Part 93
[1632] Sommige uitleggers veronderstellen, dat het hier bedoelde land, ArabiÎ of wel dat der Grieken is, en plaatsen het tooneel van dit voorval op de grenzen van ArabiÎ en SyriÎ, nabij Bostra en Adhradt (Yahya, Al Beid‚wi). Anderen gelooven dat hier het land van PerziÎ wordt bedoeld, en plaatsen het voorval in MesopotamiÎ, op de grenzen van dat koninkrijk (Mojahed op Zamakhsh.), maar Ebn Abbas denkt met meer waarschijnlijkheid, dat het Palestina was.
[1633] Om naar water en mineralen te graven en den grond te beploegen, ten einde daarop te zaaien enz.
[1634] Zie Hoofdstuk III, vers 27.
[1635] Dat is: als wij van hem spreken, moeten wij gebruik maken van de edelste en heerlijkste uitdrukkingen, welke wij slechts in staat zijn uit te denken.
[1636] Zie Hoofdstuk XVI, vers 77.
[1637] Zijnde de onveranderlijke natuurwet, waarop alles berust; welke de mensch van nature geneigd is op te volgen, en welke iedereen, als het meest geschikt voor een redelijk wezen, zou willen omhelzen.
[1638] Dat is: hebben wij ooit, hetzij, door den mond van een of anderen profeet, of door eene geschreven openbaring, de aanbidding van meer dan ÈÈn god bevolen of aangemoedigd.
[1639] En zoeken Gods gunst niet ten gepasten tijde door berouw te herwinnen.
[1640] Of door omkooping. Het woord bevat alle afpersing of ongeoorloofde winst.
[1641] Zijnde: ongeluk en openbare ramp, zooals: honger, pest, droogte, schipbreuken enz., of dwaalbegrippen, of eene algememene verdorvenheid van zeden enz.
[1642] Zijnde in de wereld of in hunne graven. Zie Hoofdstuk XXIII, vers 115.
[1643] Dat is overeenkomstig zijne voorkennis en zijn besluit in de bewaarde tafels; overeenkomstig hetgeen in den Koran is gezegd, waar de staat des doods door deze woorden is uitgedrukt (Hoofdstuk XXIII, vers 102). Achter hen zal een hek (of slagboom) zijn, tot den dag der opstanding (Al Beid‚wi).
[1644] Dit Hoofdstuk is aldus genoemd naar den persoon, die in het 11e vers wordt vermeld.
[1645] Sommigen zonderen hiervan echter het 3e vers uit, en anderen de drie verzen 26-28.
[1646] Zijnde ijdele en dwaze fabels. Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al Hareth, die, den roman van Rostam en Isfandiyar uit PerziÎ hebbende medegebracht, tot welk land die beide helden behoorden, dezen in de vergadering der KoreÔshieten zong; daarbij de macht en heerlijkheid der oude Perzische koningin hoogelijk roemende, en hunnen verhalen de voorkeur gevende, boven die van Ad en Thamoed, David en Salomo en de overige, welke in den Koran worden medegedeeld. Sommigen zeggen, dat al Nodar zingende meisjes kocht en die aan degenen deed brengen, welke neiging hadden Moslems te worden, ten einde hen door gezangen en verhalen van hunne bedoelingen af te brengen (Al Beid‚wi.).
[1647] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15. Een geleerd schrijver (Gol in Append. ad Erpinii Gram. p. 187) zegt, in zijne aanteekeningen op deze plaats, dat het woord rawasiya, hetgeen door de uitleggers in het algemeen als onbewegelijke bergen wordt wedergegeven, (eigenlijk het Hebreeuwsch woord m/ekvnm/">mkvnyh zijnde) grondslagen of basis beteekent. Genoemde schrijver is dientengevolge van oordeel, dat de Koran hier de plaats uit de Psalmen heeft overgenomen, luidende: Hij legde de grondslagen der aarde, opdat die in eeuwigheid niet zou wankelen (Psalm CIV : 5). Dit is het eenige bewijs niet, dat men zou kunnen geven, dat Mahomedaansche godgeleerden niet altijd de beste vertolkers hunner schriften zijn.
[1648] De Arabische schrijvers zeggen, dat Lokman de zoon was van Ba¸ra, de zoon of kleinzoon van een zuster of tante van Job en dat hij eenige eeuwen, tot den tijd van David leefde, met wien hij in Palestina verkeerde. Volgens de beschrijving welke zij van dezen persoon geven, moet hij zeer misvormd zijn geweest. Zij zeggen namelijk, dat hij een zwarte huid had (vanwaar sommigen hem voor een EthiopiÎr houden), met dikke lippen en gespleten voeten. Daarentegen ontving hij van God wijsheid en welsprekendheid in een hoogen graad, welke hem, volgens sommigen, in een visioen werden gegeven, waarbij hij de wijsheid boven de gave der profetie verkoos, welke hem beide werden aangeboden. Algemeen houden hem de Mahomedanen daardoor niet voor een profeet maar alleen voor een wijs man. Wat zijn stand betreft, zeggen zij, dat hij een slaaf was, maar dat hij zijne vrijheid bij de volgende gelegenheid verkreeg: Zijn meester gaf hem eens eene bittere meloen te eten, en hij betoonde daarbij zooveel gehoorzaamheid dat hij de vrucht geheel opat, waarop de meester zich zeer verwonderde en hem vroeg: Hoe hij zulk eene vrucht kon eten? Hij antwoordde daarop, dat het geen wonder was, dat hij eens eene bittere vrucht aannam uit dezelfde hand, van welke hij zoovele gunsten had ontvangen. (Al Zamakhsh, Al Beid‚wi, enz. Zie d'Herbel, Bibl. Orient, p 516 en Marracc, in Alc. p. 547). De uitleggers vermelden verschillende snedige antwoorden, die door Lokman zouden zijn gegeven, en welke, gevoegd bij de boven vermelde omstandigheden, zoo zeer overeenkomen met hetgeen Maximus Planudes van Esopus heeft geschreven, dat daarom, en ook door de fabelen, welke door de Oosterlingen aan Lokman worden toegeschreven, de laatste algemeen is aangenomen de Esopus der Grieken te zijn geweest. Desniettegenstaande is Sale van oordeel, dat Planudes een groot deel van zijn leven van Esopus aan de overleveringen heeft ontleend, welke hij in het Oosten nopens Lokman ontmoette, daaruit afleidende, dat zij ÈÈn persoon vormden, omdat zij beiden slaven waren en verondersteld worden, de schrijvers te zijn van de fabelen, welke onder hunne verschillende namen doorgaan, en veel op elkander gelijken. Het is toch reeds voorlang door geleerden opgemerkt, dat het grootste deel van dit verhaal van den monnik Planuder, een samengeflanste roman is, welke door geen bewijs der oude schrijvers wordt gestaafd (Zie vie d'Esope par M. de Meziriac Bayle, Dict. Historique, Art Esope Rem. B.).
[1649] De plaats vers 13 en 14 maken geen deel uit van den raad van Lokman aan zijn zoon, maar zijn er, bij wijze van tusschenzin, aan toegevoegd, als zeer passend en geschikt om hier te worden herhaald, ten einde het verfoeielijke der afgoderij aan te toonen. Die woorden zijn (behalve eenige bijvoegingen) in Hoofdstuk XXIX, vers 7 te vinden en werden oorspronkelijk geopenbaard wegens Saad Ebn Abi Wakkas, Wiens moeder hem weder van den Islam wilde terugbrengen.
[1650] De persoon hier eigenlijk bedoeld, was Aboe Bekr, door wiens aanraden Saad een Moslem werd.
[1651] De Arabieren vergelijken namelijk eene luide en onaangename stem bij het balken van dat dier.
[1652] Zijnde: alle soorten van zegeningen, die zoowel den geest als het lichaam betreffen.
[1653] Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard ter beantwoording van de Joden, die volhielden, dat alle kennis in de wet was bevat (Al Beid‚wi).
[1654] Daar God in staat is een millioen werelden voort te brengen door het enkele woord Kun, zijnde: Wees! en de dooden allen te doen verrijzen door het enkele woord Kum, d.i. Rijst op!
[1655] Zijnde de duivel.
[1656] Op deze plaats worden vijf zaken opgeteld, welke God alleen kent; zijnde; de tijd van den dag des oordeels, de tijd van den regen, of hetgeen zich in den schoot vormt, tot het mannelijke of het vrouwelijke geslacht behoort, enz., wat morgen zal geschieden en waar iemand zal sterven. Dit noemen de Arabieren, overeenkomstig eene overlevering van hunnen profeet, de vijf sleutels van verborgen kennis. Men zegt dat deze plaats door Al Hareth Ebn Amroe werd veroorzaakt, die aan Mahomet vragen van dien aard voorstelde. Omtrent de laatste bijzonderheden geeft Al Beid‚wi het volgende verhaal: De engel des doods ging eens in een zichtbaren vorm Salomo voorbij. De engel zag iemand aan, die bij hem zat, waarop deze vroeg, wie hij was. Salomo herkende hem als den engel des doods, waarop de man zeide: Hij schijnt mij te verlangen; beveel dus den wind mij van hier naar IndiÎ over te brengen. Toen dit volvoerd was zeide de engel tot Salomo: Ik zag dien man zoo ernstig aan, uit verwondering, omdat mij bevolen was zijne ziel uit IndiÎ te halen, en ik hem hier met u in Palestina vond.
[1657] De titel is aan vers 15 ontleend, waar gezegd wordt dat de geloovigen in aanbidding nedervallen.
[1658] Zie Hoofdstuk XXVIII, vers 46.
[1659] Zie Hoofdstuk LXX, vers 4, noot. Sommige leggen de hier voorkomende plaats niet uit, als had die betrekking op de opstanding, maar veronderstellen, dat de woorden hier het nemen en uitvoeren van Gods besluiten beschrijven welke van den hemel op aarde worden nedergezonden en tot hem terugkeeren (of opklimmen, zooals het werkwoord eigenlijk beteekent), nadat zij tot uitvoering zijn gebracht. Zij stellen deze voor, als het ware met zijn voorkennis uitgevoerd in den tijd van ÈÈn dag met God, maar met den mensch in duizend jaren. Anderen denken dat deze tijdruimte de tijd is, dien de engelen welke de goddelijke besluiten overvoeren en deze na hunne uitvoering terugbrengen, noodig hebben om af te dalen en weder op te stijgen, aangezien de afstand van den hemel tot de aarde eene reis van vijfhonderd jaren vordert, terwijl anderen van meening zijn, dat de engelen in eens de besluiten voor de volgende duizend jaren brengen, na verloop waarvan zij terugkeeren om nieuwe bevelen af te halen enz. (Al Beid‚wi).
[1660] Zijnde: zaad.
[1661] Zie Hoofdstuk VII, vers 34 en Hoofdstuk XI, vers 120.
[1662] Zelfs niet een van de engelen, die het naast bij Gods troon komen, noch een der profeten, welke door hem zijn gezonden (Al Beid‚wi).
[1663] De bewoners van Mekka komen namelijk dikwijls voorbij de plaatsen, waar de Adieten, Thamoedieten, Midianieten, Sodomieten enz. eens woonden.
[1664] Dat is op den dag des oordeels: sommigen veronderstellen echter, dat de hier bedoelde dag die van de overwinning te Bedr is, of wel die van de inneming van Mekka, waarbij verscheidene van hen, die gebannen waren, onmiddellijk werden gedood.
[1665] Een deel van dit Hoofdstuk werd geopenbaard bij gelegenheid van den oorlog der gracht, die in het vijfde jaar der hedjira voorviel, toen Medina gedurende meer dan twintig dagen door de verbonden strijdmachten van verschillende Joodsche stammen en van de bewoners van Mekka, Najd en Tehama werd belegerd, op de aanhitsing der Joden van den stam van Nadhir, welke een jaar te voren door Mahomet uit hunne woonplaatsen, nabij Medina, waren verdreven geworden (Zie Abu'lfeda, Vit. Moh. p. 73 en Gagnier, Vie de Mohamm. lib. 4. c. l.).
[1666] Men verhaalt dat Aboe Sofian, Acrema Ebn Abi Jahl en Abu'l A'war al Salami eens een vriendschappelijk onderhoud met Mahomet hadden, waarbij ook Abdallah Ebn Obba, Moatteb Ebn Kosheir en Jadd Ebn Kais tegenwoordig waren, waarin de eerstgenoemden den profeet voorstelden dat, indien hij zou willen ophouden, tegen de aanbidding van hunne goden te prediken en hij die als bemiddelaars zou willen erkennen, zij hem en zijn Heer geene verdere moeilijkheden zouden veroorzaken; waarop deze woorden werden geopenbaard (Al Beid‚wi).
[1667] Deze plaats werd geopenbaard, om twee gewoonten der oude Arabieren af te schaffen. De eerste daarvan was de wijze, waarop zij zich van hunne vrouwen lieten scheiden, als zij geene lust hadden, haar uit hun huis te laten vertrekken of te laten huwen; en dit deed de man, door tot de vrouw te zeggen: "Gij zijt mij voortaan als de rug mijner moeder", na het uitspreken van welke woorden hij afstand van haar bed had gedaan en haar in alle opzichten als zijne moeder beschouwde. Zij werd dan tot al zijne nabestaanden zoo verwant, als ware zij werkelijk zijne moeder. De andere gewoonte bestond daarin, dat zij hunne aangenomen zoons even zoo aan zich verwant beschouwden als hunne werkelijke zonen, waardoor dezelfde hinderpalen tegen het huwelijk uit die veronderstelde betrekking voortvloeiden, betreffende de verboden verbindingen, gelijk dit met een echten zoon het geval is. Mahomet had eene bijzondere reden dit laatste af te schaffen, daar hij de vrouw huwde, welke van zijnen bevrijden slaaf ZeÔd was gescheiden, die mede zijn aangenomen zoon was, waarop wij later nader zullen terugkomen. Door de verklaring, die tot inleiding van deze plaats strekt, dat God, geen mensch twee harten heeft gegeven, wordt bedoeld, dat een man niet dezelfde gehechtheid voor veronderstelde bloedverwanten, en voor aangenomen kinderen kan hebben als voor degenen, die dit werkelijk zijn. Men verhaalt dat de Arabieren gewoon zijn, van een voorzichtig en scherpzinnig mensch te zeggen, dat hij twee harten heeft: vanwaar zekere Abn Mamkr, of, zoo als anderen zeggen, Jemil Ebn Asad El Fihri, den bijnaam had van Dhoe'lkalbein, of de man met twee harten (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1668] Door onwetendheid of vergissing, of dat gij in den verleden tijd hebt gedwaald.
[1669] Hun niets bevelende dan wat in hun belang en voordeel was, en meer bezorgd voor hun tegenwoordig en toekomstig geluk zijnde dan zij zelven; waarom hij hun dierbaar moet wezen, en hunne grootste liefde en hunnen grootsten eerbied verdient.
[1670] Doch de geestelijke betrekking tusschen Mahomet en zijn volk, in de voorafgaande woorden verklaard, levert geen hinderpaal op, die hem had kunnen beletten, zulke vrouwen tot de zijne te kiezen als hij geschikt achtte. De uitleggers zijn echter van oordeel, dat het hier verboden wordt eene zijner vrouwen te huwen.
[1671] Deze woorden, die, behalve het laatste gedeelte van het oordeel, ook in het VIIIe Hoofdstuk voorkomen, schaffen de wet nopens de erfenissen af, welke in hetzelfde Hoofdstuk is afgekondigd, waardoor Mohajerun en Ansars elkanders erfgenamen werden, met uitsluiting van hunne nadere verwanten, die ongeloovigen waren (Zie Hoofdstuk VIII, vers 73.)
[1672] Zijnde: In de bewaarde tafel of den Koran, of, zooals anderen veronderstellen, in den Pentateuchus.
[1673] Waardoor zij op zich namen, hunne verschillende lastgevingen te volvoeren en beloofden den godsdienst te prediken, welke hun door God was bevolen.
[1674] Zijnde: Dat hij op den dag der opstanding aan de profeten zal vragen op welke wijze zij zijne verschillende lastgevingen hebben volvoerd, en hoe zij door hun volk werden ontvangen; of, hetgeen de woorden mede kunnen beteekenen, dat hij hen, die in hem geloofden, nopens hun geloof onderzoeken en hen dienovereenkomstig beloonen zal.
[1675] Dit waren de strijdkrachten van de KoreÔshieten en den stam van Ghatfan, die, verbonden met de Joden van al Nadhir en Koreidha, ten getale van twaalf duizend man, Medina belegerden, in de expeditie welke de oorlog van de gracht is genaamd.
[1676] Op de nadering des vijands beval Mahomet naar den raad van Salman, den PerziÎr, dat er eene diepe gracht of retranchement rondom Medina zou worden gegraven, tot meerdere zekerheid der stad, terwijl hij met drie duizend man uittrok, om die te verdedigen. Aan beide zijden bleef men bijna eene maand in de kampen, zonder eenige andere vijandelijkheid te plegen, dan het afschieten van pijlen en het slingeren van steenen, tot God in een winternacht een doordringend kouden Oostenwind zond, die de ledematen der verbondenen verstijfde, hun het stof in het aangezicht joeg, hunne vuren uitbluschte, hunne tenten omwierp en hunne paarden in wanorde bracht, terwijl de engelen op denzelfden tijd Allah-acbar rondom hun kamp uitriepen, waarop Toleiha Ebn Khowailed, de Asadiet, overluid zeide: Mahomet wil u met toovenarijen aan vallen, zorgt dus door de vlucht voor uwe veiligheid. Dientengevolge braken eerst de KoreÔshieten en daarna de Chatfanieten het beleg op, en keerden naar huis. Men verhaalt dat Mahomet, op het hooren van het aftrekken zijner vijanden, zeide: Ik heb door den oostenwind eene overwinning behaald, en Ad is door den westenwind omgekomen (Al Beid‚wi, Abu'lf, Vit. Moh. p. 77 enz.)
[1677] Zijnde Aws Ebn Keidhi en zijne aanhangers.
[1678] Dit was de oude en eigenlijke naam van Medina, of van het grondgebied waarop die plaats stond. Sommigen meenen dat die stad aldus werd genaamd naar haren stichter Yathreb, den zoon van Kabiya, den zoon van Mahlayel, den zoon van Aram, den zoon van Sem, den zoon van Noach. Anderen verhalen echter dat die stad door de Amalekieten werd gebouwd (Ahmed Ebn Yoesof).
[1679] Namelijk in de stad, of: in hunne afvalligheid en weerspannigheid, daar de Moslems zeker ten laatste zullen slagen.
[1680] Hetzij door in kleinen getale tot het leger op te komen, of door slechts korten tijd bij hen te blijven en daarna met eene gewaande verontschuldiging terug te keeren; of door zich ziek te houden, wanneer de tijd tot handelen gekomen was.
[1681] Door spaarzaam te zijn in hunnen bijstand, hetzij wat hunnen persoon of wat hunne beurs betreft, of begeerig naar den buit zijnde.
[1682] Om daardoor afwezig en niet verplicht te zijn ten strijde te trekken.
[1683] Namelijk: dat wij niet moesten verwachten het paradijs binnen te gaan zonder aan sommige beproevingen en moeielijkheden onderworpen te zijn geweest, zie Hoofdstuk II, vers 209, III, vers 147, XXIX, vers 1 enz. Er is eene overlevering, dat Mahomet werkelijk deze expeditie der verbondenen en den uitslag daarvan eenigen tijd te voren voorspelde. (Al Beid‚wi).
[1684] Door den profeet standvastig bij te staan en den vijanden van den waren godsdienst dapper het hoofd te bieden, overeenkomstig hunne verbintenis.
[1685] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertaald: hebben hunne gelofte vervuld, of hunne schuld aan de natuur betaald, door als martelaren in den slag te vallen, evenals Hamza, Mahomets oom, Marab Ebn Omair en Ans Ebn Al Nadr (Al Beid‚wi), die in den slag van Ohod werden gedood. De martelaren in den oorlog der gracht, bedroegen zes, daaronder begrepen Saad Eba Moadh, die omstreeks eene maand daarna aan zijne wonde overleed (Abu'lf. Vit. Moh. p. 79).
[1686] Zooals Othman en Telha (Al beid‚wi).
[1687] Dit waren de lieden van den stam van Koreidha, die, hoewel zij met Mahomet een verbond hadden gesloten, op de onophoudelijke aansporingen van Caab Ebn Asad, een voornaam man onder hen, in dezen oorlog van de gracht, op verraderlijke wijze tot zijne vijanden overliepen en daarvoor gestreng werden gestraft. Den volgenden ochtend namelijk, nadat de verbonden strijdkrachten hunne legers hadden opgebroken, keerde Mahomet met zijne manschappen naar Medina terug en legden zij hunne wapenen neder, waarop zij zich na de door hen uitgestane vermoeienis verkwikten. GabriÎl kwam daarop tot den profeet en vroeg hem, waarom hij zijn volk had toegestaan de wapenen neder te leggen, terwijl de engelen de hunne nog niet hadden afgelegd. Hij beval hem onmiddellijk tegen de Koradhieten op te trekken, hem verzekerende, dat hij zelf den weg zou banen, Mahomet gehoorzaamde het goddelijke bevel en liet in het openbaar afkondigen, dat iedereen dien namiddag zou bidden om de overwinning op de zonen van Koreidha. Hij trok daarop onmiddellijk tot de expeditie op, en toen hij de forteres der Koradhieten had bereikt, belegerde hij hen gedurende vijfentwintig dagen. Na verloop van dien tijd, capituleerde het volk, daar zij in groote verwarring en ellende verkeerden; en zich niet aan de genade van Mahomet durvende vertrouwen, gaven zij zich eindelijk aan de edelmoedigheid van Saad Ebn Moadh over (Zie Hoofdstuk VIII, vers 39) hopende dat hij, die een vorst was van den stam van Aws--hunne oude vrienden en bondgenooten--eenig mededoogen met hen zouden hebben; maar zij werden bedrogen; want Saad, ten hoogste verbolgen omdat zij het verbond hadden geschonden, had God gebeden, dat hij hem niet zou laten sterven aan de wonde welke hij in de gracht had ontvangen, zonder dat hij wraak op de Koradhieten had zien uitoefenen; weshalve hij bepaalde, dat de mannen met het zwaard gedood, de vrouwen en kinderen in slavernij gevoerd en hunne goederen onder de Moslems verdeeld zouden worden. Zoodra Mahomet deze uitspraak hoorde, riep hij uit, dat Saad het vonnis van God had uitgesproken, en dientengevolge werd die straf uitgevoerd. Het getal der gedoode mannen beliep zeshonderd, of, zooals anderen zeggen, zevenhonderd of daaromtrent, waaronder zich Hoyai Ebn Akhtab, een groote vijand van Mahomet, en Caab Ebn Asad bevond, die de hoofdoorzaak van het opstaan van hunnen stam waren geweest, Saad wiens wonde reeds gesloten was, doch weder openging, stierf korten tijd daarna (Al Beid‚wi, Abu'lf. Vit. Moh. p. 77 enz. Zie voorts Gagnier. Vie de Moh. liv. 4, c. 3.)
[1688] Waardoor sommigen veronderstellen, dat hier PerziÎ en Griekenland worden bedoeld; anderen Khaibar, en weder anderen, al het land dat tot den dag des oordeels door de Moslems mocht worden veroverd (Al Beid‚wi).
[1689] Deze plaats werd geopenbaard, omdat dat de vrouwen van Mahomet hem om rijkere kleederen en eene buitengewone toelage voor hare verteringen hadden gevraagd. Zoodra hij dit verzoek ontving, gaf hij haar de vrije keuze, hetzij om bij hem te blijven of van hem gescheiden te worden. Hij begon met AÔsha, die "God en zijn apostel" koos waarop de overige haar voorbeeld volgden. De profeet bedankte haar alle, en vers 52 van dit Hoofdstuk werd geopenbaard. Vanhier is door sommigen de gevolgtrekking gemaakt, dat de vrouw welke men de vrije keuze had gelaten, en die verkoos bij haren man te blijven, niet zou worden, gescheiden. Anderen zijn echter van eene tegenovergestelde meening (Al Beid‚wi).
[1690] Want de misdaad (overspel) zou grooter en onvergefelijk voor haar zijn, om de hoogere plaats welke zij innemen, en de genade die zij van God hebben ontvangen. Vandaar komt ook het bevel, dat de straf van een vrij persoon het dubbele van die van een slaaf zal wezen (zie Hoofdstuk IV, vers 30), en dat profeten strenger om hunne fouten berispt worden dan andere menschen (Al Beid‚wi).
[1691] Zijnde eens voor hare gehoorzaamheid, en daarna nog eens voor hare huwelijkstrouw jegens den profeet, en lofwaardig gedrag omtrent hem.
[1692] Dat is: de oude tijd van afgodendienst. Sommigen veronderstellen, dat hier de tijden voor den zondvloed of den tijd van Abraham bedoeld wordt, toen de vrouwen zich met al hare sieraden opschikten, en dan op straat gingen om zich aan de mannen te vertoonen (Al Beid‚wi).
[1693] Zijnde ZeÔd Ebn Haretha, aan wien God reeds vroeger de genade schonk, een Moslem te worden.