Part 83
[862] Dit is een van de bergen, waardoor ArmeniÎ, ten zuiden, wordt gescheiden van MesopotamiÎ en het deel van AssyriÎ, dat door de Kurden wordt bewoond; vanwaar de bergen den naam van Cardu of Gardu hebben ontleend. De Grieken noemen dien GordyaeÓ, of geven er andere namen aan. (Zie Bochart, Phaleg lib. I, Cap. 3). De berg al J˚di welks naam eene verbastering schijnt te zijn, hoewel die steeds door de Arabieren in plaats van Jordi of Giordi wordt geschreven, wordt ook Thamanin genaamd (Georg. Num. p. 202), waarschijnlijk naar eene stad, die aan zijnen voet ligt (d'Herbelot Bibl. Orient., p. 404 en 676 en Agathiam, lib. XIV, p. 135), aldus genaamd naar het aantal personen, die in de ark werden gered, daar het woord thamanin, tachtig beteekent, terwijl men van deze plaats de streek, Diy‚r Rabiah kan overzien, nabij de steden Mawsel, Forda en Jazirat Ebn Omar, welke laatstgenoemde plaats, volgens de verzekering van een uitlegger, op slechts vier mijlen afstands van de plaats der ark ligt. Hij voegt er bij, dat daar van de overblijfsels van dat vaartuig door den Khalif Omar Ebn Abd'alaziz, dien hij verkeerdelijk Omar Ebn Khattab noemt, een Mahomedaansche tempel werd gebouwd (Benjamin, Itiner p. 61). De overlevering, waarbij het bevestigd wordt, dat de ark op deze bergen is gebleven moet zeer oud zijn, daar zij van de Chaldeeuwen afkomstig is (Berosus apud Joseph Antiq. lib. I. cap. 4). De Chaldeeuwsche paraphrasten ondersteunen deze meening (Onkelos et Jonathan in Gen. VIII, 4), welke lang te voren gevestigd was, vooral bij de Christenen in het Oosten (Eutych. Annal., p. 41). Ter bevestiging daarvan verhaalt men, dat de overblijfselen der ark op de Gordyaansche bergen zichtbaar waren. Berosus en Abydenius verklaren beide, dat er zulk een verhaal in hunnen tijd bestond (Berosus, apud Joseph t. a. pl. Abydenius, apud Euseb. Praep. Ev., lib. IX, cap. 4). De eerste doet opmerken, dat verscheidene inwoners het pek, der planken afschraapten, om het als eene zeldzaamheid te bewaren, en dit als een amulet bij zich droegen; de laatstgenoemde zegt, dat zij het vaartuig met verwonderlijk gevolg tegen verschillende ziekten aanwendden. Ook waren hier de reliquieÎn van de ark zichtbaar, in den tijd van Epiphanius, indien wij hem mogen gelooven (Epiph. Haeres 18), en men verhaalt, dat keizer Heraclius zich van de stad Thamanin op den berg al J˚di begaf waar hij de plaats van de ark zag (Elmacin, lib. I, cap. 1). Vroeger stond hier ook een groot klooster, het klooster van de ark genaamd, dat op een der bergen gebouwd was, waar de Nestorianen gewoon waren een feestdag te vieren, op de plek, waar zij veronderstelden, dat de ark bleef; maar in het jaar 776, na Chr., werd dit klooster, met de kerk, door een onweder vernield, terwijl er zich eene talrijke gemeente in bevond. (Zie Chronic. Dionysii Patriarch. Jacobitar. apud Asseman, Bibl. Orient., tome II. p. 113). Sedert dezen tijd, schijnt echter het geloof aan deze overlevering verminderd te zijn, en voor eene andere plaats gemaakt te hebben, die thans gevestigd is, en volgens welke de ark op den berg Mazis in ArmeniÎ bleef, die door de Turken Agdir dagh, de zware of de groote berg genoemd wordt en omstreeks twaalf mijlen ten zuidoosten van Erivan ligt (Al Beid‚wi).
[863] Overeenkomstig eene andere lezing, moet deze plaats vertolkt worden met de woorden: Want hij heeft onrechtvaardig gehandeld.
[864] De Mahommedanen zeggen, dat Noach in de ark ging op den 10den van Rajeb, en er op den 10den van al Moharam uitkwam, waarop dientengevolge een vastendag werd ingesteld. De geheele tijd van Noachs verblijf in de ark, bedroeg derhalve zes maanden (Al Beid‚wi, d'Herbelot. t. a. pl.)
[865] Dit is: het deel zijner nakomelingschap, dat het ware geloof mocht verlaten, en zich aan afgodendienarij overgeven.
[866] Zie Hoofdstuk VII, vers 63. Sommigen schrijven Hud.
[867] Daar de Aditen gedurende drie jaren vreeselijk door droogte werden geteisterd (zie Hoofdstuk VII, vers 63 en volgende).
[868] Door u kinderen te schenken daar ook de boezems hunner vrouwen, gedurende den tijd der droogte, evenals hunne landerijen, mede onvruchtbaar werden gemaakt (Al Beid‚wi).
[869] Of uitzinnigheid, daar zij u van uwe reden beroofden, om de onwaardige daden, die gij omtrent hen hebt bedreven.
[870] Dat is: hij oefent eene volstrekte macht daarover uit, naardien een schepsel op deze wijze vastgehouden, verondersteld wordt, tot de grootste onderwerping te zijn gebracht.
[871] Zie Hoofdst. VII, vs 71 enz. Sommigen schrijven Themud.
[872] Zijnde Woensdag, Donderdag en Vrijdag (Al Beid‚wi).
[873] Zijnde GabriÎl, MichaÎl, en IsrafÓl (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin Zie Gen. XVIII).
[874] Volgens Savary: toen hij zag, dat zij zijne hand niet aanraakten. Als de Oosterlingen iemand ontmoeten bewegen zij de hand naar de linkerzijde, nadat zij de gewone groet: "Vrede zij met u." hebben gedaan, en schudden elkander de hand. Als zij op zeer vertrouwelijken voet zijn, herhalen zij deze plichtpleging, en doen elkaar allerlei goede wenschen. Indien zij de personen niet kennen, die zij ontmoeten, maken zij hun slechts deze groete, en indien het een ongeloovige is, vergenoegen zij zich met hem alleen goeden dag te zeggen. Toen Abraham zag, dat de twee boden des hemels zijne hand niet aanraakten, leidde hij daaruit af, dat zij vreemdelingen waren, bij wie hij niet bekend was.
[875] Vermoedende dat zij slechte voornemens, nopens hem koesterden, daar zij niet met hem wilden eten.
[876] Al Beid‚wi schrijft, dat Sara toen negentig of negenennegentig jaar oud was, en Abraham honderdtwintig.
[877] Of de stam, waaruit voor de toekomst al de profeten moesten geboren worden. Misschien heeft de uitdrukking ook betrekking op het bouwen van den Caaba, door Abraham en IsmaÎl, welke dikwijls, bij uitnemendheid, het huis wordt genoemd.
[878] Door dat zij in de gedaante van schoone en jonge mannen verschenen, die de bewoners van Sodom in verzoeking moesten brengen, hen te misbruiken. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).
[879] Dit is: dat hij zich zelven niet in staat achtte, hen voor de beleedigingen zijner medeburgers te behoeden.
[880] Volgens Savary: Is alle schaamte bij u uitgedoofd?
[881] Dit schijnt de ware zin van deze plaats te zijn; maar volgens eene andere lezing van den zelfklinker, wordt dit door sommigen vertaald. "Uitgezonderd uwe vrouw;" daar de bedoeling zou zijn, dat hier aan Lot wordt bevolen, zijn gezin mede te nemen, uitgenomen zijne vrouw.
[882] De oven, waarin zij werden gebakken, was, volgens de meening van sommigen, de hel.
[883] Dat is, zooals sommigen veronderstellen, met witte en roode strepen, of op bijzondere wijze gemerkt, ten einde die van gewone steenen te onderscheiden. De heerschende meening is echter, dat op iederen steen de naam geschreven was van den persoon, die daardoor werd gedood (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Het leger van Araha al Ashram werd mede door dezelfde soort steenen verdelgd.
[884] Dit is eene soort van bedreiging, tot andere zondaren gericht, en bijzonder tot de ongeloovigen van Mekka, die dezelfde straf verdienden, en haar terecht hadden te vreezen.
[885] Zie hoofdstuk VII, vers 83 enz.
[886] Daar zij zich verbeeldden, dat hun deze vrijheid was ontnomen, door zijn verbod van het gebruik van valsche maten en gewichten, of om hunne muntstukken in innerlijke waarde te verminderen, of die te vervalschen (Al Beid‚wi).
[887] Want Sodom en Gomorra waren op geen grooten afstand van u gelegen, en hare vernietiging is zooveel jaren nog niet geleden; zij verdienden het ook niet meer dan gij zelf, uithoofde zij niet snooder of halsstarriger waren.
[888] Het Arabische woord daif, zwak, beeteekent in het Hamyaritische dialect, ook blind. Sommigen veronderstellen, dat ShoaÔb dit was, en dat de Midianieten hem dit tegenwierpen, als een gebrek, waardoor hij minder geschikt was, om als profeet op te treden.
[889] Zie Hoofdstuk VI, vers 135 en de noot.
[890] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 enz.
[891] Letterlijk: nedergemaaid; de volzin stelt verschillende beelden van het staan en maaien van het koren voor, welke ook dikwijls door de gewijde schrijvers werden gebruikt.
[892] Deze twee woorden beteekenen eigenlijk in het oorspronkelijke, de snelle in- en uitademing van een persoon, zooals dat dikwijls plaats heeft bij menschen, die in groote droefheid en angst verkeeren; gelijk ook bij het inhalen van den toon der stem van een ezel, als hij balkt.
[893] Dit moet niet zoo strikt worden opgevat, alsof de straf van den verdoemde een einde zou hebben, of dat de hemelen en de aarde eeuwig zoude blijven bestaan; daar deze uitdrukking, alleen bij wijze van beeld of vergelijking is gebruikt, en dus niet met iedere bijzonderheid der zaak zelve behoeft overeen te stemmen. Sommigen zijn echter van oordeel, dat hier worden bedoeld de toekomstige hemelen en aarde, waarin de tegenwoordige zullen veranderen. (Al Beid‚wi).
[894] Dat is: na zonsondergang, of voor het avondeten, op welken tijd de Mahomedanen hun vierde gebed uitspreken, dat zij Sal‚t al moghreb of het avondgebed noemen. (Al Beid‚wi).
[895] Door hen tot hunne eenige zaak te maken, hunne brooddronken begeerten en lusten te streelen, waarin zij hunne geheele gelukzaligheid stelden.
[896] Al Beid‚wi zegt, dat deze plaats de reden aantoont, waarom de volkeren in den ouden tijd werden verdelgd: zijnde om hun geweld en hunne onrechtvaardigheid, en wegens het volgen hunner eigene lusten, hunne afgoderij en hun ongeloof.
[897] Of, zooals de evengenoemde uitlegger beweert, alleen om hunne afgodendienarij, terwijl ze in andere opzichten de rechtvaardigheid niet uit het oog verloren.
[898] Zie Hoofdstuk VI, vers 135 en de noot.
[899] De KoreÔshieten wilden Mahomet verstrikken, op aanhitsing en aangevoerd door zekere Joodsche rabbijnen, en vroegen hem daartoe, hoe Jacobs gezin naar Egypte was gekomen, en dat hij hun de geschiedenis van Jozef met al hare omstandigheden zou vertellen. Daarop beweerde hij dit hoofdstuk, bevattende het verhaal van dien patriarch, van den hemel te hebben ontvangen (Al Beid‚wi). Men zegt echter, dat het door twee Mahomedaansche secten, takken van de Kharejieten--Ajaredieten en Maimoenianen genaamd--als valsch werd verworpen.
[900] Volgens Savary, zegt Al Beid‚wi, dat de Mahomedaan die dit hoofdstuk zal lezen, of het aan zijne vrienden of dienaren verklaart, een zachten dood zal hebben en genoegzame zielskracht om niemand te benijden.
[901] Of dit bijzondere hoofdstuk. Zooals reeds werd opgemerkt, beteekent het woord Koran niets meer dan eene lezing of voorlezing, en wordt het dikwijls gebruikt, niet alleen om het geheele boek, maar ook om een hoofdstuk of deel daarvan aan te duiden.
[902] Dat is: Zoo geheel onbekend met het verhaal waart gij dat het u nimmer in de gedachte kwam. Volgens Al Beid‚wi is dit een zeker argument, dat het uit den hemel aan Mahomet moet zijn geopenbaard.
[903] Want de uitleggers zeggen, dat Jacob, die van oordeel was, dat Jozefs droom zijne verheffing boven de overige leden van het gezin voorspelde, terecht begreep, dat de afgunst zijner broederen hen in verzoeking mocht brengen, hem eenig nadeel te berokkenen.
[904] Dat is van droomen, of, zooals anderen zeggen, van de diepe beteekenis der plaatsen van de schrift, en van alle moeilijkheden, hetzij betreffende den godsdienst of de gerechtigheid.
[905] Zijnde Benjamin, zijn broeder uit dezelfde moeder.
[906] Jozef en Benjamin genieten de grootste teederheid van Jacob, hoewel wij die meer dan zij verdienen. Hij beging eene groote onrechtvaardigheid omtrent ons. (Savary).
[907] Of: hij zal u zijne geheele liefde wijden, en gij zult zijne gunst alleen genieten.
[908] Zooals sommigen zeggen, was deze persoon Judah, de voorzichtigste en edelhartigste van hen allen, of, volgens anderen, Ruben, die door de Mahomedaansche schrijvers RubÓl wordt genaamd (Al Beid‚wi, Al Zamakshari). Deze beide meeningen worden gestaafd door het verhaal van Mozes, die ons vertelt, dat Ruben hun ried, Jozef niet te dooden, maar hem heimelijk in een put neder te laten, waaruit hij voornemens was hem te verlossen (Gen. XXX, VII, 21, 22) en dat Judah daarna, gedurende de afwezigheid van Ruben, hen overhaalde hem niet in den put te laten sterven, maar hem aan de IsmaÎlieten te verkoopen (Ibid 26, 27.)
[909] In sommige afschriften staat: Opdat wij ons zouden mogen vermaken, enz.
[910] De reden waarom Jacob dit dier vooral vreesde was, zooals de uitleggers zeggen: hetzij omdat het land vol wolven was, of wel omdat hij had gedroomd, dat hij Jozef door een dezer dieren zag verscheuren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari.)
[911] Volgens Savary: indien hij door een wild dier wordt aangevallen zijn wij talrijk, en wij willen ter zijner verdediging sterven.
[912] Dat is: Het zou een voorbeeld van uiterste zwakheid en dwaasheid van ons zijn, en wij zouden terecht om zijn verlies gegispt worden.
[913] Zooals sommigen zeggen, was deze een zekere put nabij Jeruzalem of niet ver van de rivier de Jordaan gelegen; anderen noemen dien echter de put van Egypte of Midian. De uitleggers verhalen ons, dat, toen Jacobs zonen Jozef naar het veld hadden medegenomen, zij hem zoo onbarmhartig mishandelden en sloegen, dat zij hem zouden gedood hebben, indien Judah, op zijne hulpkreten, niet de belofte had herinnerd, die zij hadden afgelegd, hem niet te zullen dooden, maar hem in den put neder te laten. Daarop lieten zij hem een klein eind neder, doch toen de wanden van den put hem terughielden, bonden zij hem, en ontnamen hem zijn onderkleed, met het doel, dit met bloed te verven, teneinde hunnen vader te bedriegen. Jozef smeekte overluid, dat men hem zijne kleederen zou teruggeven, maar te vergeefs: zijne broeders zeiden tot hem met een spottenden lach, dat de elf sterren en de zon en de maan hem konden kleeden en gezelschap houden. Daarna hadden zij hem tot op den bodem van den put nedergelaten. Doordien er echter water in den put was (hoewel de schrift het tegenovergestelde zegt), was hij verplicht, op een steen te klauteren, waarop hij weenende stond, toen de engel GabriÎl tot hem kwam met de openbaring, waarvan aanstonds in den tekst wordt gesproken (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, Al Zamakshari).
[914] Jozef was toen slechts zeventien jaar oud. Al Beid‚wi doet opmerken, dat hij hier op Johannes den Dooper en Jezus gelijkt, die mede zeer vroeg met de goddelijke mededeeling werden begunstigd. De uitleggers beweren, dat GabriÎl hem tevens in den put kleedde, met een gewaad van zijde uit het paradijs. Zij voegen er bij, dat toen Abraham door Nimrod in het vuur werd geworpen (Zie Hoofdstuk XXI), hij ontbloot was, en dat GabriÎl dit kleed bracht en het hem omhing; en dat het van Abraham op Jacob kwam, die het opvouwde en in een amulet legde, dat hij om Jozefs hals hing, tot GabriÎl het er uittrok (Al Beid‚wi, Al Zamakshari.)
[915] Deze wedloopen dienden hun tot oefening, en de uitleggers nemen hier in het algemeen die soort van wedloopen aan, waarbij zij ook hunne vlugheid in het werpen van pijlen toonen, en welke nog in het Oosten gebruikelijk zijn.
[916] Jacob had reden dit te veronderstellen, dewijl, toen men hem het kleed bracht, hij bemerkte, dat hoewel het bebloed was, er echter geene scheuren in waren (Al Beid‚wi.)
[917] De uitleggers hier zijn zÛÛ nauwlettend, dat zij ons den naam van dien man opgeven, welke, zooals zij beweren Malec Ebn Dhor was, van den stam van Khozaab (Al Beid‚wi.)
[918] En Jozef, van de gelegenheid gebruik makende, greep de koord vast en werd door den man opgehaald.
[919] De oorspronkelijke woorden zijn: Ya boshra, waarvan het laatste door sommigen als den naam van den akker des waterputters wordt beschouwd, wien hij ter hulp riep. Die woorden zouden dan moeten luiden: O Boshra!
[920] De uitleggers zijn het niet eens, of het voornaamwoord zij betrekking heeft op Malec en zijne makkers of op de broeders van Jozef. Zij die de eerste meening omhelzen, zeggen, dat degenen die kwamen om water te halen, de wijze waarop zij aan hem waren gekomen, voor het overige gedeelte der karavaan verborgen, opdat zij hem voor zich zelven zouden kunnen behouden, voorgevende, dat zij hem van eenige personen hadden gekregen, om hem voor hen in Egypte te verkoopen. Zij die de laatstgemelde meening zijn toegedaan verhalen ons, dat Judah iederen dag, door Jozef in den put doorgebracht, hem levensmiddelen bracht, maar toen hij hem op den vierden dag niet meer vond, maakte hij zijne broeders er mede bekend, waarop zij zich allen tot de karavaan begaven, en Jozef als hun slaaf terug eischten, terwijl hij niet dorst ontdekken dat hij hun broeder was, uit vrees dat daaruit nieuw leed voor hem mocht voortvloeien, terwijl zij er eindelijk in toestemden, Jozef aan hen te verkoopen (Al Beid‚wi.)
[921] Namelijk: twintig of tweeÎntwintig dirhems, en die bovendien het volle gewicht niet hadden.
[922] Zijn naam was KitfÓr of ItfÓr (eene verbastering van Potiphar); hij was een man van hoog aanzien, daar hij onder-intendant der koninklijke schatkist was (Al Beid‚wi). De uitleggers beweren, dat Jozef op 17 jarigen ouderdom in zijnen dienst trad en 13 jaren bij hem leefde, en dat hij op 33 jarigen leeftijd tot den eersten minister werd verheven, en 120 jaren telde toen hij stierf. Zij die verhalen, dat Jozef tweemalen werd verkocht, verschillen onder elkander, nopens den prijs dien door de Egyptenaren voor hem werd betaald. Sommigen zeggen dat het 20 gouden dinars waren, een paar schoenen en twee witte kleederen, en anderen dat het eene groote som in zilver of goud was.
[923] Sommigen noemen haar RaÔl; maar de naam, waaronder zij het beste bekend staat, is die van Zoleikha.
[924] Daar KitfÓr geene kinderen had. Men zegt dat Jozef de genegenheid zijns meesters, zÛÛ spoedig door zijn voorkomen won, dat, naar KitfÓrs meening, die, gelijk men beweert, veel kennis van gelaatkunde bezat, zijne voorzichtigheid en andere goede eigenschappen daarin waren aangeduid.
[925] Zijnde KitfÓr. Volgens anderen wordt hier echter van God gesproken.
[926] Dat is: hij had niet ernstig nagedacht over de onreinheid der hoererij, en de groote zonde die daarin is gelegen. Sommigen veronderstellen echter, dat deze woorden op eene wonderbaarlijke stem of verschijning doelen, door God gezonden, om Jozef af te wenden van de uitvoering der misdadige gedachten, die zich van hem begonnen meester te maken. Zij zeggen namelijk, dat hij reeds zoo zeer door de schoonheid van zijne meesteres en haar verleidelijk gedrag in verzoeking was gebracht, dat hij op haren schoot zat, en juist begon zich te ontkleeden, toen eene stem hem riep, en hem smeekte, zich van haar te onthouden: maar hij sloeg geen acht op die vermaning, welke echter driemaal werd verhaald, tot eindelijk de engel GabriÎl, of, zooals anderen willen, de gedaante van zijn meester hem verscheen. Het meer algemeene gevoelen is echter, dat het de verschijning van zijn vader Jacob was, die op de toppen van zijne vingers beet, of, zooals sommigen zeggen, over zijne borst streek, waarop zijne onkuischheid door de toppen zijner vingers verdween (Al Beid‚wi, Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Yahya).
[927] Een harer neven, die toen nog een kind was, dat in die wieg lag.
[928] Deze vrouwen waren vijf in getal en de echtgenooten van evenveel van des konings hoofdbeambten, zijnde: zijn kamerheer, zijn schenker, zijn bakker, zijn gevangenbewaarder en zijn veehoeder. (Al Beid‚wi).
[929] De oude Latijnsche vertalers hebben, op eene vreemde wijze, de beteekenis van het oorspronkelijke woord abcarnaho misbruikt, hetgeen zij met menstruatae sunt vertolken, en daarna Mahomet bestraffen om het onwelvoegelijke der uitdrukking. Erpenius (In Not. ad Hist. Josephi) beweert, dat hier niet het minste spoor van zulk eene bedoeling in het woord is te vinden; maar hij dwaalt, daar het werkwoord cabara in de vierde vervoeging, zooals het hier is gebruikt, die beteekenis heeft, doch de bijvoeging van het voornaamwoord (gelijk hier is geschied, en dat misschien door de Latijnsche vertalers niet is opgemerkt,) werpt deze vertolking geheel omver.
[930] Door de groote verrassing die de buitengewone schoonheid van Jozef bij haar te weegbracht. Zoleikha voorzag deze verrassing, en gaf haar messen in de handen, opdat dit ongeval zou plaats hebben. Sommige schrijvers doen hierbij opmerken, dat in het Oosten bij gelieven de gewoonte is, dat zij de hevigheid van hunnen hartstocht bewijzen, door zich zelven te snijden, als een teeken dat zij hun bloed ten offer zouden willen brengen, om den persoon te dienen, die door hen wordt bemind.
[931] Dat is aan KitfÓr en zijne vrienden. Men zegt dat de reden van Jozefs gevangenschap daarin lag, dat zij hem voor schuldig hielden, niettegenstaande de bewijzen voor zijne onschuld gegeven. Anderen beweren, dat Zoleikha het begeerde, voorgevende, om haren man te bedriegen, dat zij verlangde dat Jozef aan haar gezicht zou worden onttrokken, tot zij door den tijd haren hartstocht zou kunnen overwinnen, maar dat haar wezenlijk plan was, hem tot medeplichtigheid te dwingen.
[932] Zijn opperste schenker en zijn opperste bakker, die beschuldigd waren, hem te hebben willen vermoorden.
[933] Namelijk de schenker.
[934] De bedoeling dezer plaats schijnt te zijn, hetzij dat Jozef, ten einde te toonen, dat hij van geene bovennatuurlijke of astrologische kunsten gebruik maakte, belooft hun hunne droomen dadelijk uit te leggen, nog voor zij een eenvoudig maal zouden gebruiken, of wel dat hij hier, als een proef van zijne ervarenheid, hun aanbiedt, hun vooruit te voorspellen, welke hoeveelheid levensmiddelen hun zou worden gebracht.
[935] Zie Hoofdstuk VII, vers 101 en de noot.
[936] Overeenkomstig de uitlegging van sommigen, die aannemen, dat het voornaamwoord hij betrekking heeft op Jozef, zou deze plaats aldus moeten luiden: Maar de duivel deed hem (d.i. Jozef) vergeten, zich tot zijnen Heer te wenden; en deed hem de goede diensten zijner medegevangenen voor zijne bevrijding vragen in plaats van op God alleen te vertrouwen, zooals vooral een profeet had behooren te doen. (Al Beid‚wi).
[937] Het oorspronkelijke woord beteekent een getal tusschen drie en negen of tien. Volgens het algemeene geloof zou Jozef zeven jaren in de gevangenis zijn verbleven; doch sommigen zeggen, dat hij niet minder dan twaalf jaren in gevangenschap doorbracht. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin)
[938] Zooals de Oostersche schrijvers in het algemeen aannemen, was deze vorst Rivan, de zoon van Al Walid, den Amalekiet, die door Jozef bekeerd werd tot de aanbidding van den waren God en in den leeftijd van dien profeet sterf. Sommigen beweren echter, dat de Pharao van Jozef en die van Mozes een en dezelfde persoon was, en dat hij 400 jaren leefde of liever regeerde (Al Beid‚wi).
[939] Ten einde het voor de kalander te behouden.
[940] Niettegenstaande hetgeen door sommige oude schrijvers nopens het tegendeel wordt beweerd (Plato, in Timaeo Pomp. Mela), regent het dikwijls des winters in het lagere gedeelte van Egypte en zelfs heeft men te AlexandriÎ sneeuw zien vallen, in strijd met de bepaalde verzekering van Seneca (Nat. Quaest., Lib, 4). In het opperste deel van Egypte, nabij de watervallen van den Nijl, regent het zeer zelden (Zie Greaves Descr. of the Pyramids, p. 74 enz., Ray, Collection of Travels. dl. II, p. 92.) Sommigen veronderstellen echter, dat met de hier besproken regens, diegene bedoeld worden, welke in EthiopiÎ zouden vallen, en den Nijl doen zwellen, hetgeen de groote oorzaak is van de vruchtbaarheid van Egypte; of wel de regens, die zouden nederkomen in de naburige plaatsen, welke gedurende denzelfden tijd zeer met hongersnood werden geteisterd.