Part 77
[258] Imran, Amran of Imram is volgens de Mahomedaansche overlevering, den naam van twee verschillende personen. De een was de vader van Mozes en A‰ron, en de ander was de vader van Maria (Al Zamakhshari, Al Beid‚wi) welke bij sommige christen-schrijvers Joachim wordt genoemd. De uitleggers veronderstellen, dat de eerste, of eigenlijk dat beide op deze plaats bedoeld worden, hoewel men aanneemt, dat de persoon op de volgende plaats bedoeld, laatstgenoemde was, die behalve Maria, de moeder van Jezus, ook een zoon had, welke A‰ron werd genaamd (Koran 19e soera) en eene zuster Ish‡ of Elisabeth, die met Zacharias huwde en de moeder was van Johannes den Dooper; weshalve deze profeet en Jezus gewoonlijk door de Mahomedanen De twee zonen der tante, of de neven worden genoemd. Hier verwart de Koran Maria de moeder van Jezus met Maria of Mirjam, de zuster van Mozes en A‰ron, hoewel het uit andere plaatsen van den Koran duidelijk blijkt dat Mahomet wel degelijk wist, dat Mozes verscheidene eeuwen voor Christus leefde.
[259] De persoon Imram, hier bedoeld, was de vader van Maria; de naam zijner vrouw was Hannah of Anna, de dochter van Fakudh.
[260] Dit is: dat een meisje geene priesterlijke diensten kon verrichten, evenals een knaap.
[261] Deze uitdrukking staat in verband met eene overlevering, dat Abraham, toen de duivel hem beproefde, God niet te gehoorzamen, door zijn' zoon niet te offeren, den boozen geest verdreef, door met steenen naar hem te werpen. Tot aandenken dezer gebeurtenis werpen de Mahomedanen, bij den pelgrimstocht naar Mekka, in de vallei van Mina een aantal steenen, met zekere ceremoniÎn naar den duivel.
[262] Ofschoon het kind geen jongen was, bood heur moeder haar toch den priesters aan, die met het opzicht in den tempel belast waren, als eene aan God gewijde. Nadat zij haar hadden ontvangen, werd zij aan de zorg van Zacharias toevertrouwd, die haar een vertrek in den tempel bouwde en haar van het noodige voorzag. (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi, enz.)
[263] De uitleggers zeggen, dat niemand in Maria's vertrek mocht komen behalve Zacharias, en dat hij zeven deuren achter haar sloot. Desniettegenstaande vond hij haar in den winter van zomervruchten en in den zomer van wintervruchten voorzien.
[264] Dat is Jezus, die volgens een der uitleggers (Al Beid‚wi), zoo werd genoemd, omdat hij, door bevel van God, zonder vader ontvangen was.
[265] Het oorspronkelijke beteekent iemand, die zich niet alleen aan de vrouwen, maar ook aan alle andere genoegens en begeerten zal onttrekken.
[266] Zacharias was toen negenennegentig jaar oud, en zijne vrouw negenentachtig. (Al Beid‚wi). Vergelijk de voorzegging aan Abraham (Gen. XVII : 17).
[267] Zijn aangezicht ter aarde doen bukken en de knie buigen, geschiedt bij het gebed der Muzelmannen. Mahomet schijnt deze uitdrukking hier opzettelijk te bezigen, om zijne leer vast te hechten aan die der rechtvaardigen van het Oude Testament.
[268] Toen Maria voor het eerst in den tempel werd gebracht, twistten zij onder elkander, omdat zij de dochter van een hunner opperhoofden was, wie met hare opvoeding zou belast worden. Zacharias stond er op, dat hij de voorkeur zou hebben, dewijl hij met hare tante getrouwd was, maar de anderen stemden daarin niet toe. Zij kwamen toen overeen, dat het lot tusschen hen zou beslissen, waarop zevenentwintig naar de rivier de Jordaan gingen en hunne roeden er in wierpen, waarop zij eenige plaatsen der wet hadden geschreven; alle zonken zij, behalve die van Zacharias, die op het water dreef. Daarop werd hem de zorg over het kind toevertrouwd. (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin, enz.)
[269] Behalve het verhaal hiervan gegeven door de Koran (19e soera), geeft een Mahomedaansch schrijver (die echter niet veel gezag heeft) twee verhalen; een, dat Jezus sprak, terwijl hij nog in het lichaam zijner moeder besloten was, om haren neef Joseph te bestraffen, over de onrechtvaardige verdenking, die hij van haar voedde (Sikii, notas in Evang. Infant, pag. 5) en een ander sprookje, dat hij aan denzelfden persoon een antwoord zou hebben gegeven, kort nadat hij geboren was. Want Joseph, die door Zacharias was uitgezonden, om Maria op te zoeken, welke de stad bij nacht had verlaten, om hare bevalling te verbergen, begon haar te onderhouden toen hij haar had gevonden; maar ze gaf geen antwoord, waarop het kind zeide: Verheug u, o Jozef! en wees tevreden; want God heeft mij voortgebracht uit de duisternis van het moederlijf, voor het licht der wereld, en ik zal tot de kinderen IsraÎls gaan en hen noodigen tot gehoorzaamheid aan God (Al Kessai). Dit schijnt geheel ontleend te zijn aan de vele fabelachtige overleveringen der oostersche Christenen, waarvan eene tot ons is gekomen in het aprocryphe evangelie van de kindsheid van Christus, waar wij vinden, dat Jezus sprak, tijdens hij nog in zijne wieg lag, en tot zijne moeder zeide: Waarlijk ik ben Jezus, de zoon van God, wiens woord gij hebt voorgebracht, zooals de engel GabriÎl u heeft verklaard: en mijn vader heeft mij gezonden om de wereld te redden.
[270] Sommigen zeggen dat het eene vledermuis was (Jallalo'ddin); maar anderen veronderstellen, dat Jezus vele vogels van verschillende soorten maakte. Deze omstandigheid is mede ontleend aan de volgende fabelachtige overlevering, welke in het bovengenoemde apocryphe evangelie is te vinden. Toen Jezus zeven jaar oud was, speelde hij met eenige kinderen van zijnen ouderdom; zij maakten uit klei verschillende vormen van vogels en andere dieren, om zich te vermaken en ieder gaf zijn eigen werk de voorkeur. Jezus vertelde hun, dat hij die wilde doen loopen en springen, hetwelk zij op zijn bevel ook deden. Hij maakte ook vele figuren van menschen en andere vogels, die weg vlogen, of op zijne handen bleven staan, al naar hij het hun beval en ook aten en dronken, als hij hun spijs en drank aanbood. De kinderen vertelden dit aan hunne ouders, die hun verboden, nimmer meer met Jezus te spelen, dien zij voor een toovenaar hielden. (Evang. Infant. pag. 111 enz.).
[271] Jallalo'ddin vermeldt drie personen, welke Christus in het leven terug bracht, en die onderscheiden jaren daarna nog leefden en kinderen hadden, zijnde: Lazarus, de zoon der weduwe, en de dochter van den herbergier (waarschijnlijk van het opperhoofd der synagoge). Hij voegt er bij, dat hij ook Sem, den zoon van Noach, heeft opgewekt, die, zoo als een ander (Al Thalabi) schrijft, dacht, dat hij ten oordeel werd geroepen, en met een half grijs hoofd uit zijn graf kwam, ofschoon de menschen in zijne dagen niet grijs werden. Daarna stierf hij onmiddellijk weder.
[272] Hier staat in den tekst: inni motewafika. Dit woord wordt gebruikt in de beteekenis van den dood te doen ondergaan, sprekende van God, die de menschen oproept en tot zich ontvangt, bij het einde van hun leven. De uitleggers, door deze plaats, welke in tegenspraak is met de meening dat Jezus niet gestorven is, maar dat God een ander in zijne plaats stelde, in verlegenheid gebracht, denken dat dit woord, hoewel het eerste in den tekst geplaatst, echter, wat den zin betreft, de andere in deze orde moet volgen: Ik zal u tot mij opheffen, en aan het einde zal ik u geheel als de andere menschen doen sterven. Eenige verklaarders gelooven, dat Jezus werkelijk gestorven is voor zijne hemelvaart, en wel gedurende drie uren, en dat hij niet is gekruisigd. Overigens wordt deze plaats op verschillende wijze verklaard.
[273] Enige Mahomedanen zeggen, dat dit door tusschenkomst van GabriÎl geschiedde; maar anderen zijn van meening, dat een sterke dwarrelwind hem van den berg Oljvet opnam (Althalabi, zie ook 2 Koningen II : 1 en 11).
[274] Namelijk omtrent Jezus.
[275] Om deze plaats te verklaren, wordt door de uitleggers het volgende verhaald: Verschillende Christenen kwamen met hunnen bisschop, Abn Hareth genaamd, tot Mahomet, als afgezanten van de bewoners van Najran of Nedjran (land van ArabiÎ), en vingen aan met hem te twisten over godsdienst en de geschiedenis van Jezus. Zij stemden er eindelijk in toe, de genoemde zaak den volgenden ochtend te behandelen, als een korte weg om te beslissen, wie van hen in het ongelijk was. Mahomet bracht zijne dochter Fatima, zijn schoonzoon Ali en zijn beide kleinzonen Hassan en Hoessein mede, en hij verzocht de Christenen te wachten, tot hij zou hebben gebeden. Maar toen zij hem zagen knielen, ontbrak hun de moed, en dorsten zij het niet wagen, hem te vloeken, maar onderwierpen zich aan hem (Jallalo'ddin, Al Beid‚wi). Deze plaats wordt mobaheleh genoemd en is van groot gewicht bij alle Muzelmannen, maar meer bijzonder bij de Chiiten (volgelingen van Ali), omdat Mahomet, die Fatima, Ali, Hassan en Hoessein had medegebracht, de woorden gebruikt: onze zielen en de uwe, hetgeen ten bewijze strekt voor de innige verbinding en ondeelbaarheid van Mahomet en zijn gezin.
[276] Behalve van andere afgodische daden beschuldigt Mahomet de Joden en Christenen, dat zij een al te blind geloof schenken aan hunne priesters en monniken, welke zich de macht hebben toegeÎigend, uit te maken, welke zaken wettig en welke onwettig zijn, en van het volgen van Gods wetten te ontslaan.
[277] Hier worden de Joden en Christenen andermaal beschuldigd, de schriften te hebben vervalscht en de profetiÎn omtrent Mahomet te hebben verduisterd.
[278] De uitleggers zeggen, om deze plaats te verklaren, dat Caab Ebn Al Ashraf en Malec Ebn Al Seif (twee Joden van Medina), hunne gezellen roepen, toen de Kebla was veranderd, te doen alsof zij geloofden, dat die door God was gegeven, door des ochtends te bidden naar den Caaba gewend, en dat zij des avonds, zooals gewoonlijk, naar Jeruzalem gekeerd, zouden bidden, opdat de volgelingen van Mahomet, die zich verbeeldden, dat de Joden betere rechters dan zij op dit punt waren, hun voorbeeld zouden volgen. Anderen zeggen echter, dat het zekere Joodsche priesters of khaibar waren, die sommigen van hun volk bevalen, des ochtends voor te geven, dat zij den Mahomedaanschen godsdienst hadden omhelsd, maar aan het einde van den dag te zeggen, dat zij hunne boeken der schrift nagezien en hunne rabijnen geraadpleegd hadden, doch dat zij niet konden vinden, dat Mahomet de persoon was, in de wet beschreven en bedoeld; door welke list zij hoopten, twijfel in de harten der Mahomedanen te doen ontstaan (Al Beid‚wi).
[279] In het Arabisch staat voor het woord talent: kintar, dat duizend dinars of goudstukken waard was. Als een voorbeeld van deze plaats halen de uitleggers Abd'allah Ebn Sal‚m aan, een jood, die zeer bevriend was met Mahomet (Prideaux, Life of Moham, pag. 33), aan wien een der KoreÔshieten 1200 oncen goud leende, welke hij zeer stipt op den bepaalden tijd betaalde (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[280] Mahomet spreekt hier van de Christenen, die, volgens hem, aan Jezus, zoon van Maria en eenvoudig sterveling, eene taal in den mond leggen, welke hij, als profeet en oprecht vereerder van God, nimmer heeft kunnen voeren. Al Beld‚wi voegt er bij, dat twee Christenen, Abn R‚fË al Koradhi en Al Seynd al Najr‚ni, aanboden, Mahomet als hunnen God te erkennen en hem te aanbidden, waarop hij geantwoord had: God verbiedt, dat wij iemand naast hem zouden vereeren.
[281] Dat is: hen te aanbidden en rabb (meester, heer) te noemen, hetwelk men slechts aan God schuldig is.
[282] Becca of Mekka. Mahomet ontving deze plaats toen de Joden zeiden, dat hunne Kebla, of de tempel van Jeruzalem, ouder was dan die der Mahomedanen, of de Caaba.
[283] Letterlijk: Houdt vast aan de koord van God, d.i. verzekert u zelven, door den Islam aan te nemen, welke hier figuurlijk wordt uitgedrukt door "koord," omdat het een zeker middel is, hen te redden, die anders eenen godsdienst belijden, waardoor zij hiernamaals verloren zouden zijn, daar het vasthouden aan een touw het voorbehoedmiddel is tegen het vallen in een put of andere plaats. Men zegt dat Mahomet, om de zelfde reden, den Koran Habl Allah al matiu noemt, d.i. de zekere koord van God (Al Beid‚wi).
[284] Als de Joden en Christenen, die omtrent de eenheid van God enz. twistten.
[285] Zoo als Abd'allah Ebn Sal‚m en zijne metgezellen (Al Beid‚wi) en diegenen van de stammen Al Ans en Al Khazraj welke het mahomedanisme hebben omhelsd.
[286] Die namelijk welke het islamismus hebben aangenomen.
[287] Dat is, tot eenen anderen godsdienst.
[288] Dit was de slag van Ohod, een berg op vier mijlen ten Noorden van Medina. De KoreÔshieten hadden namelijk, om hun verlies bij Bedr (zie het begin van deze soera) te wreken, in het volgende jaar, zijnde het derde der Hedjira, een leger van 3000 man te zamen getrokken, waaronder 200 paarden en 200 man, die met maliÎnkolders waren gewapend. Deze strijdkrachten werden aangevoerd door Aboe Sofi‚n en maakten te Dhu'lholeifa, een dorp op zes mijlen afstands van Medina halt. Mahomet, wiens leger veel minder talrijk was dan dat zijner vijanden, had eerst besloten, hen in de stad af te wachten, maar later volgde hij den raad van sommigen zijner makkers en rukte tegen hen op, aan het hoofd van 1000 man (sommigen zeggen hij had 1050 man, anderen 900, waarvan 100 met maliÎnkolders waren voorzien, maar hij had slechts ÈÈn paard, behalve het zijne, in het geheele leger). Met deze strijdkrachten vormde hij een kamp in een dorp bij Ohod, welken berg hij in den rug verlangde te hebben, om het voordeel, zijne manschappen tegen omsingeling te behoeden, waartoe hij nog 50 boogschutters in de achterhoede plaatste, met streng bevel, hunne posten niet te verlaten. Toen het gevecht begon, was het voordeel eerst aan Mahomets zijde, maar later verloor hij den slag door de schuld zijner boogschutters, die de gelederen verlieten om te plunderen, en zoodoende toelieten, dat de paarden der vijanden de Mahomedanen omsingelden en hen in de achterhoede aanvielen. Mahomet had daarbij echter zijn leven verloren, daar zijn leger door eene hagelbui van steenen aangevallen, en door twee pijlen in het aangezicht gewond werd, waardoor hij, toen men die uittrok, twee zijner voorste tanden verloor. Van de Moslems waren 90 man gedood, waaronder Hamzoe, de oom van Mahomet en van de ongeloovigen 22 (Abulfeda). Deze plaats moest dienen om den slechten uitslag van dit gevecht te verontschuldigen, en den nedergeslagen moed zijner volgelingen weder op te wekken.
[289] Dit waren sommigen van de gezinnen van Banoe Salma van den stam van Al Khagraj en Banoel, Nareth van den stam van Al Aws, die de beide vleugels van Mahomets leger vormden.
[290] Deze plaats werd geopenbaard, toen Mahomet gewond werd in den slag van Ohod en uitriep: Hoe zal het volk kunnen zegepralen, dat het aangezicht van zijnen profeet met bloed heeft bevlekt, terwijl hij hen tot hunnen God riep: De persoon die hem wondde was Otha de zoon van Abboe Wakk‚s (Al Beid‚wi).
[291] Toen zij te Bedr werden geslagen. Het is opmerkelijk, dat het getal der Mahomedanen die bij Ohod werden gedood gelijk is aan dat der afgodendienaars die de Bedr vielen. Dit was zoo door God bevolen, om eene elders op te geven reden (VIIIe Soera).
[292] Deze plaats heeft betrekking op vele van Mahomets volgelingen, die niet te Bedr tegenwoordig waren geweest, en welke de gelegenheid wenschten te hebben, in een ander gevecht dezelfde eer te genieten als zij die als martelaren in den slag vielen, maar ontmoedigd werden, toen zij het grooter getal afgodendienaars in den slag van Ohod lagen.
[293] Ten einde de klachten van zijn volk om hunne nederlaag des te krachtiger te stillen, stelt Mahomet het zÛÛ voor, als ware de levenstijd van iederen mensch vooraf bij God bepaald, en dat zij, die in den slag vielen, hunnen dood niet zouden hebben ontgaan, indien zij te huis waren gebleven, terwijl zij nu het glorierijke voordeel genoten, als martelaars voor het geloof te vallen.
[294] Dat is: de overwinning en den buit.
[295] Zeggende: komt hier tot mij, o dienaren van God! Ik ben Gods gezant. Hij, die terugkeert, zal in het paradijs komen. Maar niettegenstaande al zijne pogingen om zijne lieden te verzamelen, kon hij niet meer dan dertig van hen daartoe brengen.
[296] Na het gevecht werden zij, die in den slag pal bleven staan, terwijl zij in het veld lagen, door een aangenamen slaap verkwikt, zoodat hun de zwaarden uit de handen vielen; maar zij, die zich slecht hadden gedragen, werden verontrust, en hunne harten verbeeldden zich, dat zij aan het verderf waren overgegeven (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[297] Dat is: Is hier eenige schijn van goed gevolg, of van de goddelijke gunst en ondersteuning die ons is toegezegd? (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[298] Indien God ons ondersteunt, volgens zijne belofte, of, zooals anderen die woorden teruggeven, indien wij den raad van Aballah Eboe Obba Soll˚l hadden gevolgd, en in de stad Medina waren gebleven, hadden onze makkers het leven niet verloren (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin).
[299] Volgens het zeggen van sommigen in deze plaats geopenbaard bij de verdeeling van den geplunderden buit te Bedr, toen sommigen der soldaten Mahomet verdacht hielden, zich in het geheim van een zijden dekkleed, dat zeer prachtig was, en hetwelk vermist werd te hebben meester gemaakt (Al Beid‚wi, Jallalo'ddin). Anderen veronderstellen, dat de boogschutters, die oorzaak waren van den slag van Ohod, hunne gelederen verlieten, omdat zij zich verbeeldden, dat Mahomet geen deel aan den buit zou geven, naardien hij eens, zoo als verhaald wordt, een deel vooruit zond, en in denzelfden tijd den vijand aanviel, waarvan hij den ruimen buit onder degenen verdeelde, die met hem in het gevecht waren, en niets gaf aan het korps, dat wegens plichtsvervulling afwezig was.
[300] Volgens eene overlevering van Mahomet, zal hij, die in deze wereld zijn naaste zal hebben bedrogen, op den dag der opstanding verschijnen, met de voorwerpen op den schouder welke hij door bedrog heeft verkregen, en bedekt met schande.
[301] Zijnde: de Sonna (Al Beid‚wi).
[302] Het was het gevolg van uwe ongehoorzaamheid aan de bevelen van den profeet, en door dat gij uw post verliet om te plunderen.
[303] Deze plaats werd geopenbaard voor de oproerige en ongehoorzame Mahomedanen, die tot Mahomet hadden gezegd, dat, indien hij een ware profeet was, hij gemakkelijk de wezenlijk geloovigen van de huichelaars kon onderscheiden (Al Beid‚wi).
[304] Men zegt dat Mahomet heeft verklaard, dat degeen die zijne wettelijke bijdrage aan aalmoezen niet stipt betaalde, op den dag der opstanding, eene slang om zijn hals gedraaid zal hebben.
[305] Mahomet met den Koran.
[306] Zoo als sommigen verhalen, werden deze woorden in den Koran gevoegd, omdat Omm Salma, een der vrouwen van den profeet, hem verhaalde wat zij had opgemerkt, dat God dikwijls melding maakt van de mannen die hunne woonplaatsen verlaten voor de zaak van het geloof, maar van de vrouwen niet gewaagt (Al Beid‚wi).
[307] De oorspronkelijke uitdrukking beteekent eigenlijk: goeden uitslag in de zaken van het leven, bijzonder in den handel. Men zegt dat deze plaats werd geopenbaard, omdat velen van Mahomets volgelingen den voorspoed der afgodendienaars opmerkten en benijdden, en hun leedwezen uitdrukten, dat die vijanden van God in zulke vreugde en overvloed leefden, terwijl zij zelven van honger en vermoeidheid stierven (Al Beid‚wi).
[308] Om den korten duur.
[309] Dit hoofdstuk werd met dien naam bestempeld, omdat het hoofdzakelijk over zaken handelt met vrouwen in verband staande, zooals huwelijken, echtscheidingen, enz.
[310] De Arabieren hadden namelijk de gewoonte, bij het vragen van iets, te zeggen: "In Gods naam, doe of zeg mij iets."
[311] Letterlijk vertaald, zou dit moeten zijn: de ingewanden.
[312] Dat wil zeggen: neem niet wat gij van waarde onder hunne goederen vindt, voor uw gebruik, door daarvoor iets van mindere waarde in de plaats te geven.
[313] De uitleggers vatten deze plaats verschillend op. De ware beteekenis schijnt de hier opgegevene te zijn.
[314] Oorspronkelijk staat hier: Wat uwe rechterhanden hebben verworven, zijnde de bepaalde uitdrukking, om een slaaf, die men voor geld heeft gekocht, of een door den krijg verworvene aan te duiden. Uit dit vers blijkt voorts, dat slavinnen geen zoo grooten bruidschat, of zooveel van onderhoud als vrije vrouwen kostten, waardoor de man onderscheidene der eerste, even gemakkelijk als eene der laatste kon bezitten.
[315] Het is noodig hier te doen opmerken (en deze opmerking geldt voor alle gelijkluidende plaatsen in den Koran), dat het woord sadoeka, dat gewoonlijk met bruidschat wordt vertaald, het geld is, of de voorwerpen van waarde, die de man aan de ouders der vrouw schenkt welke hij huwt. Het is dus niet de vrouw die haren man iets aanbrengt, maar de man geeft haar een bruidschat.
[316] Met dit woord worden de minderjarige weezen bedoeld, die in staat zouden zijn een slecht gebruik van hunne erfenis te maken en haar te verspillen.
[317] Dat is: onderzoekt of zij goed bekend zijn met de grondbeginselen van den godsdienst, en draagt voldoende zorg voor het waarnemen hunner zaken. Onder deze uitdrukking is tevens de plicht van den voogd begrepen, om zijne pupillen te onderrichten.
[318] Of den ouderdom van rijpheid, die algemeen op vijftien jaren is bepaald; eene beslissing die door eene overlevering van Mahomet wordt gestaafd. Aboe Hanofah houdt echter den achttienjarigen ouderdom voor den geschikten (Al Beid‚wi).
[319] Zoodat zij spoedig den ouderdom zullen bereikt hebben, om alles te ontvangen wat hun toekomt.
[320] Dat is: niet meer dan eene voldoende belooning voor de moeite, door hunne opvoeding veroorzaakt.
[321] Dit voorschrift werd gegeven, om eene bij de afgodendienende Arabieren bestaande gewoonte af te schaffen, volgens welke vrouwen noch kinderen eenig deel van de erfenis van hunnen echtgenoot of vader mochten ontvangen, op grond dat alleen zij mochten erven, die in staat waren ten oorlog te gaan (Al Beid‚wi).
[322] Zijnde: Houdt immer het lot uwer eigene kinderen voor oogen, terwijl gij u met kinderen bezighoudt, die door anderen zijn achtergelaten; en handelt zooals gij zoudt willen dat men met de uwen handelde.
[323] Dit is de algemeene regel, welke bij de verdeeling der nalatenschap van den overledene moet worden gevolgd, gelijk men uit de daarna opgegevene gevallen zal zien.
[324] Of: indien er twee en niet meer zijn zullen zij hetzelfde deel ontvangen.
[325] En het overblijvende derde gedeelte, of de overblijvende helft der nalatenschap, waarover hier niet uitdrukkelijk wordt beschikt, of wel, indien de overledene vader noch zoon achterlaat, vervalt aan de openbare schatkist. Sommigen over deze plaats van den Koran sprekende, zeggen verkeerdelijk, dat, indien er een zoon en eene eenige dochter achterblijft, ieder hunner de helft ontvangt. Wel kan de dochter de eene helft ontvangen, doch alleen in het geval dat er geen zoon achterblijft; want in gevolge van bovenstaand voorschrift, kan zij slechts een derde ontvangen, indien er een zoon achterblijft.
[326] En zijn vader bijgevolg de twee anderen derden (Al Beid‚wi).
[327] Op deze en volgende plaatsen worden hoofdzakelijk met het woord legaten, diegene bedoeld, welke tot vrome doeleinden zijn bestemd, daar het geene gewoonte bij de Mahomedanen is, dat een persoon aan niemand anders dan aan zijn gezin en naaste betrekkingen zijn vermogen achterlaat.
[328] Dit dient bij contract, of op eene andere, bijzondere wijze bepaald te zijn.
[329] Hier, en in het volgende geval, ontvangen de broeder en de zuster gelijke deelen, hetgeen eene uitzondering op den algemeenen regel is, volgens welken de mannelijke erfgenaam het dubbele van de vrouwelijke ontvangt. Hiervoor wordt als reden opgegeven, de kleinheid der deelen die zulk een nauwkeurigheid in de verdeeling niet toelaat. In andere gevallen echter wordt de regel, zoowel omtrent broeder en zuster als nopens andere betrekkingen, volgehouden.