Part 75
[119] De Mahomedanen zeggen, dat, toen Adam en Eva uit het paradijs werden gedreven, de eerste viel op het eiland Ceylon of Serendib, en de tweede nabij Djiddah, (de haven van Mekka) in ArabiÎ, en dat Adam, na eene scheiding van 200 jaar, om zijn berouw, door den engel naar eenen berg nabij Mekka werd geleid, waar hij zijne vrouw vond en bekende; welke berg thans den naam van Arafat draagt, en dat hij naderhand met haar naar Ceylon terugkeerde waar zij de voortplanting van hun geslacht vervolgden. Het is niet onbelangrijk, hier eene andere overlevering te vermelden, betreffende de reusachtige gestalte onzer stamouders. Hun profeet, zeggen de Mohamedanen, heeft bevestigd, dat Adam zoo lang was als een hooge palmboom (Yahya); doch dit is naar evenredigheid te groot, indien het afdruksel op den top eens bergs, op het eiland Ceylon, dat van zijnen voet is, en te klein, indien Eva van zulk eene vreeselijke grootte was, als gezegd wordt, dat, als haar hoofd op eene rots nabij Mekka lag, hare knieÎn zich op twee andere in de vallei zouden hebben bevonden, die op twee geweerschoten afstands van elkander verwijderd liggen. Deze berg thans Pico de Adam, en bij de Arabische schrijvers Rah‚n genaamd, is iets meer dan twee man hoog (Zie Moncony, Voyage, 1e gedeelte, bladz. 372 enz. en Knox, Account of Ceylon). Anderen (Anciennes relations des Indes, bladz. 3) zeggen daarentegen, dat hij zeventig cubitussen hoog is, en dat, wanneer Adam een voet hier zette, hij met den anderen in de zee stond.
[120] D.i. menschen en Duivelen.
[121] Het Arabische woord aiÈ heeft in den Koran verschillende beteekenissen, omdat het niet alleen een teeken is, maar vooral een teeken van openbaring des hemels en bijgevolg ook mirakel, wonder, enz. uitdrukt. Bovendien wordt het ook voor een vers van den Koran gebruikt, aangezien ieder dier verzen als Gods woord geacht, en voor een mirakel en een waarschuwing gehouden wordt. De zin is echter gemakkelijk uit den samenhang op te maken.
[122] De Joden worden hier opgeroepen den Koran te ontvangen, tot vergelijking en bevestiging van den Pentateuchus, vooral met eerbiediging van Gods eenheid en de zending van Mahomet (Yahya). Het wordt hun tevens verboden, de plaatsen in hunne wet te verheelen, welke voor die waarheden getuigen, of die te verminken, door het openbaar maken van valsche afschriften van den Pentateuchus, voor hetwelk de schrijvers slechts karig werden betaald, (Jallalo'ddin).
[123] De uitleggers voegen er bij: het muzelmansche gebed, de muzelmansche aalmoes.
[124] Het boek, in den volstrekten zin, beteekent: elk geopenbaard boek, de Schriften; tot de Joden sprekende, de Pentateuchus; tot de Christenen: het Nieuwe Testament; het wordt ook op den Koran toegepast. Wij willen te dien opzichte nog doen opmerken, dat Mahomet in zijne predicatiÎn de afgodendienaars of onwetenden onderscheidt van hen, die, op welk tijdstip ook, gewijde boeken hebben ontvangen. Deze laatsten worden gezin van het boek, lieden der schriften genaamd.
[125] Deze volzin wordt telkenmale letterlijk teruggevonden, als er sprake is van de vervolgingen, die de IsraÎlieten in Egypte ondergingen. Men zou bijna zeggen, dat Mahomet dit wilde doen uitkomen. Indien men zich herinnert, dat de afgodendienende Arabieren de geboorte eener dochter als een groot ongeluk beschouwden, moet men toegeven, dat men geen ongunstiger licht op een heidenschen en ongeloovigen vorst (waarvan Pharao de type is) kon werpen, dan aanhoudend te wijzen op deze soort van voorkeur, aan de dochters boven de zoons gegeven.
[126] Zie het meer bijzondere verhaal van Mozes en Pharao in de hoofdstukken 7, 20, enz.
[127] De persoon die dit kalf omverwierp was, naar de Mahomedanen zeggen, niet A‰ron, maar Al-SamËri, een der voorname mannen onder de kinderen IsraÎls, en van wien eenige afstammelingen, naar men beweert, nog een eiland van dien naam in de golf van ArabiÎ zouden bewonen (Geogr. Nubiens, bladz. 47). Al-SamËri ging verder, en nam eenig stof van de voetstappen van het paard van den engel GabriÎl, die aan het hoofd van het volk reed, en wierp het in den bek van het kalf, dat onmiddellijk begon te loeien en levend werd (Koran, zevende hoofdstuk); zÛÛ sterk was de kracht van dit stof (Jallalo'ddin; zie d'Herbelot, Bibl. Orient, bladz. 650).
[128] De onderscheiding: el-forkan (eigenlijk de verlossing) wordt hier op den Pentateuchus toegepast, gelijk, op andere plaatsen, op den Koran. Dit woord beteekent elk geopenbaard boek, voor zooverre dit het veroorloofde van het verbodene onderscheidt. Men kan zeggen, dat in ieder goddelijk boek, het gedeelte, hetwelk de gebruiken, de spijzen, enz. behandelt, el forkan (onderscheiding) heet, evenals het dogmatische al-houda (richting).
[129] De Oostersche schrijvers zeggen, dat deze kwartels van eene bijzondere soort waren, die nergens anders dan in Yemen werden gevonden, vanwaar zij door een zuidewind in grooten getale naar het kamp der IsraÎlieten in de woestijn werden gevoerd (Koran, 7e hoofdstuk). De Arabieren noemen deze vogels salw‡, dat hetzelfde beteekent als het Hebreeuwsche woord salwin. Deze hebben, naar zij zeggen, geene beenen, maar worden geheel gegeten (zie d'Herbelot, Bibl. OriÎnt., bladz. 477).
[130] Eenige uitleggers veronderstellen dat het Jericho is, anderen Jeruzalem.
[131] Het Arabische woord is Hittaton, waaruit sommigen de beteekenis afleiden van de betuiging der eenheid Gods, zoo dikwijls door de Mahomedanen gebruikt. La il‡ha illa'llaho. Er is geen God buiten God.
[132] Men gelooft dat in dit vers sprake is van het binnentrekken der IsraÎlieten in de stad Jericho. In plaats van het woord hittaton of hettat, (aflaat, genade) zoo als hun dit bevolen was, zouden de Joden dit door het woord habatb (korrel of gerstkorrel) fishairat hebben vervangen, en zich als plunderaars gedragen hebben. Het is overbodig de aandacht te vestigen op de anachronisme, door den schrijver van den Koran, of liever zijne uitleggers begaan, door den dood van Mozes te mengen in de gebeurtenissen sedert zijnen dood voorgevallen, zoo als het innemen van Jericho.
[133] Eene pestziekte, die omstreeks 70,000 hunner heeft gedood (Jallalo'ddin).
[134] Numeri XI, 5, enz. Volgens sommigen erwten.
[135] Deze plaats, even als vers 59 van het zes en twintigste hoofdstuk, waarin de IsraÎlieten geacht worden naar Egypte terug te keeren, is een dier anachronismen, waarvan de Koran wemelt, en die de groote onwetendheid van den Arabischen profeet duidelijk aantoonen.
[136] Uit deze woorden, welke in het vijfde hoofdstuk worden herhaald, hebben verschillende schrijvers (Selden, de Jure Nat. et Gentium sec. Hebr. 1. 6 c. 12. Angel, a.s. Joseph. Gazophy1ac. Persic. p. 365. Nic. Cusanus, in Cribatione Alcorani, 1. 3, c, 2. enz.) verkeerdelijk afgeleid, dat de Mahomedanen het als de leer van hunnen profeet hielden, dat ieder mensch door zijn eigen godsdienst zou behouden zijn, mits hij oprecht ware en een goed leven leidde. Het is waar, dat velen hunner geleerden toestemmen, dat dit de zin dezer woorden is, (Chardin, Voyages, 2e deel, bladz. 326, 331) maar zij voegen er bij, dat de hier toegestane vrijheid spoedig werd herroepen, omdat deze plaats door verschillende andere in den Koran is afgeschaft, welke uitdrukkelijk verklaren, dat niemand zalig zal zijn, die niet tot het Mahomedaansche geloof behoort. Vooral blijkt dit uit de woorden in het derde hoofdstuk, vers 79. Hoewel anderen van oordeel zijn, dat deze plaats niet afgeschaft is, maar die op eene andere wijze verklaren, zeggen zij, dat de bedoeling is, dat niemand, hetzij hij Jood, Christen of SabeÔst is, van de zaligheid uitgesloten zal zijn, mits hij zijn verkeerden godsdienst verlate en Muzelman worde, hetgeen, naar zij zeggen, wordt aangeduid door de woorden: Indien zij slechts aan God en aan den jongsten dag gelooven en weldoen, zullen zij door hunnen Heer beloond worden.
[137] Naar de overlevering der Mahomedanen, zouden de IsraÎlieten hardnekkig geweigerd hebben, de wet te ontvangen, en zou God, om hen te verschrikken, den berg SinaÔ van zijne wortelen losgescheurd en boven hun hoofd gehouden hebben.
[138] De legende, waarop deze plaats betrekking heeft, is de volgende: in de dagen van David, woonden verschillende IsraÎlieten in de stad Ailah of Elath, aan den Roode zee, waar de visschen gewoon waren op den avond van den sabbath in grooten getale aan den oever te komen: zij bleven daar gedurende den sabbath, om hen te verleiden, en den daarop volgenden nacht keerden zij naar de zee terug. Na eenigen tijd verwaarloosden eenige inwoners Gods bevel, en vingen visch gedurende den sabbath; zij groeven later kanalen naar zee, opdat de visschen zouden kunnen binnenkomen, en voorzagen die van sluizen, die zij gedurende den sabbath schutteden, om den terugkeer der visschen naar de zee te beletten. Het overige gedeelde van de inwoners, die den sabbath streng vierden, gebruikte overreding en kracht om deze goddeloosheid tegen te gaan, maar zonder gevolg: de zondaren vermeerderden slechts en werden hardnekkiger, waarop David de sabbathschenders vloekte en God hen in apen veranderde. Men zegt, dat iemand, die naar zijn vriend ging zien, welke onder hen was, hem in de gedaante van een aap vond, wild met zijne oogen rondwarende, en toen vroeg of hij niet een zulk was. De aap maakte een teeken met zijn hoofd, dat hij dit was, waarop de andere tot hem zeide: Heb ik u niet geraden af te laten, waarop de aap schreide. De Mahomedanen voegen er bij, dat dit ongelukkige volk drie dagen in dien staat bleef, daarna verstrooid, (Abul'feda) en door een storm in de zee gedreven werd.
[139] De Joden hadden Mozes gevraagd, een moordenaar te ontdekken. Hoe daartoe te geraken? Mozes gebood eene koe te slachten, hetwelk oppervlakkig in geen verband stond met den moord. Zie hier hoe deze overlevering luidt: Een zeker man liet bij zijnen dood aan zijnen zoon, toen nog een kind, een koekalf na, hetwelk in de woestijn rondzwierf, tot het op zekeren ouderdom was gekomen, toen de moeder den zoon verhaalde, dat de vaars hem toebehoorde, en hem bad haar te gaan halen en voor drie goudstukken te verkoopen. Toen de jongeling met zijne vaars op de markt kwam, hield hem een engel staande, die in een gedaante van een mensch was en bood hem zes goudstukken voor het dier, doch hij wilde het geld niet aannemen, zonder de toestemming zijner moeder te hebben gevraagd. Toen hij die had verkregen, keerde hij naar de markt terug, en ontmoette den engel, die hem thans het dubbele voor het dier bood, mits hij daarvan niets aan zijne moeder zeide; maar de jongeling sloeg het aanbod af, ging heen en maakte zijne moeder met dit aanbod bekend. De vrouw bespeurde dat het een engel was, bad haren zoon terug te keeren en hem te vragen, wat men met het kalf moest doen; waarop de engel den jongeling vertelde, dat binnen korten tijd de kinderen IsraÎls het dier tot elken prijs zouden willen koopen. Spoedig hierna geschiedde het dat een IsraÎliet, Hammiel genaamd, door een zijner verwanten was gedood, die om ontdekking te voorkomen, het lijk naar eene plaats had vervoerd, welke aanmerkelijk was verwijderd van de plaats waar de moord was geschied. De vrienden van den verslagene beschuldigden verschillende andere personen bij Mozes van den moord; maar de beschuldigden loochenden de daad, en daar er geen bewijs was om hen te overtuigen, gebood God eene koe, met die en die bijzondere kenteekenen, te dooden, maar aangezien er geene andere was, welke aan de beschrijving voldeed, dan het kalf van den wees, waren zij verplicht het dier te koopen voor zooveel geld als de eigenaar verlangde: volgens sommigen was dat voor het gewicht van het dier aan goud, en volgens anderen tien maal zooveel. Toen het dier geofferd was, en het lijk van den man, volgens het goddelijke gebod, met een gedeelte er van gestreken was, herleefde het: de man stond op, noemde den persoon die hem had gedood, waarop hij dadelijk weder dood nederviel. (Abul'feda). De geheele geschiedenis schijnt te zijn ontleend aan die van de roode vaars welke volgens het gebod der wet, door de Joden moest worden gedood, en waarvan de asch moest worden bewaard, om degenen te reinigen die een dood lichaam hadden aangeraakt (Num. XIX), en aan dat van de vaars, welke geslacht moest worden tot boete van een moordenaar, van wiens daad men niet zeker was (Deuteron. XXI, 1-9).
[140] Om den buitengemeenen prijs dien zij genoodzaakt waren voor de vaars te betalen.
[141] Zijnde haar tong, of het eind van haren staart.
[142] Volgens eenigen te strijken.
[143] Hier beschuldigt Mahomet de Joden weder, de afschriften der gewijde boeken te veranderen, met het doel om er alle plaatsen uit te verwijderen, waarin de zending van den Arabischen profeet werd voorspeld.
[144] Volgens een der schrijvers (Jallalo'ddin) is dit veertig; aangezien het getal der dagen waarop hunne voorvaderen het gouden kalf dienden, veertig was, na welken tijd naar zijn zeggen, hunne straf ophoudt.
[145] In dit geval verstaan de uitleggers in het algemeen, onder slechte daden, veelgodendom of afgodendienarij, welke zonde, behalve wanneer men haar in dit leven berouwt, naar de meening der Mahomedanen onvergeefelijk is, en door eeuwige verdoemenis wordt gestraft. Alle andere zonden zullen, naar hunne meening, na verloop van tijd vergeven worden. Daarom is dit, naar hunne meening eene onvergeefbare goddeloosheid, welke in het N.T. de zonde tegen den Heiligen Geest wordt genoemd.
[146] Deze plaats werd geopenbaard bij gelegenheid dat er herhaalde twisten waren gerezen tusschen de Joden van de stammen van Koreidha, en die van Al-Aws, Al-Nadhir en Al-Khasraj, welke zoo hoog liepen, dat zij naar de wapens grepen, elkanders woonplaatsen vernielden en elka‚r uit de huizen joegen: maar wanneer er een gevangen genomen werd, maakten zij hem weder vrij. Toen men hun vroeg, waarom zij op deze wijze handelden, zeiden zij: Dat hunne wet hun gebood de gevangenen de vrijheid te hergeven, maar dat zij vochten uit vrees, dat hunne oversten gering geschat zouden worden (Jallalo'ddin).
[147] Men verbeelde zich niet dat Mahomet hier den heiligen geest naar christelijke begrippen bedoelt. De uitleggers zeggen: die heilige geest was de engel GabriÎl, welke Jezus volgde en hem steeds vergezelde (Jallalo'ddin).
[148] Het is bijna overbodig te zeggen, dat dit beteekent: Onze harten zijn verstokt, onvatbaar voor de rede.
[149] De Koran.
[150] De Pentateuchus.
[151] Zie Exodus XXXII, 20, Deuteron. IX, 21.
[152] Mahomet maakt hier gevolgtrekkingen uit de ongehoorzaamheid hunner voorvaderen, die het kalf aanbaden, op denzelfden tijd dat zij voorgaven in de wet van Mozes te gelooven, en dat het geloof der Joden in dien tijd ijdel en huichelachtig was, daar zij hem verwierpen, die daarin werd gezegd een bedrieger te zijn (Jallalo'ddin).
[153] De uitleggers zeggen, dat de Joden vroegen, welke engel het was die Mahomet de goddelijke openbaringen bracht, en toen men zeide dat dit GabriÎl was, antwoordden zij, dat die hun vijand was en de boodschapper van toorn en straf, maar indien het MichaÎl ware geweest, zouden zij in hem hebben geloofd, omdat die engel hun vriend was, en de boodschapper van vrede en overvloed. Zij zeggen dat bij die gelegenheid deze plaats werd geopenbaard (Jallalo'ddin, Al-Zamakh, Yahya). Dat MichaÎl inderdaad voor den beschermenden of ondersteunenden engel der Joden gold, weten wij uit de schrift (Dan. XII, 1), terwijl het schijnt dat GabriÎl, gelijk de Perzianen van hem zeggen, als de engel van openbaringen werd aangezien, die dikwijls met zendingen van dien aard werd afgezonden (Dan. VIII, 16 en IX, 21 Lucas 1; 19 26), om welke reden het waarschijnlijk is, dat Mahomet voorgaf, dat deze de engel was van wien hij den Koran ontving.
[154] Zijnde de openbaringen van dit boek.
[155] Nadat de duivelen Salomo, met Gods verlof, zonder gevolg in verzoeking hadden gebracht, maakten zij van een listig bedrog gebruik om zijnen naam te besmetten. Daarom schreven zij verschillende tooverboeken, verborgen deze onder den troon van dien vorst en vertelden de voornaamste lieden na zijnen dood, dat, indien men wilde weten op welke wijze Salomo zijne onbeperkte macht over menschen, geesten en de winden had verkregen, men slechts onder zijnen troon behoefde te zoeken. Toen men dit deed, vond men, de opgenoemde boeken, die goddelooze bijgeloovigheden bevatten. De beschaafde lieden weigerden de booze kunsten te leeren, die daarin waren bevat, maar het lagere gedeelte des volks deed het, en de priesters maakten dit schandelijk verhaal van Salomo bekend, hetwelk gezag onder de Joden verkreeg tot God, gelijk de Mahomedanen zeggen, dien koning door den mond van hunnen profeet zuiverde, met de verklaring, dat Salomo geen afgodendienaar was (Yahya, Jallalo'ddin).
[156] Sommigen zeggen slechts dat dit twee toovenaars of engelen waren, door God tot de menschen gezonden om hun de tooverkunst te leeren en hen in verzoeking te brengen (Jallalo'ddin). Anderen vertellen eene langere fabel, t.w. dat de engelen hunne verrassing over de goddeloosheid der zonen van Adam kenbaar maakten, nadat reeds profeten, met goddelijke opdrachten tot hen waren gezonden; waarop God verzocht, twee uit hun midden te kiezen, om als rechters op de aarde gezonden te worden. Hierop kozen zij Haroet en Maroet, die hunnen last gedurende eenigen tijd met oprechtheid uitvoerden, tot Zohara of de planeet Venus nederdaalde en voor hen verscheen in de gedaante eener schoone vrouw, die een klacht tegen haren echtgenoot inbracht (hoewel anderen zeggen dat het eene werkelijke vrouw was). Zoodra zij haar zagen, werden zij bekoord en trachtten haar te verleiden, maar zij steeg ten hemel, waar de engelen mede terugkeerden; doch deze werden daar niet meer toegelaten. Door de tusschenkomst van zekeren vromen man werd hun de keuze vergund, of zij in dit, of wel in het volgende leven wilden gestraft zijn, waarop zij het tegenwoordige kozen. Zij ondergaan thans hunne straf daarvoor te Babel, waar zij tot den jongsten dag zullen blijven. Zij voegen er bij, dat indien iemand de tooverkunst wil leeren, hij tot hen moet gaan om hunne stem te hooren, hoewel men hen niet kan zien (Yahya, enz.). Dit verhaal is door Mahomet geheel ontleend aan de Perziaansche magie, die vermeldt dat twee oproerige engelen van dezelfde namen, thans op het grondgebied van Babel ieder bij hunnen voet, met hunne hoofden naar beneden (Hyde, cap. 12) hangen.
[157] Deze twee Arabische woorden hebben beide dezelfde beteekenis, zijnde: Zie op ons, en duiden eene wijze van groeten aan. Mahomet heeft eene grooten tegenzin van het eerste, omdat de Joden het dikwijls als eene bespotting gebruikten. Naar het schijnt doelen de uitleggers daarmede op het Hebr. woord dz`">rv` hetwelk beteekent slecht of ongelukkig zijn.
[158] Namelijk om God te zien.
[159] Woordelijk vertaald zou dit luiden: tot God met zijn bevel, of met zijne zaak komt; want het woord amr, hetwelk order of bevel beteekent, wordt ook dikwijls in den zin van ding, zaak, gebeurtenis enz. gebruikt. De zaak van God is een duidelijke gebeurtenis, een daad der voorziening, die het aanzien der dingen verandert.
[160] Dat is: Aan de eenheid van God gelooft (Jallalo'ddin). De voorafgaande woorden luiden oorspronkelijk: hij die moeslim (muzelman) zal worden. Dit woord beteekent: aan Gods wil onderworpen zijn; die zich geheel aan God heeft overgegeven. In het voorbijgaan doen wij opmerken, dat de Mahomedanen onderscheid maken tusschen moeslim en moemin (geloovige). Het eerste heeft betrekking tot de uiterlijke uitoefening, tot de godsdienstige daden door Mahomet ingesteld; het andere gaat op het levendige en oprechte geloof. De Perzianen (de Chiiten) willen b.v. in hunnen haat tegen de Turken (Sunniten) wel erkennen, dat zij moeslimin (muzelmannen) zijn, maar den naam van moeminin (ware geloovigen) willen zij hun natuurlijk niet toekennen.
[161] Hiermede bedoelt Mahomet de afgodendienende Arabieren, die tot dien tijd geenerlei openbaring, geen gewijd boek hadden ontvangen, terwijl de Joden en Christenen de schriften bezaten.
[162] Dit vers wordt weÍrsproken door vers 139 van ditzelfde hoofdstuk. De tempel van Ka'ba in Mekka is bepaald aangeduid als de zijde, waarheen de muzelmannen zich bij hun gebed moeten keeren.
[163] Telkenmale als Mahomet de woorden aanhaalt: God heeft een zoon, kinderen, dochters enz., waarmede hij het geloof der Christenen en afgodendienende Arabieren bedoelt, voegt hij er het woord sobhanahoe, door zijne glorie, bij; dat is: die lastering zij verre van zijne glorie.
[164] Dat is: na de openbaring van den Koran.
[165] God beproefde Abraham hoofdzakelijk door hem te gebieden zijnen geboortegrond te verlaten en zijn zoon op te offeren. De uitleggers veronderstellen echter, dat de hier besproken beproeving alleen betrekking heeft op sommige ceremoniÎn: zooals de besnijding, pelgrimstocht naar den Ka'ba, verschillende reinigingsplechtigheden, en dergelijke (Jallalo'ddin).
[166] Dit woord is oorspronkelijk Imam, welke titel door de Mahomedanen aan hunne priesters wordt gegeven, die de gebeden in hunne moskeÎn aanvangen, en waarna de geheele gemeente volgt.
[167] Dit is de tempel van Caaba of Ka'ba (in Mekka) welke gewoonlijk het huis wordt genoemd. Omtrent de heiligheid van dit gebouw en andere bijzonderheden, zie de inleiding tot dit werk.
[168] Hier wordt eigenlijk het binnenste gedeelte van den Ka'batempel bedoeld, waar de Mahomedanen een indruk van Abrahams voet in een steen meenen te zien.
[169] Hieronder moet men eene bepaalde daad van vroomheid verstaan die daarin is gelegen, dat men gedurende uren, en zelfs dagen lang, zittend of geknield in eene moskee blijft.
[170] Zie hierboven de noot van vers 106. Door Abraham het woord muzelman in den mond te leggen, wil Mahomet zijne godsdienst aan den oorspronkelijken godsdienst, of die van Abraham vasthechten, welke, volgens hem, te gelijk de natuurlijke godsdienst van den mensch is. De overlevering legt aan Mahomet deze woorden in den mond: "Ieder mensch wordt als muzelman geboren: zijne ouders maken hem tot Jood, Christen of Vuuraanbidder."
[171] Dit is de Koran.
[172] Onder doop verstaan de uitleggers: den godsdienst en de besnijdenis, die God bij de schepping der menschen instelde, en waarvan de teekenen in den mensch bestaan, evenals de sporen van het water op de kleederen van den gedoopte. Waarschijnlijk heeft Mahomet dit woord aan de Christenen, of liever aan de Joden ontleend, bij welke het bad en de indompeling nog heden ten dage bestaan. Het Arab. woord sebgha beteekent dan ook doop of eigenlijk indompeling.
[173] Deze woorden werden, volgens de uitleggers, geopenbaard, omdat de Joden volhielden, dat zij de schriften het eerst hadden ontvangen; dat hunne tora (Pentateuchus), of leer, ouder was, en dat geen profeet onder de Arabieren zou kunnen opstaan, en indien dus Mahomet een profeet was, hij uit hun volk moest zijn voortgekomen.