Part 7
Naardien de hoofdstukken, in welke Mahomet, in zekeren zin, zelfs eerst tot 's Heeren gezant gewijd wordt, voorzeker de oudsten zijn, zoo nemen wij de overlevering opzichtens de beide het eerst geopenbaarden aan, en geven als de zoodanigen op het 96e en 74e. Wij doen hier echter opmerken, dat waarschijnlijk eenige andere verzen of hoofdstukken, die verloren gegaan, in andere hoofdstukken gevoegd, of misschien later opzettelijk vernietigd zijn, en welke de kern der oorspronkelijke leer van Mahomet bevatten, gelijktijdig zijn verschenen; want blijkbaar zijn slechts de eerste vijf verzen van het 96e hoofdstuk en de eerste zeven verzen van het 74e hoofdstuk als eene wijding tot profeet aan te zien. In de volgende verzen is er slechts sprake van de zoodanigen, die Mahomet geen gehoor schenken en met den Koran spotten. Overigens duiden reeds de eerste woorden van hoofdstuk 96, zoo al niet rechtstreeks op een volslagen godsdienstboek, dan toch ten minste op eene gelijktijdig verschenen openbaring, welke hij lezen en voorlezen moest. Het 31e vers van het 74e hoofdstuk behoort gewisselijk tot een later tijdvak. Ook de eerste acht verzen van hoofdstuk 73 rekenen wij onder de oudsten; de tien volgende verschenen later, en het laatste voorzeker eerst te Medina. Zonder twijfel behooren ook vers 77-104 van het 26e hoofdstuk tot de vroegste openbaringen, in welke Mahomet opgeroepen wordt, slechts ÈÈn God te aanbidden en zijne stamgenoten voor afgoderij te waarschuwen; en evenzeer hoofdstuk 106, hetwelk voornamelijk op de KoreÔshieten betrekking heeft. Daarop volgt dan hoofdst. 111, dat een verwensching bevat, die gericht is tegen Mahomets oom Aboe Lahab, welke, gelijk wij uit biographische bronnen weten, tegen zijnen neef een steen ophief, toen deze zijn eerste prediking hield. Evenzeer is dit waarschijnlijk het geval met de laatste zes verzen van het 15e hoofdstuk waarin hem bevolen wordt, zijne leer luide en niet alleen voor stamgenooten en vrienden te verkondigen. Het geheele overige gedeelte van hoofdstuk 15 behoort tot het tweede tijdvak.
Nu volgt eene reeks hoofdstukken, waarin Mahomet zelfs vermaand wordt, standvastig op het betreden pad te blijven, en zich door de tegenspraak der Mekkanen niet van het geloof aan een eenigen God te laten aftrekken; daarin wordt voorts de goddelijkheid des Korans verkondigd. Mahomets karakter als profeet, als des Heeren gezant wordt nauwkeurig opgegeven; van dat der bezetenen, der dichters, der toovenaars en waarzeggers onderscheiden, en de leer van de opstanding en vergelding tegen de spotzieke Arabieren verdedigd. Al deze hoofdstukken welke wij in de eerste vijf jaren van Mahomets zending plaatsen, dragen den stempel eener echte begeestering en van eene diepe, innige overtuiging, en degene welke op Mahomet zelven betrekking hebben, zelfs dien van een wezenlijk visioen. Dit gaat zoo ver, dat men tot het denkbeeld moet komen, dat Mahomet zelf, ten minste in den eersten tijd, slechts het werktuig van een' wezenlijken hervormer was, die hem als engel verscheen. Hoe laten zich wel anders verzen verklaren, in welke aan Mahomet bevel wordt gegeven, den Koran, zoolang die hem wordt voorgelezen, niet na te zeggen, maar te wachten, tot de engel voleindigd hebben zou [37]. Hoe zou men anders eene verklaring kunnen geven van zoodanige verzen, waarin hem bevolen wordt, zich van de ongeloovigen te verwijderen, als zij met den Koran spotten, en, indien de satan hem dit gebod mocht doen vergeten, het althans op te volgen zoodra hij het zich herinnerde [38]? Is het wel denkbaar, dat Mahomet tot zich zelven zou hebben gezegd: Wellicht laat gij een deel der openbaring achterwege, omdat het gesnap der spotters u de borst vernauwt [39]; of: volgt gij hunne (der ongeloovigen) begeerten, dan is God uw beschermer niet meer [40]; of: als gij den Koran leest, dan neem uwe toevlucht bij God tegen den Satan [41]. Deze en soortgelijke verzen, bij welke zich geen bedrog laat veronderstellen--want wij kunnen daarin slechts eene gekunstelde naÔviteit zien, die al te zeer zou strijden met de waarheid der leerstellingen, welke in den eersten tijd werden geopenbaard en met de geestdrift waarmede zij voorgedragen zijn--geven ons derhalve aanleiding, ook bij andere uit dien tijd, elke verdenking van opzettelijke misleiding, zelfs van Mahomets zijde te verwijderen, en hem veeleer voor een godsdienstigen dweper vol zelfmisleiding, dan voor een bedrieger te houden.
Ten aanzien der hoofdstukken, in welke, behalve de leer van God, Mahomet, den Koran en van de opstanding, slechts hier en daar ook eenige zedelijke voorschriften gevlochten zijn, die de leer van elken godsdienst vormen, en waarin ook niet meer dan korte aanwijzingen voorkomen van vroegere volken, die, uithoofde van hun ongeloof, zijn ondergegaan, kan men, uithoofde van hunnen gelijksoortigen inhoud en vorm, de tijdorde niet met eenige nauwkeurigheid bepalen. Uit dien hoofde tellen wij diegene, welke wij in dat tijdvak plaatsen, naar de volgorde op, gelijk zij in de vroeger vermelde overlevering op elkaar volgen. Wij behoorden hier dan ook niet met hoofdstuk 81 te beginnen, dat volgens die overlevering na het 111e hoofdstuk volgt, omdat dit hoofdstuk, gelijk vooral uit vers 23 volgt, waarschijnlijk te gelijk met het 53e hoofdstuk verscheen. Beide spreken over Mahomets visioen, in hetwelk hij geloofde in den hemel gedragen te zijn, en dat, volgens de opgave van de meeste levensbeschrijvers, eerst na zijnen terugkeer van TaÔf plaats had [42]. Nademaal echter hunne schrijfwijze tot de oudste behoort gelijk reeds blijkt uit hun volslagen afwijken van het hoofdstuk der geniÎn, dat werkelijk eerst na de terugkomst van TaÔf verscheen, zoo is voorzeker in beide sprake van eenig ander visioen, en deze verzen werden eerst later, valschelijk, tot ondersteuning van de legende der hemelvaart gebezigd. Dit is des te waarschijnlijker, nademaal vers 17 en 18 van het 53e hoofdstuk, zelfs volgens de Muzelmansche levensbeschrijvingen, kort na den eersten veldtocht naar AbyssiniÎ verschenen, en aanleiding geven tot terugkeer der eerste uitgewekenen [43]. Slechts, vers 30, 31 en 32 schijnen tot de laatste verzen uit Mekka te behooren. Na de bovengenoemde hoofdstukken komen de 68e, 87e, 92e, 89e, 93e en 94e soeras. Het 103e hoofdstuk volgt, dat waarschijnlijk, evenals menig ander hoofdstuk, slechts uit afzonderlijke verzen bestaat, die geen eigen hoofdstuk moesten vormen, of van welke een gedeelte verloren is. Hierna komen de hoofdstukken 100, 108, 102 en 107. Hoofdstuk 109, hetgeen onderscheidene uitleggers zelfs tot de Medinasche tellen, behoort gewis niet tot het eerste tijdvak, maar in het tweede, waarin. Mahomets leer reeds zÛÛ zeer verbreid was, dat de afgodendienaars hem eenige concessiÎn wilden doen. Dan volgen hoofdstuk 105, 113, 114, 112, 80, 97, 91, 85, 90, 95, 101, 75, 104, 77 en 86. Vervolgens 70 [44], 78, 79, 82 en 84, in welken de dag des oordeels, op meesterlijke wijze, in zeer korte, rhytmische zinnen wordt geschilderd; evenzeer hoofdstuk 56, 88, 52, 69 en eindelijk 83. Ook hoofdst. 99, hetwelk door onderscheiden Muzelmannen onder de Medinasche wordt gerangschikt, behoort nog tot de oudste van Mekka.
Het tweede tijdvak omvat ook nog zeer poÎtische hoofdstukken; in welken tijd Mahomet reeds meer als profeet dan als een in verrukking verkeerende optreedt, en waarbij men in zijne voorstelling reeds meer spel en kunst, dan rechtstreeksche uitgietingen van een overvloeiend gemoed opgemerkt. Mahomet komt reeds meer in bijzonderheden, zoo wel in het gispen der bijgeloovige Mekkanen, als opzichtens zijne grondvesting des waren geloofs. De hel en het paradijs worden gaandeweg wijdloopiger beschreven; ook worden er de goddelijke attributen nader bepaald en met bewijsgronden gestaafd. De legenden der profeten vermeerderen en worden bepaalder van teekening, hetgeen reeds bij die van Mekka den argwaan opwekte, dat Mahomet een medearbeider had. Deze argwaan wordt zelfs uitgedrukt en niet behoorlijk wederlegd [45]. Immers indien ook zij, welke door de Mekkanen als zijn leermeesters worden aangezien, vreemdelingen en de Arabische taal niet volkomen machtig waren, zoo konden zij hem des niettemin de stof voor zijne openbaringen geleverd hebben, welke hij dan vrij bewerkte. Totdat tijdvak, hetgeen zich tot Mahomets terugkeer van TaÔf uitstrekt, rekenen wij te behooren, behalve de reeds genoemde ook de hoofdstukken: 1, 51 [46], 36, 50, 54, 44, 19, 20, 21, 23, 25, 67, 37, 38, 43 en 71, en eindelijk nog 55 en 76, welke door vele Muzelmannen worden aangezien, als te Medina geschreven te zijn.
De hoofdstukken in de laatste jaren te Mekka verschenen, en welke zich van toen nog maar zeldzaam boven het gewone proza verheffen, doch in welke echter nog veel redenaarstalent aanwezig is, zijn de hoofdstukken: 7, 72, 35, 27, 28, 17, 10, 11, 12, 6, 31, 34, 39, 40, 32, 42, 45, 46, 18, 16, 14, 41, 30, 29, 13 en 64. De beide laatste worden gewoonlijk onder de Medinasche hoofdstukken geteld. In het laatste vindt men, wel is waar, in het 14e vers: "O gij, die gelooft!" eene wijze van aanspreken, die gewoonlijk in de Medinasche hoofdstukken voorkomt; doch deze wijze van aanspreken kan door Mahomet nochtans reeds te Mekka gebezigd zijn geworden, als hij iets openbaarde, wat diegenen betrof, welke reeds tot den Islam bekeerd waren.
Alvorens wij tot de hoofdstukken overgaan, die te Medina geschreven zijn, en bij welke, uithoofde zij tot historische feiten in betrekking staan, eene nauwkeuriger tijdsbepaling mogelijk en, uit genoemden hoofde, ook noodzakelijker is, moeten wij nog enkele aanmerkingen laten volgen, over de hoofdstukken die te Mekka geschreven zijn. Volgens eene Muzelmansche overlevering zou vers 93 van het 6e hoofdstuk niet dan later verschenen zijn en op valsche profeten betrekking hebben, welke eerst na Mahomets uittocht opkwamen. Intusschen kan het mogelijk wezen, dat Mahomet, zonder toespeling op anderen, alleen om des te meer geloof te vinden, gezegd hebbe: Bestaat er wel iets snooders, dan God logen toe te dichten, of te zeggen: mij is iets geopenbaard, indien dit niet waar is, enz. Als wilde hij daardoor zeggen; hoe kunt ge mij voor zoo goddeloos houden?
Vers 30 van het 7e hoofdstuk moet gelijkerwijze eerst in Medina en wel eveneens eerst na de verovering van Mekka verschenen zijn, hetgeen ontwijfelbaar is, indien men dat vers als een gebod aanneemt. Het blijft echter altijd mogelijk, dat het slechts een vermaning ware tegen de KoreÔshieten, welke den bedevaartgangers nieuwe kleederen wilden opdringen, of hen dwongen, maakt den tempel om te trekken; zoodat het reeds vroeger verschenen kon zijn.
Van het 17e hoofdstuk is voorzeker vers 35 (waar gezegd wordt: "wij hebben den bloedverwant eens vermoorden reeds macht over een moordenaar gegeven," en waarin waarschijnlijk op hoofdstuk 2 vers 173 wordt verwezen), eerst in Medina verschenen, waar Mahomet een uitvoerende macht bezat. Ook vers 78 kon eerst te Medina geopenbaard zijn; want er wordt van eene poging gesproken, om Mahomet uit het land te verdrijven, hetgeen die van Mekka werkelijk gedaan hadden. De volgende echter en vers 83 kunnen reeds in Mekka geopenbaard zijn; want reeds voor de verovering van die stad kon hij zeggen: "De waarheid is gekomen, de leugen is ontvloden." Wat het eerste vers van dit hoofdstuk betreft, zoo houden wij het niet alleen niet te behooren tot die, welke in Mekka zijn geschreven, maar voor een, dat eerst na Mahomets dood verdicht, of bij vergissing in den Koran opgenomen is. Onderscheiden Koranplaatsen pleiten er voor, dat Mahomet zelf de nachtelijke reize, naar Jeruzalem en den hemel, slechts als een visioen aangezien wilde hebben. Reeds Mahomets gedurige verzekeringen, dat hij niet meer dan een prediker en geen wonderdoener was [47], behoorde ook overigens de geloovigen te overtuigen, dat er geen grond voorhanden is, om hier aan het doen eener werkelijke reize, gelijk ook aan eene gespleten maan te denken. Desniettemin had deze legende zich spoedig na den dood van den profeet verbreid, en langs dien weg kon ook dit vers, door eenig geloovige voor zich zelven opgeteekend, wellicht reeds ten tijde van Aboe Bekr, in den Koran overgegaan zijn. Dat vers komt overigens volstrekt niet bij het daaropvolgende, is voor een ieder, die de legende niet kent, onverstaanbaar, en bovendien voor dengeen, die er mede bekend is, duister en taalkundig onjuist. Woordelijk luidt het vers: "Geprezen zij degeen, die met zijn knecht des nachts reisde, van den heiligen tempel naar den verwijderden tempel, wiens omgeving wij gezegend hebben [48], opdat wij hem onze wonderen toonen. Gewisselijk hij is de hoorende, de zienden."
In vers 85 van hoofdst. 28 moet, volgens eenige Koranverklaarders, aan Mahomet voorspeld zijn, dat hij eens naar Mekka terug zou keeren. Ten gevolge daarvan zou dat vers zeker in Medina, of tenminste daarheen geschreven moeten zijn. Er komt echter een woord in voor (Maad) hetgeen woordelijk "plaats des terugkeers" beteekent, zoodat daarmede even goed de wereld hier namaals, als Mekka bedoeld kan zijn.
Vers 9 en 10 van hoofdstuk 29 schijnen ook naar Medina verplaatst te moeten worden; want daarin wordt gezegd: dat zekere lieden zich van de geloovigen afscheiden, indien zij in kommer zitten, maar zich weder bij hen voegen als er bijstand van God komt; dat echter God de ware geloovigen wel van de huichelaars weet te onderscheiden. De vijf eerste verzen van Hoofdstuk 30, welke betrekking hebben op de zegepraal der Perzen op de Grieken, behooren tot het vroegere tijdvak.
Het 15e vers eindelijk van het 46e Hoofdstuk, ten minste de tweede helft er van, welke door de Muzelmannen betrokken wordt op Aboe Bekr, wiens vader, zoon en kleinzoon zich tot den Islam bekeerden, is niet minder verdacht dan het 1e van Hoofdstuk 17.
Tot de nog overige drieÎntwintig Medinasche Soeras overgaande, volgen wij het algemeene gevoelen, en noemen de 2e Soera (die van de Koe) als de eerste van Medina, omdat Mahomet in den eersten tijd voorzeker niets belangrijkers te doen kon hebben dan de Joden, die te Medina in grooten getale aanwezig waren en grooten invloed bezaten, te zijnen voordeele te stemmen, en dit wel te meer, nademaal hij te Mekka zich dikwijls op de getuigenis der Joden beroepen had [49]. Dit is het thema, waarover namelijk het eerste gedeelte van dat hoofdstuk loopt. Hij toont de Joden van Medina uit hunne eigene geschiedenis aan, hoe het hun, zelfs toen Mozes onder hen was, aan waar geloof en vertrouwen had ontbroken, en stelt Abrahams natuurlijken godsdienst tegenover het strenge MozaÔsme en het van dogmas zoo zeer vervulde Christendom. Hij kent geene andere verboden spijzen dan bloed (wat overigens ook in het vroegere Christendom verboden was) aas of krengen, varkensvleesch en wat ter eere van eenigen afgod geslacht was [50]. En dit verbod komt ook reeds in Mekkasche hoofdstukken voor, in verband met verschillende andere gebruiken, die onder de bewoners van Mekka heerschten [51]. Ook schrijft hij in den eersten tijd geen ander gebod voor, dan het geloof aan God, engelen, opstanding, profeten en hunne openbaring; milddadigheid jegens armen, weezen, bloedverwanten, reizigers en slaven; gebed, vervulling van zijn woord en lijdzaamheid in het ongeluk. Op de richting des lichaams bij het gebed komt het niet aan; God is Heer van het Oosten en Westen [52]. Op deze algemeene leer der plichten, door Mahomet in den vroegsten tijd van zijn verblijf te Medina geopenbaard, volgden intusschen andere wetten, welke eerst in het tweede jaar verschenen. De oorlog tegen ongeloovigen wordt er nu bevolen en zelfs in de heilige maanden veroorloofd. Niemand mag zich echter in al te groote gevaren storten, en in zulke gevallen mag het gebed zelfs onder het rijden of gaan verricht worden, terwijl het anders ten deele staande, deels knielend gedaan wordt. Mekka wordt nu als de plaats aangewezen, waarheen men zich bij het doen van het gebed moet richten. Het genot van den wijn en de hasardspelen wordt zoo al niet bepaald verboden, dan toch ten minste gegispt. De maand Ramadhan wordt als vaste-maand bepaald. Ook worden in dien tijd eenige wetten ten opzichte van gezondheids-maatregelen en omtrent burgerlijke en lijfstraffelijke aangelegenheden bepaald. Van dien aard zijn de bepalingen omtrent de reiniging der vrouwen [53]; testamenten [54], schuldverbintenissen [55], woeker [56], echtscheiding en rechten der vrouwen [57], huwelijk met ongeloovigen [58] en moord [59] Alleen vers 192-199, welke de voorschriften omtrent de bedevaart bevatten, behooren voorzeker tot een lateren tijd, en wel waarschijnlijk tot het 6e of 7e jaar der hedjirah.
Gelijktijdig met het tweede Hoofdstuk, en alleen tot zijne aanvulling, verscheen waarschijnlijk het 98e Hoofdstuk, dat voornamelijk tegen de ongeloovige Joden en Christenen gericht is, en evenzeer het 62e, dat het gebod behelst over het vieren van den Vrijdag, of eigenlijk over de godsdienstoefening op dien dag, voorafgegaan door een twistgeschrijf tegen de Joden, en bijna met dezelfde woorden als in het 2e Hoofdstuk.
Het 65e Hoofdstuk is slechts ten deele eene herhaling, deels eene aanvulling der huwelijkswetten, welke in het 2e Hoofdstuk vervat zijn, en moet derhalve ook omstreeks denzelfden tijd geplaatst worden. Hoofdstuk 22, dat het verlof bevat tot het oorlog voeren, over de bedevaart handelt, gelijk zij door Abraham is vastgesteld [60] en over het loon, dat de landverhuizers verbeidt, die sterven of gedood worden, behoort ook tot dezen tijd; maar, zelfs volgens het gevoelen de Mahomedanen is een gedeelte daarvan reeds te Mekka verschenen; want het bevat meer redetwisten tegen de afgodendienaars van _Mekka_ dan tegen de bewoners van Medina. Vers 51-53, in welke Mahomet eene concessie terug neemt, welke hij aan de ongeloovigen heeft gedaan, en eene vroegere openbaring aan de kunstenarijen des satans toeschrijft, laten hierover niet den minsten twijfel bestaan.
Tot de eerste Medinasche Hoofdstukken behoort eigenlijk ook het 4e, waarin het verdere over het huwelijksrecht en het daarmede in verband staande erfrecht is bevat [61] en voorts verbod van den zelfmoord [62], bepalingen omtrent doodslag bij vergissing [63]; eenige krijgswetten, bijzonder tot bevrijding der te Mekka teruggehouden geloovigen: twistreden tegen afgodendienaars, Joden en Christenen [64], verordeningen over het gebed in den oorlog en de reiniging vÛÛr dezen, en eindelijk nog eenige algemeene, zedelijke vermaningen, zooals over milddadigheid zonder vertoon te maken [65], rechtschapenheid [66] en waarheid [67].
Aangezien het derde hoofdstuk, of tenminste een gedeelte daarvan, gezonden werd om de Muzelmannen over het verlies bij Ohod te troosten, zoo is het voorzeker in het derde jaar der hedjirah verschenen. De overige verzen van dat Hoofdstuk, welke ten deele twistgeschrijf en ten deele vriendelijk tegemoet komen ten aanzien van Joden en Christenen bevatten, met verwijzing op Abrahams geloof, kunnen ouder zijn: doch v. 82 daarentegen, dat elken niet-Muzelman in alle eeuwigheid verdoemt, is gewis eerst later verschenen.
Eene opmerkelijke bijzonderheid voeren wij uit Hoofdstuk 33 vers 47 aan. Nadat daarin gezegd is, de ongeloovigen en huichelaars niet na te volgen (of zoo als anderen vertolken, niet naar hen te luisteren), besluit het vers met te bevelen, hun geen leed te doen.
Hoofdstuk 48 betreft de verongelukte bedevaart, of den tocht van HoedeÔbia, en wordt daarin het verdrag, met de Mekkanen gesloten, als eene verovering afgeschilderd, en de onmiddellijk daarop volgende oorlog van Cheribar vermeld. Ook de drie verzen, welke het 110e Hoofdstuk vormen, zijn waarschijnlijk in dien tijd, zoo niet zelfs na de verovering van Mekka verschenen. Zoo is het ook met Hoofdstuk 61: vooral vers 13, waarin evenzeer de spoedige verovering wordt beloofd, en de vier eerste verzen, waarin den geloovigen verweten wordt, dat zij hun woord niet houden; waarbij hun achterblijven van den tocht naar Mekka wordt bedoeld. Eindelijk nog Hoofdstuk 60, dat het huwelijk tusschen geloovigen en ongeloovigen ontbindt--hetgeen dadelijk na den terugkeer van HoedeÔbia plaats had--en het huldigings-formulier der vrouwen voorschrijft. Het begin van dat Hoofdstuk zoude kort voor de verovering zijn verschenen, toen Hatib Ibn Baltaa zijne vrienden te Mekka van Mahomets voornemen wilde onderrichten. Het gebod, geene ongeloovigen tot vrienden te kiezen, wordt nochtans zoo dikwijls herhaald, dat het waarschijnlijk ook reeds vroeger werd medegedeeld, nademaal de vriendschapsbetrekkingen tusschen geloovigen en ongeloovigen reeds lang te voren niet wenschelijk kon toeschijnen.
Hoofdstuk 49, welks begin op het gedrag der afgevaardigden van de Thakifieten betrekking heeft, verscheen na de verovering van Mekka. In de volgende verzen tracht Mahomet de eendracht tusschen de verwonnelingen en de veroveraars te herstellen, en waarschuwt voor wantrouwen, argwaan, beluisteren, achterklap en geboortetrots, omdat die ondeugden onvrede tusschen de geloovigen bewerkten, welke elkander als broeders moesten beminnen.
Het vijfde Hoofdstuk eindelijk bevat eenige verzen, welke Mahomet bij zijne laatste bedevaart geopenbaard heeft, en dat derhalve door eenige Muzelmannen als het laatst verschenen wordt beschouwd. Daartoe tellen wij diegenen, welke betrekking op de bedevaart hebben, en eenige spijswetten, vooral die, welke in het vierde vers herhaald zijn; uit hoofde van de tweede helft, waarin de godsdienstlessen thans als volkomen worden erkend. Het gebod van het wrijven met zand, bij gebrek aan water [68], bevindt zich reeds in een vroeger Hoofdstuk, en is, zelfs naar de Muzelmansche overlevering, ouder. Zoo is het ook met den zoen voor een' niet gehouden eed [69], waarop reeds in Hoofdstuk 66 v. 2 wordt geduid.
Ook de wet, om bij testamenten twee getuigen te doen onderteekenen [70], is waarschijnlijk reeds vroeger, met vers 176 van het 2e Hoofdstuk, verschenen. Evenzeer het gispen van het wijn drinken en dobbelspel [71]. Alleen de wet, die den diefstal met het afhouden der hand straft, kan nog bij de laatste bedevaart zijn gegeven. Het overige gedeelte van het hoofdstuk, dat Bijbelsche legenden bevat, en voorts twistgeschrijf tegen Joden en afgodendienaars, maar meer nog tegen Christenen, en vooral tegen de leer der DrieÎenheid, is voorzeker nog ouder. Dit bewijst hoofdzakelijk v. 85, waarin de Christenen vrienden der muzelmannen genoemd worden, hetgeen althans na den slag van Moeta en den veldtocht van Taboek niet meer gezegd kon worden; ook vers 73, waarin, even als in Hoofdstuk 2 v. 59, den geloovigen Joden en Christenen eene zalige toekomst wordt beloofd, terwijl in het 3e Hoofdstuk wordt gezegd [72]: wie eenen anderen godsdienst dan den Islam aanhangt, wordt door haar niet (bij God) aangenomen en behoort in de toekomstige wereld tot de verdoemden; en evenzeer Hoofdstuk 48 v. 17: "wie niet aan God en zijnen gezant gelooft, voor zulke ongeloovigen hebben wij de hel bereid". Immers het is niet aan te nemen, dat Mahomet in den laatsten tijd verdraagzamer en vrijzinniger jegens Joden en Christenen geworden zij, daar hun zelfs verboden wordt, het gebied van Mekka te betreden.
III
DE ISLAM.
Algemeen overzicht.