De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 9

Chapter 91,369 wordsPublic domain

Aangezien wij hier niet verder willen gaan dan de bondgenooten van den profeet, volgen wij ook de geschiedenis der dogmen van den Islam niet langer, en merken slechts ten slotte nog aan, dat, hoezeer Mahomet ook in den Koran op het geloof aan een eenigen God, aan de profeten en de onsterfelijkheid der ziel aandringt, toch ook, op tallooze plaatsen, niet minder het volgen der geopenbaarde leer, een deugdzame, reine levenswandel, naar de voorschriften van den Koran, van den waren geloovige gevorderd en als het middel aangeduid worden, om Gods welbehagen en de zaligheid van het paradijs te erlangen. Men begaat dus ook hierin, omtrent den stichter van den Islam een onrecht, als men beweert, dat hij aan de uitoefening der deugd en het bekampen der hartstochten in het geheel geene waarde hecht, en slechts geloof vordert. Hoe dikwijls vindt men in den Koran de woorden terug: "die gelooven en goede daden verrichten, komen in het paradijs," en dergelijken meer. Daar intusschen deze dwaling in den nieuweren tijd weder is herhaald, verwijzen wij hier naar eenige plaatsen in den Koran [86]. Indien dus op andere plaatsen, al gewis, het paradijs aan hen wordt beloofd, die aan God gelooven en voor de zaak Gods kampen, dan wordt daardoor in het geheel niet gezegd, dat de overige door God geopenbaarde voorschriften ter zijde mogen gesteld worden. Veeleer wordt bij den waren geloovige, die bereid is zijn leven ieder oogenblik voor zijnen God te offeren, eene volkomene heerschappij over de menschelijke hartstochten en een strikt volgen van den goddelijken wil, die in den Koran wordt verkondigd op den voorgrond geplaatst. De Muzelmansche dogmatici, die toch nog minder met Mahomet mogen worden verwisseld, dan de kerkvaderen met Christus, nemen wel aan, dat de geloovige, niettegenstaande zijne slechte handelingen, niet eeuwig uit het paradijs verstooten blijft, maar zij geven toch toe, dat hij eerst voor zijne ondeugd wordt gestraft [87]. Overigens is toch ook door Christelijke secten beweerd, dat het ongeloof allÈÈn den naam van zonde verdient en den mensch in het toekomstige leven wordt aangerekend, maar dat hij voor de goede werken op geene belooning aanspraak heeft.

Als hervormer, hetgeen Mahomet oorspronkelijk was en wilde zijn, verdient hij onze volkomene hulde en bewondering. Een Arabier, die de schaduwzijde van het toenmalige Joden- en Christendom openbaarde, en niet zonder levensgevaar trachtte, het veelgodendom te verdringen en zijn volk de leer van de onsterfelijkheid der ziel in te prenten, verdient niet alleen naast de grootste mannen der geschiedenis geplaatst te worden, maar ook, in zeker opzicht, den naam van profeet. Zoodra hij echter ophoudt te verdragen, zoodra hij der waarheid door het zwaard de zegepraal tracht te verschaffen, en in den naam Gods nieuwe ceremoniÎele, burgerlijke, politie- en lijfstraffelijke wetten voorschrijft, drukt hij op zijne woorden den stempel van menschelijke zwakheid en vergankelijkheid.

De ceremoniÎele wetten van den Islam zijn wel niet zoo talrijk als men gewoonlijk in Europa gelooft, maar een enkele is er bij, welke Mahomet ten minste van de blaam zuivert, dat hij in zijne voorschriften de zinnelijkheid der Arabieren zou hebben begunstigd. Wij bedoelen het vasten van den Ramadhan. Men verbeelde zich de gloeiende zandwoestijnen van ArabiÎ [88] met het verbod, gedurende eene geheele maand, van zonsopgang tot zonsondergang, zich met eenigerhande spijzen te laven, en ook geen droppel water te drinken, en men zal de vervulling der Mahomedaansche voorschriften niet meer zoo gemakkelijk vinden, en ook niet meer kunnen beweren, dat zij geen kamp tusschen geest en lichaam vorderen. Het dagelijks vijf malen te verrichten gebed, met de voorafgaande reiniging, is om zijne kortheid en omdat ieder het voor zich verrichten kan, minder bezwaarlijk, terwijl de pelgrimstocht naar Mekka eenmaal gedurende het leven, slechts voor hem verplichtend is, wiens omstandigheden zulk eene reis veroorloven.

De gewichtigste politiewetten bestaan in het verbod van hazardspelen, van het genieten van den wijn, het bloed van gestorvene, of ter eere eens afgods geslachte dieren en van het varkensvleesch.

De staatswetten van den Islam bepalen de op te brengen belastingen, de deeling van den buit, en de betrekking der geloovigen, zoowel tot de afgodendienaars als tot de Joden en Christenen. Volgens de strengere wet der laatste jaren, moeten de eerstgenoemde beoorloogd worden, tot alle neiging tot afgoderij ophoudt, en de laatsten tot zij zich onderwerpen en schatting opbrengen. Wij hebben reeds bemerkt, dat Mahomet, hoewel hij, als mensch, onder de toenmalige omstandigheden niet anders leeren en handelen kon, nochtans door deze krijgswetten zijn profetisch karakter in zijn naaktheid heeft getoond. Hoe groot echter de verzoeking is, indien men eenmaal tot de macht is geraakt, om die tot het bekampen en onderdrukken van andersdenkenden te gebruiken, heeft ook het Christendom genoegzaam bewezen, van den dag dat het den troon der Cesars besteeg tot op den huldigen dag.

Het strafrecht van den Koran is uiterst vrijgevig. De doodstraf wordt slechts voor tegennatuurlijke vermenging der geslachten en moord toegepast; en willen de bloedverwanten van een vermoorden liever eene schadeloosstelling aannemen, dan zich wreken, dan blijft zelfs de moordenaar in het leven. Ook echtbrekers worden, ten minste in den tot ons gekomen Koran, niet met den dood gestraft. Voor lichamelijke verwondingen wordt geene wraak geduld, maar alleen geldstraffen, of liever schadeloosstelling.

De strengste crimineele wet, die echter kan worden gerechtvaardigd door de noodzakelijkheid, om de aangeboren lust der Arabieren tot diefstal en rooftochten te onderdrukken, is het afkappen der hand voor elke toeÎigening van eens anderen goed.

De burgerlijke wetten van den Koran betreffen vooral het erf en huwelijksrecht, en hare hoofdstrekking is de vaststelling van de rechten der vrouwen en beperking van den willekeur des mans. De veelwijverij wordt niet opgeheven, doch aan voorwaarden onderworpen, welke de ware geloovige slechts zelden kan vervullen. De huwelijkstrouw wordt ook de man tot plicht gesteld. Een ander deel der burgerlijke wetgeving betreft het lot der slaven, hetwelk Mahomet niet minder dan dat der vrouwen tracht te verzachten. De geheele opheffing der slavernij wordt voorbereid en in grondbeginsel, vooral bij geloovigen, uitgesproken. Een volkomen emancipatie was echter, bij de voortdurende oorlogen, in welk slechts door de verandering der gevangenen in slaven den overwonnenen het leven kon worden gespaard, schier niet mogelijk. De armoede van den Koran aan burgerlijke wetten, hetwelk deels te verklaren is uit de eenvoudige omstandigheden waarin men leefde, meer echter nog daardoor dat hij waarschijnlijk daar, waar hij het bestaande behield, niets openbaarde, werd spoedig gevoeld. Men beriep zich echter ten eerste op mondelinge uitspraken van Mahomet, daarna op het voorbeeld van een eersten khalif, later op de besluiten der eerste Imams, en eindelijk, toen onder de geheel veranderde omstandigheden ook deze niet meer toereikend waren, handelde men analogisch: zoodat altijd de moeilijkste vraag, over een of ander onderwerp, al zou het ook den nadruk of de stoomvaart hebben betroffen, door een Muzelmansche rechtsgeleerde even goed als door een rabijn, een christen geestelijke die naar de kanonnieke wet, of door een jurist die naar het Romeinsche recht uitspraak doet, in naam des Hemels kon worden opgelost.

De zedeleer van den Koran eindelijk kan als het volkomenste gedeelte van dit merkwaardige boek worden beschouwd. Zij is wel niet, even als de andere bouwstoffen, die er den inhoud van vormen, in een kapittel bij elkander verzameld; maar de schoonste zedekundige grondbeginselen en voorschriften loopen als gouden draden door het geheele weefsel van bijgeloof en misleiding, Ongerechtigheid, wraakzucht inbeelding, hoogmoed, logen, veinzerij, kwaadsprekerij, smaad, spot, gierigheid, verkwisting, buitensporigheid, ijdelheid, praal, wantrouwen en argwaan worden als goddelooze ondeugden verklaard; daarentegen worden milddadigheid, menschlievendheid, bescheidenheid, toegevendheid, geduld, standvastigheid, tevredenheid, oprechtheid, rechtschapenheid, tucht, vrede en waarheidsliefde, doch voor alles vertrouwen en onderwerping, als deugden aanbevolen, welke Gode het welgevalligst zijn.

IV.

DE KORAN [89].

EERSTE HOOFDSTUK.

INLEIDING [90].

Gegeven te Mekka--7 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God [91].

1. Lof aan God, meester des heelals [92]. 2. Den lankmoedige, den albarmhartige. 3. Rechter op den dag des gerichts. 4. U bidden wij aan, Uwe hulp roepen wij in. 5. Voer ons langs den rechten weg. 6. Langs den weg dergenen, die zich in Uwe weldaden verheugen [93]. 7. Niet langs den weg dergenen, die Uwen toorn hebben opgewekt, en niet op dien der dwalenden [94].

TWEEDE HOOFDSTUK.

DE KOE [95].

Gegeven te Medina--286 verzen.

In naam van den lankmoedigen en albarmhartigen God.