Part 67
De inwendige veranderingen in de opperste laag van den Turkschen staat hadden natuurlijk gevolgen in de andere lagen. Het duidelijkst is dit zichtbaar in de onderste, die der Christenen. Met het ophouden der knapenschatting moest de Christelijke bevolking sterker worden; het merg werd niet meer uit den boom gehaald. Weldra kwamen teekenen van verzet tegen den steeds zwaarderen druk der Turken; al begon nog lang geen volksopstand, in de Slavische landen zwierven de heiduken, in de Grieksche de klephten rond, allen verarmde boeren, die als roovers en dieven in hun onderhoud voorzagen, en de streken, waar ze woonden, onveilig maakten, terwijl de Turken niet bij machte waren daartegen met groote kracht op te treden.
Weinig merkt men ook nu van de eigenlijke Osmanen, behalve voorzoover zij zich in het leger doen gelden. Maar moet ook de kracht van dit volk niet bijster verminderd zijn? Waar waren die mannen, met wie de eerste sultans hunne wonderen verricht hadden? Zouden zij de regeering van een Selim†II en zijne opvolgers geduld hebben? Het valt moeilijk te gelooven.
Naar buiten blijft het Turksche rijk ook na SuleÔman nog langen tijd geducht schijnen. Van uitwendigen achteruitgang was in de eerstvolgende eeuw nog geen sprake; dit kwam ongetwijfeld vooral daarvandaan, dat geen der Europeesche mogendheden van het midden der zestiende tot het midden der volgende eeuw sterk genoeg was of niet al te zeer door andere aangelegenheden beziggehouden werd om tegen de Turken op te treden. Noch Rusland noch Oostenrijk, die er het eerst voor in aanmerking zouden komen, waren daartoe in staat; Spanje, dat zoo lang aan de spits gestaan had in den strijd tegen den Islam, had elders de handen vol werk. Bovendien gaven de Turken zelf niet zooveel reden tot vrees meer, nu hunne groote veroveringsoorlogen uit waren en daarom bestond er ook geene dringende noodzakelijkheid om hen te bestrijden. Godsdienstige motieven werkten daartoe sedert lang niet meer in voldoende mate. Zoo werden de Turken voorloopig niet verontrust en juist daardoor moeten de boven beschreven veranderingen des te gemakkelijker haar beslag gekregen hebben; was er een prikkel geweest tot verbetering door een bedreiging van buiten, misschien zou de inwendige achteruitgang niet zÛÛver gegaan zijn, als nu in de op SuleÔman volgende eeuw het geval geweest is.
Selim†II, de eerste der "rois fainÈants", heeft slechts acht jaar geregeerd. Onder hem worden nog een paar veroveringen gemaakt, die het werk waren van de dienaren uit de dagen van zijn vader, vooral van den groot-vizier Mehemet Sokoli, die het opperste gezag wist te handhaven, totdat hij onder Selim's opvolger Moerad†III vermoord werd. Yemen werd onderworpen, zooals reeds is opgemerkt (hiervÛÛr blz. 685) en een oorlog werd gevoerd tegen VenetiÎ. Die republiek was in voortdurende wrijving met de Porte [2331]; overal grensden de bezittingen aan elkander, telkens kwamen moeilijkheden over rooverijen voor. Vooral de eilanden Cyprus en Creta waren voor de Turken een begeerenswaardig bezit tot afronding van hun gebied in de Middellandsche Zee. Om die eilanden begon dan eigenlijk ook de oorlog, waartoe een nietig voorwendsel spoedig gevonden was. In 1571 werd Cyprus veroverd, maar daarna kwam er hulp voor VenetiÎ. Paus Pius†V, de ridders van St. Jan, verschillende kleinere Italiaansche staten en bovenal Philips†II zonden versterkingen. Daardoor kwam een groote vloot bijeen onder leiding van don Juan van Oostenrijk, een onechten zoon van Karel†V. Zij ontmoette de Turksche in de golf van Patras, niet ver van Lepanto af, en behaalde daar de overwinning. De Turksche heerschappij ter zee werd voor een tijdlang gebroken en aan een aanval op Creta konden de Turken voorloopig niet meer denken. Echter hadden ook de "kruisvaarders" zooveel geleden, dat zij van hunne overwinnning geen gebruik konden maken, en Philips†II, de voornaamste der bondgenooten, kreeg nu juist in de Nederlandsche gewesten meer dan genoeg te doen; hij heeft verder tegen Turkije geen oorlog gevoerd en in 1580 is voor het eerst tusschen Spanje en de Porte een sedert meermalen opnieuw bevestigde wapenstilstand gesloten. Reeds zeven jaar vroeger had VenetiÎ onder bemiddeling van Frankrijk vrede gesloten, Cyprus aan Turkije afstaande en opnieuw veel geld betalende (1573).
Voor geruimen tijd was dit de laatste, eenigszins fortuinlijke oorlog, dien Turkije voerde. In het laatste decennium der zestiende eeuw werd de vrede, door Selim†II in 1569 met Oostenrijk gesloten, voor het eerst weÍr verbroken. Dit was een gevolg van grensmoeilijkheden; geen van beide partijen bedoelde groote veroveringen te maken. Toch werd de toestand voor de Turken een oogenblik bedenkelijk. Zevenburgen, toen geregeerd door Sigismund Bathory, zoon van Stephanus, die na het uitsterven van het geslacht Zapolya de waardigheid van voÔvode gekregen had, verbond zich met Oostenrijk: Sigismund beloofde de survivance aan den toenmaligen keizer Rudolf†II. Gevaarlijker nog was de toestand in Walachije, waar Michiel de Dappere, de door de Porte benoemde vorst, een opstand verwekte en, gebruik makende van den oorlog, Walachije geheel vrij maakte; ook hij verbond zich met Rudolf†II, maar hij was een lastig bondgenoot, want, dapper krijgsman en veelbeteekenend staatsman, beoogde hij de vereeniging van alle Roemenen in ÈÈn rijk; daartoe diende de verovering van Zevenburgen en MoldaviÎ, in naam alleen ondernomen om ze aan de Turksche heerschappij te onttrekken. Zijn vroege dood in 1601 heeft zijne plannen niet tot uitvoering doen komen; anders zou de geschiedenis van Zuid-Oost-Europa wellicht een geheel ander beloop hebben gehad.
De Turken dan verloren voor een oogenblik hun macht in Zevenburgen en in de Donauvorstendommen; daarenboven hield hun leger in Hongarije zich niet dan met de uiterste inspanning staande tegenover de keizerlijken. Onder die omstandigheden besloot de sultan zelf te velde te gaan. Het was Mohammed†III, zoon en opvolger van Moerad †III, die in 1574 zijn vader Selim†II opgevolgd was. Mohammed †III toonde eenige meerdere kracht dan zijne beide voorgangers; zijne tegenwoordigheid werkte gunstig op het leger, zoodat hij in 1596 een belangrijke overwinning op de keizerlijken behaalde bij Keresztes (Kotaj) bij de Theiss. Voordeelen daarvan kon hij niet plukken. In de volgende jaren duurde de strijd voort, zonder dat ÈÈn van beide partijen beslissende stappen kon doen. Uitgevochten sloten zij in 1606 den vrede van Sitvatorok (bij Komorn). Turkije kreeg een oorlogsschatting in eens, maar moest afstand doen van de jaarlijksche schatting, die Oostenrijk toen bijna een eeuw betaald had; het moest Stephanus Bockskay, opvolger van Sigismund Bathory, die zich onder de suzereiniteit van Oostenrijk geplaatst had en veel had bijgedragen tot de overwinning der keizerlijken, als voÔvode van Zevenburgen erkennen, dat dus van dezen tijd af aan den Turkschen invloed begint te ontsnappen. In MoldaviÎ en Walachije werd de oude toestand hersteld. Verloor dus de Porte nog geen grondgebied bij dezen vrede, zij raakte ongetwijfeld iets van haar prestige kwijt; zij had het duidelijke bewijs geleverd niet bij machte te zijn zich verder Noord-Westwaarts uit te breiden. Oostenrijk bleek genoeg krachten te hebben, om Turkije voortaan tegen te houden.
Wogen deze beide landen tegen elkander op in het begin der zeventiende eeuw, ook in het Noorden zagen de Turken geen kans tot uitbreiding meer. Daar woonden de Kozakken, in naam onderworpen aan den koning van Polen, tevens groothertog van Lithauen, maar aan dezen evenmin gehoorzaam als de in naam aan Turkije onderworpen Tataren van de Krim. Kozakken en Tataren en hunne plundertochten waren een voortdurende steen des aanstoots voor Polen en de Porte. Herhaaldelijk kwam het daardoor in de zeventiende eeuw tot een uitbarsting, maar op den duur bleef de toestand aan de grens geheel dezelfde.
Er is in de uitwendige geschiedenis van Turkije in de eerste helft der zeventiende eeuw verder niets, dat in bijzondere mate de aandacht trekt. In de inwendige zien we steeds duidelijker de bovenbeschreven veranderingen aan den dag treden. De zoon van Mohammed†III, Ahmed†I (1604-1617), onder wien de vrede van Sitvatorok gesloten was, is bekend, omdat hij zijn broeder Moestafa, die trouwens idioot was, niet liet vermoorden bij zijne troonsbestijging; van dien tijd af raakt dan ook de gewoonte van broedermoord in onbruik. Overigens is er in de persoonlijkheid van Ahmed geene doortastendheid; ook hij leeft in het paleis, toont een enkele maal neiging om veel te doen, maar het blijft bij zeggen. Zijn opvolger, de idiote Moestafa, werd na een korten tijd afgezet en toen kwam Osman†II, zoon van Ahmed†I, die krachtiger was, zelf een krijgstocht tegen de Polen ondernam en ook verbeteringen wilde aanbrengen in den toestand, maar juist daarom kwamen Janitsaren en Sipahi in opstand, vreezende voor hun bestaan: ze namen Osman†II gevangen en lieten hem vermoorden (1622). Dit was de eerste sultansmoord, die bewees, hoe ver de invloed van de militaire macht kon gaan. Weer liet men den idioten Moestafa gedurende vijftien maanden voor sultan spelen, terwijl inderdaad het leger regeerde. Dit veranderde onder Moerad†IV, een tweeden zoon van Ahmed †I, die in 1623 zijn oom opvolgde, maar eerst op 20-jarigen leeftijd in 1632 zelf de regeering aanvaardde. Hij was een zeer krachtig, maar tevens buitengemeen streng en wreed mensch, eigenschappen trouwens, die hem te pas kwamen en die het hem mogelijk maakten de orde te herstellen. Het was van korten duur. Moerad†IV stierf reeds in 1640 en zijn jongste broeder Ibrahim†I was van geheel ander maaksel: hoogst zinnelijk en daardoor meer dan iemand van den harem afhankelijk, verder wreed, maar die wreedheid niet als zijn broeder ten dienste van het rijk, maar ten dienste van zijne omgeving aanwendende. Hij liet verschillende verdienstelijke mannen, hem overgebleven uit de dagen van zijn voorganger, o.a. den grootvizier Kara-Moestafa, die zich in een oorlog tegen de Perzen, tijdens Moerad†IV gevoerd, onderscheiden had, ombrengen, alleen omdat men er hem in den harem toe overhaalde.
Toch begon juist onder Ibrahim†I een nieuwe oorlog met VenetiÎ, waarvan nu Creta de inzet was. Het was vooral de begeerte naar buit, die den sultan een voorwendsel tot oorlog deed zoeken--en gemakkelijk liet vinden. Het grootste deel van het eiland met ÈÈn der twee vestingen, Kanea, vielen zonder veel moeite in de handen der Turken (1645), maar de tweede vesting, Candia, bood een hardnekkigen tegenstand. In plaats van buit te krijgen moest Ibrahim steeds meer versterkingen sturen en ondertusschen vielen de Venetianen in den Peloponesus, terwijl hunne oorlogsschepen den Turkschen handel veel kwaad deden. Turkije scheen niet eens meer bestand tegen de stad van St. Marcus! Dit had een uitbarsting in Constantinopel ten gevolge tegen den machteloozen Ibrahim. Ook nu stonden de militairen aan het hoofd der samenzwering, waaraan zelfs Ibrahim's moeder Koezem, een vrouw van zeer veel invloed, meedeed. Ibrahim werd onttroond en iets later vermoord (1648). Zijn zevenjarig zoontje Mohammed†IV werd sultan; Koezem regeerde feitelijk voor hem.
Mohammed†IV en zijne naaste opvolgers SuleÔman†II (1687-1691), en Ahmed†II (1691--1695), alle drie zoons van Ibrahim waren niet afschuwwekkend als hun vader, maar voor het voeren der regeering deugden ze evenmin als hij. Toch kwam er in de tweede helft der zeventiende eeuw een herleving in het Turksche rijk, teweeggebracht door een reeks van groot-vizieren uit het geslacht Kˆprili. Het is de verdienste van Tarkhane, de moeder van Mohammed†IV, die na Koezem den meesten invloed had, dat zij in 1656 een krachtig man uit Klein-AziÎ groot-vizier maakte, en nog meer die van Mohammed†IV zelf, dat hij dien groot-vizier liet begaan, zooals b.v. Lodewijk†XIII van Frankrijk Richelieu. De familie, waartoe Mohammed Kˆprili behoorde, stamde uit AlbaniÎ en was vandaar geÎmigreerd naar Klein-AziÎ, zich vestigende in het plaatsje Kˆpri, dat zijn naam aan het geslacht gaf. Mohammed Kˆprili was een zeventiger, toen hij het eerste ambt in het Turksche rijk met zoo goed als onbeperkte volmacht aanvaardde. Hij was "geen geleerd man"; zelfs de kunst van schrijven verstond hij niet, maar hij had een helder inzicht in de nooden van zijn vaderland en hij beschikte over een reusachtige energie. Zonder aanzien des persoons handelende, onverbiddelijk uit den weg ruimende wie zijn bevelen niet gehoorzaamden, gelukte het hem inderdaad orde in de chaos te brengen. "Niet luisteren naar de vrouwen van den harem; zorgen altijd van geld voorzien te zijn, al is het dan ook met verdrukking der onderdanen; het leger steeds in beweging laten blijven, omdat daarvan de gehoorzaamheid afhangt," dit waren de eenvoudige raadgevingen, die Kˆprili, toen hij na vijf jaar stierf, zijn sultan op het hart zou gedrukt hebben (Ranke). ZÛÛ groot was zijn invloed geworden, dat zijn zoon Ahmed hem als groot-vizier opvolgde, een feit, nog nooit in de Turksche geschiedenis voorgekomen. Ahmed had een goede opvoeding genoten, was krachtig en streng als de vader, maar behoefde diens wreedheid niet meer in dezelfde mate toe te passen. Ook hij wist de gunst van den sultan te behouden en bleef daardoor niet minder dan vijftien jaar in zijn ambt werkzaam.
Kˆprili I en Kˆprili II hebben aan het Turksche rijk iets van zijn uiterlijken glans hergeven, maar het terugbrengen tot wat het ÈÈnmaal geweest was, konden ook zij niet. Al was de bemoeiing van den harem met staatszaken voorloopig uit, al werd de discipline in het leger hersteld, het leger werd daarom niet weer, wat het geweest was, en de sultan en zijne omgeving bleven dezelfde. Om het met andere woorden te zeggen: de staatkundige en maatschappelijke toestanden in het rijk konden ook de Kˆprili niet veranderen; hun persoonlijkheid overheerschte tijdelijk de verhoudingen, maar, wanneer zij wegvielen, kon ieder oogenblik de anarchie van de dagen van Ibrahim weer intreden. En zelfs met de Kˆprili, wat was het Turksche rijk vergeleken bij vroeger! Alleen tegen VenetiÎ kon, zooals ons weldra zal blijken, de oorlog nu met meer succes gevoerd worden, maar in een nieuwen oorlog tegen Oostenrijk konden de Turken nu evenmin voordeelen behalen als in het begin der zeventiende eeuw. Gedeeltelijk was dit ook een gevolg van buiten Turkije ontstane veranderingen. Terwijl de Turken in vroegeren tijd alle andere mogendheden in bewapening en legerinrichting ver vooruit waren, was dit nu anders geworden. Groote verbeteringen waren successievelijk in de legers en de strategie der Europeesche legers aangebracht, vooral door veldheeren als Maurits van Oranje, Gustaaf Adolf en Wallenstein; alleen de Turken gingen niet met hun tijd mede: hun verdedigingsmiddelen bleven in hoofdzaak op dezelfde wijze ingericht, hun taktiek ging niet vooruit, de hoedanigheid hunner soldaten werd slechter. En er was meer, waarop we moeten letten, nu we de verhouding der Turken tot het overige Europa in de tweede helft der zeventiende eeuw gaan beschouwen. Ten gevolge van de geweldige oorlogen in de eerste helft dier eeuw was er een groote verandering ingetreden in de verhouding der voornaamste Europeesche mogendheden onderling. De macht van het huis Habsburg, vooral die in Spanje, was sterk achteruitgegaan; Frankrijk's invloed was in hooge mate toegenomen, Frankrijk begon nu de groote mogendheid bij uitstek te worden en koning Lodewijk†XIV wenschte niets liever dan zijne monarchie nog uit te breiden. Strijd tusschen hem en het huis Habsburg was daarom opnieuw te verwachten, maar den steun van Turkije had Frankrijk nu niet meer noodig, zooals in de dagen van Frans†I. Bovendien, Lodewijk†XIV, religieus aangelegd, poseerde gaarne als beschermer van het Katholicisme en de Porte had daarom, als zij in moeilijkheden kwam, van hem niets te hopen; evenmin had Frankrijk van haar iets te vreezen, want een verbond van het huis Habsburg met de Turken tegen hem was gewoonweg ondenkbaar.
Men schreef 1661, toen twisten over Zevenburgen Turkije en Oostenrijk opnieuw in een oorlog wikkelden. De voÔvode George†II Rackoczy had zich vijandig tegen de Turken gedragen, die daarom zijne afzetting eischten en hun eisch weldra gewapenderhand ondersteunden. George†II kwam in den daaruit voortkomenden strijd om, maar Oostenrijk trad tegen een te grooten invloed van Turkije in Zevenburgen op. Kˆprili†II, die in dien tijd groot-vizier werd, bracht een groot leger op de been, dat plunderend als in vroegere dagen, zich over geheel Hongarije vertoonde. Het leger van keizer Leopold†I onder graaf Raymund van Montecuculi, hoewel veel beter geordend en beter geleid, was tegen de overmacht niet bestand. Oostenrijk zelf werd bedreigd. Toen bleek de invloed der veranderde omstandigheden. Lodewijk†XIV bood op ridderlijke wijze den keizer belangeloos een hulpcorps aan, dat na eenige aarzeling aangenomen werd. En nu keerde de kans. Het Oostenrijksche leger, versterkt met de Fransche troepen, de best geoefende van hun tijd, behaalde, hoewel sterk in de minderheid--men spreekt van 25.000 man tegen 240.000 Turken!--een schitterende overwinning bij het klooster St. Gotthard in Oostenrijksch Hongarije, dicht bij de grens van Stiermarken (1664). Op de Turken had die slag een grooten invloed. Ruim een week later reeds sloten ze opnieuw vrede te Vasvar (Eisenburg). De basis was in hoofdzaak het verdrag van Sitvatorok. VoÔvode van Zevenburgen werd een weinig beteekenend man, Apafy geheeten, die beide partijen wel wilden, juist om zijne zwakheid. Nog was Turkije er goed afgekomen, maar opnieuw had zijn prestige een zwaren slag gekregen. Oostenrijk, ongaarne steunende op Fransche hulp, had van de overwinning nog geen gebruik durven maken; de aanhoudende moeilijkheden, die Leopold†I toen in Hongarije had met de altijd weerbarstige magnaten, gaven hem trouwens tegenover de Porte de handen niet geheel vrij.
De schande van den Oostenrijkschen oorlog werd in den Venetiaanschen eenigermate uitgewischt. Had VenetiÎ vÛÛr het optreden van Kˆprili I enkele veroveringen kunnen maken, o.a. de eilanden Tenedos, Samothrake en Lemnos, met Kˆprili keerde de kans. De eilanden werden hernomen, de Dardanellen en de zeÎen beter beveiligd--en ten slotte onder Kˆprili †II ook de vesting Candia genomen (1669). Ook daarheen had Lodewijk†XIV een klein hulpcorps gezonden op verzoek van VenetiÎ, maar dit was niet voldoende geweest om de vesting te behouden. En van elders was geene hulp gekomen, ofschoon VenetiÎ ze ver genoeg gezocht had, tot zelfs in de Republiek der Vereenigde Nederlanden en in Engeland. Beiden hadden vele goede woorden gegeven, maar tot daden waren ze niet gekomen. Dit is gemakkelijk te verklaren: beide landen hadden groote handelsbelangen in het Oostelijk bekken der Middellandsche Zee. Engeland had reeds in 1580, Nederland in 1612 een voordelig handelsverdrag met de Porte gesloten; gingen ze VenetiÎ steunen, dan stelden zij hunne kooplieden bloot aan den onwil van den grooten heer van Stamboel. Nergens blijkt duidelijker het verschil tusschen een politiek als die van Lodewijk†XIV, die eerst zijn godsdienstbelang en zijn eer en dan de handelsbelangen zijner onderdanen behartigde, en die der zeemogendheden, bij wie de laatste belangen verre boven aan stonden. Wat de zaak voor dezen te moeilijker maakte, was hun onderlinge handelsnaijver: al had ÈÈn van beiden ernstige neiging gehad om VenetiÎ te steunen, zij zou het toch zonder de ander niet gedaan hebben uit vrees, dat dan die ander een meer bevoorrechte positie op handelsgebied zou kunnen erlangen. En gemeenschappelijk optreden voor zoover verwijderde belangen, al was de Christenheid er mede gemoeid, was onmogelijk te verkrijgen, zelfs niet, waar het een voor hen zoo gewichtige kwestie gold als het bestrijden van den zeeroof in de Middellandsche Zee. Meermalen is het door ÈÈn der landen voorgesteld, meermalen is het besproken om aan de praktijken der bewoners van Algiers en andere Noord-Afrikaansche kuststeden gezamenlijk een einde te maken, maar nimmer kon men het er over eens worden, hoe te handelen; men trad liever ieder op eigen houtje op om zoo mogelijk alleen een verdrag met ÈÈn of meer dier steden te sluiten en daarvan dan ook alleen de voordeelen te genieten. Dit is de oorzaak, dat er niets afdoends gebeurde om dien ergerlijken toestand te doen ophouden. Hoe dan een gezamenlijk optreden ten gunste van VenetiÎ te verwachten!
Twee jaar na de inname van Candia eindigde de oorlog met VenetiÎ, een nieuwe vrede werd gesloten en gedurende eenigen tijd heerschte er alom in Zuid-Oost-Europa rust. Kˆprili†II werd in 1676 als groot-vizier opgevolgd door een ander lid derzelfde familie, n.l. Kara Moestafa, schoonzoon van Kˆprili I; hij was een buitengewoon hebzuchtig man en de onderdanen, vooral in de schatplichtige landen, hadden daarvan veel te lijden; hij beschikte niet over de kracht van zijne voorgangers en zijn aanzien was dan ook niet zoo groot. Onder hem kwam het alweer tot oorlog met Oostenrijk. Leopold†I had te strijden tegen den opstand van Tˆkˆli in Hongarije en deze kreeg steun van Turkije. Het is opmerkelijk, dat Tˆkˆli ook gesteund werd door Lodewijk†XIV, die ook hier het huis Habsburg afbreuk trachtte te doen. Indirect hebben Turken en Franschen dus hier samengewerkt. Of Lodewijk†XIV ook direct de Turken heeft gesteund met officieren en ingenieurs, of hij hen heeft aangemoedigd Oostenrijk aan te vallen, een oogenblik dus de politiek van Frans†I hervattende, is een niet geheel uitgemaakte zaak. Heeft de verstandhouding bestaan, dan is ze door Lodewijk†XIV in elk geval spoedig verbroken, want ook in den nu volgenden oorlog heeft hij Leopold†I steun tegen de Turken aangeboden, maar Leopold†I weigerde nu dien aan te nemen.
Kara Moestafa bedoelde, toen de oorlog in 1681 eenmaal was uitgebroken, bepaaldelijk veroveringen te maken. Voor Oostenrijk lieten de kansen zich eerst slecht aanzien. Voor een aanzienlijk deel beziggehouden in het Westen door Lodewijk†XIV, die toen juist in vollen vredestijd Straatsburg en Luxemburg bedreigde, kon het Oostenrijksche leger in Hongarije lang niet tegen de Turken, die bovendien gesteund werden door Tˆkˆli en zijn naaste aanhangers, op. En zoo drongen de Turken voor de tweede maal door tot voor Weenen; in 1683 werd de stad opnieuw door hen belegerd, Leopold†I en zijn hof vluchtten naar Beieren. Evenals in 1529 ondervond het garnizoen onder Stahremberg krachtige ondersteuning van de burgerij, maar de toestand werd toch veel ernstiger dan toen: de verdedigingswerken der stad lieten veel te wenschen over; er kwam spoedig gebrek aan allerlei benoodigdheden. Had Kara Moestafa beter doorgetast, had hij een laatsten stormloop gewaagd, de stad zou misschien verloren geweest zijn; maar hij talmde, hij hoopte de bevolking tot een capitulatie te brengen om de meeste voordeelen voor zich zelf te kunnen bedingen en de buit niet grootendeels te moeten overlaten aan de Janitsaren. Zoo kon juist bijtijds redding opdagen. Lodewijk†XIV, die Straatsburg had ingenomen, hief het beleg van Luxemburg voorloopig op en herstelde daardoor de rust in het Westen. Het keizerlijk leger onder hertog Karel van Lotharingen, daardoor vrijgeworden, haastte zich naar Oostenrijk en kreeg steun van den Poolschen koning Johan Sobiesky, die, vooral op aanraden van den paus, den keizer te hulp kwam. Vereenigd vielen hertog Karel en koning Johan de Turken aan bij den Kahlenberg en opnieuw zegevierde de moderne taktiek over de verouderde strijdwijze. In wanorde vluchtte het Turksche leger. Kara Moestafa werd op bevel van den sultan te Belgrado onthoofd en daarmede eindigde de heerschappij der eerste drie Kˆprili.