Part 87
[1154] Toen de ongeloovigen namelijk hoorden, dat Mahomet zeide: o God, en o Barmhartige! verbeeldden zij zich dat de Barmhartige de naam was van eene andere godheid dan God, en dat hij de aanbidding van twee goden leerde, waardoor deze plaats ontstond (Zie Hoofdstuk VII, vers 179).
[1155] Zijnde noch zoo luid, dat de ongeloovigen u kunnen beluisteren, en daaruit aanleiding kunnen hebben om te lasteren en te spotten, noch zoo zacht, dat het door de omstanders niet kunne worden gehoord. Sommigen veronderstellen, dat door het woord: gebed, op deze plaats het lezen van den Koran wordt bedoeld.
[1156] Dit hoofdstuk is aldus betiteld, omdat het melding maakt van de spelonk waarin zich de zeven slapers verborgen.
[1157] Sommigen zonderen vers 27 daarvan uit.
[1158] Dit waren zekere Christen jongelieden van eene goede familie te Ephesus, die, om de vervolging te ontgaan van den keizer Decius, welke door de Arabische schrijvers DecÔanus genoemd wordt, zich in eene spelonk verborgen, waar zij gedurende een groot aantal jaren sliepen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.) Dit aprocryphe verhaal werd door Mahomet aan de christelijke overleveringen ontleend (Zie Greg. Turon, en Simeon Metaphrast.), maar werd door hem en zijne volgelingen met verschillende bijomstandigheden vermeerderd. (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, p. 189). Zelfs Baronius (in zijne Martijrol. ad 27 Julii) noemt het verhaal apocryph, Marracci (Alkor. p. 425 en in Prodr. part. 4, p. 103) erkent dat het gedeeltelijk valsch of minstens twijfelachtig is, hoewel hij Hottinger een monster van goddeloosheid noemt en het schuim der ketters, dewijl hij het als een fabel beschouwt (Hotting. Hist. Orient. p. 40.)
[1159] De uitleggers verschillen onder elkander nopens de beteekenis van dit woord. Volgens sommigen kon het de naam zijn van den berg of de vallei, waarin zich de spelonk bevond. Sommigen beweren dat het de naam van den hond is, en anderen (die het naast bij de ware beteekenis schijnen te komen) beweren, dat het eene koperen plaat of steenen tafel was, nabij den ingang van de spelonk, waar op de namen der jonge lieden waren geschreven. Er zijn echter sommigen die aannemen, dat de makkers van Al Rakim andere personen zijn dan de zeven slapers: zij zeggen namelijk, dat de eerstgenoemden drie mannen waren, die door slecht weder in eene spelonk als schuilplaats werden gedreven, en daar werden ingesloten, door het nedervallen van een grooten steen, waardoor de opening van de spelonk werd gesloten, maar toen zij Gods barmhartigheid afsmeekten en ieder een verdienstelijk werk verhaalde, dat hem die, naar zij hoopten, waardig zou maken, werden zij op wonderdadige wijze bevrijd, doordat de rots in verschillende stukken werd vaneengespleten om hun den doortocht te verleenen (Al Beid‚wi, uit de overlevering van Nooman Ebn Bashir).
[1160] Want zij aanbidden den waren God, en afgoden daarenboven (Al Beid‚wi).
[1161] Opdat die hen niet zou hinderen, opende de spelonk zich naar het zuiden (Al Beid‚wi).
[1162] Zijnde in het middengedeelte daarvan, waar zij nog door de hitte der zon, noch door het geslotene van de spelonk werden gehinderd (Al Beid‚wi).
[1163] Omdat zij hunne oogen open hebben, of zich dikwijls van de eene zijde naar de andere wenden (Al Beid‚wi).
[1164] Uit vreeze, dat, door het lang liggen op den grond, hun vleesch zou worden verteerd (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[1165] Deze hond volgde hen, toen zij hem op hunne vlucht naar de spelonk voorbij gingen, en zij joegen hem weg. God deed hem daarop spreken en hij zeide: Ik bemin hen die God dierbaar zijn; ga dus slapen en ik zal u bewaken. Sommige echter zeggen, dat het een hond was, die aan een schaapherder toebehoorde, die hen achtervolgde en dat de hond dezen volgde. Deze meening wordt gestaafd door gelijk sommigen doen, calebohom, de meester van hunnen hond, in plaats van calbohom, hun hond te lezen (Al Beid‚wi Jallalo'ddin.) Jallalo'ddin voegt er bij, dat de hond zich als zijne meesters gedroeg, door zich slapende en wakende om te wenden. De Mahomedanen hebben grooten eerbied voor dezen hond en geven hem eene plaats in het paradijs met eenige andere geliefkoosde dieren terwijl zij eene soort van spreekwoord hebben, dat zij, sprekende van een gierig persoon, gebruiken, luidende: dat hij geen been aan den hond der zeven slapers zou toewerpen. Ook zegt men dat zij de bijgeloovige gewoonte hebben, zijn naam, die, naar zij veronderstellen, Katmir was (hoewel sommigen, gelijk hier boven is gezegd, denken dat hij, Al Rakim heette), op hunne brieven te schrijven, die naar verre oorden gezonden worden, of de zee moeten overgaan, als een waarborg, of eene soort van talisman, om het verlies van den brief te voorkomen (La Roque, Voyage de l'Arabir Heur, p. 74. Zie d'Herbel, t. a. pl.)
[1166] Door dat God hun vreeselijke gedaanten had gegeven, of wel om de groote uitgestrektheid hunner lichamen, of de afschuwelijkheid der plaats. Men verhaalt, dat de khalif Moawiyah, op eene expeditie welke hij tegen NatoliÎ ondernam, de spelonk der zeven slapere voorbij kwam, en volstrekt iemand daarin wilde zenden, niettegenstaande Ebn Abras hem het gevaar daarvan aantoonde, zeggende; dat reeds aan een beter mensch dan hij was (daarmede den profeet bedoelende) werd verboden er in te gaan; dit vers herhalende; doch de personen die er door den khalief werden in gezonden hadden nauwelijks de spelonk betreden, of zij werden door een brandenden wind dood geslagen (Al Beid‚wi).
[1167] Daar zij des ochtends in de spelonk kwamen en tot omstreeks den middag waakten, verbeeldden zij zich in het eerst dat zij een halven dag, of ten hoogste een en een halven dag hadden geslapen maar toen zij bevonden dat hunne nagels en hun haar zeer lang waren gegroeid, gebruikten zij deze woorden (Al Beid‚wi).
[1168] Naar de veronderstelling van sommige uitleggers was dit Tarnis.
[1169] Daar de lange slaap van deze jongelieden, en hun ontwaken na zoo vele jaren, eene voorstelling is van den staat van hen die sterven en daarna weder tot het leven worden opgewekt.
[1170] Zijnde nopens de opstanding. Sommigen zeggen namelijk dat alleen de zielen zouden opstaan; anderen dat zij met de lichamen zouden worden opgewekt, of wel, nopens de slapers, nadat zij werkelijk dood waren, daar de een zeide, dat zij dood waren, en de ander dat zij slechts sliepen; of wel nopens het oprichten van een gebouw over hen, hetgeen in de volgende woorden wordt vermeld; daar sommigen aanrieden aldaar een woonhuis te bouwen en anderen een tempel (Al Beid‚wi).
[1171] Toen de jongeling die naar de stad was gezonden, de gekochte levensmiddelen wilde betalen, was zijn geld zÛÛ oud (het was namelijk eene munt van Decianus), dat zij zich verbeeldden, dat hij een schat had gevonden. Zij brachten hem voor den vorst die een Christen was, welke, nadat hij zijn verhaal had gehoord, eenige personen met hem naar de spelonk zond, die de anderen zagen en met hen spraken; daarna vielen zij achterover in slaap en stierven. De vorst beval dat zij op dezelfde plaats zouden worden verbrand, en bouwde eene kapel over hen.
[1172] Dit was de meening van al Seyid en Jacobitisch Christen van Najran.
[1173] Hetgeen de meening was van sommige Christenen en bijzonder van een Nestoriaanschen prelaat.
[1174] En dit is de ware meening (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1175] Men zegt, dat, toen de KoreÔshieten, op aanhitsing der Joden, de drie bovenvermelde vragen aan Mahomet deden, hij hun verzocht den volgenden dag tot hem te komen. Hij beloofde hun dan te zullen antwoorden, maar voegde er niet bij: Indien het God behaagt. Daardoor had hij het verdriet, dat hij meer dan tien dagen moest wachten, alvorens hem eene openbaring omtrent deze onderwerpen werd verleend. De KoreÔshieten zegevierden daardoor, en verweten hem, op bittere wijze, dat hij een leugenaar was. Eindelijk bracht GabriÎl hem echter onderricht nopens hetgeen hij moest zeggen, nochtans met de waarschuwing, dat hij in het vervolg niet zoo onbeschaamd moest zijn (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). De Turken handelen strikt overeenkomstig dezen grondregel van hunnen profeet. Nimmer geven zij een stellig antwoord. Indien men hun vraagt: Komt gij? Gaat gij? Zult gij deze zaak volbrengen? dan eindigen zij hun antwoord immer met en cha Alla: Indien het God behaagt.
[1176] Zijnde: Geef hem de eer en vraag vergiffenis voor uwe zonden, indien gij vergeet te zeggen: Indien het God behaagt.
[1177] Jallalo'ddin veronderstelt dat de geheele tijdsruimte drie honderd zonnejaren was, en dat het ongelijke getal negen er bij gevoegd is om het geheel tot maanjaren te herleiden. Sommigen denken dat deze woorden er tusschen gevoegd zijn, als door de Christenen gesproken, die onder elkander nopens den tijd verschilden. Een zeide namelijk dat het drie honderd jaren was, en een ander drie honderd en negen jaren (Al Beid‚wi). De tijd tusschen de regeering van Decius en die van Theodosius den jonge, in welk tijdperk de slapers gezegd worden te zijn ontwaakt, pleit er tegen, dat zij volle twee honderd jaren zouden hebben geslapen. Maar Mahomet is eenigszins te verontschuldigen, naardien het getal door Simeon Metaphrastus t. a. pl. opgegeven, drie honderd twee en zeventig jaar beloopt.
[1178] Dit is eene ironische uitdrukking, waar in de dwaasheid en razernij wordt aangeduid van het beweren des menschen, die God wil onderrichten, (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1179] Waartoe de ongeloovigen u zouden willen overhalen (Al Beid‚wi Jallalo'ddin).
[1180] Dat is: Veracht de arme geloovigen niet om hunne armoede, en vereer de rijken niet om hunne welvaart en grootheid.
[1181] Men zegt dat de persoon, hier meer bijzonder bedoeld, Ommeya Ebn Khalf was, die begeerde dat Mahomet zijne nooddruftige volgelingen, uit eerbied door de KoreÔshieten, zou ontslaan (Zie Hoofdstuk IV, vers 52).
[1182] Letterlijk: van Eden (Zie Hoofdstuk IX, vers 73).
[1183] Deze schijnen echter slechts algemeene karakters te zijn, aangeduid om het verschillende uiteinde van den zondaar en den goede voor te stellen. Door sommigen wordt echter verondersteld, dat hier twee bepaalde personen worden bedoeld. Een zegt, dat zij twee IsraÎlieten en broeders waren, die een aanzienlijke som van hunnen vader hadden geÎrfd, welke zij met elkander deelden. Een van hen, die een ongeloovige was, kocht ruime velden en bezittingen voor zijn deel, terwijl de andere die een ware geloovige was daarvan tot vrome doeleinden gebruik maakte. Eindelijk werd echter de eerste tot armoede gebracht, terwijl de laatste voorspoedig was. Een ander is van meening dat het twee menschen van den stam van Makhzum waren, waarvan de een een ongeloovige, al Aswald Ebn Abd al Ashadd was genaamd en de andere Aboe Salma Ebn Abd Allah, de echtgenoot van Omm Salma (met welke de profeet na den dood van Abd Allah huwde,) die een waar geloovige was (Al Beid‚wi).
[1184] Terwijl hij zijn makker medenam uit pralerij en om hem te ergeren, door het gezicht zijner uitgebreide bezitting (Al Beid‚wi).
[1185] Zich eindelijk inbeeldende, dat zijn voorspoed niet zoozeer eene vrije gift van God was, als eene schuld voor zijn gedrag (Al Beid‚wi).
[1186] Zij zullen namelijk, aan den wortel afgescheurd, in de lucht oprijzen en tot atomen verdeeld worden. (Al Beid‚wi.)
[1187] Zie Hoofdstuk II, vers 32 en Hoofdstuk VII, vers 10 enz.
[1188] Van hier sommiger beweren, dat de geniussen eene soort van engelen zijn: anderen veronderstellen dat de duivel oorspronkelijk een genius was, en dat dit de aanleiding tot zijn opstand was. Zij noemen hem den vader der geniussen, welke hij na zijn val voortbracht (Jallalo'ddin). Het is tevens de vaste meening der Mahomedanen, dat de engelen zondenvrij zijn en zich niet voortplanten.
[1189] Zijnde tusschen de afgodendienaars en hunne valsche goden. Sommigen veronderstellen, dat hier de bedoeling slechts is, dat God hen tot geschil en verdeeldheid zal aanzetten.
[1190] Van hunnen nood te Bedhr (want de KoreÔshieten zijn de hier bedoelde ongeloovigen), of hunne straf bij de opstanding (Al Beid‚wi).
[1191] Dit zijn de steden der Adieten, Thamoedieten, Sodomieten, enz.
[1192] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk de tijdruimte van achttien jaren en daar boven. Om deze lange plaats toe te lichten, verhalen de uitleggers het volgende: Zij zeggen, dat, toen Mozes eens voor het volk predikte, zij zijne kennis en welsprekendheid zoo zeer bewonderden, dat zij hem vroegen, of hij een man ter wereld kende, die wijzer was dan hij. Hij antwoordde daarop ontkennend, waarop God, na hem om zijne ijdelheid gelaakt te hebben (sommigen beweren echter dat Mozes die vraag uit eigen beweging aan God deed), hem in eene openbaring mededeelde, dat zijn dienaar al Khedr wijzer was dan hij. Op het verzoek van Mozes verhaalde hij hem dat hij dien persoon op zekere rots zou vinden, waar de twee zeeÎn elkander ontmoetten. Hij ried hem, visch in eene mand met zich te nemen, en dat daar, waar hij den visch zou missen, de plaats zou wezen. Dienovereenkomstig vertrok Mozes met zijn dienaar Josua om al Khedr op te zoeken, welke expeditie hier is beschreven (Al Beid‚wi, al Zamakhshari, al Bokhari, in Sonna enz.)
[1193] Zijnde die van PerziÎ en Griekenland. Sommigen beweren echter dat hier de ontmoeting van Mozes en al Khedr wordt bedoeld, als van twee zeeÎn van kennis (Al Beid‚wi, al Zamakhshari, al Bokhari, in Sonna, enz.).
[1194] Mozes vergat daaromtrent inlichtingen te winnen, en Josua om het hem te vertellen toen hij die miste. Men zegt, dat toen zij aan de rots kwamen, Mozes in slaap viel en de visch, die geroosterd was uit de mand in de zee sprong. Sommigen voegen er bij, dat Josua zich aan de fontein des levens afwiesch, waarvan een weinig water op de visch spatte, waardoor deze dadelijk weder levend werd (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.).
[1195] Het woord dat hier met "vrijelijk" is vertolkt, beteekent ook eene pijp, of een gewelfd kanaal voor den toevoer van water. Sommigen hebben daarom gemeend, dat het water der zee op wonderdadige wijze werd belet, het lichaam van den visch aan te raken, die als onder een gewelf door de zee ging (Al Beid‚wi, Al Zamakshari, enz.)
[1196] Volgens het algemeene gevoelen was deze persoon de profeet Al Khedr, dien de Mahomedanen gewoonlijk met Phineas, Elias en St. Joris verwarren, zeggende, dat zijne ziel door eene zielsverhuizing achtervolgens door alle drie ging. Sommigen zeggen echter, dat zijn ware naam Balya Ebn Malcan was, en dat hij leefde in den tijd van Afridun, een der oude koningen van PerziÎ; dat hij Dhoe'lkarnein voorafging en tot den tijd van Mozes leefde. Zij veronderstellen dat al Khedr, die de fontein des levens had opgespoord, daarvan dronk waardoor hij onsterfelijk werd, en dat hij dientengevolge dezen naam verkreeg, om zijne bloeiende en voortdurende jeugd (Al Beid‚wi, al Zamakshari, al Bokhari, in Sonna. Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. Khedher, Septem castrens de Turcar, Moribus, Busbeq Epist. I. p. 93 enz. Hotting. Hist. OriÎnt p. 58 enz. 99 enz. 291 enz.).
[1197] Al Khedr nam namelijk eene bijl en sloeg twee der planken er uit (Al Beid‚wi).
[1198] Door zijn nek om te draaien, of zijn hoofd tegen een muur te slaan, of wel door hem neder te werpen en den strot af te snijden (Al Beid‚wi).
[1199] Deze stad was AntiochiÎ, of zooals sommigen eerder aannemen, Obollah nabij Basra, of wel Bajirwan in ArmeniÎ (Al Beid‚wi).
[1200] Alleen door dien met zijne hand te bestrijken: anderen zeggen echter dat hij dien omwierp en daarna herbouwde (Al Beid‚wi).
[1201] Dit waren tien broeders, waarvan vijf, om hunne jaren, geen werk meer konden verrichten (Al Beid‚wi).
[1202] Jaland Ebn Karkar, of Minwar Ebn Jaland al Azdi genaamd (Al Beid‚wi) die in Oman regeerde.
[1203] Men zegt, dat zij naderhand eene dochter hadden, die de vrouw en de moeder van een profeet was, en dat haar zoon een geheel volk bekeerde (Al Beid‚wi).
[1204] Hunne namen waren Asram en Sarim (Al Beid‚wi).
[1205] Of de dubbel-gehoornde. Het grootste deel der uitleggers (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Yahya), veronderstellen, dat de hier bedoelde persoon Alexander de Groote was, of gelijk zij hem noemen, Iscander Al Roemi, koning van PerziÎ en Griekenland. De meeningen zijn echter zeer verdeeld, nopens de oorzaak van dezen bijnaam. Sommigen denken, dat hem die werd gegeven, omdat hij koning van het Oosten en van het Westen was, of omdat hij expeditiÎn naar beide de uiterste deelen der aarde had ondernomen, of wel, omdat hij twee hoorns op zijne diadeem had, of twee krullen van haar, gelijk hoorns op zijn voorhoofd, of, wat het waarschijnlijkste is tengevolge van zijn grooten heldenmoed. Onderscheidene moderne schrijvers, (Scaliger, de Emend. temp. L'Empereur, not. in Jachiad. Dan. VIII, 5 Gol. in Alfrag, p. 58, enz.), veronderstellen veeleer, dat deze bijnaam werd veroorzaakt, door dat hij op zijne munten en door zijne standbeelden met hoorn wordt voorgesteld, als de zoon van Jupiter Ammon, of wel omdat hij door den profeet DaniÎl bij een bok wordt vergeleken (Schickard, Tarikh Reg. Pers. p. 73). Hij wordt echter daar slechts met ÈÈn hoorn voorgesteld (Zie Dan. VIII). Er zijn nochtans sommige goede schrijvers, die gelooven dat de vorst, op deze plaats van den Koran bedoeld, niet Alexander de Griek was, maar een andere groote overwinnaar, die denzelfden naam en voornaam droeg en ouder dan hij was, daar hij in den tijd van Abraham leefde, en een der koningen van PerziÎ was, tot het eerste geslacht behoorende (Abulfeda, Khondemir, Tarikh Monthakhah, enz. Zie d'Herbel. Bibl. Orient. Art. Escander), of, zooals anderen veronderstellen, een koning van Saman, Asaab al Rayesh genaamd (overlever., Ebn Abbas, Zie Poc. Spec. p. 58). Allen komen nochtans daarin overeen, dat hij een waar geloovige was. Of hij echter al of niet een profeet was, maakt bij hen een geschilpunt uit.
[1206] Dit is: dat het hem zoo toescheen, toen hij aan den Oceaan kwam, en niets dan water zag (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1207] Een ongeloovig volk, dat zich met de huiden van wilde dieren kleedde, en van datgene leefde, wat de zee op het strand wierp (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1208] Zijnde dat gedeelte der bewoonde aarde waar de zon het eerste opkomt.
[1209] Die noch kleederen noch woningen bezaten, daar er in hunne landstreek geen gebouw te vinden was. Zij woonden in onderaardsche holen, waar zij zich voor de hitte der zon verscholen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Jallalo'ddin zegt, dat het de Zenj waren: een zwart volk dat zich ten zuidwesten van EthiopiÎ ophield. Zij schijnen de Troglodyten der ouden te zijn.
[1210] Waar tusschen Dhoe'lkarnein den straks te vermelden befaamden muur tegen de invallen van Gog en Magog bouwde. Deze bergen zijn gelegen in ArmeniÎ en Adherbijan, of, volgens anderen, veel meer noordwaarts, nabij de grenzen van Turkestan (Al Beid‚wi). d'Herbelot geeft in zijn werk het verhaal van eene reis naar dien muur, door iemand ondernomen, die door den khalif al Wathee werd uitgezonden om dien te gaan zien (Bibl. OriÎnt. art. JagÓouge).
[1211] Door het vreemde hunner spraak en hun traag begrip, waardoor zij genoodzaakt werden van een tolk gebruik te maken (Al Beid‚wi).
[1212] De Arabieren noemen hen Yajoej, en Majoej, en zeggen dat het twee volkeren of stammen waren, uit Japhet den zoon van Noach gesproten. Zooals anderen schrijven, was Gog een stam der Turken en Magog van die van Gilan. (Al Beid‚wi. Zie d'Herbelot, t. a. pl. de Geli en Gelae van Ptolemaeus en Strabo. Zie Gol. in Alfrag, p. 207). Men zegt dat dit barbaarsche volk gedurende de lente hunne invallen in de nabij gelegen streken deden en de aardvruchten verwoestten en wegvoerden, terwijl sommigen beweren dat zij menscheneters waren (Al Beid‚wi).
[1213] De uitleggers zeggen, dat de muur op de volgende wijze was gebouwd. Zij groeven tot zij water vonden, en na het fondament van steen en gesmolten koper te hebben gelegd, maakten zij den bovenbouw van groote stukken ijzer, waar tusschen zij hout en kolen legden, tot zij de hoogte der bergen bereikt hadden. Daarop staken zij den brand in de brandoffers en maakten, met behulp van groote blaasbalgen, het ijzer rood gloeiend en goten er gesmolten koper over, waardoor de leemten tusschen de stukken ijzer werden aangevuld en het geheele werk zoo stevig als eene rots werd. Sommigen verhalen, dat het geheel van steenen gebouwd was, door ijzeren krammen verbonden, waarop zij gesmolten koper goten, om ze te verbinden (Al Beid‚wi).
[1214] Dat is: als de tijd voor Gog en Magog zal komen om hunne gevangenschap te verlaten, hetgeen eenigen tijd voor de opstanding zal plaats hebben.
[1215] Deze woorden stellen Úf den geweldigen inval van Gog en Magog voor, Úf de verwarde verzameling van alle schepselen: zooals menschen, geniussen en redelooze dieren bij de opstanding.
[1216] Verschillende omstandigheden, die in dit hoofdstuk worden vermeld en op Maria betrekking hebben deden haren naam tot titel van deze Soera kiezen.
[1217] Behalve het vers van aanbidding.
[1218] Chaf: Ha, Ya, AÔn, Sad.
[1219] Want hij was de eerste die den naam van Johannes droeg of Yahya (zooals de Arabieren dien uitspreken). Deze meening schijnt veroorzaakt te zijn door eene verkeerde opvatting van de woorden van Johannes, dat niemand van de nabestaanden van Zacharias met dien naam werd genoemd (Lucas 1, 61); want anders was Johannes of, zooals het in het Hebreeuwsch wordt geschreven Jochanan een algemeene naam onder de IsraÎlieten en is het nog.
[1220] Deze plaats wordt door Savary aldus vertaald: Gij zult gedurende drie dagen stom zijn, hernam de engel.
[1221] Sommigen zeggen dat hij de volgende woorden op den grond schreef.
[1222] Ook beteekenen deze woorden de liefde tot het geven van aalmoezen.
[1223] Naar het oostelijk gedeelte van den tempel, of naar eene afzonderlijke kamer in het huis, welker opening naar het oosten gekeerd was, van waar, volgens Al Beid‚wi, de Christenen naar dat gedeelte gekeerd, hunne gebeden uitspreken. Er bestaat eene overlevering, volgens welke de maagd, toen zij tot de jaren van huwbaarheid was gekomen, gewoon was, als zij hare maandelijksche reiniging kreeg, haar vertrek in den tempel te verlaten, en zich naar het huis van Zacharias bij hare tante te begeven. Zoodra zij weder rein was, keerde zij tot den tempel terug. Op het tijdstip toen de engel haar bezocht, bevond zij zich, om eene gelijke reden, bij hare tante; zij zat en wiesch zich op eene opene plaats door een sluier bedekt om te voorkomen, dat men haar zag (Yahya, Al Beid‚wi). Anderen zijn omzichtiger en veronderstellen, dat zij zich verwijderd had om te bidden (Al Zamakshari).
[1224] In de vroegste oudheid reeds waren de vrouwen in het Oosten gewoon het aangezicht te bedekken. Thans verschijnen zij nimmer in het openbaar zonder gesluierd te zijn. Deze sluiers zijn van neteldoek en reiken tot de middel; er zijn twee kleine openingen in, opdat de vrouw kunne zien, waar zij zich bevindt. Twee oorzaken kunnen bijgedragen hebben, om onder de schoone sekse in het Oosten de gewoonte in te voeren, hare aangezichten te bedekken: ten eerste de overmatige hitte, waardoor de frischheid harer huid spoedig zou vernietigd zijn en, ten tweede, de bijzondere ijverzucht der mannen, die niet kunnen verdragen, dat zij gezien worden (Savary).
[1225] Want GabriÎl blies in de borst van haar hemd, welke hij met zijne vingers opende. (Yahya.) Zijn adem bereikte haren schoot en veroorzaakte de ontvangenis (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi.). De ouderdom der maagd Maria op het tijdstip harer ontvangenis was dertien, of, zooals anderen zeggen tien jaren, en zij bleef, overeenkomstig verschillende overleveringen zes, zeven, acht of negen maanden zwanger van hem. Sommigen zeggen echter dat het kind in zijne volle groote van negen maanden werd ontvangen, en dat zij binnen een uur daarna van hem werd verlost (Al Beid‚wi, Yahya).
[1226] Om hare verlossing te verbergen, verliet zij de stad des nachts en begaf zij zich naar zekeren berg.