Part 69
Oostenrijk aanschouwde met grooten onwil de Russische uitbreiding, vooral aan den Donau, wier monding in Russische handen dreigde te geraken; Pruisen werd ontevreden op zijne bondgenoote, Catharina†II, die allen invloed in Polen voor zich wilde. Beide landen toonden neiging zich tegen Rusland te verzetten. Oostenrijk begon door een verbond met den ouden vijand te sluiten: tegen een subsidie zou het Turkije steunen (1771). Dit verdrag kwam niet tot uitvoering, want de Pruisische koning, Frederik†II, bewerkte een andere oplossing om een algemeenen oorlog te voorkomen. Meester van den toestand, omdat de partij, waarbij hij zich aansloot, de sterkste zou zijn, stelde hij voor, dat Rusland, Oostenrijk en Pruisen ieder een deel van Polen zouden nemen en dat Rusland met Turkije op schappelijke voorwaarden vrede zou sluiten. Catharina†II, ofschoon zij ongaarne wilde deelen, moest wel toestemmen; Maria Theresia, de Oostenrijksche vorstin, deed hetzelfde--en de eerste Poolsche deeling had plaats (1773). De vrede met Turkije werd gesloten te Koetsjoek-Kainardsji: Rusland kreeg enkele vestingen bij en aan de Zwarte Zee als Kertsj en Jenikale; verder gebiedsuitbreiding tusschen Dnjepr en Boeg, o.a. Kinburn, en in den Kaukasus, waar ook aanhoudend strijd gevoerd was, groot- en klein-Kabarde. Maar daarnaast stonden een groot aantal indirecte voordeelen voor Rusland: de Tataren van de Krim werden geheel van Turkije onafhankelijk verklaard; ten opzichte van de Donau-vorstendommen kreeg Rusland het recht om voor hunne belangen bij de Porte op te komen en daarmede dus een schoone gelegenheid zich met de binnenlandsche aangelegenheden van Turkije te bemoeien, wat ook het geval was met de bepaling, dat den Grieksch-Katholieken godsdienst geen geweld zou worden aangedaan; dan werd den Russen nu ook vrijheid verleend om handel te drijven in alle Turksche havens en toegang tot de Heilige Plaatsen te Jeruzalem (1774).
De afloop van deze geschiedenis, die voor de Porte nog betrekkelijk boven verwachting moet geweest zijn, had voor haar nog ÈÈn onaangenaam gevolg: Oostenrijk liet zich betalen voor den steun, dien het aan Turkije beloofd had. Het eischte de Boekowina, een deel dus der Roemeensche landen, en Turkije was onmachtig dien eisch te weigeren. Sedert 1775 is de Boekowina Oostenrijksch gebied, even eerlijk verkregen als de deelen van Polen, die de drie mogendheden van dit land hadden afgenomen.
De omstandigheden hadden Turkije gered voor grootere verliezen in den oorlog met Rusland, maar weldra werden die omstandigheden ongunstiger. Toen Maria Theresia in 1870 stierf, werd haar zoon Jozef†II, die reeds de keizerlijke waardigheid van Duitschland droeg, alleen baas in de Oostenrijksche landen en in vele opzichten veranderde daarmede de Oostenrijksche politiek. Niet het minst tegenover Turkije. Had zijne moeder zich tegen de veroveringsplannen van Catharina†II in het Balkanschiereiland verzet, hij begunstigde die plannen, mits hem zelf ook een deel van den buit zou toevallen. En hierover werd tusschen de Russische keizerin en den Oostenrijkschen vorst eensgezindheid verkregen. Het zoogenoemde Grieksche plan werd opgemaakt (1784) en dit beoogde een verdeeling van het Turksche rijk: de Turken zouden uit Europa verdreven worden; in het Balkan-schiereiland zouden verschillende autonome staatjes worden gesticht; Rusland en Oostenrijk zouden hunne grenzen uitbreiden.
Het eerste gevolg van deze verstandhouding tusschen de beide vorsten was, dat Rusland, gebruik makende van de oneenigheid tusschen verschillende pretendenten naar het Khanaat van de Krim, zich van dit schiereiland meester maakte (1783), waardoor het een prachtige positie aan de Zwarte Zee verwierf. Turkije had veel lust zich te verzetten, maar kon niet. Niemand wilde het bijspringen: Engeland en Frankrijk hadden pas een zware worsteling achter den rug in den Amerikaanschen vrijheidsoorlog. Het eerste bekommerde zich nog niet veel om politieke belangen in Zuid-Oost-Europa. Het tweede, hoewel niet oneervol uit den strijd gekomen, was te uitgeput. Zoo moest de Porte bij het verdrag van Constantinopel (1784) de Krim aan Rusland laten.
Spoedig kwamen ernstiger zaken. Catharina†II nam een zeer uitdagende houding tegenover Turkije aan, vooral op een reis, die ze naar het door Potemkin, haren meest bekenden gunsteling, tot meer ontwikkeling gebrachte Zuid-Rusland ondernam. Toen werd het voor de Porte te erg. Sultan Abdoel-Hamid, broeder en opvolger van Moestafa†III (sedert 1773), ofschoon volkomen onoorlogszuchtig, begon den krijg (1787), omdat hij niet anders kon. Oostenrijk voldeed aan zijne verpichtingen als bondgenoot van Rusland en verklaarde den oorlog aan Turkije (1788). Het eerste oorlogsjaar was voor de Turken niet al te ongelukkig. Hun leger had ten minste eenigermate geprofiteerd van de ingevoerde hervormingen, die het meer op een Europeesch leger deden gelijken, en maakte daardoor wat beter figuur onder de leiding van den groot-vizier Joessoef. De bondgenooten, vooral Oostenrijk, hadden op de grootere activiteit der Turken niet gerekend. Het Oostenrijksche leger werd uit ServiÎ gedreven, het Turksche drong in Hongarije binnen zonder echter een grooten slag te kunnen slaan. Ondertusschen hadden de Russen onder den beroemden veldheer Souvorov na een lang en moeilijk beleg Otsjakov genomen, maar dit was ook hun eenig voordeel in 1788. Het volgende jaar traden de bondgenooten met meer kracht op en toen moesten de Turken overal terug. Aan de Oostenrijkers verloren zij Belgrado, Semendria, Passarowitz; de Russen kwamen naar de Donauvorstendommen en namen, gesteund door de Oostenrijkers, Boekarest.
Maar nu de kansen slecht begonnen te staan, nu kwam--het wordt haast vervelend om het te zeggen--alweer steun van buiten. Pruisen en Engeland waren dezen keer de redders. Pruisen, verontrust over de samenwerking van Rusland en Oostenrijk, had zich, ook om andere redenen, bij Engeland aangesloten. Indirect verzetten zich deze beide landen overal tegen de Russisch-Oostenrijksche politiek en zoo kwamen zij er toe ook de Porte te steunen, Engeland nu voor het eerst, hoewel nog aarzelend, de rol in Zuid-Oost-Europa op zich nemende, die het in de negentiende eeuw met meer bewustheid gespeeld heeft. De eerste zet op dit diplomatieke schaakbord was, dat Engeland en Pruisen Zweden tegen Rusland opstookten. Daarvoor was niet veel noodig. Koning Gustaaf†III, die zijn land uit een toestand van anarchie, waarin het evenals Polen dreigde te gronde te gaan, had gered, wilde niets liever dan een oorlog tegen Rusland, die hij meende, dat nationaal zou kunnen zijn. Veel afleiding verschafte dit Turkije niet, want Rusland had slechts een klein deel zijner krachten tegen Zweden noodig en Gustaaf†III, weldra inziende, hoe weinig hij vermocht, tevens begeerig aandeel te nemen in het bestrijden der pas begonnen Fransche revolutie, sloot reeds in 1790 vrede. Maar andere en betere afleiding was er ook. Een opstand brak uit in Hongarije en tegelijk in BelgiÎ, beide gericht tegen het binnenlandsche regeeringsbeleid van den vorst, die daardoor in eigen land de handen vol werk kreeg. Het was een ernstige crisis, waarin Oostenrijk toen verkeerde--en te midden daarvan (Febr. 1790) stierf Jozef†II. Zijn broeder en opvolger, Leopold†II, brak in bijna elk opzicht met zijne politiek, onder anderen door zoo spoedig mogelijk vrede te sluiten met Turkije. Dit geschiedde ook onder invloed van de steeds dreigender houding van Pruisen, dat zich in 1790 openlijk met de Porte en zelfs met Polen verbond, en--van de Fransche revolutie, met hare voor het oude Europa wonderbaarlijke verrassingen, die begrijpelijkerwijze de aandacht der mogendheden begonnen te trekken. Het was een schamele winst, waarmede Leopold†II zich bij den vrede van Sistowa (1797) met Turkije tevredenstelde; de stad Oud-Orsowa, van beteekenis wegens de nabijheid der IJzeren Poort, en eenig grondgebied aan de Oena, een zijrivier van de Sau.
Rusland zette alleen den oorlog voort en behaalde in 1790 en 1791 nog verschillende voordeelen, maar in het begin van het volgende jaar sloot het ook vrede en alweÍr op voor Turkije niet bijzonder bezwarende voorwaarden. Het waren ditmaal de Poolsche zaken, die de aandacht van Catharina†II eischten, want in Polen was na 1773 een nationale beweging ontstaan, die den inwendigen toestand geheel dreigde te veranderen: dit moest verhinderd worden, meende de Russische vorstin, en vooral was zij van die opinie, toen de Polen een constitutie maakten, waarin een groot aantal misbruiken opgeruimd werden. Turkije profiteerde er bij; bij den vrede van Jassy verloor het alleen Otsjakov en het land tusschen Boeg en Dnjestr, terwijl Rusland al de overige veroveringen teruggaf en ook geen andere indirecte voordeelen bedong, behalve die in de opnieuw bevestigde vroegere verdragen neergelegd waren (1792).
We komen aan den tijd der Fransche revolutie en aan den man, die haar heeft weten te beheerschen, Napoleon. Geheel Europa in rep en roer. Overal diepingrijpende staatkundige en maatschappelijke veranderingen. Maar Turkije blijft er buiten; alleen de loop der omstandigheden brengt het soms eventjes in den maalstroom, die toen Europa meesleurde. Inwendig heeft het van de lessen der revolutie, die in vele landen een gezonder politiek leven deden ontstaan, gansch geen nut getrokken. En toch was er een sultan, Selim†III (1789-1807), zoon van Moestafa†III, die energieker was dan al zijn voorgangers in de achttiende eeuw en die ook wel aan hervormingen dacht, maar alleen aan die op militair gebied. Hij wilde van het oude Turksche leger, dat, zooals we zagen, reeds gedeeltelijk hervormd was, een geheel nieuw leger maken, waarin de oude corpsen zouden worden opgelost. Toen hij, gesteund door Fransche officieren, dit plan ernstig aanvatte, gebeurde, wat te verwachten was: een hevig oproer van de oude corpsen, bang voor hunne voorrechten, ontstond en Selim†III werd afgezet (1807). Een zoon van Abdoel-Hamid, Moestafa†IV, werd sultan gemaakt en regeerde op de oude wijze voort. Maar nu bleek, dat de hervormingsgezinden talrijker waren dan vroeger. Nadat Moestafa ruim een jaar geregeerd had, ontstond een tegenrevolutie onder leiding van Moestafa den BaraÔktar, d.i. den Standaarddrager, die Selim†III weÍr op den troon wilde plaatsen. Maar Selim werd tijdens het oproer vermoord door Moestafa†IV, die echter toch afgezet werd. En nu werd Mahmoed†II sultan, broeder van Moestafa, door zijn neef Selim†III geheel voor diens hervormingen gewonnen. Ook hij wilde die ten uitvoer leggen, maar een derde oproer (1809), nu weÍr van de Janitsaren en de hunnen, noodzaakte hem zijne plannen tot een meer geschikten tijd uit te stellen.
Het is niet de schuld van Turkije geweest, dat Napoleon dit land tamelijk wel ongemoeid gelaten heeft [2336]; het was de schuld van de voortdurende oorlogen, die de groote man elders te voeren had. Was zijn ideaal om een tocht naar AziÎ te ondernemen, waartoe het plan meermalen opgeworpen is, tot uitvoering gekomen, ongetwijfeld zou Turkije er slecht bij gevaren zijn. Hoe weinig hij zich om de Porte bekommerde, bleek reeds in het begin van zijn loopbaan, toen hij zijn tocht naar Egypte, dat een deel van het Turksche rijk heette te zijn, ondernam. En wel terecht ontzag hij de regeering van den sultan niet. Alleen de Mamelukken boden hem tegenstand, toen hij te AlexandriÎ geland was en naar Cairo oprukte (1798); van hun souverein kregen zij niet den minsten steun. Engelsche invloed te Constantinopel was noodig om den sultan tot een oorlogsverklaring aan Frankrijk te brengen; het was een Engelsche vloot, die de Fransche op de Egyptische kust, bij Aboekir, vernietigde en die er later het meest toe bijdroeg om St. Jean d'Acre, door Napoleon op zijn tocht naar SyriÎ belegerd, te verdedigen. Op Engelsche schepen werd een Turksch leger naar Egypte gebracht, maar dit leger vermocht niets; het werd onmiddellijk na de landing door Napoleon uit elkander gejaagd. En toen Napoleon in 1799 naar Frankrijk teruggekeerd was, zijne troepen in Egypte achterlatende, brachten de Engelschen er het meest toe bij, om de Franschen twee jaar later te dwingen Egypte te ontruimen.
Nadat deze kwestie aldus uit den weg geruimd was en de vrede tusschen Frankrijk en de Porte geteekend (1802), zag de Turksche regeering er volstrekt geen bezwaar in met Napoleon in zeer vriendelijke verstandhouding te leven. Zoolang Napoleon Rusland als vijand tegenover zich had, behandelde hij de Porte met alle consideratie. Daardoor werd de Fransche invloed te Constantinopel tijdelijk zeer groot en verdrong er dien van Engeland te gemakkelijker, omdat dit laatste land in den strijd tegen Napoleon met Rusland verbonden was. Rusland met czaar Alexander†I aan het hoofd begon in 1806 opnieuw een oorlog tegen Turkije. Dat was een gevolg van besprekingen tusschen de Russische en Oostenrijksche regeeringen over een nieuwe smaldeeling van het Turksche rijk, waarop ook Oostenrijk, door Napoleon het meest van alle mogendheden gehavend, zeer gesteld was. Toch tastte keizer Frans †I niet door, toen Alexander den aanval deed, vooral met het doel om de Donauvorstendommen te veroveren; wel begunstigde Engeland, begeerig Rusland als bondgenoot te behouden, Rusland's eischen te Constantinopel. Zoo waren ook in Zuid-Oost-Europa de verhoudingen door vrees voor Napoleon omgekeerd! Een Engelsche vloot forceerde de Dardanellen, bedreigde Constantinopel. De Franschen droegen veel tot de verdediging bij: SÈbastiani, de Fransche gezant, gesteund door de te Constantinopel aanwezige landgenooten, hielp krachtig om de stad in staat van tegenweer te brengen. De Engelsche admiraal Duckworth ondernam echter den aanval niet en de Russen, die in 1806 de Donauvorstendommen reeds zoo goed als geheel hadden bezet, moesten nog in datzelfde jaar terug om Pruisen, dat met Napoleon in oorlog geraakt was, te steunen.
Het einde van dien oorlog, de vrede van Tilsit, had ook voor Turkije belangrijke gevolgen. Te Tilsit hadden Alexander†I en Napoleon een nauw verbond gesloten, om samen, de ÈÈn in Oost-, de ander in West-Europa, te heerschen. De vriendschappelijke gezindheid van Napoleon voor Turkije was uit, want wie Rusland tot bondgenoot had, moest Turkije als vijand beschouwen; nu groeide weer de Engelsche invloed bij de Porte. Gevaarlijke plannen voor Turkije werden tusschen de nieuwe bondgenooten besproken; het ging weer om de verdrijving der Turken uit Europa, om de verdeeling van het Balkan-schiereiland. Maar er was ÈÈn bezwaar, dat onoverkomelijk bleek: Napoleon wilde Constantinopel en de Dardanellen niet aan Alexander beloven en dit twistpunt werd op den duur ÈÈn der oorzaken van de verwijdering tusschen de beide keizers. De kwestie werd vooral besproken op het congres van Erfurt (1808), maar men kwam niet verder dan dat Napoleon, hoewel tegen zijn zin, maar beziggehouden door andere aangelegenheden en daarom niet kunnende weigeren, er in toestemde, dat de Donauvorstendommen Russisch zouden worden. Eerst trachtte Napoleon de Porte te bewegen ze bij minnelijke schikking aan Rusland af te staan, maar dit mislukte. Opnieuw bezette Rusland nu de landen der Roemenen, en voor het eerst kwam een Russisch leger den Donau over, waarna in Boelgarije enkele veroveringen gemaakt werden. Geen mogendheid kwam Turkije te hulp: wel sloot het een verbond met Engeland, maar werkelijken steun kreeg het ook van dit land, dat de handen vol had in den altijd voortdurenden oorlog met Napoleon, niet. Het was Napoleon zelf, die ditmaal de Turken uit den nood redde. Zijn tocht naar Rusland in 1812 dwong Alexander †I al zijne troepen naar het Noorden te trekken en vrede te zoeken met Turkije. Ditmaal werd die, onder begunstiging van Engeland, gesloten te Boekarest (1812); het land tusschen Dnjestr en Proeth, BessarabiÎ, kwam aan Rusland; GeorgiÎ en MingreliÎ in den Kaukasus, nooit anders dan losjes verbonden aan Turkije, werden nu geheel buiten Turkschen invloed geplaatst en geraakten tengevolge daarvan spoedig onder den Russischen.
Het einde van den Napoleontischen tijd kwam in 1815. Wat zou de nieuwe aera voor Turkije brengen? Er is in de negentiende eeuw in de verhouding van het overige Europa tot de Porte dit verschil op te merken, dat meerdere mogendheden in de lotgevallen van het Turksche rijk belang gingen stellen. Was het in de zeventiende eeuw vooral Oostenrijk, in de achttiende Oostenrijk en Rusland, waarmede Turkije te maken had, nu had ook Engeland zijne aandacht leeren wijden aan wat er op politiek gebied in Zuid-Oost-Europa voorviel en natuurlijk bleef Frankrijk er naar streven zijn invloed te Constantinopel uit te oefenen, zooals het reeds zoo dikwijls gedaan had. Met die belangstelling van alle groote mogendheden--alleen Pruisen bekommerde zich om die aangelegenheden toen weinig; het liep als trouw bondgenoot van Oostenrijk geheel aan den leiband van den Oostenrijkschen kanselier Von Metternich--kreeg de Turksche kwestie een geheel ander aanzien. Een kwestie noemde men het nu en met recht, want, al waren allen het er over eens, dat gegeven de innerlijke zwakheid van de Sultansregeering, de toestand op het Balkan-schiereiland op den duur niet zÛÛ kon blijven als hij was, over de wijze, waarop veranderingen waren aan te brengen, bestond grootelijks verschil van opinie. Iedere stap, die ÈÈn der mogendheden tegenover de Porte deed, werd door de anderen met de grootste opmerkzaamheid en argwaan gevolgd. Vooral Rusland voer daar slecht bij. Het was duidelijk, dat het slechts op een geschikte gelegenheid wachtte, om een grooten slag te slaan, maar dit werd nu veel moeilijker dan in de achttiende eeuw, want Engeland, dat in AziÎ de groote tegenstander van het Czarenrijk geworden was, zou dit niet meer dulden. ZÛÛ teer was de zaak reeds, dat men haar op het Weener Congres, waar Napoleon's politieke erfenis geregeld werd, onaangeroerd liet.
Maar er is nog een ander groot verschil tusschen de achttiende en de negentiende eeuw ten opzichte van Turkije. Hadden Rusland of Oostenrijk of beide mogendheden samen in de achttiende eeuw in ÈÈn hunner oorlogen tegenover de Turken kunnen doortasten, waren ze niet steeds door min of meer toevallige omstandigheden daarvan afgeleid geworden, zij zouden waarschijnlijk zonder veel moeite hunne heerschappij over de in het Balkan-schiereiland wonende Christelijke volken voor de Turksche in de plaats hebben kunnen stellen. Nu het echter zoo lang duurde en toch de zwakheid der Turken aanhoudend duidelijker werd, kregen die volken gelegenheid de vraag van geheele onafhankelijkheid voor zich te overwegen en het bewustzijn, dat geheel vrij te worden voor hen in de toekomst lag, kwam vooral op, toen door de Fransche revolutie overal het woord vrijheid weerklank vond. Ook Rusland had die neiging aangewakkerd, met een bijbedoeling: het zou het protectoraat over de "vrije volken" krijgen, maar--het zou weldra blijken--die volken bedoelden het anders.
We vermeldden reeds, dat het optreden der Russen tegenover Turkije in de achttiende eeuw enkele nationale bewegingen deed ontstaan: zoo vooral onder de Roemenen, wier toestand echter ten slotte in hoofdzaak dezelfde was gebleven; alleen had Rusland bij een afzonderlijk verdrag van 1802 gedaan weten te krijgen, dat de hospodars voor den vasten tijd van zeven jaar zouden worden benoemd en dat niet ieder oogenblik nieuwe zouden optreden, terwijl Rusland een zeker toezicht op het bestuur kreeg. Een eerste opstand, die voorloopig succes had, kwam voor onder de Boelgaren (1798), merkwaardig genoeg onder leiding van een Slavischen Muzelman Pashvan-Oghloe, dapper krijgsman en uitstekend aanvoerder, dien de Porte niet heeft kunnen overwinnen. Maar na zijn dood in 1807 werden de Boelgaren onderworpen; voor hen was de tijd nog niet gekomen.
Ernstiger was de opstand van de ServiÎrs in 1804, want deze was zuiver nationaal. Vooral de geweldenarijen der Janitsaren te Belgrado waren de aanleiding. Zelfs vele Turken deden eerst uit weerzin tegen die aanmatigende krijgslieden aan den opstand mede. Maar, toen de Janitsaren uit Belgrado verjaagd waren en de ServiÎrs bemerkten, wat ze vermochten, toen keerden ze zich tegen alle Turken en vormden zich een eigen regeering. EÈn hunner leiders, Kara Georges--evenals de andere leiders behoorende tot een soort Servischen landadel, iets aanzienlijker van stand dan de meeste Servische landbouwers--kwam aan het hoofd; een skoeptchina, volksvergadering, stond hem ter zijde. ServiÎ dacht zich al vrij, maar toen Alexander†I, onder wiens bescherming het zich geplaatst had, na den vrede van Boekarest, waarbij hij voor ServiÎ amnestie en eigen bestuur had bedongen, zijne troepen uit het Balkanschiereiland teruggetrokken had, kwam het Turksche leger onder Koerchid-pacha. Kara-Georges moest vluchten, ServiÎ zich onderwerpen (1813). De ServiÎrs echter, die nu eenmaal de vrijheid gevoeld hadden, kwamen reeds het volgende jaar opnieuw in verzet. Nu werd Miloch Obrenovitch, een ander landedelman, de leider en de strijd eindigde met eenig succes: in 1814 stond de Porte aan de ServiÎrs eenige voorrechten toe, waardoor ze in geringe mate invloed op het bestuur van hun land kregen. Maar de toezegging, door den sultan bij den vrede van Boekarest gedaan, was nog lang niet vervuld.
Roemenen, Boelgaren, ServiÎrs begonnen--was het wonder, dat het ook onder de Grieken gistte? Min of meer in het geheim werkende genootschappen, als de hetairie der "philikoi", onder bescherming van Alexander†I in Rusland gevestigd, als de Philomuzen, die in de studie der Grieksche oudheid een uitnemend agitatie-middel vonden, bewerkten hen sedert lang. De opstand begon in 1821. De laatste stoot er toe werd gegeven door de in 1820 en 1821 in alle Zuid-Europeesche landen uitbrekende revolutiÎn, gericht tegen de na Napoleon's val ingetreden reactie op staatkundig gebied. Die beweging liep in Spanje en de Italiaansche staten op niets uit, want de heilige alliantie, een werktuig in Metternich's hand, kwam voor het behoud der bestaande regeeringen op. Hoe zou het in Griekenland gaan? Het was een veeg teeken, dat Alexander†I, die den Grieken vroeger vele bewijzen van sympathie gegeven had, juist in dezen tijd geheel onder Metternich's invloed geraakte en de liberale gezindheid, die hij wel eens placht te toonen, geheel had afgelegd. De schadelijke gevolgen daarvan ondervond Alexander Ypsilanti, zoon van een vroegeren Griekschen hospodar van Walachije, die uit Turkije had moeten vluchten en aan het Russische hof opgenomen was, evenals verschillende andere Grieksche ballingen. Hij was het hoofd der hetairie en hij begon den opstand door van uit Rusland met een kleine schaar een inval te doen in de Donauvorstendommen. Maar hij kreeg er niet den minsten steun, want de Roemenen waren verbitterd op de Russen Ën om het wegnemen van BessarabiÎ Ën om den zwaren druk, tijdens de Russische bezetting in de Donauvorstendommen uitgeoefend. Ypsilanti moest vluchten, werd in Hongarije gevangen genomen en in Oostenrijk als oproerling opgesloten, zonder dat Alexander†I een vinger voor hem uitstak.