Part 74
[22] Dit denkbeeld had hij van het O.T. overgenomen. Zie 1 Sam. XII : 3.
[23] Volgens anderen drie dinars.
[24] Het ware noodeloos, hier de bewijsgronden te onderzoeken, welke door de Chiiten worden aangevoerd ten voordeele van Ali, schoonzoon van Mahomet, welke bewijsgronden uit onderscheiden gedeelten van den Koran en uit de overlevering getrokken zijn. Al die bewijsgronden worden in het breede vermeld in een overzicht van het leerstelsel der Chiiten, getiteld: _Hakkoel-Yakin_ (de zekere waarheid), een Perzisch werk, in 1696 door Mohammed-bakir, zoon van Mohammed Taki, geschreven en te _Ispahan_ gedrukt.
[25] Deze verklaring van het woord _Ommi_ wordt gegeven in het Perzische werk, getiteld: _Hakkoel-Yakin_.
[26] Eenige van de wonderwerken, welke door Mahomet zouden zijn verricht, of van de wonderdadige eigenschappen, welke hij zoude hebben bezeten, laten wij hier volgen:
Eens heeft hij, ten aanzien van een ieder, de maan in tweeÎn gespouwen; op zijn verzoek heeft God de zon achteruit doen gaan (vergel. 2 Kon. XX : 9-11), ten einde Ali het namiddaggebed zou kunnen verrichten, dat door hem verzuimd was, uithoofde de profeet op zijne knieÎn was ingeslapen, en Ali hem niet wilde wekken; elken keer dat de profeet naast een ander ging, scheen het altijd alsof Mahomet, ofschoon hij eene middelbare lengte had, een hoofd langer was dan degeen die naast hem ging; zijn gezicht schitterde altijd van licht (vergel. Ex. XXXIV : 29) en als hij zijne vingers voor zijn aangezicht hield, dan schitterden zij, door den glans dien zij aan zijn aangezicht ontleenden, als fakkels; men heeft Mahomet dikwijls door steenen, boomen en planten hooren begroeten en dezen zich voor hem zien buigen; dieren, zooals gazellen, wolven en hagedissen spraken tot Mahomet en een geheel gebraden geitebok richtte evenzeer het woord tot hem; hij had volstrekte macht over de duivelen of booze geesten, die hem vreesden en aan zijne zending geloofden. Hij heeft blinden het gezicht hergeven, zieken genezen en zelfs dooden opgewekt (zoowel Oude als N. Test.); op zekeren dag heeft hij voor Ali en zijn gezin, die honger hadden, een geheel gedekte tafel uit den hemel doen nederdalen; hij heeft voorzegd, dat zijn nageslacht, uit Fatima gesproten, het slachtoffer van onrechtvaardigheden en vervolgingen zoude zijn, en dat de Omejjaden duizend maanden zouden regeeren, hetgeen juist zoo uitgekomen is, enz. Men zie ook de noot op Hoofdst. XVII, 1 over Mahomets wonderdadige reize naar de hemelen.
[27] Koran LXVI, 1-6. Waarschijnlijk behoort daartoe ook XXXIII, 27 en 28, in welke plaats Mahomet aan zijne vrouwen den voorslag eener echtscheiding doet, ingeval zij de praal van deze wereld boven het loon hier namaals verkozen.
[28] Koran XXIV, 4, 5, 11-20. Waar de echtgenoot zelf als aanklager optreedt heeft er (naar het Oude Testament Num. Hoofdst. V) een reinigingseed plaats. Koran XXIV, 6-10.
[29] Ontwijfelbaar is het, dat enkele gedeelten door zijne secretarissen opgeteekend zijn geworden. Ook schijnt hij groote zorg te hebben besteed, dat zijne openbaringen recht duidelijk en leesbaar zouden worden opgeteekend. Zoo luidt eene overlevering, dat hij tot Mu awia die later ook een zijner secretarissen was, zou gezegd hebben: trek de _b_ recht, verdeel de _s_ ter dege, enz. Deze overlevering geeft een nieuw bewijs, dat Mahomet, ten minste in lateren tijd, de schriftkarakters kende, indien hij ook misschien zelf niet in staat was vlug te schrijven.
[30] Het zou ook mogelijk wezen dat Aboe-Bekr deze en eenige andere verzen, welke over Mahomets dood handelen, en die nergens in den samenhang passen, verdicht hebbe, en dat Mahomet inderdaad, ten minste in de laatste jaren, de geloovigen, ten aanzien zijner sterfelijkheid in twijfel hebbe willen laten. In dit geval zouden dan natuurlijk al de gezegden onecht zijn, die op zijnen dood zinspelen; in dit moeten ze ook wezen, anders had Omar niet het tegendeel kunnen verdedigen. Deze verdenking van Aboe-Bekr wordt overigens ook gedeeld door De Scay, dien gewis niemand van zucht voor hypothesen kan beschuldigen. Wel is waar, men kan Omar verontschuldigen, door aan te nemen, dat hij, in de eerste ontsteltenis, dit Koranvers zich niet herinnerde; indien nu, zelfs nadat Aboe Bekr het had opgezegd, niettemin Aboe Hoereira, de beste kenner des Korans, verklaart, dat het hun allen toegeschenen was, als hadden zij nooit iets van dat vers gehoord, en wij ook in den Koran nog eenige andere vinden, welke Mahomets sterfelijkheid uitdrukten, dan moet men, ten minste indien men eenigen kritischen geest bezit, het waarschijnlijk achten, dat er latere bijvoegingen hebben plaats gehad. Die plaatsen in den Koran zijn III 144 en 186, XXIX 57, XXI 35 en 36 en XXXIX 31.
[31] Hoofdstuk IV vs. 97.
[32] Hoofdstuk II vs. 100 dat, volgens de beste, door Djalalein aangevoerde leeswijze, aldus luidt: "Wij herroepen geen vers of brengen er geen tot vergetelheid, zonder het door een beter of gelijksoortig te vervangen."
[33] De betrekking van Othmans arbeid tot dien van Aboe Bekr is overigens nog niet nauwkeurig bepaald. Het blijft twijfelachtig, of Aboe Bekr meer gedaan hebbe dan de oorkonden verzamelen, en of niet Othman het eerst voorkomene afschriften van deze hebbe doen maken en tot een geheel smelten. De geleerde QuatremËre, een uitstekend Oostersche letterkundige, zegt dan ook, naar Moedjmil Attawarich, dat de khalif Othman, derde opvolger van Mahomet, met onvermoeibare vlijt zich bezig heeft gehouden, om de verspreide en onsamenhangende gedeelten van den Koran tot ÈÈn lichaam te doen brengen. In de geschiedenis van Bekri (een handschrift op de bibliotheek te Gotha) leest men: Othman was de eerste die den Koran van alle verschillende lezingen zuiverde en hem deed afschrijven, gelijk hij zich op de hemelsche plaat bevindt.
[34] Met de woorden: "de eerste zeven uitgaven" worden de tekstverschillen bedoeld, die door Aboe Bekr opgenomen zijn, ter onderscheiding van de zeven latere uitgaven der verschillende geleerde scholen, die slechts afwijkingen in toonteekens en letters van elkaar vertoonen.
[35] Het exemplaar waarin Othman las, op het oogenblik dat hij werd vermoord, zoude naar Antartos gekomen en de zeer met bloed bevlekte bladen, zouden in de moskee van Cordova bewaard geworden zijn. Ook in Egypte geloofde men in het bezit te zijn eens Korans van Othmans hand, en evenzeer in Marokko en Tiberias. Het laatstgenoemde exemplaar zoude, ten tijde der kruistochten, naar Damascus gebracht zijn.
[36] Een door Ali geschreven Koran zoude eerst in het jaar 755 der Hedjirah (1377) in Mesdjed Ali verbrand geworden zijn. Te Fostat bewaarde men nog langen tijd een' Koran van de hand des khalifs Abd Alaziz. Hij had zÛÛ veel zorg besteed om het afschrift vrij van alle feilen te houden, dat hij een' ieder die daarin eene fout zoude ontdekken, een' kameel en dertig dinars beloofde. Inderdaad vond men er slechts eene enkele letter in verplaatst. Ook is er langen tijd een afschrift des Korans van Chalid Ibn Aboel Hajadh, een tijdgenoot van Ali, en zijn, ook onderscheidene van den wreeden Hadjadj bewaard gebleven.
[37] Hoofdst. LXXV v. 16-20 XX v. 113 en ook Hoofdst. LXXXVII v. 6 en 7.
[38] Hoofdst. VI v. 67.
[39] Hoofdst. XI v. 15 vergel. ook v. 114 en Hoofdst. XXVIII v. 85-87, X v. 93, 94 en 108.
[40] Hoofdst. XIII v. 34.
[41] Hoofdst. XVI v. 100.
[42] Zie Mahomets leven bl. 36.
[43] Zie Mahomets leven bl. 21.
[44] Vers 5 is mogelijk later bijgevoegd. Volgens dit hoofdstuk worden ook degenen het paradijs deelachtig, die God vreezen, hem aanbidden en aan den oordeelsdag gelooven; milddadig jegens behoeftigen zijn, uitspattingen vermijden, getuigenis der waarheid afleggen en het gegeven woord trouw vervullen.
[45] Hoofdst. XVI v. 105; XXV 6, 7 en XLIV v. 13.
[46] De 23 eerste verzen behooren wellicht nog tot de oudste.
[47] Vergel. Hoofdst. XIII: v. 8 en 29, en XXIX: v. 50.
[48] Is dit vers werkelijk van Mahomet, dan kan het evenzeer slaan op de reis van Mekka naar Medina, welke hij, om niet achterhaald te worden, des nachts deed.
[49] Zie Hoofdstuk X v. 93 en Hoofdstuk XXVI v. 196; vergelijk ook Hoofdstuk XXVIII v. 52 en 53, XXIX v. 46, Hoofdstuk XLVI v. 11 en LXXXVII vs. 18 en 19.
[50] v. 168 ook Hoofdstuk V v. 4, waar nog nader opgegeven is wat men onder aas hebbe te verstaan.
[51] Hoofdstuk VI v. 146 en XVI v. 115.
[52] v. 109 en 136. Over de wijze waarop de aalmoezen moeten worden gegeven, v. 265, enz.
[53] v. 222.
[54] v. 176.
[55] v. 282.
[56] v. 276.
[57] v. 227, enz.
[58] v. 220.
[59] v. 173.
[60] Vers 27 en volgende.
[61] v. 1-24, 33, 34, 126-129 en 175.
[62] v. 33
[63] v. 94.
[64] v. 45 en volgende, 118, 152, 166, 169 en 170.
[65] v. 36 en 37.
[66] v. 56.
[67] v. 134.
[68] v. 9.
[69] v. 91.
[70] v. 105-107.
[71] v. 92-93.
[72] v. 79.
[73] Zie Brief aan de Romeinen 13 v. 1-7.
[74] Ketters.
[75] Soera II v. 191.
[76] Dezelfde Soera vs. 239 en 240. Hoofdstuk IV vs. 102-104.
[77] Hoofdstuk LXII vs. 10.
[78] Soera 73, het laatste vers.
[79] Eerste brief, V vs. 7.
[80] X vs. 108, XXVII vs. 94, XVII vs. 16, XXXIX vs. 42, XVII vs. 19 en 20, XVIII vs. 28, 53, XXXIX vs. 55-60, XLI vs. 16, 17.
[81] II, vs. 36, 37. Zie ook VII, vs, 11-19, XXXVIII vs. 72-85, en vooral XX vs. 114-124. Wij willen deze leer van de zonde en der verlossing welke met die van Pelagius zeer nauw verwant is, in geenen deele boven die der orthodoxe kerk verheffen; maar hoe moeilijk deze laatste is, bewijst reeds de omstandigheid, dat zij van Augustinus tot op onzen tijd, zeer dikwijls, zelfs door de meest geloovige theologen, aangevallen en gewijzigd werd.
[82] Zie Exodus IV vs. 21 Jos. XI vs. 20. Rom. XI vs. 8-10. I vs. 28, IX vs. 17.
[83] Koran V vs. 18, XIII vs. 30, 31, XLVII vs. 18, XVIII vs. 53, XVI vs. 38.
[84] Makrizi bij de Sacy, Religion des Druzes I. Introduction p. IX-XII.
[85] Zie Muradgea, d'Ohsson, schildering van het Ottoman rijk; vertaling van Beck, I bldz. 99-101.
[86] Zie XVIII vs. 110, XXI vs. 94, XXII vs. 14, 23, en 49, V vs. 12, LXXIX vs. 38-41. LXXIV vs. 42-47, LXIX vs. 21-34, enz.
[87] Zie Marraccius, bladz. 837.
[88] Aangezien de Arabieren een zuiver maanjaar hebben, valt natuurlijk de Ramadhan afwisselend in alle jaartijden.
[89] Koran of cour'an is lezing. Al is het voorzetsel de; boek, of boek bij uitnemendheid. Men noemt den Koran ook wel el kit‚b het boek; kitub-oullah, Gods boek, kelimet-oullah, Gods woord; el tenzil, het boek van boven nedergedaald; el dhikr waarschuwing; el forkan onderscheiding (tusschen het niet verbodene en het verbodene, het goede en het slechte); el mos'haf (wetboek bij uitnemendheid).
[90] Dit eerste hoofdstuk wordt al F‚tehat, of Fatihat el kitab, genoemd; hoofdstuk waarmede het boek geopend wordt. Men noemt het ook sab'ol messani, de zeven herhaalde (verzen); want de Muzelmannen spreken het meer uit dan de andere gebeden, en schrijven er de wonderbaarlijkste deugden aan toe. Zij betitelen het met verschillende grootsche namen als: het hoofdstuk des gebeds, des lofs, van dank, enz. Zij beschouwen het als den zakelijken inhoud van den geheelen Koran, en verhalen het dikwijls in hunne aandachtsoefeningen, zoowel in het openbaar als in hunne afzondering; even als de R.C. Christenen het Onze Vader.
[91] Dit staat boven ieder hoofdstuk van den Koran, behalve boven het negende. De Mahomedanen spreken het uit als zij een dier slachten, bij het begin van hun gebed en bij alle belangrijke handelingen. Het is bij hen wat het teeken des kruises bij de R.C. Christenen is. Hoewel de hierboven gegeven vertaling het verschil tusschen de beide Arabische woorden niet genoeg aanduidt is die echter de meest gebruikelijke.
[92] De oorspronkelijke woorden luiden, letterlijk vertaald: Heer der werelden, hoewel ‚lamina hier en in de andere hoofdstukken van den Koran eigenlijk de drie soorten van redelijke schepselen beteekent; zijnde: menschen, geniÎn en engelen. Savary vertaalt het: "Vorst der werelden."
[93] De profeten en de godsgezanten die Mahomet vooraf gingen.
[94] Hiermede worden de Joden en Christenen bedoeld, voor zij van hunne primitieve instellingen afweken, maar niet de tegenwoordige belijders van den laatstgenoemden godsdienst die van de ware leer van Jezus zijn afgeweken en in een doolhof van dwaling verward zijn (Jallalo'ddin, Al Beiddawi, enz.).
[95] Dit hoofdstuk werd de Koe genoemd, omdat daarin, onder anderen, van de roode koe sprake is, die Mozes den kinderen IsraÎls gebood te slachten.
[96] Een groot deel der hoofdstukken van den Koran dragen als titel, of in het eerste vers, eenige afzonderlijk staande letters. Naar de Mahomedanen gelooven, zijn het de bijzondere teekenen van den Koran, die vele diepe geheimen verbergen; welker ware beteekenis nog aan geen sterveling is geopenbaard, behalve aan hunnen profeet. Eenigen zeggen, dat het beteekent Allah latif magid: God is genadig en moet verheerlijkt worden; of Ana bi mihi, aan mij en van mij, of Ana Allah ‰lan, ik ben de wijste God. Anderen weder zeggen, dat Amur li Much is eene verkorting van Amur li Mahomet (zeide mij Mahomet), en dat het door den schrijver van Mahomet er bijgevoegd zou zijn.
[97] Eigenlijk beteekent dit de zaken die afwezig, op een grooten afstand, of onzichtbaar zijn, zoo als: het paradijs, de hel, de opstanding en al wat op het punt van godsdienst, bovenzinnelijk is.
[98] De Muzelmannen gelooven dat God niet alleen geschreven openbaringen heeft gegeven aan Mozes, David, Jezus en Mahomet, maar ook aan vele anderen profeten (zie Reland, de Relig. Mohan, bladz. 34 en Dissert. de Samaritanis, pag. 34. enz.) maar zij herkennen geen die, den Koran voorafgegaan zijnde, thans voorhanden zijn, uitgenomen den Pentateuchus van Mozes, de psalmen van David en het evangelie van Jezus, welke, naar zij nog zeggen, voor Mahomets tijd door de Joden en Christenen bedorven en vervalscht zijn, waarom zij dan ook onze tegenwoordige afschriften daarvan voor onecht verklaren.
[99] Het oorspronkelijk woord al-‚kherat beteekent eigenlijk het laatste gedeelte eener zaak, en overdrachtelijk het toekomstige leven, de laatste of toekomstige toestand na den dood, en is het tegenovergestelde van aldonya, deze wereld, en aloula het tegenwoordige leven. Het hebreeuwsche woord 'hryt">'Hryt (acharith), van denzelfden stam, wordt door Mozes in die beteekenis gebruikt, en is met de woorden: laatste einde vertaald (Numeri XXIV : 20, Deuter. VIII : 16).
[100] Overal in den Koran, bedoelt Mahomet met de menschen wier harten door ziekte zijn aangedaan, de huichelaars, of de menschen van een twijfelachtig en wankelend geloof. Hier en elders volgt hij dikwijls de andere gewijde schrijvers na, met God de bekeering der boozen te doen voorkomen, door op den geest van deze te werken.
[101] Wij hebben het arabische woord ressoel, bode, afwisselend door profeet, gezant of bode vertaald.
[102] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: Verderft toch niet op de aarde: waaronder door sommigen misdaden, als: roof, geweld, ongebondenheid en afgodendienst, door anderen de verbreiding eener valsche leer en het bederven van de grondbeginselen des volks wordt verstaan. Om het contrast des te beter te doen uitkomen tusschen dezen zin en die waarmede het vers wordt besloten, zou men dit laatste moeten vertalen met de woorden: Verre van dat; wij verbeteren, of, gelijk anderen dit doen, met de woorden wij zijn hervormers, die door leer en voorbeeld ware vroomheid bevorderen.
[103] De eerste metgezellen en volgelingen van Mahomet (Jallalo'ddin).
[104] Letterlijk vertaald zou dit moeten luiden: met hunne duivelen. Het arabische woord cheÔtan, satan wordt niet alleen gebruikt voor satan of duivel: hier doelt het op de joodsche en christelijke geestelijke. Mahomet maakt hier gebruik van het recht, dat de ijveraars voor de meeste godsdiensten zich toeÎigenen, om de belijders van andere godsdiensten te smaden.
[105] Hier vergelijkt Mahomet hen, die niet in hem gelooven, bij dengeen, die een vuur tracht te ontsteken, doch die zijne oogen sluit; opdat hij het niet zie, zoodra het opvlamt en licht geeft.
[106] De tekst schijnt hier onvolmaakt te zijn, en aangevuld te moeten, worden met de woorden: hij wendt zich af, hij sluit zijne oogen of iets dergelijks.
[107] De uitleggers geven aan deze woorden de beteekenis van: zij zullen zich niet bekeeren.
[108] Hier vergelijkt Mahomet de ongeloovige Arabieren bij menschen, die in een vreeselijken storm zijn. Om de schoonheid van deze vergelijking te begrijpen, moet men weten; dat de mahomedaansche leeraren zeggen, dat het onweder een afbeelding of beeld van den Koran zelf is; de donder beteekent de bedreigingen die in dat boek voorkomen, het weÍrlicht de beloften en de duisternis de mysteriÎn. De angst voor de bedreigingen doen hen hunne ooren dicht stoppen; als de beloften hun worden voorgelezen, wachten zij met genoegen: maar wanneer er iets geschiedt, dat geheimzinnig of moeielijk te gelooven is, staan zij stil, en willen zich niet er aan onderwerpen, geleid te worden.
[109] Als een prediker in de moskee, of een Arabisch redenaar het volk aanspreekt, gebruikt hij de woorden: o Menschen, d.i. o, gij, die naar mij luistert. Op dezelfde wijze worden die woorden in den Koran niet gericht tot alle menschen, tot de stervelingen, maar tot de bewoners van Mekka of van Medina, voor welke Mahomet predikte. Al het gesprokene van Mahomet, zijne leerstellingen, enz. bezitten het eigenaardige, dat zij van een actuÎle en beperkte toepassing op de volkeren van ArabiÎ zijn, zonder zich over de andere volkeren, kortom over de geheele menschheid uit te strekken. De uitleggers doen echter opmerken, dat de woorden: "o Menschen!" meer bijzonder op de bewoners van Mekka zijn toegepast, terwijl de bewoners van Medina met de woorden: o geloovigen, o gij, die gelooft, worden aangesproken. De bewoners der stad van Mahomet volhardden nog in den afgodsdienst, toen de bewoners van Medina, reeds den nieuwen profeet hadden aangenomen.
[110] Volgens sommigen: uwe valsche goden of afgoden. Gewoonlijk worden echter de woorden min douni-'illahi vertaald met: behalve God. Mahomet beschuldigt de Arabieren niet, uitsluitend en volstrekte goden te aanbidden maar onder Gods leer, die van andere godheden te mengen. Even zoo stemden de helden der klassieke oudheid er gaarne in toe, den God der Christenen en zijn Zoon onder de godheden van den Olympus te plaatsen, maar niet om hun veelgodendom geheel op te offeren. Dit spruit uit verschillende plaatsen van den Koran voort, waar de afgodendienaars geacht worden de werking van het Opwezen te erkennen.
[111] D.i. de steenen afgodsbeelden.
[112] Sommige uitleggers (o.a. Jallalo'ddin) komen met die verklaring overeen, veronderstellende, dat de vruchten van het paradijs, hoewel van verschillende grootte, nochtans in kleur en uiterlijk aanzien overeen komen.
[113] De Arabieren verweten Mahomet, onder de ernstige leeringen beelden uit platte zakken te mengen; Mahomet verdedigt zich hier tegen dit verwijt.
[114] Betreffende de schepping van Adam, hier bedoeld, hebben de Mahomedanen verschillende bijzondere overleveringen. Zij zeggen dat de engelen GabriÎl, MichaÎl en Israfil, de eene na den andere, door God werden gezonden, om, voor dat doel, zeven handen aarde van verschillende diepten en kleuren te halen (voor de verschillende menschenrassen volgens Al Termedi, naar eene overlevering van Abu Musa al Ashasi), maar de aarde voor de gevolgen vreezende, en begeerende, dat zij God hare vrees zoude voorstellen, dat het schepsel hetwelk God had geboden te vormen, tegen Hem zou opstaan en Zijne vervloeking op haar zou nederzenden, keerden de engelen terug, zonder Gods bevel te volbrengen, waarop Hij AzraÔl met denzelfden last nederzond, die de opdracht zonder wroeging volbracht: weshalve God dien engel opdroeg, de zielen van de lichamen te scheiden. Hij werd daarom de engel des doods genoemd. De aarde die hij had genomen, was in ArabiÎ gehaald, op eene plaats tusschen Mekka en TaÔf, waar zij, na eerst door de engelen gekneed te zijn, door God zelf tot een menschelijken vorm werd gebracht, en gedurende veertig dagen, of, zoo als andere zeggen, een aantal jaren, daar werd gelaten om te drogen (vergelijk den Koran 45e hoofdstuk). In dien tusschentijd werd deze dikwijls door de engelen bezocht, en door Eblis, later duivel, toen een der engelen, die het dichtst bij Gods tegenwoordigheid zijn geplaatst als de anderen. Deze echter, niet tevreden dit te zien, schopte den vorm met den voet, tot hij geluid gaf, en wetende dat God dit schepsel had bestemd om zijn beheerscher te zijn, nam hij een geheim besluit, het nimmer als zoodanig te erkennen. Hierna bezielde God de kleivorm, en beschonk hem met eene verstandelijke ziel: en toen hij hem in het paradijs had geplaatst vormde hij Eva uit zijne linkerzijde. (Khond Amir, Jallalo'ddin Comment, in Coran, enz. d'Herbelot. Biblioth. Orient bladz. 55).
[115] Het oorspronkelijke woord beteekent eigenlijk nedervallen, tot het voorhoofd den grond rake, dat de nederigste houding bij bewondering is, en hetgeen men, strikt genomen, alleen aan God zou verplicht zijn; maar somtijds wordt het in plaats daarvan gebruikt, om de burgerlijke achting of hulde uit te drukken, welke men schepselen bewijst (Jallalo'ddin).
[116] Dit feit van den val des duivels heeft eenige overeenkomst met eene meening, die onder de Christenen reeds velen heeft bezig gehouden (Irenaeus, Lact, Greg. Nyssen, enz.) zijnde, dat eenige van de engelen, onderricht van Gods voornemen, om den mensch naar zijn beeld te vormen, en de menschelijke natuur tot waardigheid te verheffen, door die Christus te doen toeÎigenen, dachten, dat hunne glorie daardoor zou worden verduisterd; derhalve het geluk van den mensch benijdden, en dus opstonden. Ook moet men wel opletten, dat in het vorige vers Mahomet zelf spreekt, of de woorden van den engel GabriÎl herhaalt. In dit vers wordt God zelf geacht te spreken. Deze plotselinge verandering van persoon komt ieder oogenblik in den Koran voor, niet alleen in de verschillende verzen, maar zelfs in dezelfde zinsnede. Daardoor zal de lezer kunnen oordeelen over de wanorde, die door deze verandering in de volzinnen wordt veroorzaakt.
[117] Blijkens hetgeen thans volgt, plaatst Mahomet dezen tuin, of dat paradijs, niet op de aarde, maar in den zevenden hemel (Zie Marracc. in Alc. bladz. 24).
[118] Omtrent dezen boom, of de verboden vrucht, is de meening der Mohamedanen even als die der Christenen verschillend. Sommigen zeggen, dat het een korenaar was; anderen willen, dat het een vijgenboom zou zijn geweest, en anderen weder een wijnstok (zie Marracc. in Alc. bladz. 22). Het verhaal van den val wordt zonder verdere omstandigheden in het begin van het 7e hoofdstuk verhaald.