Part 66
In Europa hadden de veroveringen na Mohammed†II zoo goed als stilgestaan. Maar nu kwam na Selim†I alweÍr een sultan van groote kracht, SuleÔman I, dien zijne onderdanen den Wetgever hebben genoemd en de Westerlingen den Prachtlievende. SuleÔman is een krijgs- en staatsman van buitengewone bekwaamheden, nog hooger ontwikkeld op dit gebied dan velen zijner voorgangers waren; wreedheid heeft hij niet getoond, op enkele uitzonderingen na. Dat ze in hem was, heeft hij bewezen, toen hij zijn zeer begaafden zoon Moestafa liet worgen (1553), om te voldoen aan een wensch van zijn lievelingsvrouw Roxelane, en toen hij, om diezelfde vrouw te plezieren, zijn grootvizier Ibrahim, die eerst veel invloed had, uit den weg liet ruimen (1536). Die invloed van Roxelane, misschien een Russische, toont, dat er onder SuleÔman een verandering intreedt, die op den duur zeer slechte gevolgen gehad heeft: de harem van den sultan blijft niet meer buiten het politieke leven.
Voor het uitwendige is SuleÔman's lange regeering (1520-1566) de schitterendste onder die van alle Turksche sultans, vooral om den invloed, dien hij uitoefende tot in West-Europeesche aangelegenheden toe. De verhouding van de Turken tot Europa wordt onder hem van anderen aard. Er is geen sprake meer van hunne uitdrijving uit Europa. Terwijl alle krachten van de aangrenzende landen noodig en nog niet eens voldoende zijn om verdere uitbreiding van het Turksche rijk te voorkomen, verandert ÈÈn der Europeesche staten geheel van politiek ten opzichte van Turkije: Frankrijk, nog pas dreigende om als bestrijder op te treden, gaat met den sultan verbindingen aanknoopen. Dit was een gevolg van den grooten strijd tusschen de beide in de eerste helft der zestiende eeuw in West-Europa bestaande en elkander bekampende grootmachten: Karel†V, regeerende over Spanje, groote stukken van ItaliÎ, de Oostenrijksche erflanden, de Nederlandsche gewesten, tevens keizer van Duitschland, en Frans †I, koning van Frankrijk, beiden strevende naar de opperheerschappij in Europa. Karel†V beschikte over de grootste hulpbronnen, overtrof Frans in bekwaamheid. Het einde van den strijd was niet twijfelachtig en begrijpelijk de reden, waarom Frans de derde grootmacht in Europa voor zich trachtte te winnen.
SuleÔman begon zijne vele ondernemingen met de beide plaatsen, waarvoor Mohamed†II het hoofd gestooten had. Belgrado werd reeds in 1521 genomen. Hongarije, na den dood van Matthias Corvinus door binnenlandsche twisten verscheurd, kon dit niet verhinderen. Een jaar later viel Rhodus. De expeditie tegen dit eiland, in den laatsten regeeringstijd van Selim†I met groote zorg voorbereid, kostte meer inspanning. Het beleg van de ridders, die in hun sterke vesting zich heldhaftig verdedigden, duurde ruim een half jaar. Op voorwaarde van vrijen aftocht gaven de grootmeester en de zijnen zich in December 1522 over. Een paar jaar later kregen zij Malta van Karel†V en vormden daar een nieuw bolwerk tegen Turksche uitbreiding naar het Westen.
Deze beide veroveringen waren slechts voorpostengevechten. Een grootsche onderneming kwam in 1526 [2328]: een inval in Hongarije. Het was het jaar na den slag van Pavia, waar Frans†I door Karel†V een geduchte nederlaag was toegebracht; de Fransche koning was gevangen genomen en te Madrid tot een zeer nadeeligen vrede gedwongen. Haast onnoodig is het te zeggen, dat hij dien vrede onmiddellijk na zijne invrijheidstelling verbrak. Op zijn aansporen nu, heet het, heeft SuleÔman den oorlog tegen het huis Habsburg aangebonden. Maar zou die oorlog anders zijn uitgebleven? Nu Belgrado ingenomen was, lokte de vruchtbare Hongaarsche laagvlakte als van zelf tot verovering uit, en te meer moest SuleÔman de verovering wenschen, omdat de macht van de Habsburgers dreigde zich ook hier te vestigen.
In Hongarije regeerde de jonge koning Lodewijk†II. Zijn vader, een zoon van een Poolsch koning uit het geslacht der Jagellonen, was na Corvinus' dood tot koning van Hongarije gekozen, en regeerde eveneens over Bohemen, MoraviÎ en Silezie. De slimme politiek van keizer Maximilaan†I, grootvader van Karel†V, had dezen tak der Jagellonen-dynastie op dubbele wijze aan de Habsburgers vermaagschapt: Lodewijk†II was gehuwd met Maximiliaan's kleindochter, Lodewijk's zuster met Maximiliaan's tweeden kleinzoon Ferdinand, den lateren keizer. Habsburgsche invloed was dus in Hongarije zoo goed als gewaarborgd.
Hiertegen nu trad SuleÔman op, hetzij dan geheel uit eigen beweging, hetzij op vreemde aansporing. Het Hongaarsche leger bleek volstrekt niet tegen hem opgewassen. Peterwardein was de eerste belangrijke verovering der Turken op Hongaarsch grondgebied. De beslissende slag had plaats bij Mohacz, waar Lodewijk†II sneuvelde en de Hongaren totaal verslagen werden. Nadat de "Hongaarsche natie" hier haar "graf" gevonden had, viel de hoofdstad van het rijk, Boeda, zonder slag of stoot in handen der Turken en spoedig daarna ook het aan de overzijde van den Donau gelegen Pest. Inwendige verdeeldheid onder de moeilijk te beheerschen Magyaarsche magnaten had de verovering gemakkelijk gemaakt--en vergemakkelijkte eveneens de verdere beheersching van het land. Twee pretendenten dongen naar de kroon, beiden vonden aanhang: Johan Zapolya, voÔvode van Zevenburgen, werd door de bevolking als koning erkend in Zevenburgen en Oostelijk Hongarije; Ferdinand, de Habsburger, door den rijksdag, vergaderd te Presburg, de hoofdstad van dat deel van Hongarije, dat nu Oostenrijksch werd. Beide partijen trachtten door SuleÔman erkend te worden: Zapolya won het; hij werd vorst onder Turksche suzereiniteit.
De gezanten van Ferdinand kregen van SuleÔman tot antwoord, dat hun meester zich op zijn bezoek moest voorbereiden. Inderdaad zette de sultan den oorlog voort en in 1529 rukte hij op tot voor Weenen. Zouden de Turken zich vestigen in Midden-Europa? Terwijl Weenen deerlijk in het nauw raakte, verbreidde zich in de Westelijke wereld een groote onrust. EÈn oogenblik kon men onderlinge vijandschap vergeten: Luther spoorde zijne geloofsgenooten aan nu de Katholieken te hulp te snellen; Frans†I, stellig ook onder invloed van den Turkschen intocht in Oostenrijk, sloot te Kamerijk vrede met Karel†V en verbrak dus zijne verbindingen met SuleÔman. Deze vond voor de poorten van Weenen een hardnekkigen tegenstand: alle beschietingen waren vruchteloos, alle bestormingen werden afgeslagen door een klein garnizoen onder den graaf van Salm, dapper gesteund door de burgers Toen de winter begon te naderen, toen de Janitsaren ongeduldig begonnen te worden, besloot SuleÔman het beleg op te breken (Oct. 1529); misschien is ook het vooruitzicht geheel West-Europa tegenover zich te zullen zien van invloed op dit besluit geweest. De oorlog werd nog gedurende vier jaar voortgezet zonder belangrijke krijgsverrichtingen. Op een tweeden tocht in Hongarije (1532) werden weinig resultaten behaald. In 1533 sloten Ferdinand en SuleÔman voor het eerst een verdrag. Ferdinand behield het Westelijk deel van Hongarije, maar moest een jaarlijksche schatting betalen aan Turkije. Karel†V, steeds volop beziggehouden in het Westen, legde zich hierbij neer.
Lang duurde echter de rust niet. De Turken trachtten in dezen tijd ook hunne macht te vestigen aan de Noordkust van Afrika, daardoor het Westelijk bekken van de Middellandsche zee aanhoudend bedreigende. Dit was vooral het werk van Chair-ed-Din, Barbarossa bijgenaamd. Hij behoorde tot een familie van zeeroovers, in dien tijd een welig tierend ras. Zijn broeder had Algiers veroverd en dit was na diens dood door Barbarossa zelf onder de souvereiniteit van den sultan geplaatst. Chair-ed-Din werd weldra opperbevelhebber der Turksche vloot en hij veroverde in 1534 Tunis. Hiertegen nu ondernam Karel†V zijn eersten tocht naar de Noordkust van Afrika; Tunis werd door hem heroverd (1535). Daardoor werd de oorlog algemeen. Frans†I sloot een offensieve en defensieve alliantie met SuleÔman, die toen te Bagdad was, gewikkeld in een oorlog tegen PerziÎ. Deze alliantie is ook van beteekenis wegens de aan Frankrijk verleende voorrechten in het Turksche rijk; overal zouden de Franschen tegen een minimum invoerrecht handel mogen drijven; bovendien kregen zij de bescherming van de heilige plaatsen in Palestina. Dit zijn de zoogenoemde capitulatiÎn, dikwijls hernieuwd en op den duur een bron van moeilijkheden.
De oorlog, die in 1536 opnieuw begon, werd vooral ter zee gevoerd. Reeds sedert de dagen van Mohammed†II hadden de Turken een vloot bezeten, waarmede achtereenvolgens verschillende eilanden in de AegeÔsche Zee genomen waren. Nu, onder Chair-ed-Din, werd die vloot geducht, werd ze meer dan bestand tegen de Venetiaansche, zelfs met een admiraal als Andreas Doria aan het hoofd. VenetiÎ was verbonden met Karel†V en het is vooral deze stad geweest, die verloor. Toen het in 1539 onder bemiddeling van Frankrijk vrede sloot met SuleÔman, moest het weÍr eenige plaatsen aan de Adriatische Zee en al de bezittingen, die het nog had in den Peloponesus en in de AegeÔsche Zee, op een paar na, afstaan. Frans†I zelf had reeds eerder den oorlog gestaakt en den wapenstilstand van Nizza gesloten (1538): hij behandelde dus zijn bondgenoot niet al te nauwgezet. Deze toonde er niet den minsten wrok over. Toen in 1541 de wapenstilstand verbroken werd, kwam het tusschen de bondgenooten tot directe samenwerking. Een Fransch en een Turksch eskader vereenigden zich om verschillende steden van Savoye te veroveren, waarvan de hertog met Karel†V verbonden was: onder meer hebben zij de stad Nizza in bezit genomen. Voor noodige herstellingen werden haven en stad van Toulon door den Franschen koning ter beschikking van de Turksche vloot gesteld.
Ondertusschen oorloogde men ook opnieuw in Hongarije. Zapolya was in 1539 gestorven. Zijne verhouding tot Ferdinand van Oostenrijk was goed geweest; Zapolya had aan Ferdinand de opvolging in zijn deel van Hongarije toegezegd. Daarvan was echter SuleÔman niet gediend. In 1541 ondernam hij opnieuw een tocht naar Hongarije en nu bezette hij Boeda en Pest voor zichzelf: hij maakte er Turksche steden van en een groot deel van Hongarije werd een Turksche provincie. Zevenburgen en een klein deel van Hongarije, het banaat van Temesvar, kwamen aan Zapolya's zoon Sigismund, toen nog minderjarig. Van het deel, dat Ferdinand had, werden enkele steden veroverd: Gran en Stuhlweissenburg (1543), Visegrad (1544). De algemeene oorlog eindigde in dit laatste jaar, zonder dat ergens groote resultaten waren behaald. Frans†I, die behalve Turkije nog verschillende andere Europeesche machten tegen Karel†V in beweging gebracht had, moest opnieuw het onderspit delven bij den vrede van CrÈpy. Drie jaar later sloot SuleÔman een nieuw verdrag met het huis Habsburg, in hoofdzaak een bevestiging van het vroegere. Bovendien was nu ook MoldaviÎ schatplichtig aan Turkije geworden (sedert 1546) [2329].
In de oorlogen van Karel†V en diens opvolger Philips†II met Hendrik†II, den opvolger van Frans†I, die steeds om dezelfde reden voortgezet werden, is SuleÔman weÍr de bondgenoot van den Franschen koning. Maar groote veroveringen heeft hij niet meer kunnen maken. Tegen de wereldmacht der Habsburgers, die onder Karel †V steeds versterkt was, kon hij op den duur niet op. Het kostte moeite het veroverde te behouden, want de Hongaren verdroegen niet dan zeer onwillig het Turksche gezag. Zevenburgen zelfs kwam ten gunste van Ferdinand in opstand. Die beweging werd bedwongen, het Turksche gezag overal in Hongarije hersteld, maar daarbij bleef het. Evenmin werkte het gezamenlijk optreden van de Turksche en Fransche vloten veel meer uit. Alleen nam de Turksche vloot onder Dragut, den broeder en opvolger van Chair-ed-Din, in 1551 Tripoli [2330]. Nadat Hendrik†II buiten Turkije om den wapenstilstand van Vaucelles sloot (1556), toonde SuleÔman voor het eerst zijn ongenoegen aan Frankrijk. Beider samenwerking was minder hartelijk, toen Hendrik†II weldra den oorlog tegen Philips†II hervatte, die in 1559 met den vrede van C‚teau-CambrÈsis eindigde. Daarmede werd de goede verstandhouding tusschen den "zeer Christelijken" koning en het hoofd der Mohammedaansche wereld afgebroken. Frankrijk ging een halve eeuw van godsdienstoorlogen tegemoet; de strijd in het groot tegen het huis Habsburg rustte in dien tijd. Echter bleven de Franschen in het bezit hunner capitulatiÎn, waarmede ze een bevoorrechte plaats in den Oosterschen handel innamen tot in de zeventiende eeuw toe. Die handel was echter (het is misschien niet overbodig dit op te merken) niet meer van zulk een beteekenis voor de geheele wereld als vÛÛr de ontdekking van den zeeweg naar IndiÎ in het einde der vijftiende eeuw.
SuleÔman zette na 1559 den oorlog voort, maar noch in Hongarije noch in de Middellandsche Zee met het vroegere animo. Met Ferdinand†I, nu keizer, sloot hij in 1562 voor de derde maal een overeenkomst op de oude voorwaarden. Met Karel V als koning van Spanje had SuleÔman nooit vrede gesloten. Evenmin deed hij dit met Philips†II, die evenals zijn vader gold als de verdediger bij uitstek van het Katholicisme, de onverzoenlijke tegenstander van den Islam. De meest bekende gebeurtenis uit het laatste deel van dien oorlog is het beleg van Malta (1565), dat SuleÔman aan de orde van St. Jan, gesteund door Spanje, wilde ontnemen. De poging mislukte en evenzoo was SuleÔman's laatste expeditie in Hongarije vruchteloos. De vrede hier was reeds na vier jaar om aanhoudende grensmoeilijkheden verbroken. SuleÔman viel opnieuw in Hongarije, sloeg het beleg voor Sziget, dat dapper verdedigd werd door Zriny, bij wien Hongaarsch patriottisme den noodigen invloed oefende. Tijdens het beleg stierf SuleÔman, een en zeventig jaar oud (1566).
Onder hem heeft het Turksche rijk het toppunt van zijne macht bereikt. Enkele kleinere veroveringen, die later genoemd zullen worden, zijn daarna nog gemaakt, maar vergeleken bij de vroegere komen ze haast niet in aanmerking. Vanwaar die stilstand, hier gelijkstaande met achteruitgang? Niet om de meerdere kracht der andere Europeesche staten alleen, want, ofschoon die werkelijk op den duur zich deed gelden, was er toch bij de vele onderlinge oorlogen, vooral in de zeventiende eeuw, gelegenheid genoeg geweest daarvan gebruik te maken. De achteruitgang hangt nauw samen met inwendige veranderingen in het Turksche rijk zelf en is daarom eerst voor den buitenstaander onzichtbaar. Die veranderingen dienen we in de eerste plaats kort na te gaan.
III. De Achteruitgang der Turksche macht in Europa.
In het Turksche rijk is de padishah alleenheerscher, gebonden alleen aan het gezag van den koran en andere godsdienstige wetboeken. De Osmanen en andere Muzelmannen hebben in het geheel geen aandeel in de regeering. De padishah wordt daarin bijgestaan door verschillende ambtenaren, die hij vroeger meestal nam uit zijne slaven, buitgemaakte Christenen, evenals de Janitsaren in den Islam opgevoed. Zoo deed zich het merkwaardige verschijnsel voor, dat het Turksche rijk zijne voornaamste steunpilaren vond buiten de eigenlijke natie om. Nimmer werd onder SuleÔman het eerste ambt, dat van grootvizier, bekleed door ÈÈn der Osmanen; de meest bekende, Ibrahim, wiens einde reeds vermeld is, was een Albanees. Zoo was het ook met de andere ambten, als die van aga (troepenaanvoerder), oulema (wetsuitlegger), beg (hoofd van een sandjak, een provincie van het rijk), reÔs-effendi (minister van buitenlandsche zaken, ondergeschikt evenals de drie andere vizieren aan den groot-vizier), mufti of cheikh-ul-islam (opperste wetsuitlegger) en verschillende andere. Slaaf te zijn van den Turkschen sultan was dus zoo onvoordeelig niet; voor een avontuurlijken geest was er iets aanlokkelijks in. "Velen," zegt Ranke, "verlieten met opzet hun vaderland om onder deze slaven hun geluk te beproeven." Voor de Osmanen zelf kan deze bevoorrechting van menschen, die door hen eenmaal overwonnen geworden waren, niet anders dan een harde pil om te slikken zijn geweest; dat we van verzet van hunne zijde niets bemerken, moet een gevolg zijn van het groote gezag der achtereenvolgende sultans. Wel duurde het niet lang, of de Turksche onderdanen zelf gingen pogingen doen om onder de bevoorrechten, b.v. in het corps der Janitsaren, te worden opgenomen. Onderling stonden de Osmanen op staatkundig gebied volkomen gelijk; bij hen geen geprivilegieerde standen: voor allen dezelfde verplichtingen, dezelfde rechten.
Anders was het voor de Christenen in het Turksche rijk gesteld. Vervolging om hun geloof hadden zij niet te duchten, maar toch waren ze de minderen: behalve de belastingen, die alle inwoners van het rijk betaalden, moesten zij een afzonderlijk hoofdgeld opbrengen en ten allen tijde was het voor hen een moeilijk ding om tegenover een geloovige in Allah recht te krijgen. Dit en de jaarlijks voorkomende kinderenroof plus het gevoel van verloren vrijheid maakten hunne positie weinig benijdenswaardig, maar, laten we bij de beoordeeling daarvan niet vergeten, dat de anarchie, die het Grieksche rijk gedurende zoo langen tijd gekenmerkt had, den Griekschen Christenen reeds heel wat had leeren doorstaan. Dit mag ÈÈn van de redenen zijn, waarom we van Christen-opstanden voorloopig niet hooren; een andere was, dat de knapenschatting vele der beste krachten uit het Christenvolk wegnam, en een derde, de voornaamste, dat de Turksche heerschappij tot in het midden der zestiende eeuw zeer krachtig was en gemakkelijk alle opstanden zou hebben kunnen bedwingen. Het behoeft geen verwondering te wekken, dat er vele Grieksche Christenen van godsdienst veranderden: de rol van vervolgde te spelen, al was het martelaarschap hier niet al te zwaar, is voor velen ondraaglijk. In den eersten tijd na de verovering had de bekeering tot den Islam niet dan op bescheiden schaal plaats: het waren toen vooral grootgrondbezitters, die, meer blootgesteld dan andere minder bedeelden aan hebzucht der overwinnaars en daarom bevreesd voor het verlies hunner goederen, veiligheid zochten door Allah te gaan aanroepen. Later, toen het patriarchaat in verval geraakte en vaste leiding in de Grieksche kerk ontbrak, kreeg de Islam veel meer bekeerlingen; vooral in de zeventiende eeuw is dit het geval geweest, toen heele volksstammen als de Albaneezen, de Slavische Pomaken in den Rhodopus en ook velen in ServiÎ, in Griekenland en zelfs op de eilanden, bepaaldelijk op Euboea en Creta, de Grieksche kerk den rug toekeerden. Wat er toen van de oude bevolking van het Balkan-schiereiland over bleef, was niet veel: boeren op het platteland, zoowel in het eigenlijke Griekenland als in de Slavische landen, die over het algemeen een zeer sober bestaan leidden: kooplieden, vooral op de eilanden, wier toestand beter was, die soms kans hadden heel rijk te worden, nu ze ter zee als onderdanen van den padishah beter beschermd werden dan vroeger als onderdanen van den keizer; eindelijk de Phanarioten te Constantinopel, wonende in de wijk Phanar, oude aanzienlijke families, uit wier midden de drogman en in lateren tijd ook de bestuurders van de Donauvorstendommen genomen werden.
In een staat als dien der Turken, waarin het ÈÈne deel der onderdanen beneden het andere staat, terwijl beide deelen beheerscht worden door den vorst met zijne omgeving, die weÍr uit het eerste deel is samengesteld, komt bijzonder veel aan op de persoonlijkheid van den oppersten leider. Tot SuleÔman was deze op een enkele uitzondering na voortreffelijk geschikt geweest om die leiding te geven: krachtig om zijn aanzien hoog te houden, oorlogszuchtig om de soldateska werk te verschaffen. Na SuleÔman's dood werd dit anders. De zoon van Roxelane, die nu sultan werd, Selim†II, was volkomen ongeschikt om te regeeren en hetzelfde oordeel moet uitgesproken worden over de meeste der volgende sultans. Het was, alsof het noodlot Osman's stam met de vermoording van den eerstgeborene van SuleÔman (zie hiervÛÛr, blz. 685) niet geveld, maar toch ontworteld had; het laatste was voor het Turksche rijk misschien erger dan het eerste geweest zou zijn. Hadden SuleÔman en zijne voorgangers zelf de regeering gevoerd, zelf het leger aangevoerd, met de meeste latere sultans was dit niet meer het geval: zij werden opgevoed in den harem, te midden van vrouwen en eunuchen, en brachten bijna hun geheele leven in het paleis door, zonder voor hunne waardigheid op eenigszins voldoende wijze te worden voorbereid; de gewoonte, dat sultanszoons vÛÛr de regeeringsaanvaarding een provincie bestuurden om te leeren regeeren, stierf uit.
Onder die omstandigheden moest de invloed van de omgeving van den sultan groot worden. Wat we het eerst duidelijk zien bij Roxelane's macht over SuleÔman in enkele gevallen, wordt nu voor de geheele regeering regel. Deze heerschappij van gunstelingen, hetzij van een lievelingsvrouw, hetzij van de ÈÈn of andere cÙterie, die het recht verstonden op hun manier, die veeleischend waren voor zich en hunne vrienden en alleen om eigen belangen zich bekommerden, was, evenals overal waar ze voorkomt, ook voor het Turksche rijk hoogst verderfelijk. Het zijn Turksche schrijvers zelf, die van de zeventiende eeuw af daarop gewezen hebben. Om aller begeerten te voldoen was geld, steeds meer geld noodig en de druk op de onderdanen, in de eerste plaats op de Christelijke, begon daardoor zeer zwaar te worden. Met geld deed men in den harem alles; de beste ambten waren voor de meestbiedenden; op geschiktheid, op verdiensten werd minder gelet. Slechts een enkelen keer werd de invloed van de omgeving van den sultan na SuleÔman onderbroken; dat was, wanneer min of meer toevallig een krachtig grootvizier optrad, die den sultan wist te beheerschen en den harem zijn staatkundig karakter te ontnemen. We zullen daarvan in het vervolg enkele voorbeelden zien, maar het blijft uitzondering.
Raakt de hoogste macht in het rijk in verval, hetzelfde gebeurt met de militaire macht. De Janitsaren, reeds lang een moeilijk te regeeren corps met al te veel voorrechten, begonnen in de zestiende eeuw van aard te veranderen. De ongehuwde staat, waarin zij in den eersten tijd verkeerd hadden, was reeds onder SuleÔman afgeschaft; later, waarschijnlijk bij de troonsbestijging van Selim †II, hebben zij gedaan weten te krijgen, dat hunne zoons in hunne gelederen konden worden opgenomen. Daarnaast kregen niet lang daarna Osmanen zelf toegang tot het corps, waarvan de groote voorrechten aanlokten, zonder dat zij de opvoeding van de vroegere Janitsaren ontvingen. Deze verandering had ten gevolge, dat de knapenschatting onder de Christenen in de eerste helft der zeventiende eeuw ophield, maar ook, dat het bij uitstek krijgshaftig karakter van het corps op den duur verloren ging. De Janitsaren zaten liever thuis, genietende van hunne hooge soldij en andere voorrechten, dan dat ze ten strijde togen. Evenzoo waren de leensoldaten van aard veranderd; de meeste leenen, timarli geheeten, werden vergeven aan gunstelingen en niet meer aan krijgslieden van beroep. Het ruitercorps der sipahi, dat uit dergelijke leensoldaten bestond, moest dus voortaan bezoldigd worden evenals de Janitsaren. Ook hunne vechthoedanigheden werden spoedig minder; vooral hunne paarden, ÈÈnmaal de groote roem van het Turksche leger, namen in voortreffelijkheid sterk af.
In den oorlog, het zou spoedig blijken, kon men op een dergelijk leger niet meer zoo vertrouwen als vroeger. Daarentegen deed het zich meer gelden in binnenlandsche aangelegenheden, wat mogelijk was, nu het opperste gezag doorgaans zoo weinig kracht bezat. Wanneer een sultan niet regeerde naar de wenschen zijner militairen, wanneer hij dier belangen op de ÈÈn of andere wijze schond, dan kwamen zij meermalen in verzet en daarmede begonnen de in het Turksche rijk evenals in alle militaire despotische staten zoo dikwijls voorkomende paleisrevolutiÎn, waarvan we het eerste voorbeeld reeds gezien hebben ten tijde van Bayezid†II.