Part 84
[941] Het schijnt dat Jozef niet wenschte, de gevangenis te kunnen verlaten, dan nadat zijne onschuld algemeen en openbaar erkend was. De uitleggers doen opmerken, dat Jozef den boodschapper niet smeekte, den koning te bewegen, zelf naar de waarheid der zaak onderzoek te doen, maar dat hij hem onmiddellijk bad, den koning te vragen, hem de gunst te doen, met den meesten ernst een onderzoek in te stellen. Zij doen tevens opmerken, dat Jozef zorg droeg, zijne meesteres niet te noemen, uit eerbied en dankbaarheid voor de gunstbewijzen, welke hij van haar had ontvangen, tijdens hij zich in haar huis bevond (Al Beid‚wi, enz.)
[942] Mij door bedreigingen en door overredingen, trachtende aan te sporen, snoodheid met mijne meesteres te bedrijven.
[943] De koning vroeg haar af: Wat was de uitslag uwer verzoekingen van Jozef? Prins, hernam zij, zijn hart was bestand tegen boosheid. Savary.
[944] Volgens eene overlevering van Ebn Abbas, had Jozef de voorafgaande woorden nauwelijks uitgesproken, waarbij hij zijn onschuld volhield, of GabriÎl zeide tot hem: Wat! naamt gij het niet in overweging, bij haar te gaan liggen? Daarop bekende Jozef zijne zwakheid (Al Beid‚wi enz.)
[945] De uitleggers zeggen, dat Jozef buiten de gevangenis werd gebracht, nadat hij zich gewasschen en van kleederen verwisseld had. Hij werd daarop bij den koning binnengeleid, die hij in de Hebreeuwsche taal groette; en op des konings vraag, welke taal dit was, antwoordde hij: de taal mijner vaderen. Zij zeggen dat deze vorst niet minder dan zeventig talen verstond, in welke alle hij met Jozef sprak, die hem in dezelfde taal antwoordde. De koning was daarover zeer verwonderd, en verzocht hem zijn' droom te verhalen, hetgeen hij deed, terwijl hij de kleinste omstandigheden beschreef. De koning plaatste daarop Jozef naast hem op den troon en verhief hem tot zijn Wezir, of eersten minister. Sommigen zeggen, dat, toen zijn meester KitfÓr, omstreeks dienzelfden tijd stierf, hij hem niet alleen in zijne betrekking opvolgde, maar zelfs, op bevel des konings, de weduwe, zijne voormalige meesteres, huwde, welke hij bevond eene maagd te zijn, en die hem EphraÔm en Manassa baarde (Al Beid‚wi, Kitab Tafasir, enz.). Volgens deze overlevering is zij dezelfde vrouw welke door Mozes Asenath wordt genoemd. Dit veronderstelde huwelijk, hetwelk hunne liefde wettigde, heeft de Mahomedaansche godgeleerden waarschijnlijk aangemoedigd, van de liefde van Jozef en Zoleihka gebruik te maken, als een zinnebeeld der geestelijke liefde tusschen den Schepper en het schepsel, God en de ziel, evenals het hooglied van Salomo op hetzelfde mystieke onderwerp wordt toegepast. (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, art. Jousouf).
[946] Het oorspronkelijke woord beteekent niet alleen geld, maar ook goederen, die geruild of tegen andere koopwaren in betaling gegeven zijn. Sommige uitleggers verhalen ons dan ook, dat zij niet in geld maar in schoenen en toebereide huiden betaalden (Al Beid‚wi).
[947] De bedoeling kan hier zijn, tenzij de hoeveelheid koren, die zij thans brachten, niet toereikend was voor het onderhoud hunner familiÎn, zoodat het voor hen noodig was een tweede reis te aanvaarden, of wel, dat een kameellast meer of minder slechts eene kleinigheid voor den koning van Egypte ware. Sommigen veronderstellen dat dit de woorden van Jacob waren, waardoor gezegd wordt dat de reden te gering was, om hem er toe te brengen met zijn zoon te vertrekken.
[948] Men verhaalt dat Jozef zijne broeders tot een gastmaal uitnoodigde, waarbij hij hun beval twee aan twee te zitten. Daardoor was Benjamin, de elfde, genoodzaakt alleen te zitten, en in tranen uitbarstende, zeide hij: Indien mijn broeder Jozef in leven was, zoude hij met mij aanzitten. Daarop beval Jozef hem, aan dezelfde tafel met hem zelven plaats te nemen, en toen het maal geÎindigd was, gebood hij den anderen te vertrekken, met bevel, dat zij twee aan twee in eene woning zouden worden gehuisvest. Hij hield Benjamin echter in zijn eigen vertrek, waar deze den nacht doorbracht. Den volgenden dag vroeg Jozef hem, of hij hem als zijn broeder wilde aannemen, in de plaats van dengeen dien hij verloren had. Benjamin hernam daarop: Wie kan een' broeder vinden die u gelijk is? Evenwel zijt gij de zoon van Jacob en Rachel niet. Daarop ontdekte Jozef zich aan hem (Al Beid‚wi).
[949] Sommigen beweren dat dit eene inhoudsmaat was ter grootte van een Sa‚ (of omstreeks 4.5 Ned. kan), waarin zij gewoon waren koren te meten, of de dieren te drenken. Volgens anderen was het een gouden of zilveren drinkbeker.
[950] Zoowel door ons gedrag onder de uwen, als door het terugbrengen van ons geld, dat ons, zonder dat wij het wisten, werd teruggegeven.
[951] Dit was de wijze van strafoefening voor diefstal bij Jacob en zijn gezin gebruikelijk. Bij de Egyptenaren werd deze misdaad op eene andere wijze bestraft.
[952] Want hier werd de dief niet tot slavernij gebracht, maar hij werd gegeeseld en gedwongen, het dubbele terug te geven van hetgeen hij had gestolen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[953] De oorzaak van deze verdenking was, naar men zegt, de volgende: Jozef werd namelijk door de zuster zijns vaders opgevoed, en zij werd zoo verzot op hem, dat, toen hij opgroeide, en Jacob het voornemen had, hem van haar weg te nemen, zij de volgende list uitdacht om hem te behouden. Daar zij een gordel bezat die eens aan Abraham had toebehoord, gordde zij dien het kind om. Daarop gaf zij voor, dien verloren te hebben en deed een nauwkeurig onderzoek daarnaar instellen. Eindelijk werd die bij Jozef gevonden en hij veroordeeld, overeenkomstig de bovenvermelde wet der familie haar als haar eigendom te worden overgeleverd. Sommigen zeggen echter dat Jozef wezenlijk had gestolen en wel een gouden afgodsbeeld, dat aan de moeder van zijn' vader toebehoorde, en dat hij dit vernietigde. Dit sprookje is waarschijnlijk ontleend aan het stelen der beelden van Laban door Rachel. Anderen verhalen wederom dat hij eens eene geit of eene hen stal, om die aan een' armen man te geven (Jallalo'ddin).
[954] Zijnde Ruben. Sommige beweren echter, dat hier van Simeon of Judah sprake is, en vertolken het in plaats van met: de oudste met: de voorzichtigste van hen.
[955] Dat is: de pupillen verloren door zijn aanhoudend weenen hunne zwartheid en werden parelkleurig gelijk bij zekere oogziekten geschiedt; hierdoor werd zijn gezicht veel verzwakt, of, zooals sommigen beweren, werd hij volkomen blind (Al Beid‚wi).
[956] Zijnde, dat Jozef nog in leven was; hetgeen hem, zooals sommigen verhalen, in een droom door den engel des doods werd verzekerd. Anderen veronderstellen echter, dat hij vertrouwde op de vervulling van Jozefs droom, die echter verijdeld zou zijn geworden, ware hij gestorven vÛÛr zijne broeders zich voor hem nederbogen (Al Beid‚wi).
[957] Daar hun geld gesnoeid en vervalscht was. Sommigen beweren echter dat zij geen geld brachten, maar goederen om die te ruilen, zooals wol en boter, of andere benoodigdheden van geringe waarde (Al Beid‚wi).
[958] De krenking welke zij Benjamin aandeden, was, dat zij hem van zijn broeder scheidden, waarna zij hem zoo zeer vernederden, dat hij slechts met de grootste onderdanigheid tot hen dorst spreken. Sommigen zeggen, dat deze woorden het gevolg waren van een brief zijns vaders, welke door Jozefs broeders werd overgegeven, en waarin de vrijlating van Benjamin werd verzocht, terwijl hij daarin zijne groote droefenis schetste, wegens het verlies van hem en van zijn broeder. De uitleggers doen opmerken, dat Jozef, ten einde het gedrag zijner broeders te zijnen opzichte te verontschuldigen, dit aan hunne ontwetenheid, en aan de drift der jeugd toeschreef (Al Beid‚wi).
[959] Zij zeggen dat deze vraag niet het gevolg was van een bloot vermoeden dat hij Jozef was, maar dat zij hem werkelijk hadden herkend, hetzij door zijn aangezicht en gedrag, hetzij door zijne voorste tanden, die hij bij het glimlachen vertoonde, of wel bij het afnemen zijner tiara, waardoor een witachtige vlek op zijn voorhoofd zichtbaar werd (Al Beid‚wi).
[960] De uitleggers veronderstellen, dat dit hetzelfde kleed was als datgene, waarmede GabriÎl hem in den put voorzag, hetwelk, oorspronkelijk uit het paradijs afkomstig, de geuren dier plaats had behouden, en dat het groote voordeel bezat, alle gebreken te genezen van den persoon die daarmede werd aangeraakt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[961] Dit was de bovenvermelde reuk van het kleed, door den wind tot Jacob gevoerd, die zooals beweerd wordt, door hem werd waargenomen op een afstand van tachtig parasangs (Al Beid‚wi) of, zooals anderen willen, op eene verte van drie of acht dagreizen (Jallalo'ddin).
[962] Zijnde Judah, die, daar hij vroeger zijn vader bedroefd had, door hem het met bloed bevlekte kleed van Jozef te brengen, hem thans des te meer verblijdde, daar hij de overbrenger van dezen rok, en van het bericht van Jozefs voorspoed was (Al Beid‚wi).
[963] Zijnde zijn vader en Lea, de zuster zijner moeder, welke hij na Rachels dood als zijne moeder beschouwde, (Al Beid‚wi, zie Gen. XXXVII : 10). Al Beid‚wi: verhaalt, dat Jozef voertuigen en leeftocht voor zijnen vader en zijne bloedverwanten zond; en dat hij en de Koning van Egypte hen te gemoet trokken. Hij voegt er bij, dat het getal der kinderen IsraÎls die met hem Egypte binnentogen, twee en zeventig beliep, en dat, toen zij later door Mozes werden uitgeleid, hun aantal zesmaal honderdduizend-vijfhonderd zeventig man en meer was aangegroeid, behalve de ouden en kinderen.
[964] Men veronderstelt dat hier eene verplaatsing der woorden heeft plaats gehad, en dat hij zijn vader en zijne moeder deed zitten, nadat zij voor hem hadden nedergebogen, en niet vÛÛr dien tijd (Al Beid‚wi).
[965] De Mahomedaansche schrijvers houden het er voor, dat Jacob vier en twintig jaren in Egypte woonde, en dat hij bij zijnen dood bevel gaf, dat zijn lichaam in Palestina, bij zijn vader moest worden begraven, voor welks uitvoering Jozef zorg droeg. Hij keerde daarop naar Egypte terug, waar hij drie en twintig jaren later stierf. Zij voegen er bij, dat er nopens zijne begraving zulke groote geschillen tusschen de Egyptenaren rezen, dat die bijna tot feitelijkheden zouden zijn overgeslagen. Eindelijk echter kwamen zij overeen, zijn lijk in een marmeren doodkist te leggen, en die in den Nijl te doen zinken, uit bijgeloof dat dit zou bijdragen tot geregeld wassen der rivier, en waardoor zij in het vervolg van hongersnood zouden zijn gevrijwaard. Doch toen Mozes de IsraÎlieten uit Egypte voerde, vischte hij de doodkist op, en nam de beenderen van Jozef met zich naar Cana‰n, waar hij die bij zijne voorvaderen begroef (Al Beid‚wi).
[966] Mahomet beschuldigt, niet alleen de afgodendienende bewoners van Mekka, maar ook de Joden en Christenen van deze misdaad, zooals reeds bij de herhaling werd opgemerkt. (Zie onder anderen Hoofdstuk IX, vers 30).
[967] En niet onder de bewoners der woestijnen, dewijl de bewoners der steden meer weten en medelijdender zijn, terwijl de bewoners der woestijnen onwetender en hardvochtig zijn. (Al Beid‚wi).
[968] Dit woord komt hieronder in vers 4 voor.
[969] Of, volgens sommige afschriften, te Medina.
[970] De beteekenis dezer letters is onbekend. Onder de verschillende veronderstellende uitleggingen die daarvan worden gegeven, behoort ook eene, volgens welke dit zou moeten luiden: Ik ben de meest wijze en alwetende God.
[971] Zooals: zoet en zuur, zwart en wit, klein en groot, enz. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Savary vertolkt deze plaats aldus: Hij is het die de aarde uitspreidde, die de bergen verhief, die de rivieren vormde, die u verschillende soorten van vruchten gaf. Hij schiep die van het mannelijke en van het vrouwelijke geslacht.
[972] Daar sommige streken vruchtbaar en andere onvruchtbaar, sommige vlak en andere bergachtig, sommige geschikt voor graanbouw en andere voor boomen zijn, enz. (Al Beid‚wi).
[973] Indien gij u over hun ongeloof verwondert, wat moet dan uwe verrassing zijn, als gij hen hoort zeggen: Is het mogelijk dat de stof van ons lichaam tot een nieuw schepsel kan worden (Savary.)
[974] De hier vermelde kraag is een werktuig, eenigszins gelijk aan eene kaak, maar licht genoeg voor den schuldige om daarmede voort te gaan. Behalve het gat om het aan den nek te bevestigen, bezit het een ander door eene der handen, die daardoor aan den nek is vastgemaakt (Vide Chardin Voyde Perse, V. 2, p. 229.) Op deze wijze zullen de verdoemden, volgens de meening der Mahomedanen, op den dag des oordeels verschijnen (Zie Hoofdstuk V, vers 69). Sommigen vatten deze plaats figuurlijk op, naardien de ongeloovigen door de ketenen van dwaling en de hardnekkigheid worden gekluisterd (Al Beid‚wi).
[975] Door u uit te lokken en te tarten, om hunne onboetvaardigheid de goddelijke wraak op hen af te smeeken.
[976] Daar donder en bliksem de voorteekens van naderende regen zijn, die vooral in het Oosten als eene groote zegen wordt beschouwd.
[977] Of veroorzaakt, dat zij die dien hooren, hem loven. Sommige uitleggers zeggen dat hier met het woord "donder" de engel wordt bedoeld, die het bevel over de wolken voert en deze met gedraaide bladen van vuur voortdrijft (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[978] Deze plaats werd bij de volgende gelegenheid geopenbaard. Amer Ebn Al Tofail en Abrad Ebn Rabiah, de broeder van Labid gingen tot Mahomet om hem te dooden: Amer begon nopens de voornaamste punten zijner leer met hem te twisten, terwijl Abrad een omweg maakte en achter hem kwam, ten einde met hem zijn zwaard te treffen. Maar de profeet doorzag zijn plan en riep Gode hulp in, waarop Abrad onmiddellijk door den donder werd doodgeslagen, terwijl Amer met een pestbuil werd bezocht, waaraan hij, na korten tijd, en in een ellendigen toestand stierf. (Al Beid‚wi, Vide Golii, note in Adagia Arab. adject. ad Gram. Erpenii, p. 99.) Jallalo'ddin deelt echter een ander verhaal mede, volgens hetwelk Mahomet iemand had gezonden om zekeren man uit te noodigen, zijnen godsdienst te omhelzen. De man deed daarop de volgende vraag tot den zendeling. Wie is de apostel en wat is God? is hij van goud, van zilver of van koper: Daarop sloeg een donderslag zijn schedel af en doodde hem.
[979] De ongeloovigen en zelfs de duivels zijn gedwongen, zich voor hem te vernederen, doch tegen hunnen wil, als zij aan de straf worden overgeleverd.
[980] Dit is eene toespeling op de vermeerdering en vermindering der schaduwen, naar gelang van den stand der zon, zoodat, wanneer die het langst zijn, namelijk des ochtends en des avonds, zij, op den grond nedergebogen, in de houding der aanbidding schijnen.
[981] Door in al de profeten zonder uitzondering te gelooven, en daaraan de aanhoudende uitoefening hunner plichten, zoowel ten opzichte van God als van de menschen, te verbinden (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Yahya).
[982] Eigenlijk de tuinen van Eden. (Zie hoofdst. IX, vers 73 en de noot).
[983] Dit zijn mirakelen, welke de KoreÔshieten van Mahomet eischten; zij vroegen hem voorts, dat hij door de macht van zijn Koran Úf de bergen van Mekka zou wegnemen, opdat zij uitmuntende tuinen in hunne plaats konden hebben, Úf dat hij den wind zou dwingen, hen met hunne koopwaren naar SyriÎ over te brengen, (overeenkomstig welke overlevering de woorden, hier: of de aarde gespleten vertaald zouden moeten luiden: of in een oogenblik over de aarde gereisd), of wel dat hij Kozai Ebn Kelab en andere hunner voorouders, uit den dood zou doen opstaan om voor hem te getuigen.
[984] Sommigen veronderstellen, dat deze woorden tot Mahomet werden gesproken, en dan moeten zij in den tweeden persoon worden vertaald: Gij zult niet ophouden, bij hunne woningen neder te zitten, enz. Zij zeggen namelijk, dat dit vers betrekking heeft op de afgodendienende bewoners van Mekka, die door eene reeks van tegenspoeden werden bezocht, om de mishandeling van hunnen profeet, en welke aanhoudend verontrust en geplaagd werden door zijn aanhangers, die dikwijls hunne karavanen plunderden en hun vee wegvoerden. Hij zelf bevond zich toen met zijn geheel leger nabij de stad, voor de expeditie Al Hodeibiya (Al Beid‚wi).
[985] Dat is: tot de dood en de dag des oordeels hen overvallen, of, overeenkomstig de uitlegging in de vorige noot gegeven, totdat Mekka worde ingenomen (Al Beid‚wi).
[986] Dat is: dat zij hen de makkers van God noemen, zonder in staat te zijn, eene reden op te geven, waarom zij verdienen aandeel te hebben in de eer en de aanbidding, welke de mensch hem verschuldigd is (Al Beid‚wi).
[987] Zijnde de eerste proselieten van het Mahomedanisme, die uit het Jodendom en het Christendom waren voortgesproten of de Joden en Christenen in het algemeen, die vergenoegd waren, dat de Koran zoo gelijkluidend met hunne eigene schriften was (Zie Hoofdstuk III, vers 198).
[988] Dit zijn zij die deelgenomen hadden aan een bondgenootschap, om Mahomet weerstand te bieden, zooals Caab Ebn al Ashraf en de Joden, die hem volgden, benevens Al Seyid al Najrani, al Akib, en verschillende andere Christenen, die de gedeelten van den Koran loochenden, waarin hunne vervalschte leerstellingen en overleveringen worden weersproken (Hoofdstuk III, vers 198).
[989] Zooals aan u. Deze plaats werd geopenbaard in antwoord op de verwijtingen, welke men Mahomet deed, over het groote getal zijner vrouwen. De Joden zeiden namelijk, dat, indien hij een echt profeet ware, zijne zorg en aandacht op iets anders zou zijn gevestigd dan op vrouwen en het voortbrengen van kinderen. (Jallalo'ddin, Yahya). Hierbij moet opgemerkt worden, dat het eene grondstelling der Joden is, dat niets meer strijdig met het profeetschap is dan de onbeteugelde begeerte des vleesches. (Zie Maimon. More Neb. 2e ged. c. 36, enz.)
[990] Letterlijk de moeder van het boek; waarmede de tafel wordt bedoeld, waarop al de geschrevene openbaringen zijn overgeschreven, welke van tijd tot tijd aan de menschen werden geschonken.
[991] Aan het einde van dit Hoofdstuk wordt die patriarch vermeld.
[992] Opdat zij deze openbaringen niet alleen volkomen en snel voor zich zelven zouden kunnen begrijpen, maar ook in staat zouden wezen, die aan anderen te vertolken en te verklaren. (Al Beid‚wi).
[993] Letterlijk: de dagen van God; hetgeen ook zou kunnen vertolkt worden met: de veldslagen van God (daar de Arabieren het woord dag gebruiken om een belangrijk gevecht aan te duiden, zooals de Italianen giornata en de Franschen journÈe), of zijne wondervolle daden, betoond in de verschillende gelukkige uitkomsten van vroegere natiÎn in hare oorlogen (Al Beid‚wi).
[994] Zie Hoofdstuk VII, vers 124, enz.
[995] Zie hetzelfde Hoofdstuk vers 63, enz.
[996] Zijnde diegene, welke onmiddellijk tegen God werden bedreven, en door gelooven of het omhelzen van den Islam dadelijk worden uitgewischt; maar niet de misdaden uit onrechtvaardigheid begaan, en verdrukkingen die tegen den mensch plaats hadden (Al Beid‚wi). want om aflaat van deze laatste zonden te erlangen, is, behalve gelooven, berouw en teruggave overeenkomstig des menschen vermogen noodig.
[997] De uitleggers verkeeren in het onzekere, of dit de profeten waren, die om ondersteuning tegen hunne vijanden baden, dan wel de ongeloovigen, die Gods beslissing tusschen hen zelven en de profeten inriepen; of beiden. Daarentegen beweren sommigen, dat dit vers in geen verband staat met het vorige, maar op de bewoners van Mekka slaat, die om regen baden gedurende eene groote droogte, met welke zij op het gebed van hunnen profeet werden gestraft, doch welken regen zij niet konden Verkrijgen (Al Beid‚wi.)
[998] Dat voort zal komen van de lijken der verdoemden, gemengd met etterachtige zelfstandigheden en bloed.
[999] Zijnde: de meer eenvoudigen en lageren zullen tot hunne leeraren en vorsten zeggen, die hen tot afgodendienarij verleidden en hen in hun hardnekkig ongeloof bevestigden, enz.
[1000] Dat is: Wij deden voor u dezelfde keus als voor ons; en indien God niet zou hebben toegelaten, dat wij in dwaling vervielen, zouden wij u niet hebben verleid.
[1001] Gisp mijne verzoekingen niet, maar gisp uw eigene dwaasheid, om mij te gelooven en te vertrouwen, terwijl ik mij openlijk uw onverzoenlijke vijand heb betoond.
[1002] Of: ik verklaar mij thans onschuldig aan de omstandigheid, dat gij mij boven God hebt gehoorzaamd en afgoden op mijne ingeving hebt aangebeden. Of wel zouden de woorden aldus vertaald kunnen worden: Ik geloofde vroeger niet aan het wezen waarmede gij mij hebt vereenigd; zoodoende zijne eerste ongehoorzaamheid te kennen gevende, waardoor hij weigerde Adam op Gods bevel te aanbidden (Al Beid‚wi).
[1003] Zie Hoofdstuk X, vers 10.
[1004] De uitleggers verschillen nopens hetgeen op deze plaats onder het goede woord en het slechte woord moet worden verstaan. Met het eerste schijnt de belijdenis van Gods eenheid, die uitnoodiging aan anderen tot den waren godsdienst, of de Koran zelf, en met het laatste, het aannemen van een veelgodendom, het verleiden van anderen tot afgodendienarij, of de hardnekkige tegenstand aan Gods profeten te worden bedoeld (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[1005] Jallalo'ddin veronderstelt, dat met dit laatste het graf wordt bedoeld, in welke plaats de ware geloovigen, als zij door de beide engelen nopens hun geloof zullen worden ondervraagd naar behooren en zonder aarzeling zullen antwoorden, waartoe de ongeloovigen niet in staat zullen wezen.
[1006] Dat is: die zijne gunsten beantwoordden met ongehoorzaamheid en ongeloof, of zij wier ondankbaarheid God noodzaakte, hen van de zegeningen te berooven welke hij hun had geschonken, zooals hij ten opzichte der bewoners van Mekka deed, die, hoewel zij door God op het heilige grondgebied waren geplaatst, en hij hun de bewaring van den Caaba, en een overvloedigen voorraad van alle benoodigdheden en gemakken des levens geschonken, en hen door de zending van Mahomet vereerd had, ter vergelding voor al deze gunsten, hardnekkige ongeloovigen werden en zijne gezanten vervolgden. Zij werden daarvoor niet alleen met een hongersnood van zeven jaren gestraft, maar ook door het verlies en de schande, welke zij te Bedr ondergingen; zoodat zij, die vroeger door hunnen voorspoed vermaard waren, thans daarvan werden beroofd, en alleen door hun ongeloof in het oogloopend werden (Al Beid‚wi). Indien dit de bedoeling dezer plaats is, kan zij niet te Mekka zijn geopenbaard, zooals nopens het overige des hoofdstuks is aangenomen; sommigen veronderstellen dan ook, dat dit en het volgende vers te Medina werden geopenbaard.
[1007] Het hier en in de volgende verzen gebruikte woord is Sakhkara, hetgeen beteekent: met geweld tot eenen of anderen dienst dwingen (Zie Hoofdstuk II, vers 159, in de noot).
[1008] Zijnde het grondgebied van Mekka.
[1009] Naar het schijnt werd dit gebed niet voor zijne geheele nakomelingschap verhoord, en in het bijzonder niet voor de afstammelingen van IsmaÎl. Sommigen beweren echter dat deze laatsten geene afgoden aanbaden, maar alleen eene bijgeloovige vereering wijdden aan zekere steenen, die zij oprichtten en huldigden, als vertegenwoordigers van den Caaba. (Al Beid‚wi).
[1010] Dat is: door hen tot berouw te brengen. Jallalo'ddin veronderstelt echter, dat deze woorden door Abraham werden gesproken, alvorens hij wist, dat God aan de afgodendienaren geene vergiffenis wilde schenken.
[1011] Zijnde IsmaÎl en diens nakomelingschap. De Mahomedanen zeggen dat Hagar, zijne moeder, aan Sarah toebehoorende, die haar aan Abraham gaf, en dat Sarah, nadat Hagar hem IsmaÎl had gebaard, zÛÛ ijverzuchtig op haar werd, dat zij er bij haren man op aanhield, hen beiden weg te zenden (Gen. XXI). Daarop zond hij hen naar het grondgebied van Mekka, waar God de bron van Zemzem ter hunner hulpe deed ontspringen, tengevolge waarvan de Joramieten die meester der plaats waren, hun veroorloofden, onder hen te wonen (Al Beid‚wi).