Part 8
Wij zullen thans van de geschiedenis der uiterlijke ontwikkeling van den Koran en de ontleding zijner deelen, tot het innerlijke wezen overgaan, en hem meer beschouwen met betrekking tot het blijvend gehalte en in zijn geheel als godsdienst- en wetboek. Wij zullen met de geloofsleer van den Koran beginnen, zonder juist een dogmatiek in de streng wetenschappelijke beteekenis van het woord te geven, of in de subtiliteiten der latere, scholastieke dogmatici te treden; eensdeels dewijl ons dit te ver zou voeren, en anderdeels omdat, vooral bij een natuur-mensch als Mahomet, ook niet in het minst aan een systematisch leerstelsel kan worden gedacht. Dit blijkt reeds ten duidelijkste daaruit, dat de gewichtigste leerstellingen van den Islam, om hare onbestemdheid, niet minder dan die van het Christendom, een onderwerp der heftigste polemiek en later zelfs van de bloedigste oorlogen en vervolgingen zijn geworden; een verschijnsel, dat bij de volgelingen van Mahomet meer bevreemdend is dan bij die van Christus. Het Christendom toch is rijker aan geloofsstellingen, dan het Mahomedanismus, en leerstellingen als die van de DrieÎnigheid, van de wonderbare geboorte van Christus en diens opstanding, van de sacramenten en van de kerken, geven meer stof tot verschillende opvatting dan die van den Islam, welke slechts ÈÈn eenige God kent, in Mahomet een profeet ziet en volstrekt niets van priesterdom weet, zelfs hoewel latere Imams zich, uit staatkundige redenen, tot hoogepriesters willen verheffen. Maar niet alleen het innerlijk wezen van het Christendom was eerder er toe geschikt, scheidingen te doen ontstaan, ook de wijze waarop het aan de nakomelingschap werd medegedeeld, begunstigde het sectenwezen meer dan de Islam. Christus zelf droeg zijne leerstellingen slechts mondeling en bij gelegenheid, grootendeels zonder stelsel en samenhang voor; zijne woorden werden eerst lang na zijnen dood opgeteekend, in vreemde talen vertolkt en met subjective meeningen vermengd, zoodat reeds de in vele punten van elkander afwijkende bronnen van het Christendom de kiem tot verschillende godsdienstbegrippen in zich moesten bevatten. Mahomet daarentegen liet zelf, indien al niet den geheelen Koran, zoo als de Muzelmannen gelooven, dan toch een groot deel zijner openbaringen opteekenen, en het kleinere deel werd reeds twee jaren na zijnen dood aan het schrift overgeleverd, en dat wel in de Arabische taal; in de taal, waarin de profeet sinds zijne jeugd dacht, en welke ook die van zijn volk was en bleef. Desniettemin werd ook de Islam reeds in de eerste eeuwen der hedjira in vele secten verdeeld, en geloofsoorlogen, even bloedig als die door het Christendom veroorzaakt, verstoorden het Mahomedaansche rijk. Slechts omdat Mahomet er niet in het minst aan had gedacht, een bepaald leerstellig systeem te vormen, kon ook later, toen onder zijne volgelingen een sterkere drang naar kennis ontwaakte, dan dit bij hem het geval was geweest, over menig punt in zijne leer op verschillende wijze worden gestreden. Mahomet vorderde namelijk van zijne volgelingen slechts het geloof aan ÈÈn eenigen, eeuwigen, alomtegenwoordigen, onzichtbaren, almachtigen, alwetenden, alwijzen, algerechten, algenoegzamen en genadigen God, schepper en onderhouder van het heelal, voorts aan Mahomet en de hem voorafgegane profeten, als overbrengers der goddelijke openbaringen, die de menschen voor dwaling behoeden en tot heil voeren zullen; aan de engelen, als de werktuigen van Gods wil, en eindelijk aan de opstanding der dooden en een leven hier namaals, waarin de vromen voor hunne werken beloond en de zondaren gestraft zullen worden. Hoe eenvoudig echter ook deze, bijna op ieder blad des Korans terugkeerende, drie grondleeren van den Islam: God, openbaring en laatst oordeel zijn, werden zij toch een voorwerp van strijd, zoodra slechts bij de Mohamedanen, nog voor zij met de Grieksche philosophie nader bekend werden, het verlangen levendig werd, deze leer eene speculatieve volmaking te geven, die zelfs aan Mahomet, welke gewoonlijk slechts sprak naar den oogenblikkelijken drang van het gevoel, geheel vreemd was. Menig punt, dat oppervlakkig en beeldsprakig in den Koran was voorgesteld, naar den aard zijner verzameling, waardoor de werkelijke samenhang van twee op elkander volgende verzen, en ook de tijd of de aanleiding hunner verschijning, nooit bepaald kan worden opgegeven, en menig schijnbare of werkelijke tegenspraak, openden natuurlijk een uitgebreid slagveld voor alle afwijkenden secten, wat in dezelfde mate nog in omvang won, toen de wijsgeerige studien der Arabieren zich uitbreiden, en al hetgeen op dit gebied verkregen was, door kunstmatige verklaring in de godgeleerdheid gebracht en uit de heilige schrift afgeleid moest worden.
Mahomet verliet deze wereld, zonder ook slechts de minste bepaling omtrent zijne opvolging gemaakt te hebben. Wij vinden niet alleen geene plaats in den Koran, welke over den toestand van het rijk na zijnen dood handelt, maar ook geene authentieke, mondelinge overlevering, zoo als reeds uit de vergezochte bewijzen van iedere partij voor hun recht op het khalifaat blijkt; immers of Mahomet vermeed, in het geheel van zijne vergankelijkheid te spreken, en de verzen die hem sterfelijk noemen, zijn door Aboe Bekr tusschen gevoegd, of hij waagde het niet, door bevoorrechting der eene partij zich de andere tot vijand te maken. Het gold namelijk niet alleen tusschen Ali en Aboe Bekr te kiezen, en zijne geliefde dochter Fatima of zijne vrouw AÔsha--die vol intrigues was--in hare hoop teleur te stellen, maar ook tusschen de met hem uitgeweken burgers van Mekka en die van Medina, aan wier bescherming en bijstand hij de uitbreiding zijner macht had te danken. Intusschen was het ook mogelijk, dat hij zich in het algemeen niet gerechtigd achtte, in een land, waar de republikeinsche regeeringsvorm steeds de overhand had, eene erfelijke monarchie in te stellen, en dat hij daarom liever zweeg, in de verwachting, dat de beste zijner makkers zich wel den weg tot de heerschappij zoude banen. Hoe het zij, in geen geval mag de erfelijk monarchale, en nog minder de volstrekt despotische regeeringsvorm der Muzelmansche rijken, aan Mahomet zelf, of aan den door hem gestichten godsdienst worden toegeschreven zoo als dit dikwijls door Europeesche geleerden is geschied. Mahomet zelf wilde in het geheel niet als wereldlijk heerscher maar slechts als profeet worden aangezien. Toen hij, bij de verovering van Mekka, te midden der bondgenooten en uitgewekenen Abel SofaÔn voorbijtrok en deze tot Abbas zeide: "bij God, het rijk van uwen neef is groot," hernam Abbas: "Hij is een groot profeet." Daar Mahomet zich echter de laatste profeet noemde, zoo kan ook dan na hem geen sprake zijn van een goddelijk recht op eene geestelijke macht. Dit blijkt ook uit het eigen gedrag van Aboe Bekr bij de keuze der khalifen, die in het algemeen slechts van de voorrangen der uitgetrokkenen sprak en geene eigene rechter deed gelden, ja zelfs Omar of Aboe Ubeida tot khalif voorstelde. Was nu ook deze voorstelling misschien niet ernstig gemeend, omdat hij te voren wist, dat beiden de heerschappij bij zijn leven niet zouden overnemen, dan bewijst dit toch ten minste, dat de hoofden van het volk en geen aangeboren rechten over de opvolging zouden beslissen. Als wetgever kon een Muzelmansch vorst in het geheel geene macht hebben; want de Koran zou de eeuwige wet der Muzelmannen blijven, en was zeker ook in den eersten tijd des Islams volkomen toereikend. In den Koran echter wordt niet slechts het leven der geloovigen gewaarborgd, maar ook hunne bezittingen. Het eerste kan slechts den moordenaar ontnomen worden, en van het laatste kunnen alleen de wettelijk bepaalde belastingen gevorderd worden. De verrichtingen van het opperhoofd van den staat bestonden dus, naar het begrip van den Koran eenvoudig in het waken voor de navolging der wet, in de handhaving der militaire macht, in haar gebruik, tot bevestiging en uitbreiding van het geloof. Mahomet dus verantwoordelijk te maken voor den regeeringsvorm, welke zijne opvolgers hebben ingevoerd, of zelfs voor de gruwelen, door enkele Moslemische heerschers gepleegd, ware nog veel onbillijker, dan indien wij het despotismus van verschillende Christelijke staten uit het Evangelie wilden afleiden. Gelijk overigens in het Christendom dikwijls is beproefd geworden, de erfelijke en onbegrensde macht op de Heilige Schrift te doen steunen [73], zoo bekwam ook in den Islam de wereldlijke macht reeds vroeg eene godsdienstige wijding, en de leer van het Imamaat vormt een tegenhanger van die der kerk. Terwijl intusschen de factische khalifen, namelijk de drie eersten, zich nog meer als wereldlijke dan als geestelijke navolgers van Mahomet beschouwden, en hun recht meer op de keuze, of minstens op de overeenstemming der Muzelmannen steunden, grondden de aanhangers van Ali en zijn geslacht reeds onder de heerschappij van Othman, bijzonder echter gedurende den oorlog met Muawia en diens overwinning, hunne aanspraken op een vormelijk erfrecht. De Imams werden toen als bijzondere door God verlichte menschen aangezien, en ten laatste zelfs als eene incarnatie der Godheid vereerd en aangebeden. De versmade, ware Imams bleven zelfs na hunnen dood een voorwerp van vereering en hoop voor hunne partij, daar spoedig ook het geloof aan hunne, eens plaats te hebben terugkeer tot herstelling van het recht en der waarheid zich vormde, even als bij de Joden ten opzichte van den Messias.
De eene partij, die wij met den algemeenen naam van SchiÔten zullen aanduiden, zonder ons met het bijzondere der verschillende secten bezig te houden, in welke zij verdeeld werden, had overigens de meest overdreven begrippen van de waardigheid en de heiligheid van den Imam. Andere Muzelmannen echter zagen, reeds ten tijde van Ali, in het khalifaat slechts eene zuiver staatkundige instelling, die het welzijn der volken tot eersten grondslag zou hebben. Zij leerden daarom dat het Imamaat, op zich zelven beschouwd, in het geheel niet noodig is, dat iedere deugdzame, hij zij vrij of slaaf, uit welk geslacht hij ook afstamme, daartoe kon worden verheven, en dat, indien de Imam of khalif niet aan zijn heiligen plicht voldeed, de wet veroorloofde, en zelfs gebood, zich tegen hem te verzetten en hem te bekampen. Deze meening, die natuurlijk door de machthebbenden ten sterkste werd bestreden, en wier bekenners den naam CharÔdjiten [74] ontvingen, vond zelfs onder de meest geleerde mannen van de eerste eeuw der hedjira talrijke aanhangers, en bewijst genoegzaam, dat de heilige schrift der Muzelmannen niet ter gunste van het khalifaat spreekt, gelijk zich dat later vormde. Merkwaardig en pleitende voor den zoogenaamden orthodoxen Islam is het, dat deze leer hier verdoemd en hare bekenners als ketters werden bestraft, hoewel, naar eene zeer oude, authentieke overlevering, Aboe Bekr zelf, in zijne eerste rede, die hij als khalif in de moskee te Medina hield, zeide: "O, gijlieden! Gij hebt mij tot uw opperhoofd gekozen, hoewel ik niet de voornaamste onder u ben. Handel ik recht, zoo weigert mij uwe medewerking niet, bega ik een onrecht, zoo biedt mij tegenstand!.... Gehoorzaamt mij, zoo lang ik God en zijnen gezant gehoorzaam. Handel ik echter tegen de geboden van God en zijnen gezant, weigert mij dan gehoorzaamheid!"
Ook de leer van het goddelijke raadsbesluit is, in de strengheid en consequentie, die alle vrijheid van 's menschen wil vernietigt, gelijk zij door menigen orthodoxen Muzelman opgevat en door alle vijanden van den Islam voorgesteld wordt, meer eene uitvinding der politiek, dan van het geloof. In den Koran verschijnt zij meer tot bekamping der vrees, tot bevestiging van het vertrouwen en der onderwerping aan den wil des Heeren, tot troost in het ongeluk en tot bewaring der bescheidenheid in het geluk, dan tot verlamming der menschelijke werkzaamheid, of wel tot berooving der zedelijke vrijheid. Roekeloosheid wordt uitdrukkelijk in den Koran verboden [75]. Voorzichtigheid wordt zeer dikwijls aanbevolen, en zelfs het gebed, de hoogste ceremoniÎele wet van den Islam, ondergaat eene wijziging, zoo, door de verrichtingen volgens het voorschrift, de biddende in gevaar kon worden gebracht [76]. En indien het ook dikwijls wordt herhaald, dat God de menschen naar Zijnen wil voedsel geeft, zoo wordt toch nergens daarmede bedoeld, dat de Muzelmannen de handen werkeloos in den schoot moeten leggen. Veeleer is het zelfs veroorloofd, op den heiligen Vrijdag, na de verrichting van het gebed, zijne zaken te verrichten [77]. Ook moet slechts een klein gedeelte van den Koran bij het gebed worden gelezen, naardien velen het land moeten doorkruisen om hun levensonderhoud te zoeken [78]. Enkele andere plaatsen, in welke eene zekere zorgeloosheid tot deugd wordt verheven, kunnen dus slechts daarop doelen, dat de mensch door versaagdheid niet al te zeer in de zorgen voor zijn onderhoud moet worden tegengehouden, en daardoor zijne hoogere plichten, het trachten naar Gods welbehagen, door oefening der deugd, op den achtergrond plaatse, gelijk ook de apostel Petrus schrijft [79] "Werp al uwe zorgen op Hem (God), want Hij zorgt voor u". Wat de leerstelling van de volstrekte voorbestemming van den mensch tot zaligheid of tot lijden betreft, is Mahomets, geheel op vrees en verwachting gebouwd godsdienststelsel niet alleen er tegen, daar hij voortdurend tot gelooven en tot vrome handelingen, om het loon in het paradijs, vermaant, en voor ongeloof en zonden waarschuwt, om de straf in de hel, en dus noodzakelijk ook het toekomstig lot van den mensch van zijn eigen wil afhankelijk moet maken; maar bovendien wederleggen eenige plaatsen in den Koran zulk eene Augustiniaansche predestinatieleer ten stelligste. Daar zij echter door de orthodoxe Imams aangenomen en voortdurend in alle Europeesche werken den stichter van den Islam worden toegeschreven en verweten. Zoo moeten wij hier uitvoeriger zijn en meer bewijzen voor Mahomets leer van de vrijheid des wils aanvoeren, dan eigenlijk noodig zou zijn. De mondelinge overleveringen kunnen wij omdat men er zich niet op kan verlaten, noch hier, noch bij andere verschillen in aanmerking nemen. Wat hiervan in dit opzicht kan worden aangenomen, blijkt voor den onderzoeker genoegzaam daaruit, dat zij Mahomet reeds vooruit laten zeggen: De Islam zou zich in drie-en-zeventig secten verdeelen, onder welke de bekenners van den vrijen wil als de MagiÎrs van den Islam worden aangeduid. Wij mogen alzoo op dit punt slechts naar den Koran verwijzen [80].
Deze verzen, bij welke nog vele andere gevoegd kunnen worden, bewijzen genoegzaam, dat Mahomet niet slechts de consequente predestinatieleer, zooals zij door eenige secten in het Christendom en door de Djabariten en eenige andere secten in den Islam ontwikkeld werd, niet huldigde, maar dat hij in het algemeen veel meer nabij het Pelagiaansche stelsel was, dan het nieuw opgevatte Augustiaansche systeem. Hoe ware het overigens mogelijk, daar hij den val van den mensch niet als Augustijn en de Christelijke kerk aanneemt, en de leer der erfzonde loochent, die alleen de volstrekte predestinatieleer met de goddelijke gerechtigheid en heiligheid kan verzoenen. Volgens de leer van den Koran werd namelijk het eerste menschenpaar, om zijne ongehoorzaamheid, wel uit het hemelsche paradijs op de aarde verstooten, en ook wordt, voor zoo verre de eerste zonde door de zege van de baatzuchtigheid over Gods wil werd begaan, het menschenras wederkeerige haat en onvrede voorspeld; de Koran weet echter niets van eenen zich voortplantenden toestand van innerlijk verderf, ten gevolge der zonde van Adam, en neemt zich op vele plaatsen in acht voor het denkbeeld eener toerekening van vreemde zonden. Mahomet kent daardoor ook geene andere genade, dan de openbaring door profeten, deels tot volmaking der menschelijke erkenning van het goede en het kwade, deels als hulp tegen de verzoekingen van den satan, wien de mensch door zijnen val geheel werd prijs gegeven, of eigenlijk zich zelven nog meer heeft blootgesteld. Adam had berouw over zijne zonde en God schonk het menschenpaar weder genade, terwijl hij zeide: "Verwijdert u van hier; ik zal u eene leiding geven: wie deze leiding volgt zal vrees noch droefheid kennen. Die deze echter niet gelooven en onze teekenen verloochenen, worden ten eeuwigen vure gedoemd [81]." Iedere profeet, van Adam tot Mahomet, is diensvolgens een door God gezonden verlosser; om echter verlost te worden: dat is, tot het ware begrip en tot hoogere erkenning te geraken en, ten gevolge daarvan, weder de zaligheid van het paradijs te genieten, is het geloof aan de openbaring en het handelen daarnaar noodig. Beiden hangen zij echter alleen van den menschelijken wil af. Geheel werkeloos, blijft intusschen, ook bij het individu, de Goddelijke wil naar de leer van den Koran niet, maar hij uit zich voortdurend, naar gelang van het innerlijke van den mensch, als genade of gerechtigheid. Mahomet geeft namelijk ook toe, wat Pelagius aan Augustinus toestond; te weten, dat God desgenen meening in het geloof sterkt, die den wil tot het goede heeft, terwijl hij dengeen, bij wien de zucht naar het booze den boventoon voert, aan zijn altijd toenemend bederf overlaat, en dus in zekeren zin verhardt. Ook blijft het natuurlijk aan de raadsbesluiten der Hemelsche wijsheid overgelaten, op welken tijd en welk volk Zij door hare leiding genade wil schenken. Deze concessie der rede aan het geloof, welke zoowel in het Oude als in het Nieuwe Testament niet te loochenen is [82], maar geene onvoorwaardelijke predestinatie, wordt op verschillende plaatsen gepredikt [83]. Uit deze verzen blijkt ten duidelijkste, dat de mensch, met betrekking tot geloof en deugd, geen werktuig der Goddelijke willekeur is, maar dat hij het in zijne macht heeft, het ware te gelooven en het goede te willen; dat God echter den voor het goede en ware vastbaren mensch ondersteunt, terwijl hij degenen, welke hun hart sluiten voor Zijne, zich als openbaring uitende genade, aan hunne verdorvenheid overlaat. De woorden, die dikwijls in den Koran worden gevonden, dat God leidt wien Hij wil en in dwaling laat wien Hij wil, welke, uit hun verband gerukt, in elk geval tot de leer van Augustinus konden voeren, moeten daarom, naar gelang van hun verband (hetgeen echter, zoo als wij reeds hebben gezegd, niet altijd met zekerheid is te ontdekken), of in het algemeen op de zending van een profeet, Úf op den goddelijken bijstand tot ontwikkeling van het geloof toegepast worden, hetwelk identisch is met het goede door zijnen wil te ondersteunen, terwijl het, door eene bijzondere inwerking, dwingen van den roekelooze tot gelooven, met de Hemelsche gerechtigheid zou strijden, en daarom ook niet in Haren wil kan liggen. Dit denkbeeld blijkt duidelijk uit het 209e vers van de tweede Soera, waar onmiddellijk na de woorden; "God zond de profeten om de waarheid te verkondigen," volgt: "en God leidt de geloovigen naar de waarheid," en daarna: "God leidt op den rechten weg wien hij wil." Evenzoo ook in het 19e vers der 39e Soera. Iederen onpartijdigen lezer moet het daarom klaar zijn, dat Mahomet de vrijheid van den menschelijken wil in geenen deele loochende. Overigens trad reeds in de eerste eeuw der hedjira eene hevige oppositie op, tegen de door de regeering begunstigde bekenners der predestinatieleer, bij welke zich zelfs een zoon van Omar aansloot. Zij werd echter natuurlijk door de Omejaden bestreden en onderdrukt, dewijl hunne heerschappij, die op list en geweld berustte, tot hare ondersteuning en rechtvaardiging, te zeer behoefte had aan de leer der goddelijke raadsbesluiten en der predestinatie van alle menschelijke handelingen. Maabad, die aan het hoofd dezer oppositie stond, zeide luide van zijne tegenstanders: "Deze lieden vergieten het bloed der menschen en wagen het dan te beweren, dat al onze handelingen vooraf door een goddelijk raadsbesluit bepaald zijn." Maar inderdaad werd hij dan ook wegens zijne meening, niet omdat zij tegen de heilige schrift aandruischte, maar omdat zij voor de willekeur van den heerscher gevaarlijk was, in het tachtigste jaar der hedjira, op bevel van den khalif Abd-Almalik, door den wreeden Haddjadi gefolterd en daarna opgehangen [84]. Desniettegenstaande plantte zich zijne leer voort, riep de secte der Mutaral in het leven en bleef zelfs niet zonder invloed op den orthodoxen Islam, die wel aan de leerstelling der voorbestemming van de uitverkorenen en verworpenen vasthoudt, doch inderdaad zonder dialectische consequentie, de predestinatie niet tot de enkele goede of slechte handelingen van den mensch uitbreidt, en dien ten gevolge ook, zoo als vele Christelijke dogmatici, eigenlijk slechts ten gevolge van vooruitweten eene predestinatie aanneemt [85]. De Koran verwerpt echter, zoo als uit de door ons aangehaalde verzen blijkt, ook dit dogma en bevat geene enkele plaats, die zoo beslissend daarvoor zou kunnen pleiten, als die van het Evangelie (Apost. XIII vs. 48 en Rom. VIII vs. 28-30 enz.). Wij zullen ons niet lang meer met de overige leerstellingen van den Islam ophouden, deels dewijl zij niet zoo diep in het innerlijke wezen van het geloof grijpen, en minder betrekking op het leven hebben, deels omdat hare verdere ontwikkeling eerst tot een lateren tijd behoort, en dus met Mahomet en den Koran, waarmede wij ons hier bijzonder bezig houden, minder in verband staan dan met de Arabische wijsbegeerte. Al deze dogmen baarden vele tegenstrijdigheden en secten, daar de eenen aan de letter des Korans hingen, en de anderen eener meer vrije uitlegging de voorkeur gaven; dewijl de eenen zich blindelings aan de voorgewende uitspraken van den profeet onderwierpen, de anderen de wetten der onveranderlijke rede boven alles plaatsten, en met de elementen der Grieksche wijsbegeerte naar eenheid in het godsdienststelsel streefden.