Part 71
De "zieke man" was gered van den ÈÈnen hardvochtigen dokter, die er een eind aan had willen maken. De andere doktoren, die zijn dood niet wenschten, gaven hem tevens heel welwillend de middelen aan de hand om den weg der beterschap op te gaan. Die middelen waren vervat in een door de Turksche regeering op aandrang der mogendheden uitgevaardigd besluit van Februari 1856. Het ging veel verder dan de Tanzimat van 1832. Volkomen staatsrechtelijke gelijkstelling van Christenen en Mohammedanen: genen kregen dus toegang tot alle ambten en de afzonderlijke belasting voor hen werd afgeschaft. Daarnaast een reeks hervormingen. Was het besluit uitgevoerd, een geheel andere toestand zou in het Turkenrijk ontstaan zijn, maar de afwijking van een sedert eeuwen gevolgde binnenlandsche staatkunde, berustende op den Koran, die de Mohammedanen tot een bevoorrechte klasse maakte, ging te ver. De Turken wilden er niet van weten, de Christenen, in het geheel niet belust op het dienen in een leger van den sultan, evenmin. Hoe zouden ook die twee klassen van bevolking, die altijd van elkander afgezonderd geleefd hadden, nu in eens burgers van een zelfden staat kunnen worden! Zoo bleef feitelijk de afscheiding voortduren en de Christenen bleven hun hoofdgeld betalen, hoewel onder een anderen naam en in een anderen vorm, n.l. als afkoopsprijs van militaire verplichtingen. Ook van de andere toegezegde hervormingen kwam weinig in. De beide mannen, die er hun best voor hebben gedaan, Fuad-pacha en Ali-pacha, die beide de Porte vertegenwoordigd hadden op het congres van Parijs, vonden weinig steun bij den sultan Abdoel-Asiz, die in 1861 zijn broeder Abdoel-Medjid opvolgde. Het was meest lapwerk, wat er gebeurde. Op financieel gebied gelukte het Fuad-pacha een grootboek van de nationale schuld te doen instellen en een Ottomansche bank op te richten. Maar het crediet van Turkije was zÛÛ laag, dat het 8 ‡ 12% moest betalen om geld te leenen! Ali-pacha bracht eenige Christenen in den staatsraad, zorgde voor een betere opleiding van ambtenaren, maar o! het gaf alles zoo bitter weinig. Hoe kon het anders met een padishah, die in een oogenblik van zelfinkeer besloot zijn geheelen harem op te heffen, wat een ontzettende bezuiniging gaf, maar wat later er weer een had van negen honderd vrouwen en drie duizend bedienden! En toen Fuad-pacha (1869) en Ali-pacha (1871) gestorven waren, toen triumfeerden de Oud-Turken over de heele linie. Hoe zonderling het moge schijnen, de mogendheden bleven toezien, zelfs toen een door hen ingestelde enquÍte van 1867 volop bewees, dat 1856 grootendeels vergeten was.
Maar wat moesten ze doen? De Turken er gezamenlijk uitjagen, maar wie dan in Contantinopel? Ze zaten in een impasse even goed als de Turken en de Christenen in hunne onderlinge verhouding. De eenig mogelijke verdere afwikkeling van het Balkan-vraagstuk lag in het steeds meer emancipeeren van de Christelijke bevolking. In die richting wilde Rusland werken, toen het na de enquÍte van 1867 den raad gaf de verschillende volkeren zooveel mogelijk autonoom te maken. Ofschoon de mogendheden een dergelijken leiddraad voor een algemeene politiek niet hebben aangenomen, is het Turksche rijk in Europa toch werkelijk in de tweede helft der negentiende eeuw in dien geest meer en meer verzwakt geworden. Rusland, natuurlijk met de bedoeling zich op deze wijze den meesten invloed te verzekeren, is daarbij min of meer openlijk de groote drijfkracht geweest en voorloopig ondersteunde ook Napeleon†III, voor wien het nationaliteitsbegrip een magische aantrekkelijkheid had, na den Krimoorlog deze politiek.
Montenegro heeft daarvan het eerst de goede gevolgen ondervonden. Het was voor de Porte, gegeven de roerigheid onder de Christenen van BosniÎ en Herzegowina, die ook onafhankelijkheidsneigingen vertoonden, van het grootste belang dit land meer te onderwerpen dan tot nog toe het geval geweest was. Het bedwingen van den opstand der BosniÎrs in 1851, die van uit Montenegro gesteund geworden was, gaf hiertoe een eerste aanleiding. De verandering van het in den vorm theocratisch bestuur, dat door een vorst-bisschop, vladika geheeten, werd uitgeoefend, in een wereldlijke regeering zonder toestemming van den sultan, die zich wel degelijk als suzerein beschouwde, deed de maat overloopen (1852). Met groote overmacht viel Omer-pacha het vorstendom aan, maar hij slaagde niet en Oostenrijksche pressie bewoog den sultan weldra de vijandelijkheden te staken, zonder dat zijn doel bereikt was. Na den Krimoorlog deden de Turken een nieuwe poging, maar nu leden zij een ernstige nederlaag bij Grahovo (1858), hun toegebracht door Mirko, broeder van den vorst Danilo. Het gevolg was, dat op aandrang van Napoleon†III een Europeesche commissie werd aangewezen, om de grenzen tusschen Montenegro en Turkije vast te stellen; daarmede werd dus feitelijk het kleine vorstendom geheel onafhankelijk. Nieuwe moeilijkheden kwamen, toen in 1861 Herzegowina, aangemoedigd door het succes der Montenegrijnen, in opstand geraakte. Weer konden de Montenegrijnen, ofschoon Mirko--Danilo was in 1860 vermoord--, die voor zijn zoon Nicolaas het regentschap voerde, de neutraliteit wilde bewaren, het niet nalaten de stamgenooten te ondersteunen. Nu was de uitslag bedenkelijk: Omer-pacha trok het vorstendom binnen en Mirko werd overwonnen; Montenegro moest toestemmen in enkele voorwaarden, waardoor de Turken het land voor militaire operatiÎn tot hunne beschikking kregen. Het was te danken aan het optreden van Frankrijk en Rusland, dat de sultan deze voorwaarden spoedig introk (1863). Herzegowina werd weer geheel onderworpen.
Werd Herzegowina geheel bedwongen, ServiÎ ontwikkelde zich rustig en verwierf ongemerkt een steeds grootere mate van vrijheid, vooral, nadat een eerste tijdvak van binnenlandsche onrust, gevolg van het autocratisch optreden van Miloch en van naijver tusschen zijn geslacht en dat van Kara-Georges, voorbij was. Miloch, van 1839-1858 verdreven, kwam na de afzetting van Alexander, den kleinzoon van Kara-Georges, als vorst in ServiÎ terug. Zijn zoon MichaÎl volgde hem in 1860 op volgens het erfelijkheidsbeginsel, dat het vorige jaar zonder toestemming van den sultan door de skoeptchina aangenomen was. Hij bewerkte, ook weer gesteund door Rusland en Frankrijk, de ontruiming van de citadellen in ServiÎ, die nog door Turksche troepen bezet waren. Na MichaÎls vermoording in 1869 en zijne opvolging door zijn neef Milan erkende de Porte de erfelijkheid van het koningschap in het huis Obrenovitch. Een Servische constitutie (1869) werd opgesteld, zonder dat men zich om des sultans toestemming bekommerde. Feitelijk was ServiÎ dus onafhankelijk en zoo was het ook met de Donauvorstendommen, waartusschen bovendien een samensmelting tot stand gebracht werd. Sedert 1859 hadden ze ÈÈn hospodar, sedert 1862 was Boekarest de hoofdstad. Het was ook Fransche en Russische invloed, die dezen gang van zaken in de hand werkte. Binnenlandsche moeilijkheden, die er tusschen de aanzienlijke geslachten meermalen ontstonden, trachtte men te bezweren door van RoemeniÎ--zoo heette de nieuwe staat--een koninkrijk te maken met een buitenlander, Karel van Hohenzollern, lid van de Katholieke tak van dit vorstenhuis, aan het hoofd (1866), die, gebonden aan een constitutie, de regeering zou voeren.
De rustige rust, die van 1862-1875 uiterlijk in het Turksche rijk heerschte--onderbroken alleen door een opstand op Kreta in 1866, dat aansluiting bij Griekenland wenschte, maar zijn wensch niet vervuld zag--, werd in 1875 op een heftige wijze verstoord. Het scheen, of de nog onderworpen Christenen nu allen tegelijk besloten hadden zich vrij te maken. BosniÎ en Herzegowina begonnen: hun bedoeling was aansluiting te bewerken bij de ServiÎrs, immers hunne stamgenooten. Boelgarije werd toen ook onrustig. Onmiddellijk bemoeiden de mogendheden zich met de zaak; vooral deden dit de drie keizers, die van Rusland, Oostenrijk en Duitschland, sedert 1871 door een entente met elkander verbonden. Frankrijk was nog niet hersteld van de hevige slagen, die het in den Fransch-Duitschen oorlog [2338] gekregen had, en kon daarom weinig invloed doen gelden; Engeland nam eerst een afwachtende houding aan. De drie keizers stuurden aan op hervormingen; zij wilden den opstand daardoor beÎindigen, bepaaldelijk, Oostenrijk, dat zeer ongaarne een groot Servisch rijk op zijne Zuidgrens zag ontstaan. De sultan gaf vele goede woorden; er werd onderhandeld over de beste middelen. Toen veranderde plotseling de toestand door de vermoording van den Duitschen en den Franschen consul te Saloniki, een uiting van fanatisme van de Turksche bevolking, en tegelijkertijd hadden ongehoorde wreedheden plaats in Boelgarije. Dit was het werk van Aziatische onderdanen van den sultan, door dezen losgelaten om aan het verzet onder de Boelgaren een einde te maken. "In enkele dagen gingen negen en zeventig dorpen in de vlammen op, vijftienduizend menschen minstens werden gedood, tachtigduizend waren dakloos" (1876).
Het geduld van de ServiÎrs en de Montenegrijnen, van den beginne af brandend van verlangen om de opstandelingen in BosniÎ en Herzegowina te hulp te komen, maar nog tegengehouden door de mogendheden, was uitgeput; zij begonnen den oorlog tegen Turkije (1876). Te meer werden zij daartoe aangespoord, omdat te Constantinopel de Oud-Turksche partij geheel de overhand kreeg: Abdoel-Asiz, beschuldigd van teveel deferentie aan de opstandelingen, werd afgezet; Moerad†V, een zoon van Abdoel-Medjid, in zijne plaats gesteld en, toen deze nog niet genoeg reactionnair gezind bleek, moest ook hij na twee maanden plaats maken voor zijn broeder Abdoel-Hamid†II, van wien de hervormingspartij niets te verwachten had. De Oud-Turken durfden te beter, omdat de ServiÎrs niet bestand bleken tegen het Turksche leger onder Osman-pacha, die geheel ServiÎ dreigde te veroveren. Van de mogendheden, meenden zij, was toch niets te vreezen, maar nu hadden zij buiten den waard gerekend. Ook in Europa hadden de tijdingen van de moorden in Boelgarije haren invloed niet gemist. De Russische keizer Alexander †II was van dat oogenblik af besloten de zaak krachtig aan te vatten, maar hij verliet niet onmiddellijk den weg der diplomatie: zijn leger was niet gereed en liefst wilde hij zich van de welwillendheid der andere mogendheden verzekeren om een herhaling van den Krimoorlog te voorkomen. Daarom stelde hij het samenroepen van een conferentie te Constantinopel voor. Te Londen bestond niet zoo veel eensgezindheid om de Porte tegen Rusland in bescherming te nemen als vroeger: Gladstone, de leider der Whigs, gunde "den grooten moordenaar" te Stamboel niets goeds, maar DisraÎli, toen aan het bewind, was fel Russophoob en had zich daarom onthouden van onderteekening van een door de andere mogendheden te Berlijn opgesteld memorandum aan de Porte, waarin op krachtige wijze op hervormingen aangedrongen werd. Alleen onder invloed van de publieke opinie in Engeland had hij ten slotte in de conferentie van Constantinopel toegestemd, waar in de eerste plaats een wapenstilstand in den oorlog met ServiÎ zou worden geÎischt en verder natuurlijk hervormingen. Onnoodig te zeggen, dat Ridhat-pacha, de leider der Oud-Turken, van die eischen niet gediend was en dat de conferentie mislukte, maar tegelijk speelde de Turksche regeering een prachtig comediespel; een zeer vrijzinnige constitutie werd uitgevaardigd, op denzelfden grondslag gebouwd als het hervormingsbesluit van 1856--uit eigen beweging hervormingen dus!--en tegelijk kwam een vergadering van 240 ambtenaren bijeen, die ÈÈnparig de voorstellen der mogendheden verwierpen, een sanctie dus van het Turksche volk op het besluit van den sultan! Het ergerlijkste was, dat er onder de mogendheden waren, die de nieuwe beloften van den sultan voor goede munt wilden aannemen. Engeland vooral bleef nog weerbarstig om Rusland zijn gang te laten gaan. Maar toen een voortzetting der onderhandelingen de Porte, natuurlijk aangemoedigd door Engeland's handelwijze, tot geen toegeeflijkheid in eenig opzicht vermocht te bewegen, toen een bijeengeroepen Turksche volksvertegenwoordiging tot de voortzetting van den oorlog met Montenegro--ServiÎ had reeds vrede moeten sluiten--besloot, tastte Rusland door en verklaarde in het voorjaar van 1877 den oorlog. Het was verzekerd van de goede gezindheid van Oostenrijk, waarmede het was overeengekomen, dat het Oostenrijksche leger BosniÎ en Herzegowina zou bezetten. Ook van Duitschland was niets te vreezen: Bismarck, die overigens wegens een langzaam opkomende toenadering van Frankrijk en Rusland dit land gaarne in Zuid-Oost-Europa in moeilijkheden wilde zien, had zijne bekende verklaring over de waarde van de beenderen van een Pruisischen grenadier juist afgelegd; naar zijne meening had Duitschland nog geen onmiddellijke belangen in het Turksche rijk.
Met geestdrift begon het Russische volk den oorlog: het was immers een bevrijdingsoorlog van de Slavische broeders van het Turksche juk; reeds lang hadden de opstandelingen steun uit Rusland ontvangen door middel van een daar bestaand genootschap, dat ten doel had alle Slaven in het Balkanschiereiland vrij te maken. RoemeniÎ sloot zich bij Rusland aan, niet geheel uit vrijen wil, want men wist bij ondervinding, wat het doortrekken van een Russisch leger beteekende, maar omdat het niet anders kon. Zonder groote inspanning kwamen de Russen, aangevoerd door groothertog Nicolaas, over den Donau en weldra bezette Gourko, ÈÈn der onderbevelhebbers, den Sjibka-pas in den Balkan. Toen werd hun voortgang gestuit. Osman-pacha, opperbevelhebber der Turksche troepen, ÈÈn der weinige beroemde aanvoerders uit de Turksche geschiedenis van de laatste eeuwen, bezette door een gewaagde, maar uitstekend geleide beweging Plewna in den rug den Russen. Tevergeefs bestormden dezen zijne zeer sterke positie; zij moesten overgaan tot een formeele belegering en even dapper als de Russen te Sebastopol gedaan hadden, gedroegen zich de Turken, nu zij de belegerden waren. Eerst nadat groote Russische versterkingen aangekomen en een reeks van zware gevechten rondom Plewna geleverd waren, nadat een Turksch ontzettingsleger teruggeslagen was en Osman, die aan alles gebrek kreeg, tevergeefs een wanhopige poging gedaan had om zich door de Russen heen te slaan, moesten de Turksche troepen capituleeren (Dec. 1877), maar de eer van het Turksch leger was gered, voor het eerst sedert heel langen tijd. Nu trokken de Russen den Balkan over, namen Sofia, Adrianopel (Januari 1878), terwijl een ander leger onder Melikoff verschillende veroveringen in ArmeniÎ gemaakt had. De Porte, nu ook weÍr in oorlog met ServiÎ, dat opnieuw naar de wapenen gegrepen had, en bedreigd door Montenegro, haastte zich onderhandelingen aan te knoopen, die den laatsten Januari leidden tot de preliminairen en ruim een maand later tot den vrede van San Stefano: geheele onafhankelijkheid van ServiÎ, Montenegro en RoemeniÎ; uitbreiding van gebied voor de beide eersten; ruil van een deel van BessarabiÎ, dat aan Rusland terugkwam, tegen de Dobroedsja voor RoemeniÎ; autonomie van Boelgarije, d.w.z. 't eigenlijke Boelgarije met Oost-RoemeliÎ en een deel van MacedoniÎ, met behoud van de suzereiniteit van den sultan, en autonomie van BosniÎ en Herzegowina; hervormingen voor de nog Turksch blijvende Christelijke bevolking; een oorlogsschatting en afstand van eilanden in de Donaumonding met grondgebied in AziÎ, o.a. de stad Kars, voor Rusland. Zoo waren de zeer zware voorwaarden, die aan Turkije opgelegd werden; zoo was de groote triumf, die Alexander†II behaalde.
Maar de andere mogendheden, vooral Engeland en Oostenrijk, zagen dit schouwspel met grooten tegenzin aan. De gebeurtenissen waren na Plewna zoo gauw afgeloopen, dat zij, vÛÛr het tot onderhandelingen gekomen was, geen gelegenheid hadden gekregen er zich mede te bemoeien. Zoodra de preliminairen hun bekend waren, zond Engeland, brutaal, zijn vloot tot in de onmiddellijke nabijheid van Constantinopel en na het sluiten van den vrede eischte het herziening der voorwaarden. Het werd gesteund door Oostenrijk, dat nu van Engeland de belofte wist te verkrijgen van BosniÎ en Herzegowina te mogen bezetten. Rusland vond nergens steun, was door den zwaren oorlog uitgeput en durfde dus een worsteling tegen Engeland en Oostenrijk niet aan. Daarom stemde Alexander†II toe in een congres te Berlijn, waar Duitschland zijne "goede diensten" aanbood om de partijen tot elkander te brengen. In hoofdzaak waren Engeland en Rusland het reeds eens geworden vÛÛr de opening van het congres, dat daardoor precies in ÈÈn maand kon afloopen. Groot-Boelgarije verdween: alleen het eigenlijke Boelgarije ten Noorden van den Balkan werd geheel autonoom onder een door de Boelgaren te verkiezen vorst; de provincie Oost-RoemeliÎ kreeg eigen administratie, maar de gouverneur zou door de Porte benoemd worden; MacedoniÎ bleef geheel Turksch; Montenegro en ServiÎ kregen minder uitbreiding dan hun eerst was toegestaan; Montenegro kreeg Antivari met de kuststreek, daarbij behoorende; ServiÎ alleen het district van Nisj en Pirot. Het lot van BosniÎ en Herzegowina werd geheel veranderd: zij bleven in naam Turksch, maar Oostenrijk zou ze "occupeeren" en besturen; om ze te beter te kunnen beheerschen, kreeg Oostenrijk bovendien het recht van militaire bezetting in het district Novi-Bazar, waardoor het ServiÎ en Montenegro van elkander zou scheiden, BosniÎ en Herzegowina ook aan den Oostkant insluiten en een positie innemen, vanwaar het vooral in den Balkan zeer gemakkelijk zich kon doen gelden. Voor Roemenie werd de bittere pil van den afstand van het deel van BessarabiÎ eenigszins verzacht, doordat het de eilanden in de Donaumonding kreeg, die dus niet aan Rusland kwamen, terwijl de Russische aanwinst in AziÎ besnoeid werd. Engeland kreeg voor zijne hulp aan Turkije het eiland Cyprus en dus een bevestiging van zijn invloed in de Middellandsche Zee, van te meer beteekenis wegens het Suez-kanaal. Die invloed was het ook vooral geweest, die Engeland zoo krachtig had doen protesteeren tegen een groot-Boelgarije, dat naar alle berekening aan Rusland zeer vriendschappelijk gezind geweest zou zijn. Onnoodig te zeggen, dat de sultan opnieuw tot verbeteringen aangespoord werd!
Het verdrag van Berlijn is ÈÈn van de zonderlingste producten, die de diplomatie heeft voortgebracht, en alleen te verklaren als compromis van velerlei belangen in de buitengewone omstandigheden, waarin het gesloten werd. Alle mogendheden, die iets hadden in te brengen, waren tegen Rusland; ook Bismarck had zich meer anti- dan pro-Russisch getoond en Frankrijk had geen gewicht in de schaal gelegd. Zoo kon het gebeuren, dat mogendheden, die niet aan den oorlog deelgenomen hadden, met groote voordeelen gingen strijken, terwijl Rusland er tamelijk bekaaid afkwam. Ook voor de toekomst was dit van beteekenis: Oostenrijk, dat tusschen 1859 en 1866 zijn invloed in ItaliÎ en Duitschland verloren had kreeg een bevoorrechte positie in het Balkan-schiereiland en kon hopen daar op den duur nog meer schadeloosstelling te verwerven voor de verliezen in het Westen. Rusland daarentegen, dat RoemeniÎ diep gegriefd had, dat groot-Boelgarije had opgeofferd, zag zijn invloed weinig toenemen. Het was de verwezenlijking van zijn ideaal: een uitgang naar het Zuiden, weinig dichterbij gekomen. De Turksche kwestie was nog lang niet opgelost, al was men weer eenige schreden nader aan de geheele verbrokkeling van het rijk in zelfstandige staten. Ook na 1878 is de ontwikkeling die richting blijven volgen. De moeilijkheden bewogen zich vooral om Boelgarije, Griekenland en MacedoniÎ.
Met het laatste land hebben we ons na zijne vrijwording niet behoeven bezig te houden; ten gevolge van inwendige zwakheid, gevolg van voortdurende partijtwisten, deed het zich bij de herhaalde crises in het Balkan-vraagstuk ternauwernood gelden. Koning Otto werd in 1862 gedwongen afstand van den troon te doen en in het volgende jaar werd George, een Deensche prins, broeder van de gemalin van den Engelschen koning Eduard†VII, zijn opvolger; bij die gelegenheid stond Engeland aan het koninkrijk de Jonische eilanden af, waarover het sedert den Napoleontischen tijd het protectoraat uitoefende. Daarna werd de toestand langzamerhand eenigszins verbeterd. Ofschoon Griekenland uit gebrek aan geld en een behoorlijk leger ook in den oorlog van 1877 geen rol had kunnen spelen, wist het toch van de verwikkelingen gebruik te maken, om van de mogendheden gedaan te krijgen, dat deze in het Berlijnsche verdrag een bepaling opnamen, om de Porte aan te sporen zich met Griekenland te verstaan over een verbetering der grenzen, waartoe zij tevens hunne goede diensten aanboden. Toen Turkije weinig lust vertoonde, aan Griekenland's wenschen tegemoet te komen, begon hier een sterk patriottische agitatie en een oorlog dreigde. Op aansporen van de mogendheden, vooral van Frankrijk en Engeland, gaf Turkije toe en Griekenland kreeg iets, hoewel niet alles, wat het wilde: de grens werd in het Noord-Oosten van ThessaliÎ tot aan de Zuidelijke helling van den Pindus en den Olympus verlegd; Griekenland werd bovendien verrijkt met een deel van Epirus (1881). Daarna werd vooral Kreta de inzet van nieuwe verwikkelingen met de Porte. Dit eiland had herhaaldelijk getracht zich van de Turksche heerschappij te ontslaan; het mislukte steeds, maar de altijd beloofde hervormingen van de Porte bleven ook na 1878 grootendeels onvervuld. Het was ten gevolge van de twisten van Christenen en Mohammedanen voortdurend onrustig op het eiland, niettegenstaande ook de mogendheden zich meermalen met de zaak bemoeiden en in 1896 den sultan zelfs dwongen er in toe te stemmen, dat hunne consuls te Kanea toezicht op de regeering zouden uitoefenen. Griekenland had dit spel met het grootste ongeduld gevolgd en werd alleen onder pressie van de mogendheden in den band gehouden. Eindelijk, in 1897, barstte de bom, doordat de Grieksche regeering, gedwongen door de publieke opinie in het eigen land, een troepenafdeeling naar Kreta zond, om het eiland te annexeeren. Maar in den toen volgenden oorlog bleek het Grieksche leger volstrekt niet in staat tegen de Turken te vechten. Natuurlijk hielden de mogendheden ook nu hare diplomatieke handen niet thuis en daaraan had Griekenland het te danken, dat het bij den nog in 1897 te Constantinopel gesloten vrede er afkwam met den afstand van slechts een klein deel van het in 1881 in ThessaliÎ verkregen gebied en het betalen van een oorlogschatting. Bovendien--dit eischten de mogendheden voor zich--zou een internationale commissie te Athene contrÙle krijgen op de Grieksche financiÎn. Kreta kreeg ten slotte toch zijne bevrijding: in 1898 bewerkten de mogendheden (behalve Oostenrijk en Duitschland, die zich er buiten hielden), dat ook dit eiland autonoom zou worden onder het bestuur van prins George, zoon van den Griekschen koning, als hooge-commissaris namens de mogendheden. Ook hier bleef alleen de Turksche suzereiniteit bestaan. De pogingen van Grieksche zijde, om deze te doen opheffen, bleven eerst zonder resultaat. Wel droeg het bestuur van prins George, dat de orde wist te herstellen, voor het eiland goede vruchten.