De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 80

Chapter 803,832 wordsPublic domain

[552] Dat Azer of Terah een afgodendienaar was, wordt algemeen toegegeven; ook kan het niet worden geloochend, daar in de Schrift opzettelijk wordt gezegd, dat hij vreemde goden diende (Josua XXIV, 2, 14). De Oostersche schrijvers nemen eenparig aan, dat hij een beeldhouwer was en afgodsbeelden vervaardigde; en hij wordt als de eerste voorgesteld, die beelden van klei maakte; alleen schilderijen waren vÛÛr hem in gebruik (Epiphan, Adv. Haer. lib. 1, p. 7, 8), en men veronderstelt, dat die als afgoden werden aangebeden. Men zegt echter dat zijn bedrijf eerbiedwaardig (Zie Hyde, de Rel. Vet. Persar, p. 63) en hij een groot man en zeer bevriend met Nimrod, zijn schoonvader was (d'Herbel), daar hij afgodsbeelden voor hem maakte en in zijne kunst uitmuntte.

[553] Dat is: Ik ben niet verschrikt door uwe valsche goden, die mij niet kunnen deren, uitgenomen wanneer God het veroorlooft, of wanneer het hem behaagt mij te bedroeven.

[554] De uitleggers verklaren hier het woord onrechtvaardig door afgodendienarij, of openbaar verzet tegen God.

[555] Sommigen passen het woord "zijne" op Abraham toe, als de persoon waarvan op deze plaats voornamelijk wordt gesproken; sommigen op Noach; daar Jonas en Loth, gelijk zij zeggen, niet van Abrahams zaad waren; anderen veronderstellen, dat de personen in dit en het volgende vers bedoeld, als de afstammelingen van Abraham moeten worden beschouwd en die in het naastvolgende vers als de afstammelingen van Noach. (Al Beid‚wi.)

[556] De Mahomedanen zeggen, dat hij tot het geslacht van Ezau behoorde. Zie Hoofdstuk XXI en XXXVIII.

[557] Zie Hoofdstuk XXXVII.

[558] Zie Hoofdstuk X, XXI en XXXVII.

[559] Zie Hoofdstuk VII enz.

[560] Dit zijn de KoreÔshieten. (Al Beid‚wi).

[561] Volgens Jallalo'ddins oordeel is dit vers en ook de beide volgende te Medina geopenbaard.

[562] Door te zeggen, dat, behalve in de tien geboden, God aan Mozes vrijheid heeft gegeven, de openbaringen naar zijne keuze in te kleeden.

[563] Daar sommige Arabieren, naar het schijnt, voorgaven, dat indien het hun behaagde, zij een boek konden schrijven, hetwelk in hoedanigheid niet onder den Koran zou staan. Anderen zeggen, dat dit betrekking zou hebben op eenige valsche profeten, die in Mahomets tijd leefden; zoo als MoÁaÔlama, El Aswad en anderen.

[564] Dat is: zonder uw rijkdom, uwe kinderen of uwe vrienden, waarop gij u in uwen leeftijd zoo zeer hebt verlaten.

[565] Of valsche goden.

[566] Betreffende de tusschenkomst uwer afgoden, of het niet gelooven aan toekomstige belooningen en straffen.

[567] Zie Hoofdstuk III, vers 26.

[568] Namelijk: in de lendenen uwer vaderen en de ingewanden uwer moeders. (Al Beid‚wi).

[569] Dit beteekent de soort van redelijke, onzichtbare wezens, hetzij engelen of duivels, of de tusschensoort, gewoonlijk geniussen genaamd. Eenige der uitleggers verstaan hier engelen, welke door de afgodendienende Arabieren vereerd werden; anderen duivels, hoofdzakelijk omdat, volgens het stelsel der magiÎrs, de duivel als een soort schepper en als het beginsel van alle kwaad aangezien werd, terwijl God als de oorzaak van al het goede werd beschouwd. (Al Beid‚wi.)

[570] Of, letterlijk vertaald, de onbegrijpelijke (Al Beid‚wi.)

[571] Dat is: gij werdt hieromtrent door de Joden en Christenen onderricht, en hebt ons alleen stuksgewijze verhaald, wat gij van hen hebt geleerd. Dit werd Mahomet door de ongeloovigen tegengeworpen, daar zij het voor hem onmogelijk hielden, helder en duidelijk over onderwerpen van zoo verheven aard te spreken, zonder goed bekend te zijn met de leeren en de heilige schriften dier godsdiensten.

[572] Hier tracht Mahomet zijne onmacht tot voortbrenging van een mirakel te verontschuldigen, door te verklaren, dat God het niet geschikt achtte, aan hunne begeerten te voldoen, en ofschoon hij het wel had willen doen, het toch te vergeefs zou zijn geweest; en daar zij niet door den Koran waren overtuigd, zouden zij ook door het grootste mirakel niet overtuigd worden. Vergelijk Lucas XVI : 31. De laatste woorden van het vers beteekenen eigenlijk: Ach, hoe gaarne zou ik u, geloovigen, willen doen begrijpen, dat zij, de ongeloovigen, er niet aan gelooven.

[573] Namelijk aan den Koran.

[574] De bewoners van Mekka eischten namelijk dat Mahomet hun een engel zou toonen, die voor hun oog uit den hemel zou nederdalen, of dat hij hunne overleden vaderen zou opwekken, opdat zij met hen zouden kunnen spreken, of dat hij God en zijne engelen zou overhalen, hun in een lichamelijken toestand te verschijnen.

[575] IJdele woorden, welker schijn verleidt en in dwaling brengt.

[576] Sommigen zeggen, dat dit betrekking heeft op de onverwrikbaarheid van Gods besluiten, anderen op zijne bijzondere belofte, dat hij den Koran voor de verdraaiingen en vervalschingen zou bewaren, die, volgens hen, in den Pentateuchus en het Evangelie hebben plaats gehad (Soera XV) en anderen weder op den onschendbaren duur der Mahomedaansche wet, die volgens hen, tot aan het einde der wereld zal voortduren.

[577] Zie Hoofdstuk II, vers 168 en Hoofdstuk V, vers 4.

[578] Dat is: gij moogt van elk dier eten, dat onder het aanroepen van Gods naam is geslacht; waarvan natuurlijk doode dieren, varkensvleesch enz. zijn uitgesloten.

[579] Dat is: de openlijke en verborgen zonde.

[580] Op dezelfde wijze als wij in Mekka hebben gedaan.

[581] Dit vers is toepasselijk op de grooten, en de rijke lieden van Mekka, die Mahomet het meest vijandig waren: zij namen de zwakken des volks tegen hem in.

[582] Dat is: eenigerhande vers of plaats van den Koran.

[583] Dit waren de woorden der KoreÔshieten, die beweerden, dat er onder hen personen waren, meer waardig Gods zendeling te zijn dan Mahomet.

[584] Evenals bij vele oude Arabische dichters wordt hier, volgens sommigen, het verontruste hart bij een vogel vergeleken, die de vleugels beweegt. Volgens anderen wordt hier eene onmogelijkheid bedoeld.

[585] Duivels.

[586] Door hen in verzoeking te brengen, of tot zonde te verleiden.

[587] Zijnde de dag der opstanding, waaraan wij op de vorige wereld niet hebben geloofd.

[588] De Mohamedanen gelooven, dat God afgezanten zond, zoowel om geniussen als om menschen te bekeeren. Deze zouden altijd van het menschenras zijn geweest.

[589] Dit is: dat God, alvorens eene stad te straffen, zendelingen stuurde om haar te waarschuwen.

[590] Dit is: Gij kunt voortgaan in uw verzet tegen God en in uw boos opzet jegens mij, en in uw ongeloof volharden; doch ik zal volharden uwe beleedigingen met geduld te verdragen en de openbaringen mede te deelen, die God mij heeft bevolen (Al Beid‚wi).

[591] Dat is: onze afgoden. In deze beteekenis wordt dit woord meermalen op deze plaats gebruikt.

[592] Dit vers heeft betrekking op eenige godsdienstige gebruiken der afgoden dienende Arabieren; zooals de verdeeling der gronden, der vruchten en der oogsten in twee deelen, waarvan een voor de hoogste godheid, en het andere voor de ondergeschikte godheden, was bestemd, die door de afgodsbeelden werden voorgesteld. Het deel van God diende om de armen en de reizigers te voeden, dat der afgoden werd voor de offeranden en tot de bezoldiging der priesters gebruikt. Indien een vrucht afviel van het deel voor God bestemd, gaf men het aan de afgoden; doch men handelde niet zoo in het tegenovergestelde geval; want God, zeiden de afgodendienaars, is rijk, en kan alles ontberen. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin.)

[593] Hetzij door de onmenschelijke gewoonte, die bij de Arabieren van Kendah of andere stammen bestond, om hunne dochters levend te verbranden, zoodra zij ter wereld kwamen, indien zij vreesden haar niet te kunnen onderhouden (Zie Hoofdstuk LXXXI), of wel door die aan hunne afgoden te offeren.

[594] Door den godsdienst, dien IsmaÎl zijnen nakomelingen heeft doen erven, met afschuwelijk bijgeloof te besmetten (Al Beid‚wi).

[595] Die zij, in hun bijgeloof, in sommige bijzondere gevallen van zulke diensten verschoonden. (Hoofdstuk V).

[596] Zie Hoofdstuk V.

[597] Want indien zulke dieren hunne jongen werpen, mogen zoowel de vrouwen als de mannen daarvan eten.

[598] Daar zij geen duidelijk begrip van Gods Voorzienigheid hebben.

[599] Zie deze Soera, de laatste noot van vers 137.

[600] Of, zooals sommigen deze woorden vertalen: hetzij boomen of planten, die door den arbeid der menschen geplant zijn hetzij die van nature in de woestijnen en op de bergen groeien.

[601] Dat is: geef daarvan aalmoezen aan de armen; en deze aalmoezen waren, zooals Al Beid‚wi opmerkte, wat zij gewoon waren te geven vÛÛr de Zac‚t werd ingesteld, hetgeen geschiedde vÛÛr Mahomet Mekka verliet, waar dit vers werd geopenbaard. Sommigen zijn echter eene andere meening toegedaan, en zeggen om diezelfde reden, dat dit vers te Medina werd geopenbaard.

[602] Dat is: Geef daarvan niet zooveel aan aalmoezen weg, dat daardoor uwe eigene gezinnen in nood worden gebracht; want weldadigheid begint met zich zelven.

[603] Op deze plaats tracht Mahomet de Arabieren van hunne bijgeloovige dwaasheid te overtuigen, in het verbieden, hetzij de mannetjes, hetzij de wijfjes of de jongen van deze vier soorten te eten. (Al Beid‚wi).

[604] Dat is: vloeibaar bloed, in tegenstelling van lever en milt door de Arabieren verondersteld ook bloed, doch niet vloeibaar, te zijn en welke zij geoorloofd achten. (Al Beid‚wi).

[605] Zie Leviticus VII : 23 en III : 16.

[606] Zijnde het vet van den stuit of den staart der schapen, die in het Oosten zeer zwaar zijn, naardien eene kleine tien of twaalf pond en sommigen zelfs zestig pond wegen.

[607] Dit vers en de twee volgende worden door Jallalo'ddin verondersteld te Medina geopenbaard te zijn.

[608] Het oorspronkelijke woord beteekent bijzonder ontucht en gierigheid.

[609] Zoo als moord, afvalligheid of overspel. (Al Beid‚wi.)

[610] Door de snelheid van ons begrip, de klaarheid van ons verstand en onze gemakkelijkheid, wetenschappen aan te leeren; zooals blijkt uit onze geschiedenis, dichtkunde en welsprekendheid; desniettegenstaande zijn wij een ongeletterd volk. (Al Beid‚wi).

[611] Want geloof in het volgende leven zal geen voordeel aanbrengen voor hen, die in dit leven niet hebben geloofd, noch in dit leven geloofd zonder goede daden.

[612] Dat is: wie in een gedeelte daarvan gelooven, en een ander deel daarvan niet gelooven, of die daarin secten vormen. Men zegt, dat Mahomet heeft verklaard, dat de Joden in eenenzeventig secten waren verdeeld, en de Christenen in tweeÎnzeventig, en dat zijne eigene volgelingen in drieÎnzeventig secten gesplitst waren, en dat allen verdoemd zouden worden, bebalve ÈÈne van ieder. (Al Beid‚wi.)

[613] Zie Hoofdstuk VI; vers 14.

[614] Al Ara is de afscheiding tusschen het paradijs en de hel; zoo als in dit hoofdstuk wordt verklaard.

[615] Misschien met uitzondering van vijf of acht verzen.

[616] Volgens sommigen kent alleen God de beteekenis van deze letters. Anderen meenen echter, dat daarmede worden aangeduid de woorden: Allah, GabriÎl, Mahomet, vrede zij met hen. Zie Soera I, vers 2 in de noot.

[617] Zie Hoofdstuk II: vers 32.

[618] Uit hoofde er niet bijzonder bepaald is, tot welken tijd de straf voor den duivel is uitgesteld, zeggen de uitleggers, dat zijn verzoek niet geheel werd toegestaan, maar dat hij, evenals andere schepselen op het tweede trompetgeschal zal sterven. (Al Beid‚wi, en d'Herbelot, Bibl. OriÎnt, art. Eblis).

[619] De boven- en onderzijde zijn weggelaten, om, zooals de uitleggers zeggen, aan te duiden, dat de macht van den duivel beperkt is. (Al Beid‚wi).

[620] Het Mohamedaansche evangelie van Barnabas zegt, dat de straf die God over de slang uitsprak, omdat hij den duivel in het paradijs had gebracht, daarin bestond (zie Hoofdstuk II: vers 34 en de noot), dat zij niet alleen uit het paradijs verdreven, maar dat hare voeten door den engel MichaÎl, met Gods zwaard afgehouwen zouden worden, en dat de duivel zelf, omdat hij onze voorouders onrein had gemaakt, veroordeeld werd hunne uitwerpselen en die van hunne nakomelingschap te eten.

[621] Die zij te voren niet hadden opgemerkt.

[622] Naar men beweert, zouden dit vijgebladeren zijn geweest (zie Hoofdstuk II: 33 en de noot).

[623] Niet alleen geschikte grondstoffen, maar ook vindingrijkheid des verstands en vlugheid van hand, om daarvan gebruik te maken (zie Hoofdstuk II: vers in de noten op vers 22-33).

[624] Door de fijnheid hunner lichamen en hunne kleurloosheid. (Jallalo'ddin).

[625] Deze plaats werd geopenbaard om eene onwelvoegelijke gewoonte der afgodendienende Arabieren te wraken, welke de gewoonte hadden, den Caaba naakt te omringen; daar kleederen, gelijk zij zeiden, de teekens van hunne ongehoorzaamheid aan God waren (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). De sonna beveelt, dat indien iemand gaat bidden, hij zijne goede kleederen moet aantrekken, uit eerbied voor de goddelijke majesteit, voor welke hij zal verschijnen. Maar ofschoon de Mahomedanen het onvoegzaam achten, eensdeels om op eene slordige wijze in Gods tegenwoordigheid te verschijnen, zoo gelooven zij anderdeels, dat men in geene te rijke of prachtige kleederen voor hem moet komen, en bijzonder niet in kleederen met goud of zilver versierd, omdat men dan den schijn van trotschheid zou hebben.

[626] Daar de boozen, die eveneens van de zegeningen van dit leven genieten, geen deel zullen hebben in de geneugten van het volgende.

[627] Zijnde de engel des doods en zijne helpers.

[628] Dat is: het volk, welks voorbeeld hen tot afgodendienarij en andere boosheden heeft gebracht.

[629] De eenen, omdat zij zich niet alleen verdierven, maar ook de aanleiding waren van het verderf der overigen, en de anderen, om hun eigen ongeloof en hunne navolging van een slecht voorbeeld. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[630] Dat is: als hunne zielen na den dood ten hemel zullen stijgen; maar zij zullen op een mesthoop onder de zevende aarde worden geworpen (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi).

[631] Deze uitdrukking is zeer gewoon in het oosten en wordt er als spreekwoord gebezigd: vergelijk Matth. XIX vers 24.

[632] Zoodat, indien er verschillen of vijandschap tusschen hen gedurende hunnen leeftijd mochten hebben bestaan, die thans vergeten en door liefde en vriendschap vervangen zullen zijn.

[633] Al Araf is volgens Mahomet, de naam van een muur of afscheiding tusschen de hel en het paradijs.

[634] Uit deze omstandigheid schijnt men te mogen afleiden, dat de meening de meest waarschijnlijke is, volgens welke dit tusschengedeelte eene soort van vagevuur is voor hen, die hoewel zij niet verdienen in de hel te worden gezonden, geene toereikende aanspraak hebben om de onmiddellijke toelating tot het paradijs te erlangen, en hier eenigen tijd in verzoeking gebracht zullen worden, door hen de gelukzaligheid dier plaats te doen aanschouwen.

[635] Zijnde de aanvoerders en drijvers der ongeloovigen. (Al Beid‚wi.)

[636] Dit waren de minder aanzienlijken en armen onder de geloovigen, welke deze gedurende hunnen leeftijd, als Gods gunst onwaardig, verachtten.

[637] Deze woorden zijn in het bijzonder gericht tot de arme en verachte geloovigen, waarvan in de vorige noot wordt gesproken.

[638] Zijnde van de andere vloeistoffen of vruchten van het paradijs.

[639] Dat is: het vervullen der daarin vervatte beloften en bedreigingen.

[640] Hoofdstuk VI, vers 24, noot.

[641] Die zich gedurende het gebed aanmatigend gedragen, of met eene schreeuwende stem, of met eene menigte woorden en ijdele herhalingen bidden. (Al Beid‚wi).

[642] Zijnde, nadat God zijne profeten gezonden en zijne wetten geopenbaard heeft, tot hervorming en verbetering van den mensch.

[643] Of die uitspreidt over eene groote uitgestrektheid lands. Sommige afschriften hebben hier in plaats van noshram, goede tijdingen, boshram daar het opsteken van den wind, onder zulke omstandigheden de voorlooper van regen is.

[644] Of een droog en verdord land.

[645] Noach, de zoon van Lamech, was, volgens de Mahomedaansche schrijvers, een der zes voornaamste profeten, doch hij had geene geschreven openbaringen, welke hem werden overgeleverd (Zie Reland de Relig. Moh., p. 34). Hij was tevens de eerste die na zijn overgrootvader Edris of Enoch verscheen. Dat Noach het goede onder de booze ante-deluvianen predikte, wordt door de schrift bevestigd (2 Petr. II : 5). De Oostersche Christenen zeggen, dat, toen God aan Noach beval de ark te bouwen, hij hem tevens den weg wees om een houten werktuig te vervaardigen, gelijk aan datgene, waarvan nog heden ten dage, in het Oosten in plaats van klokken gebruik wordt gemaakt, om het volk naar de kerk op te roepen, en dat in het Arabisch N‚k˚s en in het nieuwe Grieksch Semandra wordt genoemd. Noach moest dit werktuig gebruiken om daarop driemaal per dag te slaan, ten einde de werklieden bij elkander te roepen, terwijl 't hem gelegenheid zou geven, zijn volk dagelijks te waarschuwen, voor het dreigende gevaar van den zondvloed, die hen zekerlijk zou verdelgen, indien zij geen berouw gevoelden (Eufych, Ann. p. 37.)

[646] Uit deze woorden en andere plaatsen van den Koran, waar van Noachs prediking wordt gesproken, blijkt het, dat, volgens de meening van Mahomet, eene voorname zonde der ante-diluvianen afgodendienst was (Zie Hoofdstuk XI.)

[647] Hetzij de dag der opstanding, hetzij die waarop de zondvloed begon.

[648] Zijnde zij, die hem geloofden en met hem in dat vaartuig gingen. Hoewel er eene overlevering bij de Mahomedanen bestaat, die gezegd wordt van den profeet zelven ontvangen te zijn, en volgens welke, evenals in de Heilige Schrift gezegd wordt, niet meer dan acht personen door de ark werden gered, wordt dat getal echter door sommigen van hen verschillend opgegeven. Eenigen stellen zes, tien, twaalf, achtenzeventig en tachtig van beiderlei kunne (Al Zamakhshari, Jallalo'ddin, Ebn Shohnah), en daaronder Jorham, die, volgens sommigen, de bewaarder der Arabische taal was. Zie Pocock. Orat. praefix. Carm. Tograi.

[649] Ad was een oude en machtige Arabische stam van afgodendienaren. (Abulfeda.)

[650] Deze wordt gezegd dezelfde persoon als Heber te zijn.

[651] Dat is, nopens de afgodsbeelden en uitgedachte voorwerpen van uwe aanbidding, aan welke gij, in de boosheid uws harten, de namen, eigenschappen en eer geeft, die alleen den waren God toekomen.

[652] Thamoed was een andere Arabische stam, die tot den afgodendienst overging.

[653] De Thamoedieten drongen op een mirakel aan, en sloegen Saleh voor, met hen naar hun feest te gaan, waar zij hunne goden en hij de zijne aanroepen zou, onder de belofte, de godheid te volgen, die antwoord gaf. Maar nadat zij hunne afgodsbeelden gedurende eenigen tijd, zonder eenigen uitslag, hadden aangeroepen, wees Jonda Ebn Amroe, hun vorst, op eene alleenstaande rots, en verzocht Saleh daaruit een wijfjeskameel met een jong te doen voortkomen, terwijl hij zich plechtig verbond, indien Saleh dit deed, te zullen gelooven; zijn volk beloofde hetzelfde. Het gevraagde wonder had daarop plaats.

[654] De stam van Thamoed woonde eerst in den omtrek van de Adieten, doch daar hun getal toenam, verhuisden zij naar het grondgebied van Hejr wegens de bergen; hier hieuwen zij zich woningen in de rotsen, die nog ten huidigen dage bestaan.

[655] Gelijk hevige en herhaalde donderslagen, die volgens sommigen niets anders waren, dan de stem van den engel GabriÎl, die hunne harten verscheurde. (Abulfeda, Al Beid‚wi.)

[656] Toen Mahomet in de expeditie van Tab˚c, die hij in het negende jaar der hedjira tegen de Grieken ondernam, door Hejr trok, waar deze oude stam had gewoond, verbood hij zijn leger, niettegenstaande het door honger en dorst werd geteisterd, hier eenig water te putten, terwijl hij hun beval, indien zij van dat water hadden gedronken, het uit te spuwen, of, indien zij daarmede meel hadden gekneed, dit aan hunne kameelen te geven, (Abulfeda. Vit. Moh. p. 124) en nadat hij zijn gezicht in zijne kleederen had gehuld, gaf hij zijn' muilezel de sporen, uitroepende: Betreedt het huis van deze snoode menschen niet, maar ween veeleer, anders zou u kunnen gebeuren wat hun overkwam; nadat hij dit had gezegd, rende hij in vollen galop en met omsluierd aangezicht voort, tot hij de vallei was doorgetrokken. (Al Bokhari.)

[657] Zie Hoofdstuk XI, omtrent nadere bijzonderheden van Loth.

[658] Zijnde Loth en zij die in hem geloofden.

[659] Zie Hoofdstuk XI.

[660] Zie hetzelfde Hoofdstuk.

[661] Madian of Midian, was eene stad in Hej‚z, en de woonplaats van de afstammelingen van Midian, de zoon Abraham uit Ketura (Gen. XXV : 2), die, naar het schijnt, zich later met de IsmaÎlieten vereenigde. Deze stad lag aan de Roode Zee en is ontwijfelbaar dezelfde als Modiana; wat daarvan in Mahomets tijd was overgebleven, werd in de opvolgende oorlogen (Zie Golii, not. in Alfrag. p. 143) verwoest, en verkeert in onzen tijd in een treurigen toestand. Het volk in den omtrek beweert de put te bezitten, waaraan Mozes de kudden van Jethro drenkte. (Abulfeda, Desc. Arab. p. 42. Geogr. Nub. p. 109.)

[662] Sommige Mahomedaansche schrijvers maken dezen tot den zoon van Mikail, den zoon van Yashjar, den zoon van Madian (Al Beid‚wi, Tarikh Montakhab). In het algemeen veronderstellen zij tevens, dat hij dezelfde persoon was als de schoonvader van Mozes, die in de Heilige Schrift Reuel of Raguel en Jethro wordt genaamd Exod. II : 18, III : 1.

[663] Hij zou zijn schoonzoon de wonderdoende roede hebben geschonken (Al Beid‚wi, Zie ook Shalshel. Hakhab, p. 12), waarmede deze de verschillende wonderen in Egypte en de woestijn verrichtte, en waardoor hij tevens uitstekenden raad en onderricht gaf (Exod. XXVII: 13 enz.); weshalve hij den bijnaam van KhatÓb Al Anbiy‚, of prediker der profeten verkreeg (Zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt. Art. ShoaÔb.)

[664] Een der groote misdaden waaraan de Midianiten schuldig waren, was het gebruik van verschillende maten en gewichten, en wel groote en kleine, waarvan de eerste bij in-, de andere tot den verkoop dienden. (Zie d'Herbelot, t. a. pl. Al Beid‚wi, Deut. XXV : 13, 14.)

[665] Zie hiervoren bladz. 195 vers 54 en de noot.

[666] Hierdoor wordt figuurlijk de wijze uitgedrukt, hoe God met trotsche en ondankbare menschen handelt, door hen te vergunnen, de maat hunner onrechtvaardigheid vol te meten, zonder hen door kastijding en droefenis tot besef van hunnen toestand te brengen, tot zij, op het oogenblik, dat zij dit het minst verwachten, geheel verloren zijn. (Al Beid‚wi.)

[667] Door niet daarin te gelooven.

[668] De Arabische schrijvers vermelden vele fabelen van deze slang. Zoo verhalen deze, dat zij behaard en van zulk eene uitgestrekte grootte was, dat, als zij den muil opende, hare kaken 80 elleboogslengten van elkander waren verwijderd en als zij met hare onderkaak op den grond lag, het bovenste kakebeen tot aan den top van het paleis reikte. Zij voegen er tevens bij, dat Pharao daarop Mozes bij God bezwoer, die hem had gezonden, de slang weg te nemen, en beloofde, niet alleen in hem te gelooven, maar tevens de IsraÎlieten te laten vertrekken; doch toen Mozes gedaan had, wat Pharao verlangde, trok hij zijn woord terug, en behandelde hen even slecht als vroeger. (Al Beid‚wi.)

[669] De Arabieren noemen verschillende dier toovenaars, behalve hunnen opperpriester Simeon.

[670] De uitleggers voegen er bij, dat toen de slang al de staven en koorden had verslonden, zij zich onmiddellijk tot de toeschouwers wendde, en hun zooveel schrik aanjoeg, dat zij vluchten, en een aantal hunner in het gedrang werden gedood. Daarna nam Mozes de slang op en zij werd weder een staf als te voren. De toovenaars verklaarden daarop, dat het geene tooverij kon zijn, daar in zulk een geval hunne staven en koorden niet zouden zijn verdwenen. (Al Beid‚wi.)

[671] Dat is: uwe rechter hand en uwen linker voet.

[672] Sommigen zeggen, dat Pharao de eerste uitvinder dezer straf was.

[673] Zijnde de sterren of andere afgoden.

[674] Door wiens wil en besluit zij zoozeer werden bedroefd, als eene straf voor hunne boosheid.