De Koran Voorafgegaan door het leven van Mahomed, eene inleiding omtrent de Godsdienstgebruiken der Mahomedanen, enz.

Part 72

Chapter 723,520 wordsPublic domain

Boelgarije, het tweede land, dat na 1878 aan de mogendheden en aan de Porte moeilijkheden te over bezorgd heeft, kreeg in 1879 den door het Sobranje gekozen Alexander van Battenberg, een neef van de Russische keizerin, tot vorst. Hij was de candidaat van Rusland geweest, dat door hem den grooten invloed, dien het zich door de gebeurtenissen van 1877 verworven had, hoopte te behouden. Maar het tegendeel was het geval. Er ontstond een streven, om zich van Rusland's overwicht vrij te maken, en Alexander van Battenberg bevorderde dit streven, waarom hij Rusland's gunst verloor. Dit ondervond hij, toen in 1885 de Oost-RoemeliÎrs, natuurlijk niet tevreden met den hun vanwege de Porte gezonden gouverneur, in opstand geraakten te Philippopel en Alexander als vorst erkenden, waardoor feitelijk toch de vereeniging van Boelgarije en Oost-RoemeniÎ tot stand kwam. Hiertegen verzette zich in de eerste plaats koning Milan van ServiÎ [2339], die door de uitbreiding van Boelgarije het Balkan-evenwicht verstoord achtte. ServiÎ en Boelgarije begonnen een oorlog, waarin Alexander van Battenberg glansrijk overwon. Het tusschenbeiden komen van Oostenrijk, dat ServiÎ hulp dreigde te verleenen, redde dit laatste land. Echter baatte zijne overwinning vorst Alexander niet: ofschoon de andere mogendheden en ook de sultan geen overwegend bezwaar tegen Alexander's regeering over Oost-RoemeliÎ, hoewel dan in kwaliteit van gouverneur, maakten, weigerde Rusland hardnekkig er in toe te stemmen; het wilde zich houden aan het verdrag van Berlijn! Die houding van Rusland had zijn terugslag in de binnenlandsche aangelegenheden van het vorstendom. Een militaire samenzwering werd gesmeed en vorst Alexander buiten zijn vorstendom gevoerd, maar hij keerde terug en vond bij de niet-Russische partij aanhang genoeg om zich staande te houden. Toen trachtte hij zich met keizer Alexander†III te verzoenen, maar deze was onvermurwbaar; hij verklaarde zich van elke bemoeiÔng met Boelgarije te zullen onthouden, zoolang Battenberg er vorst bleef. Deze deed daarna vrijwillig afstand van den troon (1886). Maar Rusland profiteerde er niet bij, want de anti-Russische partij kwam aan het roer met Stamboelow als president van een regentschap en deze helderziende, maar heerschzuchtige staatsman was een verklaard vijand van den Russischen invloed: hij wilde Boelgarije geheel zelfstandig maken. Een nieuwen vorst vond men na eenig zoeken in den Duitschen prins Ferdinand van Saksen-Coburg (1887). Dit was geschied geheel buiten de mogendheden en den sultan om. De meesten dezer verzetten zich niet tegen het fait accompli; de sultan liet een zwak protest hooren. Rusland alleen begon een dreigende houding aan te nemen, maar de voor vorst Ferdinand en de Boelgaarsche regeering zeer gunstige houding van Oostenrijk, dat altijd den Russischen invloed op den Balkan tegenging, weerhield Alexander†III van feitelijke inmenging. Het heeft echter nog jaren geduurd, vÛÛrdat Rusland den nieuwen staat van zaken erkend heeft. Dit is eerst mogelijk geworden na de vermoording van Stamboelow, die in 1895 als slachtoffer van zijne heerschzucht viel. De toenadering had plaats onder keizer Nicolaas†II, die in 1896 als peet van Ferdinand's zoon Boris, opgevoed in de Grieksch-Katholieke kerk, optrad. Dat was de officieele verzoening en spoedig daarna werd Ferdinand in zijne dubbele kwaliteit als vorst van Boelgarije en gouverneur-generaal van RoemeliÎ door de Porte en door alle mogendheden erkend.

Nu Oost-RoemeliÎ feitelijk met Boelgarije vereenigd was, sprak het van zelf, dat ook bij de MacedoniÎrs de wensch naar bevrijding te sterker werd. Het uitblijven van de noodige hervormingen heeft ook hun een gereede aanleiding verschaft om op te staan, maar de kwestie werd hier bijzonder moeilijk. MacedoniÎ heeft een zeer gemengde bevolking; er is geen sprake van ÈÈn volk, dat naar vrijheid streeft, men heeft hier rekening te houden met verscheidene nationaliteiten: Boelgaren, Grieken en ServiÎrs, waarbij dan nog een groot aantal Turken komen. Wat moest er met MacedoniÎ gebeuren, als het van het Turksche gezag bevrijd werd? Moest het een zelfstandige staat vormen? Maar daarvÛÛr was het niet genoeg ÈÈn natie. Moest het Boelgaarsch worden? Maar dit wilden de Grieken en de ServiÎrs niet. MacedoniÎ werd het terrein, waar de rivaliteit der Balkan-staten onderling, die alle groote begeerten hadden in herinnering aan vroegere idealen, zich openbaarde. De Porte maakte er van gebruik hen tegen elkander uit te spelen door er dan de ÈÈn en dan de ander voordeelen, bep. op kerkelijk gebied, te verleenen. De MacedoniÎrs trachtten tevergeefs een eigen bestaan als staat te verwerven. Hunne organisatie hiertoe werd door Turkije vernietigd. Toen kwam het tot meerdere opstanden en veel strijd, waarin tevens de Balkanvolkeren feitelijk elkander bevochten. In 1903 werd de crisis zeer acuut. De steun, dien de opstandelingen ontvingen uit Boelgarije, scheen een oorlog tusschen dit land en Turkije ten gevolge te zullen hebben. Toen kon men hooren, dat Griekenland neiging toonde Turkije te gaan ondersteunen tegen de Bulgaren, natuurlijk niet uit pure liefde voor de Porte! Het kwam echter niet tot openlijken oorlog. De mogendheden gaven duidelijk genoeg te kennen, dat zij niet van zins waren zich met geweld in dit wespennest te steken. Zij, bep. Oostenrijk en Rusland, ditmaal broederlijk samengaand, sloegen den reeds zoo vaak gebruikten weg in en boden den sultan een programma van hervormingen aan, welke stap ondersteund werd door de andere mogendheden. De Porte nam dit programma aan, Boelgarije stelde er zich voorloopig tevreden mede en ging afzonderlijk met den sultan een overeenkomst aan over het terugbrengen van groote aantallen Macedonische vluchtelingen uit Boelgarije naar hun land. Er werd o.a. een gendarmerie onder een Europeesch officier en onder toezicht der mogendheden ingesteld tot handhaving der orde. Men hoopte op een dergelijken toestand als op Kreta, maar kwam hier bedrogen uit. De onderlinge bestrijding der Balkan-volkeren in MacedoniÎ duurde voort, werd eigenlijk al erger. En de mogendheden lieten het verder begaan evenals Turkije. Men zou zoo denken, dat deze zaak Turkije buitengewoon ter harte moest gaan, want, verloor het op de een of andere manier MacedoniÎ, dan bleef van het gebied in Europa maar heel weinig over en bovendien werd dit gebied dan in twee niet aan elkander grenzende helften verdeeld! De gelijkenis werd al grooter met den omvang, dien het Grieksche rijk in den laatsten tijd van zijn bestaan had. Een bedenkelijk verschijnsel, maar dat de regeering van Abdoel-Hamid niet tot flink ingrijpen bracht. Het is uiterst merkwaardig, hoe lijdelijk deze sultan zag gebeuren, wat er om hem heen voorviel. Zeker, hij was, zegt men, een meester in de kunst der diplomatie, hij wist van de oneenigheden der groote mogendheden en der Balkanstaten een handig gebruik te maken. Maar hiermede redde hij zijn land niet. Hij hield zich krampachtig vast aan het absolutistisch rÈgime, dat hij van meet af had begunstigd. Onder zijne regeering had de hervormingspartij niets te verwachten. De geest, die een oogenblik gevaren was in het bestuur ten tijde van Fuad-pacha en Ali-pacha, vervloog geheel. De op hervormingen beluste partij deed zich wel eenigszins krachtiger gelden, maar werd op de geniepigste wijze vervuld. Meer en meer deed Abdoel-Hamid zich kennen als een argwanend en listig despoot, die van zijne onderdanen sterk vervreemdde. Het is voor ons, Westerlingen, haast onbegrijpelijk, dat men den man zoo lang heeft laten begaan. Het Turksche volk is wel zeer apatisch en het stelt de persoon van zijn heerscher wel bizonder hoog!

De teekenen der tijden waren overigens zoo duidelijk. Niet alleen in Europa, ook daar buiten brokkelde het rijk af of dreigde dit te doen. Van het gebied in Afrika en AziÎ was in den loop der negentiende eeuw heel wat afgevallen. Algiers werd een Fransche kolonie (1838), Tunis nam een Fransch protectoraat aan (1881). Dit verlies is wel zoo heel groot niet, omdat die beide landen evenals Tripoli zich nooit veel om het gezag van den sultan bekommerd hadden. Maar anders was ÈÈnmaal het geval in Egypte en ook dit land, dat reeds onder Mehemet-Ali een groote mate van zelfstandigheid gekregen had, ontsnapte, sedert Engeland in binnenlandsche ongeregeldheden een aanleiding vond het te bezetten (1822), geheel aan de Turksche heerschappij. De Engelsche "occupatie" heette tijdelijk, een Europeesche commissie kreeg toezicht op het financieel beheer, maar niemand heeft verwacht, dat Engeland met zijn voortdurend aanwassende belangen in Egypte en in geheel Afrika het Nijldal ooit weÍr zou ontruimen. In AziÎ heeft Rusland de Turken in het Kaukasusgebied en in ArmeniÎ een heel eind teruggedreven, maar elders staat de Turksche heerschappij in AziÎ nog uiterlijk ongeschonden. Zal dit nog lang duren? Er is ÈÈne kwestie, de Armenische, die in Klein-AziÎ voortdurend de rust bedreigt. Op schandelijke wijze zijn de Roomsch-Katholieke ArmeniÎrs meermalen, v.n. in 1894-1896, door de Turken mishandeld; de tooneelen, die in Boelgarije zoo sterk de aandacht van geheel Europa trokken, werden hier herhaaldelijk vertoond; duizenden ArmeniÎrs werden door CircassiÎrs en Koerden vermoord. Herhaaldelijk werd de Porte aangespoord deze gruwzame vervolging te staken. Te Berlijn was in 1878 ook deze kwestie ter sprake gebracht en Turkije legde heel gewillig beloften tot verbetering af. Het bleek echter spoedig, dat, wilde men iets bereiken, ook hier een andere weg zou moeten worden ingeslagen. De groote moeilijkheid was: welke? Van hun naasten beschermer, Rusland, waren de ArmeniÎrs, als Roomsch-Katholieken, bitter weinig gediend; de ondervinding, door die ArmeniÎrs opgedaan, die onderdanen zijn geworden van den Russischen keizer, schijnt weinig bemoedigend. Dan maar Amerikaansch, denken de ArmeniÎrs, die, ook bewerkt door Amerikaansche zendelingen, eenige jaren geleden werkelijk neiging vertoonden de Amerikaansche nationaliteit aan te nemen. Het sprak van zelf, dat de Porte dit trachtte tegen te werken, en dien ten gevolge ontstonden zelfs enkele malen kleine verwikkelingen tusschen de groote Republiek aan de overzijde van den Oceaan en Turkije; in 1904 vertoonde een Amerikaansch eskader, in naam om een schuldeischerskwestie, zooals verschillende mogendheden die bij de slecht van geld voorziene Porte meermalen hebben, de vlag van de Republiek in de haven van Smyrna. Verdere gevolgen heeft dit echter niet gehad. Maar evenmin hebben de Europeesche mogendheden deze aangelegenheid definitief kunnen regelen.

In het begin der 20ste eeuw wordt het beeld van den "zieken man" al meer geaccentueerd. Overal verval, overal ontbinding. In den Balkan zelf lieten zich enkele stemmen hooren, dat de Balkan-staten van Christelijken huize zich moesten aaneensluiten, om aan het lijden een einde te maken. Rusland begon zich na de zware nederlaag, die het in den oorlog met Japan van 1904-1905 in Oost-AziÎ geleden had, ten gevolge waarvan het zich wat uit de Aziatische Zaken terugtrok, opnieuw, in sterkere mate dan het na 1878 gedaan had, met den Balkan te bemoeien, natuurlijk niet in voor Turkije gunstigen zin. Op een beschermen bij een ernstige crisis kon de sultan niet meer zooals vroeger hopen. Dit was een gevolg van de veranderde Europeesche politieke verhoudingen. Deze hadden na het uiteenvallen van den driekeizersbond, gevolg van de anti-Russische houding van Duitschland en Oostenrijk beide op het congres van Berlijn, geleid tot de vorming van een drievoudig verbond van de twee laatstgenoemde landen en ItaliÎ eenerzijds en het tweevoudig verbond van Rusland en Frankrijk anderzijds, terwijl Engeland zich, uit vrees voor het vooral in economisch opzicht steeds sterker wordende Duitschland, bij de twee laatste mogendheden aansloot (de entente). Het haast noodzakelijk gevolg van deze Engelsch-Fransch-Russische entente was, dat verwacht mocht worden, dat Turkije door Engeland niet meer beschermd zou worden. Wel bleef voor Oostenrijk-Hongarije alle reden bestaan voor het behoud van den status quo te ijveren, terwijl Duitschland, niet alleen als bondgenoot van dit land, maar ook om de belangen, die het zelf in het Oosten begon te krijgen, neiging vertoonde den Sultan de hand boven het hoofd te houden. Keizer Wilhelm†II wijdde door zijne reis naar Zuid-Oost-Europa en SyriÎ in 1900, een op zich zelf eenig verschijnsel, deze politiek als het ware in. De concessie voor den belangrijken spoorweg door Klein-AziÎ naar Bagdad aan een Duitsch syndicaat werd er stellig door bevorderd. Deze en andere economische voordeelen, aan Duitschers in Klein-AziÎ verleend, werkten ook weÍr de zich overal openbarende tegenstelling van Duitschland en Engeland in de hand. Toch mocht niet met zekerheid verwacht worden, dat Turkije aan Oostenrijk en Duitschland zoo goede helpers zou hebben, als het in den Krimoorlog aan Engeland en Frankrijk gehad had. Het blijkt volstrekt niet, dat Abdoel-Hamid†II zich van de veranderde omstandigheden iets aantrok en daarnaar zijne maatregelen nam. Trouwens, ten opzichte van den Balkan deden de geschillen tusschen de beide groepen van Europeesche mogendheden zich eerst niet zoo heel sterk gevoelen. In MacedoniÎ, op Kreta werkten ze zelfs taliter qualiter samen.

Evenmin als ten opzichte van Turkije manifesteerde zich in den aanvang der 20ste eeuw duidelijk een verschillende politiek der beide groepen van mogendheden ten opzichte van de overige Balkan-staten. Wel waren Oostenrijk en ServiÎ op den duur van elkander vervreemd, v.n. onder de regeering van koning Peter uit het geslacht der Karageorges, dat n· den moord op den laatsten der Obrenowitch, koning Alexander, en diens gemalin, koningin Draga (1903), opnieuw aan de regeering gekomen was. ServiÎ en Rusland, dat van ouds in Montenegro een trouwen bondgenoot had, naderden daarentegen tot elkander. In het eerste land ontstond de hoop, dat de ServiÎrs in BosniÎ en Herzegowina nog eenmaal van Oostenrijk bevrijd zouden worden; een groot-Servisch rijk zou misschien met Russische hulp kunnen ontstaan. Voor Oostenrijk beteekende dit een groot gevaar, want een groot-Servisch rijk, dat zich wellicht tot de Adriatische Zee zou gaan uitbreiden, zou het in het Zuiden op zeer ernstige wijze bedreigen. RoemeniÎ was na 1878 vrij sterk tegen Rusland ingenomen en had met Oostenrijk een verbond gesloten. Van Bulgarije mocht men, nu ServiÎ den Russischen kant opging, verwachten, dat het zich eer bij Oostenrijk zou aansluiten. Ook dit alles ging buiten de Turksche regeering om, die--om MacedoniÎ--Bulgarije misschien het allerslechtst gezind was, zonder dat het daarom op vriendschappelijken voet met de andere staten stond.

"Drijvend" mag men het Turksche rijk in Europa, als een schip zonder zeilen of riemen en roer noemen. EÈn duw, ÈÈn groote crisis--en het ware gedaan geweest. Maar daarvÛÛr kwam een revolutie in het rijk zelf, waarvan men ook nu nog niet kan zeggen, of zij het dreigend gevaar voor ondergang heeft voorkomen. Hebben de Jong-Turken--want hun opstand van 1908 bedoelen wij--de kracht gevonden het verval te beÎindigen? De zeer gecompliceerde geschiedenis na 1908 tot nu geeft nog geen recht deze vraag ontkennend of bevestigend te beantwoorden. Wij vertellen deze geschiedenis, blijvend binnen ons korte bestek, het best is een aanhangsel, het aan de toekomst overlatend te beslissen, of dit aanhangsel nog moet worden ingelascht bij ons lange hoofdstuk over het verval van het Turksche rijk dan wel of het het begin moet worden van een nieuw hoofdstuk, waaraan pas later een titel gegeven kan worden.

AANHANGSEL.

Van de Jong-Turken maakten wij in ons verhaal nog slechts terloops melding. Zij vormden vÛÛr 1908 geen kracht van beteekenis in het rijk. Velen der hervormingsgezinden, die vooral vÛÛr 1878 van zich hadden doen hooren, waren onder het rÈgime van Abdoel-Hamid gedwongen het land te verlaten. Zij leefden als ballingen in de Westersche wereld, vooral te Parijs, en maakten in ruime mate kennis met Westersche wetenschap en Westersche cultuur. De denkende koppen onder hen beraamden programma's van hervormingen. Zij dweepten niet als de vroegere Jong-Turken met het West-Europeesche parlementaire systeem, oordeelende, dat die voor een zeer gecompliceerden staat als den Turkschen minder zou deugen. Zij voelden het meest voor een Republiek, maar aanvaardden de constitutioneele monarchie als overgangssysteem, als eerste stadium voor den nieuwen tijd. Hoofdzaak was: aan de absolute regeering van Abdoel-Hamid een einde te maken. Het duurde vrij lang, voordat het Turksche volk, zoo phlegmathiek van aard, zelfs deze regeering moede werd. De Jong-Turken zochten hun aanhang vooral in het leger en langzamerhand kreeg de propaganda van het door hen gestichte comitÈ voor Unie en Vooruitgang hier invloed, bepaaldelijk onder de troepen, die in MacedoniÎ waren bijeengetrokken. Moeilijkheden van den sultan met de Albaneezen gaven toen in 1908 het sein tot het uitbreken van een militairen opstand onder dezen.

In Juli van dit jaar proclameerden het pas genoemde comitÈ en eenige Jong-Turkschen officieren in MacedoniÎ het herstel van de constitutie van 1878. Van AlbaniÎ uit werd hierop bij den sultan aangedrongen. Abdoel-Hamid, bevreesd voor een opmarsch der troepen naar Constantinopel, voorkwam het gevaar door toe te geven: Op den 24sten Juli decreteerde hij zelf, dat de constitutie hersteld was. Een volksvertegenwoordiging werd meteen samengeroepen. Nu werd het een uitbundige vreugde in den Balkan, voor zoover nog onder Turksch bewind. Men meende, dat een geheel nieuw vooruitzicht zich opende en dat de Macedonische en andere kwesties van zelf zouden verdwijnen. Christenen en Mohammedanen waren gelijk. Hun algeheele verbroedering was aanstaande. Het verleden kon vergeten worden....

Te midden van den jubel deden zich twee onaangename tonen hooren. In October verklaarde keizer Frans Jozef, dat hij BosniÎ en Herzegowina annexeerde en dus de tijdelijke occupatie in een definitieve veranderde, terwijl hij het Sandsjak van Novi-Bazar aan Turkije teruggaf. Ongeveer tegelijkertijd proclameerde vorst Ferdinand van Boelgarije zich tot tsaar van dit land en Oost-RoemeliÎ beide: hij ontdeed zich dus van de Turksche suzereiniteit. Feitelijk veranderde dit niet veel aan den bestaanden toestand. Er was eigenlijk niemand, die nog verwachtte, dat Oostenrijk-Hongarije de geoccupeerde gewesten ooit vrijwillig zou teruggeven of dat vorst Ferdinand Oost-RoemeliÎ zou ontruimen. De nieuwe staatsrechtelijke toestand in Turkije, die ook voor de nog slechts in naam Turksch heetende gebieden gevolgen zou kunnen hebben, had voor Oostenrijk en Boelgarije, die hier niet zonder onderling overleg gehandeld hadden, de gelegenheid geschapen, om den vorm van het bezit te wijzigen. Het meeste verzet tegen deze formeel-rechtelijk niet te billijken handelingen kwam van de zijde der entente-mogendheden, v.n. van Engeland en Rusland, terwijl in ServiÎ een zeer scherpe beweging tegen de annexatie ontstond. Ook ItaliÎ, waar de publieke opinie Oostenrijk gemeenlijk weinig goed gezind was, toonde er zich allerminst mede ingenomen; de regeering, ofschoon vasthoudend aan het drievoudig verbond, deed het voor Oostenrijk minder aangename voorstel een Europeesche conferentie samen te roepen, om de zaken op den Balkan opnieuw te regelen. In dezen tegenstand openbaarde zich eigenlijk de Europeesche verhoudingen: de gebeurtenissen op den Balkan gaven er slechts de aanleiding toe, dat de beide Europeesche staten-groepen elkander haast in de haren vlogen. Duitschland schaarde zich zonder voorbehoud aan de zijde van zijn bondgenoot. Een groote Europeesche oorlog heeft toen zeer ernstig gedreigd. Het schijnt, dat vooral Rusland, dat zich militair nog niet voldoende hersteld had, niet met kracht heeft durven doortasten. Tot vermindering van de spanning, die sedert October 1908 in Europa heerschte, droeg veel bij, dat Oostenrijk-Hongarije er in slaagde Turkije te bewegen zich in het fait accompli te schikken. Hier was de beweging tegen de annexatie lang niet zoo heftig geweest als in de landen der entente, en in ServiÎ. De regeering had geprotesteerd en er was een boycotbeweging in enkele Turksche havens ontstaan. Ernstigeren vorm had het conflict niet aangenomen. En Abdoel-Hamid bleek spoedig bereid voor de betrekkelijk aanzienlijke schadeloosstelling van 2-1/2 millioen Turksche ponden zijne souvereine rechten--rechten, die alleen nog in naam bestonden!--af te staan; hij bedong bij de voor hem lang niet onvoordeelige overeenkomst van Februari 1909 nog bovendien, dat zijne geestelijke rechten als khalief over de Mohammedanen in de beide gewesten, ten deele althans, bewaard bleven en dat Oostenrijk de toezegging deed er toe te zullen medewerken, dat de nog altijd bestaande capitulatiÎn der vreemde mogendheden zouden opgeheven worden. Kort daarna erkende de sultan bij een overeenkomst met Boelgarije ook den nieuwen stand van zaken hier. Zij was mogelijk geworden, doordat Rusland aanbood de 5 millioen Turksche ponden, die het nog van Turkije te eischen had als rest van de oorlogsschatting van 1878, aan dit land kwijt te schelden, terwijl Boelgarije zich verplichtte 3 millioen dergelijke ponden aan Rusland te betalen. Ook hier deed de sultan geen onvoordeelige zaken. Een afzonderlijke regeling werd getroffen over de belangen der Mohammedanen in Boelgarije. Na deze schikkingen luwde de storm in Europa. Het laatst moest ServiÎ zich gewonnen geven. Oostenrijk eischte van dit land toen de uitdrukkelijke belofte, dat het zich bij de annexatie neerlegde. Maar de goede verhouding keerde niet terug; de tegenstellingen waren hier en elders in Europa door deze gebeurtenissen veeleer verscherpt.

Deze voor het enthusiasme, door de Jong-Turksche revolutie veroorzaakt, minder aangename, maar niet te veel storende geluiden werden spoedig door erger gevolgd. Abdoel-Hamid maakte van de zwarigheden gebruik, om zich aan den invloed van de Jong-Turken te onttrekken. Spoedig na de overeenkomsten met Oostenrijk en Boelgarije waagde hij een staatsgreep; hij wist zich van den steun der Oud-Turken zeker en hoopte op dien van de Liberale Unie, die zich in hare hervormingsneigingen vrij sterk van het onder de Jong-Turken overheerschende comitÈ van Unie en Vooruitgang onderscheidde. In April 1909 werd het parlementsgebouw te Constantinopel door soldaten bezet en het ministerie, toen grootendeels uit voorstanders van het comitÈ bestaande, geheel gewijzigd. Maar onmiddellijk rukte nu het Macedonische leger, dus het leger van de Jong-Turken, naar Constantinopel op en het deed dit onder opperbevel van Mahmoed-Sjefket-pasja in de beste orde. Straatgevechten in de hoofdstad liepen ten voordeele van dit leger af. Nu kwam een nationale vergadering--als hoedanig zich de volksvertegenwoordiging geconstitueerd had--te Constantinopel bijeen. Zij zette Abdoel-Hamid af en proclameerde een jongeren broeder van dezen als Mohammed†V tot diens opvolger. Den gevallen Sultan werd een woonplaats te Saloniki aangewezen; hij behield zijn leven en zijne vrouwen, maar zijn rijkdom werd hem afgenomen. Onder den nieuwen sultan begon de regeering van het comitÈ zelf.