Part 70
Toch hebben zijn inval en een door hem uitgevaardigde proclamatie den opstand in Griekenland zelf doen uitbreken en eerst met groot succes. De Turken werden juist elders beziggehouden: een handig man, pacha Ali van Janina of ook wel Ali van Tebelen genoemd naar zijne geboorteplaats, had zich in AlbaniÎ een zeer groote autoriteit weten te verschaffen en gedroeg zich zoo goed als onafhankelijk van den sultan en juist, toen deze daaraan een einde wilde maken en Turksche troepen in AlbaniÎ vochten, begonnen de Grieken hun opstand. Reeds in 1822 kon te Epidauros een nationale vergadering bijeenkomen, waar de Grieken hun land vrij verklaarden en een republikeinschen staatsvorm aannamen. Daarna begonnen echter de moeilijkheden pas: hevige twisten, burgeroorlog zelfs tusschen de door hun handel meer met Europa in betrekking staande en daardoor meer geciviliseerde kooplieden, die vooral op de eilanden en in enkele steden op het vasteland woonden, geleid door Mavrocordato, en het ruwe landvolk, de klephten, die uit den band sloegen en weinig wilden weten van een geregelden toestand op Europeeschen voet. En onmiddellijk na het onderwerpen van Ali van Janina kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Wel mislukte diens eerste aanval om den opstand te dempen (1823), maar toen daagde een ernstiger vijand op: Mehemet-Ali. Deze avonturier, geboortig uit een plaatsje in de buurt van Saloniki, had het vertrouwen van den sultan gewonnen en was door dezen erkend als onderkoning van Egypte (1805), waar hij, vooral na het vernietigen van de Mamelukken (1811), een groote macht kreeg en spoedig de allures aannam van een geheel zelfstandig vorst te zijn. Hij had een degelijke krijgsmacht gevormd, naar Fransch voorbeeld ingericht, en hij trachtte langs allerlei wegen Egypte tot bloei te brengen. Tot hem nu wendde Mahmoed†II zich om steun tegen de Grieken, evenals hij vroeger gedaan had bij een opstand van een godsdienstige secte, de Ouahabiten in ArabiÎ, die ook werkelijk door Mehemet's zoon Ibrahim bedwongen was. Tegen belofte van afstand van Creta, terwijl zijn zoon gouverneur van den Peloponesus zou moeten worden, voldeed Mehemet aan het verzoek van zijn suzerein. Hij zelf onderwierp Creta, waar de Grieksche bevolking ook de Turksche heerschappij afgeworpen had, en Ibrahim trok naar den Peloponesus, waar hij weldra aan den opstand zoo goed als geheel een einde maakte (1825). Vereenigd met Rechid-pacha, den nieuwen bevelhebber van het Turksche leger, die in het Noorden den opstand grooten deels gedempt had, ondernam hij het beroemde beleg van Missolonghi, dat na een heldhaftige verdediging in 1826 viel en op een gruwelijke wijze uitgemoord werd. Ook Athene werd ingenomen....de Turken schenen geheel Griekenland weÍr te zullen overmeesteren.
Nu trad echter een verandering in de politiek der Europeesche mogendheden in, die voor de Porte noodlottig werd. Tot nog toe had Metternich, ofschoon niemand lust voelde de opstandelingen te helpen bestrijden, officieele ondersteuning van hen weten te voorkomen. Maar in 1825 stierf Alexander†I en zijn opvolger Nicolaas†I stond volstrekt niet onder de betoovering van de heilige alliantie. Onmiddellijk dwong hij Turkije bij het verdrag van Akkerman (1826) tot bevestiging van den vrede van Boekarest, die in enkele opzichten, b.v. in de bepaling aangaande ServiÎ, onuitgevoerd gebleven was. Weldra trad hij ook ten gunste van de Grieken op, daarbij gesteund door Engeland, waar zeer veel sympathie voor het Hellenisme was en waar de regeering onder leiding van Canning de voordeelen inzag, politiek en commercieel, die Engeland zich door partij te kiezen voor de Grieken zou kunnen verwerven, en ook door Frankrijk. Het was vooral een gevolg van de philhellenistische beweging (die door alle landen van Europa ging, een dichter als Byron naar het oorlogsveld dreef en die in Frankrijk buitengewoon sterk was), dat de reactionnaire regeering van koning Karel†X een opstand ging begunstigen; de ergerlijke wreedheden, door de Turken in de opwelling van hun fanatisme bedreven, zooals het ophangen van den patriarch te Constantinopel zonder vorm van proces en de uitmoording van de bevolking van het eiland Chios en van Missolonghi hebben die beweging zeer in de hand gewerkt. De drie mogendheden dan verbonden zich (1827), om Turkije tot een wapenstilstand te brengen. De Porte was niet van zins hiernaar te luisteren. Een geallieerde vloot trad toen met geweld op in de baai van Navarino en vernietigde daar zonder veel moeite de Turksch-Egyptische zeemacht. Toen was het pleit spoedig geheel ten gunste van de Grieken beslist. Ofschoon in Engeland na Canning's dood een meer reactionnair ministerie optrad, dat het optreden van den Engelschen admiraal bij Navarino feitelijk desavoueerde, tastten Rusland en Frankrijk door en de Porte kreeg van geen kant steun; ook niet van Oostenrijk, dat haar daarop had doen hopen. Fransche troepen verdreven de Turken uit den Peloponesus, vanwaar Ibrahim zich teruggetrokken had; een Russisch leger onder Diebitsj trok over den Balkan en bezette Adrianopel (1829). Dit had een ontzettenden invloed te Constantinopel: Hannibal ante portas! en, al verkeerde het leger van Diebitsj in buitengewoon slechten staat, de sultan gaf zich onmiddellijk gewonnen. De vrede van Adrianopel bracht Griekenland zijne vrijheid op den grondslag van een door de mogendheden te Londen opgesteld protocol. De grenzen werden in het Noord-Oosten de golf van Volo, in het Noord-Westen de Aspropotamo; de Cycladen en Euboea behoorden er bij. Niet geheel oud-Griekenland werd dus vrij; vooral het ontbreken van ThessaliÎ en het eiland Creta wekte veel teleurstelling. Door toedoen van de mogendheden werd Griekenland in 1832 een koninkrijk onder Otto, zoon van koning Lodewijk van Beieren; de grens werd toen in het Noord-Westen uitgebreid tot de golf van Arta. De binnenlandsche toestand liet er van den beginne af veel te wenschen over; de verwachtingen op een renaissance van het geestelijk leven werden deerlijk teleurgesteld. Kon het anders na een geschiedenis, als die het oude van het nieuwe Hellas scheidde?
Voor Turkije had het einde van dezen oorlog meerdere onaangename gevolgen. Rusland eischte bij den vrede van Adrianopel een belangrijke schadeloosstelling in geld en afstand van de eilanden in de Donau-monding plus verschillende plaatsen in AziÎ, waaronder Anapa en Poti in Trans-KaukasiÎ. De vervulling van de belofte ten opzichte van ServiÎ kon nu onmogelijk langer worden uitgesteld en in 1830 kreeg dit land zijne autonomie en zijn eigen leger; Turkije hield alleen suzereine rechten en kreeg een jaarlijksche schatting, Turksche troepen bleven in Belgrado. Miloch Obrenovitch, na den opstand van 1814 steeds het hoofd der ServiÎrs, werd hun eerste vorst. Verder werden de Donauvorstendommen meer onafhankelijk van Turkije. Uit eigen beweging had de Porte hun als belooning voor het niet opstaan tijdens den inval van Ypsilanti landgenooten tot hospodars gegeven (1822). Bij het verdrag van Akkerman eischte Nicolaas†I ontruiming der beide landen door de Turksche troepen, zooals de Porte dit vroeger beloofd had, en bevestiging van zijn officieelen invloed. Te Adrianopel bedong hij geheele autonomie; voortaan zouden ook de Donauvorstendommen alleen schatting aan den sultan betalen, maar--ze bleven voorloopig door Russische troepen bezet en die maakten het er even bont als vroeger de Turksche. Krachtig diplomatiek optreden van Oostenrijk en Engeland was noodig om de Russen in 1834 te noodzaken hunne troepen terug te trekken. Toen pas konden de Roemenen van hunne autonomie genieten en weldra ontstond hun streven naar geheele onafhankelijkheid zoowel van Turkije als van Rusland. En nog een deel van Turkije rukte zich los: het eiland Samos, dat aan den Griekschen opstand meegedaan had, maar weÍr onderworpen was, werd door toedoen van de mogendheden ook een autonoom staatje met dergelijke verplichtingen als ServiÎ en de Donauvorstendommen (1832).
Daarbij kwam weldra de twist met Mehemet-Ali, ook al een indirect gevolg van den Griekschen vrijheidsoorlog. De onderkoning van Egypte eischte, nu de Peloponesus voor hem verloren gegaan was, SyriÎ als schadeloosstelling. Mahmoed†II weigerde. Ibrahim rukte op met het Egyptische leger, nam SyriÎ in bezit, trok naar Klein-AziÎ en versloeg Rechid-pacha bij Konieh. WeÍr naderde een vijand de poorten der Turksche hoofdstad, maar ook de Russen kwamen weer, nu als vrienden van den sultan, wien Nicolaas zijn steun aangeboden had, niet geheel belangeloos natuurlijk, maar uit vrees, dat Mehemet heerscher te Stamboel worden zou. Wat zou er met een frissche kracht aan het hoofd van het Turkenrijk niet kunnen gebeuren! Russische troepen bezetten Constantinopel en Skoetari en daarvoor deinsde Ibrahim terug. Toch kreeg Mehemet bij het verdrag van Koetajeh SyriÎ (1832); de mogendheden, vooral Frankrijk, hadden dit te zijnen gunste bewerkt. En Rusland? Bij het verdrag van Oenkiar-Skelessi sloot het met de Porte een of- en defensief verbond: Rusland zou den sultan, als 't noodig was, altijd te hulp moeten komen; Turkije zou, ingeval Rusland aangevallen werd, alleen maar de Dardanellen behoeven te sluiten; deze zonderlinge overeenkomst werd aangegaan voor den tijd van acht jaar. Het behoeft geen betoog, dat Turkije hiermede feitelijk geheel van Rusland afhankelijk werd, maar evenmin, dat de andere mogendheden er zich niet bij neerlegden.
De gelegenheid om het verdrag op de proef te stellen, deed zich spoedig voor. De sultan en zijn Egyptische vasal kregen in 1839 opnieuw ruzie. De aanleiding was nu, dat Mehemet, die bovenal sympathie voor Frankrijk had, weigerde een handelsverdrag tusschen Turkije en Engeland met voor dit land zeer gunstige voorwaarden ten uitvoer te leggen. Opnieuw overwon Ibrahim, nu bij Nezib, in SyriÎ, waar de Turken onder Hafiz een zeer ernstige nederlaag leden. Wat nu? Zou Rusland opnieuw den sultan te hulp komen? Ja, maar niet alleen; dat duldden de andere mogendheden, vooral Engeland, niet. Allen gingen zich met de zaak bemoeien en wel ten gunste van de Porte; het Fransche volk alleen toonde groote sympathie voor Mehemet-Ali, maar de regeering weigerde de wapenen voor hem op te nemen. Verbonden stelden de vier mogendheden: Rusland, Engeland, Oostenrijk en Pruisen--Frankrijk was met opzet buiten deze quadruple-alliantie gelaten--aan Mehemet-Ali den eisch SyriÎ te ontruimen, om hem te straffen voor zijn optreden tegen den sultan; Egypte zou hij dan als erfelijk leen mogen behouden. Mehemet aarzelde, wat hem nog het bezit van Acre en omstreken, die hem eerst gelaten zouden worden, kostte. Toen, bevreesd voor het behoud van Egypte, dat Engeland hem liefst meteen ook ontnomen zou hebben, gaf hij toe (1841) en daarmede was zijn verdere rol uitgespeeld. Voor Rusland was de afloop niet zoo voordeelig als in 1832. Het verdrag van Oenkiar-Skelessi, waarvan de termijn in 1840 verstreken was, werd niet hernieuwd en verviel dus. Daarentegen moest het toestemmen in een overeenkomst met de andere groote mogendheden, het verdrag der Dardanellen geheeten, waarbij deze doorvaart tot neutraal gebied verklaard werd. Dit was een eerste stap tot een officieele garantie van de integriteit van het Turksche rijk, een keerzijde van het verdrag van Oenkiar-Skelessi. Voor Nicolaas†I een groote teleurstelling, hem berokkend vooral door den Engelschen minister Palmerston.
Welk een droevig figuur maakte onder dit alles de Porte! Zij leefde alleen nog bij de gratie der mogendheden of liever ten gevolge van dier onderlinge verdeeldheid. Toch was eindelijk de lang begeerde hervorming op militair gebied doorgevoerd geworden. Sultan Mahmoed †II was er in 1826 in geslaagd het Janitsaren-corps te vernietigen; dit was wel een oorzaak van zwakheid te meer geweest in het laatste deel van den Griekschen oorlog, maar op den duur kon nu toch het leger een nieuwe inrichting krijgen. Andere bezwaren maakten, dat dit voor den algemeen toestand weinig hielp. Hoe zou men een flink leger kunnen onderhouden, waar de noodige gelden om het te betalen en van het noodige te voorzien ontbraken? De financiÎn waren door lang wanbeheer geheel in verwarring. Er was niet de minste contrÙle, er ontbrak een budget. Belastingpachters en gouverneurs der provinciÎn zorgden er wel voor, dat er van de opbrengsten heel weinig in de schatkist kwam. Geldgebrek begon het chronische euvel te worden van de eens zoo rijke sultans. En ondertusschen nam in alle deelen van het rijk, vooral waar Christenen woonden, de ontevredenheid met den dag toe. Slechte rechtsbedeeling, afpersingen en andere geweldenarijen werden te onverdraaglijker, nu er ook voor de nog onderworpenen kans op bevrijding bestond. Toch zag het gros der eigenlijke Turken de teekenen des tijds niet. Een onbegrijpelijk phlegmatiek volk! Het rijk barstte aan alle kanten om hen heen en toch bewogen zij zich niet om op verandering van koers aan te dringen. Wel grooter woede tegen de Christenen, die ze als hun doodvijanden gingen beschouwen en waartegen ze zich steeds meer onmenschelijkheden veroorloofden, natuurlijk met het gevolg, dat hun reputatie in Europa heel slecht werd, een bedenkelijk feit, nu juist meer en meer belangstellenden den gang van zaken in hun rijk volgden.
Enkelen slechts waren er, die begrepen, dat grondige hervormingen in de geheele regeering alleen baat zouden kunnen brengen. Onder die enkelen was Rechid-pacha, groot-vizier van sultan Abdoel-Medjid, zoon van Mahmoed†II (deze was vlak na den slag bij Nezib gestorven). Hij wist zijn heer tot een besluit over te halen, dat bekend is onder den naam van Tanzimat [2337] en inderdaad groote verbeteringen in zich sloot: een rechtvaardig bestuur voor en bescherming van alle onderdanen; betere regeling van belastingheffing en militaire verplichtingen; openbaarheid van de rechtspraak. Een reeks van schoone beloften, maar de uitvoering bleef grootendeels achterwege, want de tegenstand van de belanghebbenden bij het behoud van den ouden toestand was zÛÛ krachtig; dat de zwakke Abdoel-Medjid in 1841 een anderen groot-vizier nam, Riza-pacha, die van harte met de oud-Turken, zooals de conservatieven op den duur genoemd worden, sympathiseerde. Eerst in latere jaren heeft Rechid-pacha, toen hij nogmaals groot-vizier werd (1846-1852), ten minste in enkele opzichten eenige verbetering aangebracht. Voor het leger kwam conscriptie in plaats van gedwongen dienstneming. Aan het onderwijs werd meer zorg besteed. Op belastinggebied werd aan de willekeur der pachters paal en perk gesteld. Maar wat zal een enkeling, met hoe goeden geest bezield, tegen een algemeen slechten geest?
Toch waren de partiÎele hervormingen van Rechid-pacha voldoende om de onrust op te wekken van keizer Nicolaas†I, die evenmin een opleving van Turkije wenschte als vroeger Catharina†II die van Polen. Bovendien bleek het Turksche leger werkelijk betere hoedanigheden te verkrijgen en in staat om verdere opstanden te bedwingen. Zoo reeds in 1848, toen als gevolg van de Februari-revolutie in Frankrijk een oproer in de Donauvorstendommen uitbrak, die zich geheel onafhankelijk wilden maken; dit oproer werd door Rusland en Turkije samen gedempt: de Donauvorstendommen verloren toen weer hun in 1829 verkregen recht om zelf hospodars te kiezen; Rusland en Turkije zouden dit voortaan samen voor hen doen. Maar vooral duidelijk werd de hoogere vechtwaarde der Turksche troepen, toen ze in 1849 en 1851 gebruikt werden onder leiding van een energiek aanvoerder Omer-pacha om opstanden in BosniÎ en Boelgarije, waarschijnlijk door aanstoken van Rusland uitgebroken, te dempen, wat uitstekend en zonder vele wreedheden gelukte. Ook in deze streken scheen daarna de invoering van enkele hervormingen overeenkomstig de Tanzimat een betere toekomst te voorspellen. Het plan van Nicolaas†I om de Turken uit Europa te verdrijven, reeds lang bestaande en waarvoor hij, om de Engelsche regeering te winnen, in 1844 een vruchtelooze reis naar Engeland ondernomen had, heeft ongetwijfeld ten gevolge daarvan een vasteren vorm aangenomen. Nogmaals had hij in 1853 de Engelsche regeering doen polsen over een oplossing van het Turksche vraagstuk, maar weer had deze geweigerd hem te helpen den "zieken man" uit den weg te ruimen.
Daarop tastte Nicolaas, die na de gebeurtenissen van 1848, toen hij den Oostenrijkschen keizer had geholpen bij het bedwingen van een opstand in Hongarije, van Oostenrijk en dus ook van Pruisen niets te vreezen meende te hebben, alleen door. Hij zocht een voorwendsel tot oorlog en daartoe diende de zending van een buitengewoon gezant Mentsjikoff. Er hing sedert 1851 te Constantinopel een kwestie over de bescherming en het bezit der Heilige Plaatsen te Jeruzalem: kwam deze toe aan de Roomsch-Katholieken, beschermd door Frankrijk, of aan de Grieksch-Katholieken, beschermd door Rusland? Napoleon†III, toen nog president, weldra keizer van Frankrijk, had de kwestie opgerakeld om het aloude aanzien van de Fransche natie in het Oosten te herstellen, waar sedert het midden der achttiende eeuw enkele, sedert het begin der negentiende bijna alle heiligdommen door Grieksch-Katholieken bezet waren, wat tot herhaaldelijke moeilijkheden, tot gevechten zelfs, leidde. Hierdoor kwamen Rusland en Frankrijk, Nicolaas†I en Napoleon †III, toch geen beste vrienden, omdat de eerste den laatsten als een product der revolutie lang niet welgezind was, te Constantinopel in een scherp conflict. Mentsjikoff zette aan de Russische eischen kracht bij en vroeg tevens--dit laatste in het geheim--de bescherming over alle Grieksche Christenen in het Turksche rijk door Rusland. En nu volgde een ingewikkeld diplomatiek spel, waarin Stratford Canning, ambassadeur van Engeland bij de Porte en een man van grooten invloed, Mentsjikoff op uiterst handige wijze noodzaakte er voor uit te komen, waarom het hem vooral te doen was. De Turksche regeering, zich sterk wetende door den steun van Frankrijk en Engeland, wees den eisch aangaande het beschermingsrecht van de Grieksch-Katholieken onverbiddelijk af en Mentsjikoff, voor wien juist deze eisch, waardoor Rusland ten allen tijde een recht van inmenging in de Turksche zaken zou krijgen, de hoofdzaak was, wilde zich met niets minder dan volledige inwilliging al zijner eischen tevreden stellen. Hij nam na korten tijd afscheid en onmiddellijk daarna bezetten Russische troepen voor de zooveelste maal de Donauvorstendommen. Toen sloten Engeland en Frankrijk te Constantinopel een verbond met de Porte, waarbij zij beiden de integriteit van het Turksche rijk waarborgden, belovende het desnoods met de wapenen te zullen verdedigen, terwijl de sultan zich verplichtte tot het aanbrengen van afdoende hervormingen om den toestand der Christenen te verbeteren. Nog waren de onderhandelingen om een oorlog te voorkomen niet geheel afgebroken, toen een uitbarsting van fanatisme te Constantinopel den sultan dwong een oorlogsverklaring tegen Rusland uit te vaardigen (October 1853). Engeland en Frankrijk deden hun verbond gestand: ook zij verklaarden den oorlog en verplichtten zich tegenover elkander om geen vrede te sluiten dan gezamenlijk. Oostenrijk en Pruisen bleven buiten den oorlog, maar kozen om begrijpelijke redenen toch partij voor Engeland en Frankrijk: bij een overeenkomst te Weenen verklaarden zij zich solidair met de voorwaarden, door Engeland en Frankrijk met de Porte opgesteld. Actief nam later het kleine koninkrijk SardiniÎ deel aan den oorlog met de nevenbedoeling zich Napoleon's gunst te verwerven.
De oorlogsoperatiÎn begonnen in 1854, toen de Russen, bedreigd door de aanrukkende Turksche, Engelsche en Fransche troepen en bevreesd voor de inmenging van een op de grenzen samengetrokken Oostenrijksch leger, de Donauvorstendommen ontruimden; de Oostenrijkers bezetten die voorloopig als zoogenoemd neutrale partij. Gevochten was er zoo goed als in het geheel niet. Dit gebeurde eerst, toen de verbondenen besloten hun aanval te doen in de Zwarte Zee, beter geschikt voor oorlogsdoeleinden dan de Oostzee. In de Krim--de oorlog heet daarom de Krimoorlog--werd de groote tragedie uit dezen strijd afgespeeld. Het ligt buiten het bestek van dit overzicht om te vertellen van de heldhaftige verdediging van Sebastopol door de Russen of van het gruwzame lijden van de troepen der bondgenooten; eerst na een beleg van een jaar moest de stad zich overgeven en toen waren alle partijen vrijwel uitgevochten (1855). De inneming van Kars door de Russen vergemakkelijkte het sluiten van den vrede, waarover reeds lang onderhandeld werd. Dit gebeurde op een congres te Parijs (1856). Alle daar vertegenwoordigde mogendheden, d.w.z. de vijf groote en SardiniÎ, garandeerden de integriteit van het Turksche rijk: "elke handeling, die deze onschendbaarheid in gevaar zou brengen, zou beschouwd worden als een kwestie van Europeesch belang"; moeilijkheden tusschen ÈÈn der mogendheden en de Porte zouden, alvorens men naar de wapenen greep, onderworpen worden aan de bemiddeling der andere. De Dardanellenovereenkomst werd bevestigd en daarbij de bepaling gemaakt, dat Rusland noch Turkije oorlogsschepen of arsenalen in de Zwarte Zee zouden mogen onderhouden. Deze beide artikelen waren de belangrijkste; zij bevatten de volkomen overwinning van de Engelsche politiek in Zuid-Oost-Europa op de Russische. Verandering van grondgebied kwam er weinig: in AziÎ gaf Rusland zijne veroveringen terug; een deel van BessarabiÎ, ten Noorden van den Donaumond, werd bij MoldaviÎ gevoegd. Dit en Walachije werden ontslagen van Russisch-Turksche inmenging; zij kregen opnieuw geheele autonomie met erkenning van de suzereiniteit van de Porte.