en donder, enz.

[1718] Zooals: de engelen, daden van menschen, dampen, rook enz. (Al Beid‚wi).

[1719] Zie Hoofdstuk XXI. vers 79.

[1720] Zie ibid. vers 80.

[1721] Zie Hoofdstuk XXI, vers 81.

[1722] Zij zeggen dat deze fontein te Yaman was en drie dagen in de maand vloeide (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).

[1723] Sommigen veronderstellen dat dit beelden van de engelen en profeten waren, en dat het maken daarvan toen niet was verboden; en anderen, dat het niet zulke beelden waren, welke door de wet werden verboden. Sommigen zeggen, dat deze geesten hem twee leeuwen maakten, die aan den voet van zijn troon, en twee arenden die daar boven werden geplaatst, en dat als hij den troon beklom, de leeuwen hunne klauwen uitstrekten, en dat, wanneer hij nederzat, de arenden hem met hunne vleugels overschaduwden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).

[1724] Zijnde zoo reusachtig groot, dat een duizendtal menschen te gelijk uit ieder daarvan zou hebben kunnen eten.

[1725] Deze ketels zeggen zij, waren uit de bergen van Yaman gehouwen en zoo reusachtig, dat zij niet vervoerd konden worden, en het volk met een aantal treden daarnaar opklom (Jallalo'ddin).

[1726] Ten einde deze plaats te verklaren, verhalen de uitleggers, dat David, die de grondslagen van den tempel van Jeruzalem had gelegd, welke in plaats van den tabernakel van Mozes zou worden opgericht, toen hij stierf, de voltooiing daarvan aan zijn zoon Salomo overliet, die de geniussen bij dien arbeid gebruikte. VÛÛr het gebouw geheel voleindigd was, voelde Salomo zijn einde naderen, weshalve hij God bad, dat zijn dood voor de geniussen mocht verborgen blijven, tot zij den arbeid voleindigd zouden hebben. God beval daarom, dat Salomo zou sterven, als hij stond te bidden, leunende op zijn staf, die het lijk gedurende een vol jaar in dien stand hield. De geniussen veronderstelden, dat hij levend was, en vervolgden hunnen arbeid gedurende dat tijdsverloop. Na het einde dier tijdruimte was de tempel voltooid, en een worm, die in den staf gekropen was, doorknaagde dezen waardoor het lichaam op den grond viel en de dood des konings ontdekt werd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Misschien dat deze fabel dat de tempel door geniussen en niet door menschen is gebouwd, zijn oorsprong heeft genomen in hetgeen daarvan in de H. Schrift wordt vermeld; namelijk dat het huis van steen werd gebouwd, welke gereed gemaakt was, vÛÛr die daarheen werd gebracht, zoodat, terwijl het werd gebouwd er noch hamer, noch bijl, noch eenig gereedschap in werd gehoord. (I Koningen VI : 7).

[1727] Zijnde: dat zij niet in slaafsche onderwerping aan het bevel van Salomo gebleven, noch met het werk van den tempel zouden zijn voortgegaan.

[1728] Saba was de zoon van Yashhab, den zoon van Yarab, den zoon van Khatan, wiens nakomelingen in Yaman woonden in de stad Mareb, ook Saba genaamd, en op omstreeks drie dagreizen van Sanaa gelegen. Wie iets naders wil weten omtrent dit gedeelte van gelukkig ArabiÎ en de taal welke men er spreekt, leze eene reeks artikelen van den Heer Fresnel, voorkomende in het Journal Asiatique.

[1729] Dat is: twee streken lands, waarvan de eene aan deze en de andere aan gene zijde hunner stad ligt, welke met boomen beplant en tot tuinen gevormd zijn, die zoo dicht aan elkander liggen, dat iedere streek een doorloopende tuin scheen te wezen; of het kan zijn, dat ieder huis ter wederzijde een tuin had (Al Beid‚wi).

[1730] De uitleggers geven verschillende beteekenissen van het woord al Arem op, die schier niet der moeite waard zijn, vermeld te worden. De meest eigenlijke beteekenis is die van wallen of dammen, ten einde het water te keeren of te bevatten, en is hier gebruikt voor den verbazenden wal of het gebouw, dat de uitgestrekte vergaarkom boven de stad Saba vormde, en dat, wegens, de groote goddeloosheid, trotschheid en onbeschaamdheid der bewoners, des nachts door een hevigen vloed werd doorgebroken, en eene vreeselijke verwoesting aanrichtte. Al Beid‚wi veronderstelt, dat deze wal het werk der koningin Balkis was, en dat het bovengenoemde ongeval plaats had na Chr. geboorte. Hierin schijnt hij zich echter, volgens de meening van Sale, te hebben bedrogen. Volgens de onderzoeking echter van de Sacy, zou men het in de tweede eeuw na Chr. kunnen plaatsen. Overigens verwijzen wij nog naar l'Histoire des Arabes van Caussin de Perceval 3 vols, 1849.

[1731] Een kleine heester, die geene vruchten draagt, en op zilte en onvruchtbare gronden wast (Tamarix of Tamariscus).

[1732] Zijnde de steden van SyriÎ.

[1733] Want de nabijwonende volkeren verwonderden zich terecht over de spoedige en onvoorziene omwenteling in de zaken van dit eens zoo bloeiende volk, van waar het tot een spreekwoord is geworden, als men eene geheele verstrooiing wil aanduiden, dat zij verdwenen en verstrooid werden als Saba (Al Beid‚wi. Zie Gol. note in Alfrag., p. 87).

[1734] Hetzij zijne meening omtrent de SabbeÔsten, toen hij hen tot trotschheid en ondankbaarheid zag overhellen en hen hunne lusten zag bevredigen, of wel de meening welke hij van alle menschen had bij den val van Adam, of bij diens schepping, toen hij de engelen hoorde zeggen: Wilt gij iemand op de aarde plaatsen die kwaad bedrijven en bloed vergieten zal? (Zie Hoofdstuk II, vers 28 en volgende verzen, Hoofdstuk VII, vers 10 en volgende en Hoofdstuk XV, vers 33 en volgende).

[1735] Die van de algemeene vernietiging werden gered.

[1736] Zie Hoofdstuk XIX, vers 90.

[1737] Zijnde van de harten der tusschenpersonen en van hen, voor wie God hun zal veroorloven tusschen beiden te treden, door het verlof dat hij hun dan zal verleenen; want geen engel of profeet zal op den jongsten dag zonder het goddelijk verlof mogen spreken.

[1738] Het woord hier in het oorspronkelijke gebruikt, is elfettah, eigenlijk, die alles opent, alle moeielijkheden oplost en alle verschillen vereffent.

[1739] Men zegt dat den ongeloovigen bewoners van Mekka, toen zij de Joden en Christenen omtrent Mahomets zending ondervroegen, werd verzekerd, dat deze Ën in het Oude Testament Ën in het Evangelie als de profeet beschreven was, die komen moest; waarop zij angstig werden en de hier vermelde woorden uitten (Al Beid‚wi).

[1740] Zie Hoofdstuk XIV, vers 24, noot.

[1741] Zie Hoofdstuk X, vers 55 noot.

[1742] Zijnde: dat gij bedaard en oprechtelijk u, in het aangezicht van God, zonder hartstocht of vooroordeel, bezig houdt, over mij en mijne eischen na te denken en te oordeelen. De reden waarom hun bevolen wordt, hetzij alleen na te denken, of op zijn hoogst, twee aan twee is, dat in het algemeen in grootere verzamelingen, geraas, hartstocht en vooroordeel heerschen, waardoor de menschen niet die onbevangenheid van oordeel hebben, welke zij in afzondering bezitten (Al Beid‚wi).

[1743] Nadat Mahomet in de voorafgaande woorden geantwoord heeft op de beschuldiging van uitzinnigheid of ijdele geestdrijverij, tracht hij door deze zich te zuiveren van de verdenking, eenig wereldlijk uitzicht of belang te beoogen, verklarende, dat hij geene betaling of ondersteuning van hen verlangt, voor de uitvoering van zijnen last, maar dat hij zijne vergelding alleen van God verwacht.

[1744] Savary vertaalt dit: Behoudt uwe giften.

[1745] Zie Hoofdstuk XXV, vers 59.

[1746] Zijnde: Bij hunnen dood, op den dag des oordeels, of bij den slag van Bedr (Al Beid‚wi).

[1747] Dat is: van de buitenzijde der aarde tot aan hare binnenzijde, of van Gods rechtbank tot het hellevuur of van de vlakte van Bedr tot den put, waarin de lijken der gedooden werden geworpen (Al Beid‚wi).

[1748] Dat is: als zij in de andere wereld zijn, terwijl het geloof in deze wereld zal worden ontvangen.

[1749] Beide woorden komen in het eerste vers voor: Zamakhshari zegt: dat hij die het hoofdstuk der engelen zal lezen, eens de acht poorten van het paradijs voor zich zal zien openen en binnen zal gaan, door diegene, welke hem zal behagen.

[1750] Dat is: Sommige engelen hebben een grooter en sommige een kleiner aantal vleugels, overeenkomstig de verschillende bevelen welke zij uitvoeren; daar de woorden niet zijn opgegeven om het bijzondere getal uit te drukken. GabriÎl wordt gezegd aan Mahomet, in den nacht dat deze zijne reis naar den hemel maakte, met niet minder dan zes honderd vleugelen te zijn verschenen (Al Beid‚wi).

[1751] Zooals de KoreÔshieten nopens Mahomet deden.

[1752] Zie Hoofdstuk XXII, vers 5.

[1753] Het woord bahr, zee, wordt bij de Arabieren niet alleen op de zoute wateren toegepast, maar ook op groote stroomen, zooals de Nijl, de Tiger enz.

[1754] Zijnde de twee collectieve lichamen van zout en versch water. Zie Hoofdstuk XXV, vers 55.

[1755] Zie Hoofdstuk XVI, vers 14.

[1756] Zooals paarlen en koraal.

[1757] Deze plaats drukt het groote onderscheid uit, tusschen een waar geloovige en een ongeloovige, tusschen waarheid en waan en tusschen toekomstige belooning en straf.

[1758] Zijnde: zij die hardnekkig in hun ongeloof volharden, en bij de dooden worden vergeleken.

[1759] Zooals de boeken aan Abraham en aan de andere profeten voor Mozes gegeven.

[1760] Zijnde het Oude Testament, of het Evangelie.

[1761] Dat is: van verschillende soorten. Zie Hoofdstuk XVI, vers 13.

[1762] Zijnde: meer of minder krachtig van toon (Al Beid‚wi). Bij Savary volgt: de raaf is zwart.

[1763] Door niet in praktijk te brengen, wat hem in den Koran is geleerd en bevolen.

[1764] Dit is: die het wel meent en zijn plicht voor het grootste gedeelte, maar niet volkomen vervult.

[1765] Mahomet.

[1766] De beteekenis dezer letters Ya. Sin, is onbekend. Sommigen beweren echter, op grond eener overlevering van Ebn Abbas, dat zij hier staan, in plaats van Ya isan, zijnde: O mensch! Dit hoofdstuk, wordt gezegd, verscheidene andere titels te hebben, welke het van Mahomet zelven zou hebben ontvangen, en vooral dien van het hart van den Koran. De Mahomedanen lezen dit bij stervende personen, en wel in hunne laatste oogenblikken (Zie Bobov. De visit. aegrot. p. 17).

[1767] Zijnde het vonnis der verdoemenis, dat door God, bij den val van Adam, tegen het meerendeel der geniussen en menschen, werd uitgesproken (Zie Hoofdstuk VII, vers 12: hoofdstuk XI, vers 120 enz.)

[1768] Of halsbanden, zooals die beschreven zijn in Hoofdstuk XIII vers 6.

[1769] Men zegt dat toen de KoreÔshieten, tengevolge van een besluit dat zij hadden genomen, een uitgezocht aantal mannen zonden, om Mahomets huis te bezetten en hem te dooden, de profeet, Ali op zijn bed deed liggen om de moordenaars te misleiden, naar buiten ging en eene handvol stof op hen wierp, onder het herhalen der negen eerste verzen van dit Hoofdstuk die hier eindigen. Zij werden daarop met blindheid geslagen, zoodat zij hem niet konden zien.

[1770] Zooals hun goed of slecht voorbeeld, leer, enz.

[1771] Om deze plaats te verklaren, geven de uitleggers het volgende verhaal: Het volk van AntiochiÎ was uit afgodendienaars samengesteld, weshalve Jezus twee zijner leerlingen daarheen zond om er te prediken. Toen zij de stad naderden, vonden zij Habib, bijgenaamd al Najjar, of de timmerman, die schapen weidde en dien zij met hunne boodschap bekend maakten. Hij vroeg hun daarop, welk bewijs zij voor hunne waarachtigheid hadden, tengevolge waarvan zij verhaalden, dat zij de zieken, de blinden en de melaatschen konden genezen; en om de waarheid te bewijzen van hetgeen zij zeiden, legden zij hunne handen op een hem toebehoorend kind, dat ziek was, en gaven het onmiddellijk de gezondheid terug. Habib was door dit wonder overtuigd en geloofde, waarna zij de stad binnentrokken en de vereering van den waren God predikten, terwijl zij een groot aantal menschen van verschillende gebreken genazen. Eindelijk kwam de zaak echter ter oore van den vorst, die bevel gaf hen gevangen te nemen, daar zij getracht hadden het volk te misleiden. Toen Jezus dit hoorde, zond hij een ander zijner leerlingen, die algemeen verondersteld wordt Simon of Petrus te zijn geweest, en die, naar AntiochiÎ komende en een ijverig afgodendienaar schijnende te zijn, spoedig in de gunst der bewoners en van hunnen vorst wist te dringen, en eindelijk de gelegenheid te baat nam, zijn verlangen te kennen te geven, dat de vorst bevel zou geven, de beide personen, die, naar hij vernomen had, wegens het verspreiden van nieuwe meeningen in de gevangenis waren geworpen, voor hem te brengen om ondervraagd te worden, welk verzoek werd toegestaan. Nadat Petrus hen vooraf in het geheim had gewaarschuwd, niet te doen blijken dat zij hem kenden, vroeg hij hun, wie hen had gezonden, waarop zij antwoordden: God, die alle dingen heeft geschapen, en geen metgezel heeft. Hij vroeg hun daarop om een overtuigend bewijs voor hunne zending, waarop zij een blinden man het gezicht teruggaven, en eenige andere wonderen verrichtten. Petrus scheen daarmede niet tevreden, omdat volgens sommigen, ook hij diezelfde wonderen kon verrichten, maar hij verklaarde, dat, indien hun God hen in staat kon stellen de dooden op te wekken, hij hen zou gelooven. De apostelen namen deze voorwaarde aan, waarop een jongeling werd gebracht, die reeds sedert zeven dagen dood was en op hunne gebeden weder levend werd. Daarop verklaarde Petrus zich overtuigd: hij liep weg, vernietigde de afgodsbeelden; een groot aantal des volks volgde hem, en omhelsde het ware geloof, maar zij die niet geloofden, werden verdelgd door den kreet van den engel GabriÎl (Al Zamakshari, Al Beid‚wi, enz.). Zie Maracc. in Alc. p. 580.

[1772] Zijnde: Indien u eenig overkomt, zal dit het gevolg zijn van uw eigen weerspannigheid en ongeloof.