Part 85
[1012] Had hij gezegd: de harten der menschen, in den volstrekten zin dan zouden de Perzen en Romeinen hen mede als vrienden behandeld, en zoowel de Joden als de Christenen hunne pelgrimstochten naar Mekka afgelegd hebben (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1013] Dit gedeelte van het gebed werd verhoord, daar Mekka zÛÛ overvloedig is voorzien, dat de vruchten van lente, zomer en herfst er op denzelfden tijd worden gevonden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1014] Want hij wist door openbaring, dat sommigen hunner ongeloovigen zouden zijn.
[1015] Abraham richtte deze bede tot God, alvorens hij wist, dat zijne ouders de vijanden van God waren. (Zie Hoofdstuk IX vers 15.) Sommigen beweren, dat zijne moeder eene ware geloovige was, en lezen dit dus in het enkelvoudige: en mijn vader. Anderen beweren, dat Abraham onder zijne ouders hier, Adam en Eva verstaat (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.)
[1016] Dat is: dat gij niet van den dood proeven, maar eeuwig op deze wereld blijven zoudt, of, dat gij na den dood niet zoudt opstaan om geoordeeld te worden (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya.)
[1017] Zijnde, die van de Adieten en Thamoedieten.
[1018] Niet alleen door de geschiedenissen van sommigen, die in den Koran voorkomen, maar ook door de van hen overgebleven monumenten (zooals die der Thamoedieten), en de overleveringen die onder u zijn overgebleven, nopens de vreeselijke straffen welke zij moesten ondergaan.
[1019] Volgens de veronderstelling der Mohammedanen zou dit op den jongsten dag geschieden. De aarde zou dan wit en effen worden, of zooals sommigen willen, van zilver en de hemelen van goud (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Yahya).
[1020] Al Hedjr is een grondgebied in de provincie Hejaz, tusschen Medina en SyriÎ, waar de stam van Thamoed woonde. Nabij het einde van het hoofdstuk wordt daarvan melding gemaakt.
[1021] Als zij het geluk en den voorspoed der ware geloovigen zullen zien, of als zij zullen sterven: of wel bij de opstanding.
[1022] Zijnde de openbaringen waaruit de Koran is samengesteld.
[1023] Als de goddelijke wijsheid het noodig zal oordeelen, van hun ambt gebruik te maken, zooals om zijne openbaringen aan de profeten over te brengen en om zijne straf aan de zondaren uit te voeren; maar niet om u te behagen door hunne verschijning en zichtbaren vorm, hetgeen, indien aan uw verzoek werd voldaan, slechts uwe verwarring vermeerderen en de goddelijke wraak des te spoediger over u brengen zou.
[1024] Zijnde de ongeloovige bewoners van Mekka zelven, of, volgens anderer meening, de engelen in zichtbare vormen.
[1025] De Mahomedanen gelooven namelijk, dat de duivels trachten tot de sterren op te stijgen, om de daden van de bewoners des hemels te onderzoeken, hunne gesprekken af te luisteren en hen in verzoeking te brengen. Zij beweren tevens dat deze booze geesten de vrijheid hadden, binnen al de hemelen te komen, tot de geboorte van Jezus, toen zij uit drie daarvan werden gesloten; maar dat bij de geboorte van Mahomet hun de andere vier werden ontzegd (Al Beid‚wi).
[1026] Zie hoofdstuk III vers 31, in de noot.
[1027] De Mahomedanen veronderstellen namelijk bij het verschieten eener ster, dat de engelen welke in de sterrebeelden wacht houden, deze op de duivels werpen die er te nabij komen.
[1028] Zijnde: uw gezin, bedienden en slaven, welke gij u verkeerdelijk voorstelt door u gevoed te worden, terwijl het God is, die zoowel voor u als voor hen zorgt (Al Beid‚wi), of, zooals sommigen denken, de dieren, voor welke de menschen geene zorg dragen (Jallalo'ddin).
[1029] Zijnde: alleen overblijvende, als alle schepselen dood of vernietigd zullen zijn.
[1030] Het is onzeker waarop deze woorden eigenlijk zinspelen. Sommigen denken dat daarmede de verschillende tijdstippen worden bedoeld, waarop de menschen in deze wereld komen, en die verlaten; anderen meenen, dat hier de voorwaarts rukkende en achteruitwijkende manschappen van Mahomet in den slag worden bedoeld. Een ander wederom beweert dat deze plaats werd geopenbaard, om het verschillend gedrag van Mahomets volgelingen, toen zij eene zeer schoone vrouw gedurende het gebed achter Mahomet zagen; sommigen hunner gingen vÛÛr haar uit de moskee, ten einde te vermijden, haar meer van nabij te zien; anderen bleven achter met het doel, haar te zien (Al Beid‚wi). Savary vertolkt deze plaats aldus: Wij kennen hen die voor u zijn gegaan, zoowel als hen die na u zullen komen.
[1031] Zie Hoofdstuk II, vers 28, noot.
[1032] Zie Hoofdstuk II, vers 28, noot en Hoofdstuk VII, vers 3.
[1033] Zijnde: alle haat en kwaden wil, die zij elkander gedurende hunnen leeftijd toedragen. (Zie Hoofdstuk VII, vers 41 noot); of gelijk sommigen het verkiezen uit te drukken, alle afgunst of nijd nopens de verschillende graden van eer en geluk, welke aan de gezegenden zullen worden geschonken, overeenkomstig hunne verdiensten.
[1034] Nimmer elkander den rug toekeerende (Jallalo'ddin), hetgeen als een teeken van verachting kan worden aangezien.
[1035] Zie Hoofdstuk XI, vers 72.
[1036] Hetgeen SyriÎ of Egypte was (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1037] Sommigen willen, dat deze woorden door de engelen tot Lot werden gericht; anderen door God tot Mahomet.
[1038] Tot wie ShoaÔb mede werd gezonden, evenals tot de bewoners van Midian. Abulfeda zegt, dat dit volk nabij Taboec woonde, en niet van denzelfden stam was als ShoaÔb. (Zie mede Geogr. Nub. p. 110).
[1039] Door hen, wegens hun ongeloof en hunne ongehoorzaamheid, door een heeten, verstikkenden wind te verdelgen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1040] Dat is de stam van Thamoed (Zie Hoofdstuk VII, vers 71).
[1041] Men zegt dat dit vers werd afgeschaft door dat van het zwaard.
[1042] Zijnde het eerste hoofdstuk van den Koran, hetwelk uit zooveel verzen bestaat. Sommigen zijn echter van meening, dat hier de zeven groote hoofdstukken van den Koran worden bedoeld.
[1043] Dat is: benijdt of begeert niet hunnen wereldschen voorspoed, nu gij in den Koran een zegen hebt ontvangen, in vergelijking waarvan al wat wij hun hebben geschonken, als van geene waarde kan worden geacht. Al Beid‚wi vermeldt eene overlevering, volgens welke Mahomet te Adhri‚t (eene stad in SyriÎ) zeven, zeer rijk beladen karavanen ontmoette, die aan eenige Joden van de stammen van Korledha en al Nadir toebehoorden. Zijne manschappen hadden grooten lust die te plunderen, zeggende, dat deze rijkdommen van groot nut konden zijn voor de voortplanting van Gods waar geloof. Maar de profeet deed hun door deze plaats opmerken, dat zij geene reden hadden, spijt te gevoelen, daar God hun zeven verzen had gegeven, die oneindig meer waarde hadden dan deze zeven karavanen (Al Beid‚wi).
[1044] Sommigen vertolken het oorspronkelijke woord met verhinderaars, die de lieden beletten binnen Mekka te komen om den tempel te bezoeken uit vrees dat zij besluiten mochten, den Islam te omhelzen, hetgeen, naar men zegt, door tien mannen werd bedreven, die allen te Bedr werden gedood. Anderen vertalen het woord met: die zich door een eed hebben verbonden, en veronderstellen, dat hier sommige Tamoedieten worden bedoeld, die zwoeren Saleb des nachts te dooden. Het is echter meer waarschijnlijk dat deze plaats betrekking heeft op de Joden en Christenen, die, volgens de meening der Mahomedanen, sommige gedeelten der schriften aannemen, en andere voorwerpen, en evenzoo sommige plaatsen van den Koran goed en andere afkeuren, overeenkomstig hunne vooroordeelen; of wel op de ongeloovige bewoners van Mekka waarvan sommige den Koran een goochelwerk noemden; anderen voorzeggende ontboezemingen, anderen oude sprookjes en wederom anderen eene dichterlijke samenstelling (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)
[1045] Men zegt, dat deze plaats werd geopenbaard tegen vijf KoreÔshietische edelen, wier namen waren: Al Walid Ebn al Mohheira, Al As Ebn Wayel, Oda Ebn Kais, al Aswad Ebn Abd Jagh˚th en Al Aswad Ebn al Mottalleb. Deze waren gezworen vijanden van Mahomet, die hem aanhoudend vervolgden en belachelijk maakten. Daarom kwam GabriÎl eindelijk en verhaalde hun, dat hem bevolen was Mahomet tegen hen bij te staan: en nadat de engel hun na elkander een teeken had gemaakt, ging al WalÓd voorbij eenige pijlen, waarvan een zich in zijn kleed vasthechtte. Uit trotschheid boog hij zich niet om dien uit te trekken, maar stapte voort waardoor de punt een ader van zijn hiel doorsneed en hij doodbloedde: al As werd door een doorn gedood, die door de zool van zijn voet drong en zijn been tot eene monsterachtige grootte deed opzwellen; Oda stierf aan vreeselijk en aanhoudend niezen; al Aswad Ebn Abd Yagh˚th stootte zijn hoofd tegen een doornigen boom en doodde zich zelven en al Aswad Ebn Al Motalleb werd met blindheid geslagen. (Al Beid‚wi).
[1046] Letterlijk: Hetgeen zeker is.
[1047] Dit insect wordt in vers 70 van dit hoofdstuk vermeld.
[1048] Behalve de drie laatste verzen.
[1049] De persoon, die hier wordt bedoeld, was Obra Ebn Khalf, die tot Mahomet kwam met een verrot been, en hem vroeg, of het God mogelijk was dat voorwerp het leven te hergeven.
[1050] Zijnde: huiden, wol en haar, die u tot kleeding dienen.
[1051] Letterlijk versch vleesch; waarmede visch wordt bedoeld, als zijnde, uit den aard, verscher en spoediger aan bederf onderhevig dan het vleesch van vogelen en andere dieren. Men veronderstelt, dat hier deze uitdrukking bij voorkeur is gebruikt, omdat het voortbrengen van zulk versch voedsel uit zout water een voorbeeld van Gods macht is (Al Beid‚wi).
[1052] Zooals parelen en koralen.
[1053] De Mahomedanen veronderstellen, dat de aarde, toen zij pas geschapen werd, week en effen en daarenboven even goed als de hemelbollen aan eene wentelende beweging onderworpen was. De engelen zouden daarop gevraagd hebben, wie in staat zou zijn, op een zoo waggelend lichaam te staan, waarop God de aarde den volgenden ochtend bevestigde door er bergen op te plaatsen.
[1054] Die hunne gidsen zijn; niet alleen op zee, maar ook op het land, als zij des nachts door de woestijnen reizen. De sterren, welke zij tot dit doel in het oog houden, zijn Ûf de pleiaden (zevengesternte), Ûf sommige der sterren nabij de pool.
[1055] Zijnde: Op welken tijd zij, of hunne aanbidders, zullen opgewekt worden, om aan het oordeel te worden onderworpen.
[1056] Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, en passen die op Gods verijdeling hunner zondige voornemens toe. Anderen veronderstellen, dat de woorden letterlijk moeten worden toegepast op den toren, dien Nimrod (van wie de Mahomedanen vertellen, dat hij de zoon van Gana‚n, de zoon van Nun, was en de neef van Cush en dus niet diens zoon) te Babel bouwde, welke hij tot een reusachtige hoogte optrok (volgens sommigen vijfduizend ellebogen), met het dwaze doel, daardoor den hemel te bereiken en zoo doende een oorlog met diens bewoners te ondernemen; maar God verijdelde dien aanslag, door den toren bij hevige wind en aardbeving geheel omver te werpen (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin. Zie d'Herbel. Bibl. Orient. Art. Nimrod).
[1057] Zijnde: de profeten en de onderwijzers en leeraars van Gods eenheid, of de engelen.
[1058] Zie Hoofdstuk II, vers 257. Sommige schrijven Thahoet of Thaghoet.
[1059] Het is onzeker of het voornaamwoord zij betrekking heeft op de ongeloovigen of op de ware geloovigen. Worden hier de eerstgenoemden bedoeld, dan is de gevolgtrekking, dat zij begeerig zouden zijn, den gelukkigen toestand van de Mohajerin te bereiken, door hetzelfde geloof te belijden. Heeft het betrekking op de laatsten, dan wordt op de kennis daarvan aangedrongen, als eene beweegreden voor geduld en volharding (Al Beid‚wi).
[1060] Zie Hoofdstuk VII, de noot van vers 57, Hoofdstuk XII, vers 109 enz.
[1061] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Deze vermaning.
[1062] Zie Hoofdstuk XIII, de noot van vers 19.
[1063] Of: die zij niet kennen; zich in hunne dwaasheid verbeeldende, dat zij hen kunnen helpen, of er bij God op kunnen aandringen, voor hen tusschen beide te komen. De oude Arabieren hielden namelijk een zeker deel van de voortbrengselen hunner landen voor hunne afgodsbeelden achter, en onthielden zich, in hun bijgeloof, van het gebruik van zeker vee, ter eere van diezelfde afgoden. Zie Hoofdstuk V, vers 102 en VI, vers 139-146 benevens de noten.
[1064] Al Beid‚wi zegt, dat vooral de stammen van Khozaak en Kenana gewoon waren, de engelen de dochters van God te noemen.
[1065] Maar wel zonen. De geboorte van eene dochter werd namelijk als een soort van ongeval bij de Arabieren beschouwd, en waren zij dikwijls gewoon die kinderen te dooden, door hen levend te verbranden. Zie Hoofdstuk VI, vers 138 en Hoofdstuk LXXXI, vers 8.
[1066] Zijnde bewolkt door schrik en spijt.
[1067] Deze plaats veroordeelt de onoordeelkundige en godslasterlijke toeschrijving van hoedanigheden aan God, die zijner onwaardig zijn, hetgeen door de bewoners van Mekka geschiedde, en welke niet alleen de volkomenheden der godheid verminderden maar zelfs onteerend voor den mensch waren, daar zij in hunne opgeblazenheid de vereerender hoedanigheden zich zelven toeschreven.
[1068] Of: hij is heden hun (namelijk der KoreÔshieten) schuts enz.
[1069] Niet alleen wijn, die verboden is, maar ook geoorloofd voedsel, zooals dadels, druiven, eene soort van honig, die uit de dadels vloeit, en azijn. Sommigen hebben verondersteld, dat deze woorden het gematigd gebruik van wijn veroorloofden. De algemeen aangenomen meening beweert echter het tegendeel. (Zie Hoofdstuk II, vers 261, in de noot.)
[1070] Zijnde: De wegen langs welke, door Gods macht, de bittere bloemen, die in de maag der bij komen, tot honig worden, of de wijze van honig maken, welke hij haar bij instinct heeft gegeven, of wel de gereede weg naar huis van de afgelegen plaatsen, waarheen dat insect vliegt. (Al Beid‚wi).
[1071] Zijnde: honig, waarvan de kleur zeer verschillend is, veroorzaakt door de onderscheidene planten, waarmede zich de bijen voeden: sommige zijn namelijk wit, sommige geel, andere weder rood of wel zwart. (Al Beid‚wi).
[1072] Met deze woorden worden de afgodendienende bewoners van Mekka berispt, die geschapene wezens tot een deel der goddelijke eer konden toelaten, hoewel zij hunne slaven niet veroorloofden, met hen zelven te deelen, wat hun door God geschonken was (Al Beid‚wi).
[1073] Of: stel geene gelijkheid of vergelijkingen voor tusschen hem en zijne schepselen. Naar het schijnt gebruikten de bewoners van Mekka een argument ter verdediging hunner afgodendienarij, zijnde: dat het aanbidden van ondergeschikte godheden vereerend voor God was, evenals de eerbewijzen aan de dienaren van een vorst gebracht, den vorst zelven vereeren. (Al Beid‚wi).
[1074] De afgoden worden hier vergeleken bij een slaaf, die er zoo ver van verwijderd is iets te bezitten wat hem behoort, dat hij zelf in het bezit van een ander is, terwijl God een rijk en vrij mensch gelijk is, die overvloedig voor zijn gezin zorgt en ook anderen, welke in nood verkeeren, zoowel in het openbaar als in het geheim ondersteunt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1075] Het afgodsbeeld is hier op nieuw voorgesteld onder het beeld van iemand, die, door het gebrekkige zijner zintuigen een nuttelooze last is voor den mensch, die hem onderhoudt, en God onder dat van een persoon, die volkomen in staat is, hetzij om eene nuttige onderneming te besturen, hetzij om die uit te voeren. Sommigen veronderstellen, dat deze vergelijking op een waren geloovige en een ongeloovige slaat.
[1076] Dat is: de opstanding van den dood.
[1077] Al Beid‚wi zegt, dat een uiterste, en wel het onuitstaanbaarste in ArabiÎ, hier voor beiden is gesteld. Jallalo'ddin veronderstelt echter, dat het woord "hitte" hier "koude" moet verstaan worden.
[1078] Belijdende dat God de bron van alle zegeningen is, welke zij genieten, terwijl zij hunne beden en dankzeggingen nochtans tot hunne afgoden richten, door wier tusschenkomst zij zich verbeelden, dat de zegeningen worden verkregen.
[1079] Door de onwetendheid of verdorvenheid Gods voorzienigheid geheel loochenende.
[1080] Letterlijk: hunne makkers.
[1081] Dit vers, hetgeen de aanleiding was tot de bekeering van Othman Ebn Matun, bevat, volgens de meening der uitleggers, alles wat de mensch verplicht is te doen of te vermijden, en is slechts eene voldoende ontleding van hetgeen in het voorafgaande vers werd gezegd. Onder de drie dingen, die hier worden bevolen, verstaan zij het geloof aan Gods eenheid, zonder daarom nog eenerzijds tot atheÔsme, of anderzijds tot polytheÔsme over te hellen, gehoorzaamheid aan Gods bevelen, en weldadigheid omtrent de noodlijdenden. Onder de drie verboden dingen verstaan zij: alle verdorven en vleeschelijke lusten, alle valsche leerstellingen en kettersche meeningen, en alle onrechtvaardigheid omtrent den mensch (Al Beid‚wi).
[1082] Door in zijnen waren godsdienst te volharden. Sommigen denken, dat hier voornamelijk de eed van getrouwheid wordt bedoeld, die Mahomet van zijne volgelingen ontving.
[1083] Sommigen veronderstellen, dat in deze plaats eene bepaalde vrouw wordt bedoeld, die, gelijk Penelope, de gewoonte had, des nachts het werk te vernietigen, dat zij des daags had verricht. Zij zeggen, dat haar naam was Reita Bint Saad Ebn Teym, van de stam der KoreÔshieten (Al Beid‚wi).
[1084] Dat is: wees niet geneigd, door beloften of giften der ongeloovigen van uwen godsdienst, of van uwe verbintenissen met uwen profeet afstand te doen. Want het schijnt, dat de KoreÔshieten, ten einde de arme Moslems er toe te verleiden, afvallig te worden, hun aanbiedingen deden, die wel niet aanzienlijk waren, maar toch zÛÛ, dat zij die der aanneming waardig konden achten (Al Beid‚wi).
[1085] Toen Mahomet eens in den Koran las, sprak hij eene vreeselijke godslastering uit, tot groote ergernis van hen, die tegenwoordig waren, zooals dit op eene andere plaats (in de noot op vers 51 van Hoofd XXII) zal worden medegedeeld. Ten einde zich te verontschuldigen, verzekerde hij hun, dat de duivel hem deze woorden in den mond had gelegd, en ten einde zulke gevallen in de toekomst te voorkomen, wordt hem hier vermaand, Gods bijstand in te roepen, alvorens dien plicht te vervullen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, Yahya enz).
[1086] Zijnde: GabriÎl. Zie Hoofdstuk II vers 81.
[1087] Dit was eene groote tegenwerping, welke de bewoners van Mekka omtrent de autoriteit van den Koran maakten; want toen Mahomet, als een bewijs voor den Goddelijken oorsprong, er bij bleef volharden, dat het een mensch, zoo geheel ongeleerd als hij zelf, geheel onmogelijk was, zulk een boek samen te stellen, hernamen zij: dat hem daartoe een of meer personen hunne hulp hadden verleend. De overleveringen verschillen echter nopens den persoon of de personen, die voornamelijk daarvan verdacht gehouden werden. Eene zegt dat het Jabar was, een Griek, de bediende van Amer Ebn al Hadrami, die goed kon lezen en schrijven (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Yahya): een ander zegt, dat het twee slaven, Jabar en Yesar waren, die het ambacht van zwaardvegers te Mekka uitoefenden, en gewoon waren den Pentateuchus en het Evangelie te lezen, en Mahomet dikwijls onder hunne toehoorders telden, als hij langs dien weg kwam (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi, Zie Prideaux. Life of Moh. p. 32). Een ander verhaalt ons, dat het zekere Aish of Yaish was, een knecht van al Haweiter Ebn Abd al Uzza, die een zekeren graad van kennis verworven en het Mahomedanisme omhelsd had (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi). Een ander weder veronderstelt, dat het zekere Kais, een christen, wiens huis door Mahomet werd bezocht (Jallalo'ddin); nog een ander, dat het Addas was, een dienstknecht van Otha Ebn Rabia (Al Zamakhshari, Yahya), en een ander, dat het Salman, de PerziÎr was. Overeenkomstig sommige christelijke schrijvers (Ricardi Confut. Legis Saracenicae, c. 13. Joh. Andreas, de Confus. Sectae Mahometanae, c. 2. Zie ook Prid. Life of Moh, p. 33, 34), zou Abdallah Ebn Salam, een Jood, die zeer bevriend met Mahomet was (welke door den een, overeenkomstig den Hebreeuwschen tongval, Abdias Ben Salon en door een ander Abdala Celen, wordt genoemd) hem in het samenstellen zijner openbaringen geholpen hebben. Deze Jood wordt door Dr. Prideaux verward met Salman, den PerziÎr, die een geheel verschillend persoon was, zooals door schrijvers uit den lateren tijd (Gagnier not. in Abulf. Vit Moh. p. 74 en Sake, the Koran) is opgemerkt. Het is dus niet ongepast, met het oog op hetgeen later nopens Salman zal worden medegedeeld, hierbij een kort uittreksel te doen kennen van zijne levensgeschiedenis, zooals die door hem zelven wordt medegedeeld. Hij behoorde tot eene goede familie van Ispahan, die in zijn jeugdigen ouderdom den godsdienst van zijn land verliet om het Christendom te omhelzen. Toen hij in SyriÎ reisde, werd hem door zekeren monnik van AmuriÎ aangeraden, naar ArabiÎ te gaan, waar men, omstreeks dien tijd, de verschijning van een profeet verwachtte, die den godsdienst van Abraham zou bevestigen, en dien hij onder anderen ook zou kennen door het zegel der profecy tusschen zijne schouders. Salam deed die reis en ontmoette Mahomet te Koba, waar hij zich gedurende zijne vlucht naar Medina ophield. Hij bevond spoedig dat deze de persoon was dien hij zocht, en beleed den Islam (Ex Ebn Ishak. Zie Gagnier, not in Abulf. Vit. Moh. p. 74). Het algemeen gevoelen der christenen is echter, dat de voornaamste hulp, die Mahomet bij het samenstellen van zijn Koran genoot, van een Nestoriaanschen monnik was, Sergius genaamd, die verondersteld wordt dezelfde persoon te zijn als de monnik Boheira, met wien Mahomet op jongeren leeftijd eenigen omgang te Bosra had, waar die monnik zijn verblijf hield (Zie Prid. t. a. pl. 35, enz. Gagnier, t. a. pl. p. 10, 11. Marrac. De Alcor, p. 37). Om deze veronderstelling te staven, is eene plaats van een Arabisch schrijver aangevoerd (Al Masudi), die vermeldt, dat de naam van Boheira, in de werken der christenen Sergius is, doch dit is slechts eene veronderstelling, en een ander (Abul Hasan al Becra) verhaalt, dat zijn ware naam SaÔd, of Felix, was en zijn toenaam Boheira. Maar hoe het ook zij, indien Boheira en Sergius slechts een en dezelfde persoon waren, dient men te weten, dat men bij de Mahomedaansche schrijvers niet de minste aanduiding vindt, dat hij ooit zijn klooster verliet om naar ArabiÎ te gaan, zoo als door de christelijke schrijvers wordt beweerd; en zijne kennis met Mahomet te Bosra viel te vroeg in, om de meening te staven, dat hij hem bij het vervaardigen van den Koran zou hebben geholpen, hetgeen lang daarna geschiedde; doch het is mogelijk, dat Mahomet door zijne gesprekken met hem eenige kennis van het christendom en van de schriften hebbe verkregen, welke door hem bij den Koran zijn gebruikt. Uit het antwoord op deze plaats van den Koran gegeven, op de tegenwerping der ongeloovigen; zijnde, dat de persoon, die door hen verdacht wordt gehouden, de hand in den Koran te hebben gehad, eene vreemde taal sprak, en dus met geen schijn van mogelijkheid verondersteld kan worden bij het samenstellen van een stuk in de Arabische taal, en wel met zulk een groote sierlijkheid te hebben geholpen, is het duidelijk dat die persoon geen Arabier was. Het woord Ajami dat hier is gebruikt, beteekent eene vreemde of onbeschaafde taal in het algemeen; maar de Arabieren passen het meer bijzonder op het Perzisch toe; waaruit door sommigen de gevolgtrekking is gemaakt, dat Salman de bewuste persoon was. Indien het echter waar zij, dat hij niet tot Mahomet kwam dan na de Hedjira, zoo kan hij ook de hier bedoelde man niet zijn, of wel dan moet dit vers, in strijd met het algemeene gevoelen, te Medina zijn geopenbaard.