Part 89
[1320] Dat is: Zij waren ÈÈn samenhangende klomp, tot wij die scheidden, en de hemel in zeven hemelen en de aarde in verschillende afdeelingen verdeelden. Wij onderscheidden de verschillende kringen van den eenen en de verschillende klimaten van de andere, enz. Sommigen verkiezen deze woorden aldus te vertolken: De hemelen en de aarde werden gesloten en wij openden die; daardoor zeggende, dat er uit den hemel geen regen viel, noch dat de aarde planten voortbracht tot God zijne macht liet gelden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1321] Zie Hoofdstuk XVI, vers 15.
[1322] Deze plaats werd geopenbaard toen de ongeloovigen zeiden: Wij verwachten Mahomet te zien sterven, zooals de overige menschen.
[1323] Zijne eenheid loochenende, of zijn gezant en de schriften, die tot hun onderricht werden gegeven, en voornamelijk den Koran verwerpende.
[1324] Als zijnde haastig en onoverlegd. Zie Hoofdstuk XVII, vers 12.
[1325] Zie Hoofdstuk VI, vers 74; Hoofdstuk XIX, vers 43, en Hoofdstuk II, vers 260.
[1326] Abraham nam de gelegenheid waar, dit te doen, terwijl de Chaldeeuwen in de velden verspreid waren en een groot feest vierden. Sommigen zeggen, dat hij zich in den tempel wist te verbergen. Toen hij zijn plan had uitgevoerd, ten einde hen duidelijker te overtuigen van hunne domheid, de beelden te aanbidden, hing hij de bijl, waarmede hij de afgoden had omgehouwen en nedergeworpen, om den hals van den oppersten god, door sommige schrijvers Baal genoemd, alsof hij de bedrijver van het geheele ongeval ware geweest (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin enz. Zie ook Hyde, de Rel. vet. Pers c. 2). Dit verhaal, hetwelk hoewel het valsch is, toch niet slecht gevonden kan worden genoemd, is door Mahomet aan de IsraÎlieten ontleend, die het met eene kleine wijziging verhalen, daar zij zeggen dat Abraham dit in den winkel van zijn vader, gedurende zijne afwezigheid volvoerde. Toen Terach terugkeerde en naar de oorzaak van de wanorde vroeg, verhaalde zijn zoon hem dat de afgodsbeelden getwist hadden en handgemeen waren geworden om eene offerande van fijn meel, dat hun door eene oude vrouw was gebracht. De vader gevoelende, dat hij de onmogelijkheid niet kon aantoonen van hetgeen door Abraham werd beweerd, zonder de machteloosheid zijner goden te erkennen, barstte in eene vreeselijke woede uit en bracht hem aan Nimrod, opdat hij voor zijne onbeschaamdheid voorbeeldig zou worden gestraft (R. Gedal in Shalshl. Hakkabe p. 8 en Maimon Yad hachazaka c.l. de idol).
[1327] De uitleggers verhalen dat op Nimrods bevel eene groote ruimte te Cutha ingesloten en met een groote hoeveelheid hout opgevuld werd en dat, toen het in brand gestoken werd, het zoo hevig brandde dat niemand het dorst naderen. Daarop bonden zij Abraham en plaatsten hem in een werktuig (zooals sommigen veronderstellen door den duivel uitgevonden) en stieten hem in het midden des vuurs, waar hij door den engel GabriÎl werd beschermd, die te zijner hulp werd gezonden, zoodat het vuur alleen de koorden verbrandde, waarmede hij gebonden was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Zij voegen er bij, dat het vuur op wonderbaarlijke wijze zijne hitte voor Abraham had verloren en een liefelijken geur verkreeg, en dat de brandstapel in een fraai open veld veranderde. Voor de andere woedde het vuur echter zoo vreeselijk, dat, overeenkomstig sommige schrijvers, omstreeks twee duizend afgodendienaars daardoor werden verteerd (Zie het Apocryphe Evangelie van Barnabas Hoofdstuk 28). Deze fabel mag echter op vrij hoogen ouderdom bogen, en is niet alleen door de IsraÎlieten maar ook door verschillende Oostersche Christenen aangenomen. De vijfentwintigste van de tweede Canun of January, is dan ook in den Syrischen kalender aangeteekend, ter herdenking van den dag, dat Abraham in het vuur werd geworpen. (Zie Hyde de Rel. Pers. p. 73). De IsraÎlieten maken mede melding van eenige andere vervolgingen, waaraan Abraham om zijnen godsdienst was blootgesteld, en voornamelijk van eene tienjarige gevangenisstraf. (R. Eliez. Pirke c. 26 enz; Maim. More. Nev. lib. III, c. 29) Sommigen zeggen dat hij door Nimrod werd gekerkerd (Glossa Talmud in Gemar Bava Bathra 91. 1) en anderen door zijn vader Terach (in Hagada).
[1328] Sommigen zeggen, dat Nimrod op het zien dezer wonderdadige bevrijding uit zijn paleis, uitriep dat hij den God van Abraham een offer wilde brengen, en dat hij dientengevolge vierduizend koeien offerde (Al Beid‚wi). Maar hij verviel spoedig weder in zijn vorig ongeloof, en bouwde een toren om naar den hemel op te stijgen ten einde den God van Abraham te zien; dit gebouw werd echter omvergeworpen (zie Hoofdstuk XVI, vers 28). Daarna wilde hij, door middel van eene door vier reusachtige vogels ten hemel gedragen kast ten hemel varen, maar nadat hij gedurende eenigen tijd in de lucht had gezweefd, viel hij met zulk een kracht op een berg neder, dat hij dien deed schudden. Nimrod alsnu teleurgesteld in zijn voornemen, om God den oorlog aan te doen, keerde zijne wapenen tegen Abraham, die, daar hij een groot vorst was, zijne strijdkracht verzamelde om zich te verdedigen. Maar God verdeelde Nimrods onderdanen en verwarde hunne taal, waardoor hij hem van het grootste gedeelte van zijn volk beroofde, terwijl hij hen die hem getrouw bleven, door zwermen van muggen bezocht, die hen bijna allen verdelgden. Eene dezer muggen kroop door het oor of het neusgat van Nimrod en drong tot in een der vliezen van zijne hersenen door, waar zij iederen dag grooter werd en hem zulk eene ondragelijk pijn veroorzaakte, dat hij genoodzaakt was zijn hoofd met een hamer te doen slaan, om zich eenige verlichting te verschaffen, welke marteling hij vierhonderd jaren doorstond, daar God met een zijner kleinste schepselen hem wilde straffen, die zich onbeschaamd beroemde, de heer van het heelal te zijn (d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Nemrod Hyde t. a. p.) Een Syrische kalender plaatst den dood van Nimrod alsof het tijdstip daarvan bekend ware, op den 8sten Thomoez, of Juli (Hyde ibid. p. 79.)
[1329] Zijnde: Palestina.
[1330] Zie Hoofdstuk II, vers 123.
[1331] Zie Hoofdstuk VII, vers 78 enz. en Hoofdstuk XI, vers 83.
[1332] Gedurende de afwezigheid van hunnen herder, waren eenige schapen des nachts in het veld (volgens anderen in den wijngaard) van een ander doorgedrongen en hadden het koren opgegeten. Daaruit ontstond een twist. Toen de zaak voor David en Salomo werd gebracht zeide de eerste dat de eigenaar van het land de schapen zou behouden tot vergoeding van de schade welke hij had geleden; maar Salomo, die toen elf jaren oud was, oordeelde dat het rechtvaardiger nopens den eigenaar van het veld zou wezen, indien hij alleen de opbrengst van de schapen nam; namelijk hunne melk, hunne lammeren en hunne wol, tot de schaapherder, door zijn eigen arbeid, en op zijne eigen kosten het land in den goeden toestand had teruggebracht waarin het was, toen de schapen er op kwamen, waarna de schapen aan hunnen meester zouden worden teruggegeven. En David zelf bekende, dat dit oordeel beter dan het zijne was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1333] Volgens eene overlevering zou David het allereerst de maliÎnkolders hebben uitgevonden, ter vervanging van de kurassen van metalen platen. Men zegt dat het ijzer in zijne handen lenig en rekbaar werd als was.
[1334] Die zijn troon met wonderbaarlijken spoed overbracht. Sommigen zeggen dat die wind hard of zacht was, naar gelang Salomo dat begeerde.
[1335] Zijnde: Palestina.
[1336] Zooals het bouwen van steden en paleizen, het halen van zeldzame kunstvoorwerpen uit vreemde plaatsen en dergelijke.
[1337] De Mahomedaansche schrijvers verhalen dat Job tot het geslacht van Ezau behoorde en met een talrijk gezin, benevens overvloedige rijkdommen, was gezegend, maar dat God hem beproefde, door hem alles en daarbij zelfs zijne kinderen te ontnemen. Des niettegenstaande ging hij voort God te dienen en hem niet minder dankbaar dan gewoonlijk te zijn. Daarop werd hij door eene afzichtelijke ziekte getroffen, waardoor zijn lichaam vol wormen was. Deze ziekte was zoo akelig, dat hij op een mesthoop lag en niemand het kon uithouden hem te naderen. Zijne vrouw (die door sommigen gezegd wordt de dochter van EphraÔm, Jozefs zoon, en door anderen Makhir, de dochter van Manasse te zijn) verpleegde hem echter met groot geduld, en ondersteunde hem met hetgeen zij door haren arbeid verdiende. Eens verscheen haar nochtans de duivel, die haar den vroegeren voorspoed herinnerde, en haar daarna beloofde, dat, indien zij hem wilde aanbidden, hij alles zou teruggeven wat zij verloren had. Zij vroeg daarop de toestemming van haren echtgenoot, die zoo boos om dat voorstel werd, dat hij zwoer zijne vrouw honderd slagen te zullen geven als hij hersteld zou zijn. Nadat Job het op deze plaats vermelde gebed had uitgesproken, zond God GabriÎl, die Job bij de hand nam en hem deed opstaan. Op hetzelfde oogenblik ontsprong er eene fontein aan zijn voet, waardoor, nadat Job er van gedronken had, al de wormen van zijn lichaam vielen; en toen hij zich vervolgens met dat water wiesch, herkreeg hij zijne vroegere welvaart en schoonheid. Daarna gaf God hem alles dubbel terug, terwijl zijne vrouw weder jong en schoon werd en hem zesentwintig zonen baarde. Job werd, om zijn eed te vervullen, door God geleid, waardoor hij haar een slag met een palmtak gaf, waaraan zich honderd bladeren bevonden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Abulfeda enz. Zie d'Herbel. Bibl. Orient Art Aioub). Sommigen zeggen, teneinde de groote rijkdommen uit te drukken, welke aan Job na zijn lijden werden geschonken dat hij twee dorschvloeren bezat: een voor tarwe en de andere voor gerst, en dat God twee wolken zond, die goud op den eenen en zilver op den anderen deden regenen, tot zij overliepen (Jallalo'ddin). De overleveringen verschillen nopens den duur van Jobs martelingen: de eene zegt dat het achttien jaren was, een andere dertien, een andere drie en een andere juist zeven jaren, zeven maanden en zeven dagen.
[1338] Zie Hoofdstuk XIX, vers 52 en 57.
[1339] Het is onzeker wie deze profeet was. Een uitlegger wil, dat het Elias, Jesaia of Zacharias was. (Al Beid‚wi). Een ander veronderstelt dat het de zoon van Job was en dat deze in SyriÎ woonde; maar door sommigen wordt bijgevoegd, dat hij een zeer boos mensch was, maar later berouwvol stierf, waarna deze woorden op wonderdadige wijze boven zijne deur werden geschreven: Thans is God genadig omtrent Dhu'lkefl geweest (Abulfeda).
[1340] Dit is de bijnaam van Jonas, welke hem werd gegeven, omdat hij door den visch was verzwolgen. (Zie Hoofdstuk X, vers 68.)
[1341] Zijnde uit den buik van den visch.
[1342] Zijnde de maagd Maria.
[1343] Zijnde de zelfde, die door al de profeten en al de heilige mannen en vrouwen, zonder eenig verschil of eenige verandering in den grondslag, werd beleden.
[1344] Zijnde: Tot de opstanding, welke nadering door den inval van deze barbaren zal worden aangekondigd.
[1345] Op deze plaats staat in sommige afschriften in plaats van hadabin zijnde een verheven gedeelte der aarde, jadathin hetgeen een graf beteekent. Indien wij nu de laatstgenoemde lezing volgen, dan moet het voornaamwoord zij niet op Gog en Magog maar op de menschen in het algemeen worden toegepast.
[1346] Om hunne verbazing en de ondragelijke martelingen, die zij zullen doorstaan, of, zooals anderen het uitdrukken: Zij zullen daarin niets hooren, wat hun de minste verlichting kunne verschaffen.
[1347] Wiens bezigheid bestaat in het op eene rol nederschrijven der daden, welke ieder mensch gedurende zijn leven verricht. Na zijn dood rolt hij die op. Sommigen beweren, dat hier een van Mahomets schrijvers wordt bedoeld, en anderen beschouwen het woord sijil of sidjill, zooals het mede wordt geschreven, als den naam van een boek of eene geschreven rol, en vertolken deze plaats dienovereenkomstig: zooals eene geschreven rol wordt opgerold (Al Beid‚wi Jallalo'ddin enz).
[1348] Deze woorden zijn ontleend aan Psalm XXXVII : 29.
[1349] De vermelding van sommige plechtigheden bij den pelgrimstocht naar Mekka in dit hoofdstuk, zijn oorzaak van dezen titel.
[1350] Sommigen (Jallalo'ddin) zonderen hier van twee verzen (11 en 12) uit. En anderen (Al Beid‚wi) zes verzen (20-25).
[1351] Of de aardbeving, die, naar het zeggen van sommigen, plaats zal hebben even voor de zon uit het Westen oprijst, zijnde een teeken van de spoedige nadering van den dag des oordeels.
[1352] Moedermelk.
[1353] Deze plaats werd geopenbaard met het oog op al Nodar Ebn al Hareth, die volhield, dat de engelen de dochters van God waren, en dat de Koran een bundel oude fabels was, terwijl hij de opstanding loochende (Al Beid‚wi).
[1354] Zie Hoofdstuk XCVI, vers 2.
[1355] Men zegt, dat de hier bedoelde persoon Aboe Jahl was (Jallalo'ddin) zijnde een voornaam man onder de KoreÔshieten, en een der meest hardnekkige vijanden van Mahomet en zijnen godsdienst. Zijn ware naam was Amboe Ebn Hesram, van het gezin van Makhzoem. Hij had den bijnaam van Aboe'lhocm, zijnde de vader der wijsheid, die later werd veranderd in dien van Aboe Jahl, of de vader der dwaasheid. Hij werd in den slag van Bedr gedood (zie Hoofdstuk VIII, vers 49).
[1356] Deze uitdrukking ziet op iemand die aan den vleugel van een leger geposteerd, zijn plaats behoudt, als hij ziet dat de overwinning naar zijne zijde overslaat, maar wijkt, als de vijand voordeel schijnt te betalen.
[1357] Of: Laat hem een touw aan het dak van zijn huis vastmaken en zich ophangen, dat is: laat zijne boosheid en wrok zulk een hoogte bereiken, dat hij op het punt staat, tot de wanhopigste uitersten te worden aangedreven, en dat hij zie, of hij met al zijne pogingen in staat zal zijn de goddelijke hulp te onderscheppen (Al Beid‚wi).
[1358] Zijne macht belijdende en zijn opperbevel gehoorzamende.
[1359] Zijnde: de ware geloovigen en de ongeloovigen.
[1360] Zijnde: De belijdenis van Gods eenheid, of deze woorden, welke zij bij hun binnentreden in het paradijs zullen gebruiken: Geloofd zij God, die zijne belofte aan ons heeft vervuld (Al Beid‚wi).
[1361] Zijnde: Als eene plaats van godsdienstige aanbidding. God toonde hem de plek waarop hij stond, benevens het model van het oude gebouw, dat bij den zondvloed in den hemel werd opgenomen.
[1362] Men verhaalt, dat Abraham, gehoorzamend aan het hem gegeven bevel, den berg Aboe Kobeis nabij Mekka besteeg en van daar uitriep: "O menschen! volbrengt den pelgrimstocht naar het huis van uwen Heer," en dat God zijne stem deed hooren aan hen, die zich, van het Oosten naar het Westen, in de lendenen hunner vaders en in den schoot hunner moeders bevonden, en van welke hij vooruit wist, dat zij den pelgrimstocht zouden volbrengen. Sommigen zeggen echter, dat deze woorden tot Mahomet werden gericht, ten einde hem te bevelen, den pelgrimstocht van afscheid te volbrengen (Al Beid‚wi). Is dit zoo, dan moet deze plaats te Medina zijn geopenbaard.
[1363] Zijnde het tijdelijke voordeel van den grooten handel, die gedurende den pelgrimstocht, te Mekka werd gedreven, en het geestelijk voordeel uit het volbrengen van een zoo verdienstelijk werk voortvloeiende.
[1364] Namelijk de tien eerste dagen van Dhoe'lhajja of tiende dag derzelfde maand, op welke zij de offeranden toonden, en de drie volgende dagen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1365] Door hunne hoofden te scheren, en andere gedeelten hunner lichamen, en hunne baarden en nagels in de vallei van Mina te snijden, hetgeen den pelgrims niet veroorloofd is te doen, van het tijdstip dat zij Mohrims worden, en zich plechtig aan het volbrengen van den pelgrimstocht hebben gewijd, tot zij de plechtigheden geÎindigd en hunne offers gedood hebben. (Jallalo'ddin. Zie Hoofdstuk V, vers 97 en Bobov de Peregr. Meccana, p. 15, enz).
[1366] Door de volvoering der goede werken, waarvoor zij de gelofte gedurende hunnen pelgrimstocht hebben afgelegd. Sommigen passen deze woorden alleen toe op de volvoering der vereischte plechtigheden.
[1367] Zijnde: de Caaba, dat, volgens de bewering der Mahomedanen, het eerste gebouw was, hetgeen voor de vereering van God werd opgetrokken en aangewezen (Zie Hoofdstuk III, vers 90). Het rondtrekken om deze bedeplaats is eene voorname ceremonie bij de pelgrimage en wordt dikwijls herhaald; hier schijnt echter meer bijzonder te worden bedoeld, de laatste maal dat zij dit doen, en waardoor zij afscheid van den tempel nemen.
[1368] Door in acht te nemen wat hij heeft bevolen en vermijdende wat verboden is, of, hetgeen de woorden mede beteekenen; wie eeren zal wat God geheiligd, of geboden heeft niet te ontheiligen, zoo als de tempel en het grondgebied van Mekka, de geheiligde maanden, enz.
[1369] Hetzij door verkeerde en goddelooze dingen nopens de Godheid mede te deelen, of door valsche getuigenis tegen den naaste af te leggen.
[1370] Omdat hij die tot afgodendienarij vervalt, van de hoogte des geloofs tot de diepte des ongeloofs zinkt, terwijl zijne gedachten door zondige lusten worden afgetrokken, en hij door den duivel in de meest uitzinnige dwalingen wordt gejaagd, (Al Beid‚wi).
[1371] Door eene goede en kostbare offerande te kiezen ter eere van hem voor wien zij bestemd is. Zij zeggen dat Mahomet eens honderd vette kameelen offerde, waaronder een die aan Aboe Jahl had behoord, welk dier een gouden ring in zijn neus had, en dat Omar een edelen kameel offerde, voor welken men hem driehonderd dinaars had geboden (Al Beid‚wi). Het oorspronkelijke kan ook meer algemeen worden vertaald: Zij die de voorgeschreven gebruiken van den pelgrimstocht in acht nemen, enz. Het schijnt echter dat op deze plaats meer bepaald de offers bedoeld worden.
[1372] Jallalo'ddin vat deze plaats, in een beperkten zin, van de vroegere volkeren op, die ware geloovigen zijn geweest, aan welke God een offerande gebood en eene bepaalde plaats en bijzondere ceremoniÎn voor offering voorschreef.
[1373] Dat is, zooals sommigen deze woorden uitleggen: staande op drie pooten, terwijl de vierde gebonden is, zijnde de wijze waarop de kameelen worden vastgebonden, om het verlaten van de hun aangewezen plaats te beletten. Sommige afschriften lezen in plaats van Sawaffa: Sawaffena, van het werkwoord savana, dat eigenlijk de houding van een paard beteekent als het op drie pooten staat terwijl alleen de rand van den vierden den grond raakt.
[1374] Of, zooals de woorden mede kunnen worden vertolkt: Aan hem die op zedige en nederige wijze vraagt, en aan hem die het verlangt maar niet durft vragen.
[1375] Dit was de eerste plaats van den Koran, waarbij het Mahomet en zijne volgelingen werd veroorloofd, zich met kracht tegen hunne vijanden te verdedigen. Zij werd korten tijd vÛÛr de vlucht naar Medina geopenbaard, tot welken tijd de profeet zijne Moslems vermaande, de hun aangedane beleedigingen met geduld te verdragen, hetgeen tevens bovendien op zeventig verschillende plaatsen van den Koran wordt bevolen (Al Beid‚wi, enz.)
[1376] Dat is: De openbare uitoefening van eenigen godsdienst, hetzij die waar of valsch is, wordt alleen door macht ondersteund. Mahomet wilde daardoor tevens aantoonen, dat de ware godsdienst op dezelfde wijze moest gehandhaafd worden.
[1377] Zie 2 Petrus, III, 8.
[1378] De aanleiding tot deze plaats wordt aldus verhaald. Mahomet las eens het LIIIe Hoofdstuk van den Koran. Toen hij tot de lezing van vers 19 en 20 was genaderd, legde de duivel hem de volgende woorden in den mond, welke hij door onachtzaamheid uitsprak, of zooals sommigen verhalen, omdat hij toen half slapend was (Yahya), zijnde: Dit zijn de verhevenste en schoonste juffers op wier tusschenkomst gehoopt wordt. De KoreÔshieten, die nabij Mahomet zaten, verheugden zich zeer over hetgeen zij hadden gehoord, en toen hij het hoofdstuk had geÎindigd, voegden zij zich bij hem en zijne volgelingen om het gebed uit te spreken. De profeet werd echter door den engel GabriÎl bekend gemaakt met de oorzaak van hunne inschikkelijkheid, en met hetgeen hij had bedreven. Hij was diep aangedaan om zijne vergissing, tot dit vers ter zijner vertroosting werd geopenbaard (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya, enz. Zie ook Hoofdstuk XVI, vers 103.) Al Beid‚wi verhaalt echter, dat de meer ontwikkelde en nauwgezette personen het voormelde verhaal loochenen, en daar het werkwoord, hier met leest vertaald, ook beteekent iets wenschen, zoo leggen zij de plaats uit als bedoelende de ingevingen van den duivel, naardien deze dienen om de geneigdheden van deze heilige personen op een slechten weg te brengen, of om hunne gemoederen te brengen tot het vormen van ijdele wenschen en begeerten.
[1379] Of: een dag die kinderloos maakt, waardoor een groot verlies in den oorlog wordt bedoeld, zooals de nederlaag welke de ongeloovigen te Beda leden. Sommigen veronderstellen, dat hier de opstanding wordt bedoeld.
[1380] En hij zal geene strengere wraak nemen dan het feit verdient.
[1381] Door het trachten van den aanvaller, om zich weÍrwraak op den benadeelden persoon te verschaffen, en te pogen, hem op nieuw geweld aan te doen. Deze plaats schijnt betrekking te hebben op de wraak die de Moslems op de ongeloovigen zouden nemen, voor de onrechtvaardige vervolging welke zij hun aandeden.
[1382] Hetgeen hij op den jongsten dag zal doen.
[1383] De uitleggers zeggen, dat de Arabieren gewoon waren, de beelden hunner goden met een of ander welriekend mengsel en met honig te bestrijken. De laatste werd door de vliegen opgegeten, hoewel de deuren van den tempel zorgvuldig waren gesloten terwijl de diertjes door de ramen of spleten binnendrongen.
[1384] Die de overbrengers der goddelijke openbaringen aan de profeten zijn, maar geen voorwerp van vereering behooren te wezen.
[1385] Zijnde het lichaam der moeder.
[1386] Zijnde: Een volkomen mensch voortbrengende, die uit ziel en lichaam is samengesteld. Aboe Hanifa steunt op deze plaats om te beweren, dat hij, die zich van een ei meester maakt, welk ei bij hem wordt uitgebroed, gehouden is, een ei terug te geven, en geene kip, aangezien het eene andere schepping, een andere vorm is.
[1387] Zie Hoofdstuk VI, vers 93.
[1388] Letterlijk: zeven paden, waarmede de hemelen worden bedoeld, aangezien zij overeenkomstig sommige uitleggers, de paden der engelen en hemelsche lichamen zijn, hoewel het oorspronkelijke woord ook voorwerpen beteekent, die gevouwen of als verdiepingen boven elkander geplaatst zijn, zooals de Mahomedanen zich voorstellen dat de hemelen zijn.
[1389] Zijnde de olijfboom. De tuinen nabij dezen berg gelegen zijn nog bekend om de uitmuntende vruchtboomen van allerlei soort, die daar groeien (Zie Voyages de Thevenot, liv. 2, chap. 9).
[1390] Het dier, meer bijzonder op deze plaats bedoeld is de kameel, die in het Oosten hoofdzakelijk als voertuig wordt gebezigd. De Arabieren noemen dit dier het landschip, waarmede zij hunne zandzeeÎn, de woestijnen, doortrekken.
[1391] Zie Hoofdstuk XI, vers 42 enz.
[1392] Zijnde de stam Ad of van Thamoed.
[1393] Zijnde de profeet Hud of Saleh.
[1394] Savary vertaalt dit aldus: De kreet van den engel des verderfs werd gehoord, en de ongeloovigen werden verdelgd als verwelkte knoppen.
[1395] Zooals de Sodomieten, Midianieten, enz.
[1396] De uitleggers willen dat de hier bedoelde plaats Jeruzalem, Damaskus, Ramlah, Palestina of Egypte zij (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Misschien ook wordt op deze plaats de rots bedoeld, waarop de maagd Maria zich, overeenkomstig de Mahomedaansche overlevering begaf om verlost te worden (Zie Hoofdstuk XIX, vers 16).
[1397] Deze woorden zijn tot de apostelen in het algemeen gericht aan welke het geoorloofd was, van alle voedsel te eten, dat zuiver en gezond was en welke hun werden toegesproken op het tijdstip hunner zending. Sommigen zijn echter van meening, dat zij bijzonder zijn gericht tot Maria en Jezus of alleen tot den laatste. Mahomet trachtte waarschijnlijk op deze plaats de onthouding te veroordeelen, welke door de monniken der Christenen wordt in acht genomen (Al Beid‚wi).
[1398] Zie Hoofdstuk XXI, vers 92.
[1399] Zijnde: Tot zij gedood zullen worden, of een natuurlijken dood sterven.